Zoo'n Nonna!

Part 7

Chapter 74,023 wordsPublic domain

Maar, al zette hij zich over die gevoeligheid heen, al dwong hij zich om een hartelijken toon aan te slaan, wat zou ’t uitwerken. Hoe kon hij bij het jonge meisje den argwaan wegnemen, haar overtuigen, dat ze zich door haar hartstocht had laten verblinden, dat hij haar trouw bleef... Trouw? Met zijn verstand, zijn plichtbesef, ja, met zijn hart zeker niet. Nu goed, dat hij bleef bij zijn voornemens, dat ze moed moest houden, en alles nog terecht zou komen? Een magere troost! De zaak was immers wanhopig. En toch kon hij ’t niet over zich verkrijgen, alles maar op zijn beloop te laten, en af te wachten, totdat Clarine den een of anderen stap deed, om weer met hem aan te knoopen. Zou ze dat ooit doen? Zou ze na ’t gebeurde niet vol schaamte en gekwetste eigenliefde zijn? O, zeker. Er was geen denken aan, dat zij de zelf verbroken betrekking tusschen hen zou willen herstellen, als niet hij den eersten stap daartoe deed: daarvoor was ze te trotsch, te ingebeeld liever. En wat zou er dan van haar worden? Zou hij dan nog een oogenblik gewetensrust kennen? Wie weet wat ze in haar wanhoop zou doen: wegvluchten, zoo dat hij niets meer van haar vernam... of, nog erger, zelfmoord plegen...

»Goeie morgen!” zeide Laura, die om ’t schutsel kwam kijken. »Je hebt goed geslapen, geloof ik, niet?”

Cornelia antwoordde niet dadelijk. Daarna keek hij zijn vriendin als versuft aan, en beantwoordde haar groet:

»Goeie morgen. Zeker, zeker, ik heb goed geslapen!”

»Waar denk je aan?” vroeg ze lief belangstellend. »Aan die narigheid van gisteren? Wil je haar schrijven?”

Hij knikte.

»Ik zou ’t ook raden, al was ’t maar een enkel woord.”

»Ik weet niet wat ik schrijven moet, wat in vredesnaam?!” riep Cornelis hevig, zonder haar aan te zien. »En als ik ’t niet doe...”

»Nee, ze moet wat van je hooren. Maar,” ging Laura voort, als kwam ze op een idee. »Zal ik ’t voor je doen? Ik woû, dat ik haar spreken kon; maar dat is onmogelijk, natuurlijk.”

»Kom, Laura, meen je dat?”

»Zeker, waarom zou ik niet? Wel beschouwd is dat nog ’t beste. Ze moet begrepen hebben, dat ik in ’t geheim was, of anders zeker, dat ik door haar houding daar wel van op de hoogte moest komen... Hoe kàn ze mijn belangeloosheid in twijfel trekken, als ik haar moed inspreek, en haar aanraad de zaak verder in Gods handen te laten?”

»Ik heb haar geraden naar ’t buitenland te gaan, en dan of te wachten,” zei Cornelis somber.

»Goed, dat zal ze licht doen. En ik raad haar immers te vertrouwen in ’t geen je met haar voorhebt. Kom, die brief mag niet uitgesteld worden.” Meteen richtte ze zich naar een kast in de kamer en haalde schrijfgereedschap voor den dag. Cornelis liet haar stil begaan.

»Doe je ’t werkelijk?” riep hij meer tegen zichzelven dan tegen haar, toen ze zich zette om den brief te beginnen.

»Och, natuurlijk. Wacht maar, straks mag je ’t lezen.”

»Lees hem liever voor,” antwoordde de jonge man, verlangend naar den klank harer lieve stem, vol mollig hoog en laag.

De pen vloog weldra over ’t papier. Nu en dan fronsten zich haar wenkbrauwen, en hield ze even op. Dan begon ze met nieuwe aandrift, als bezield door ’t heilige van haar doel: een moeder en een kind voor schande te behoeden.

De brief, dien ’t jonge meisje na een half uur schrijvens voorlas, luidde aldus:

Geachte juffrouw Dauteville!

(De aanhef had Laura geen oogenblik bedenkens gekost: ze had achting voor haar; volgens haar was geen mensch ter wereld zoo slecht, of ’t was nog achting waard.)

Na ’t geen hier tusschen ons voorgevallen is, zal ’t u wellicht verwonderen, dat ik u een brief schrijf. Maar ik hoop van harte, dat gij na de lezing overtuigd zult wezen, dat er geen wrok in mij is, niets hoegenaamd; dat ik mij in de gegeven omstandigheden volstrekt niet beleedigd voel. Integendeel, ’t spijt me, dat ik niet nog een poging gewaagd heb, om u te kalmeeren. Ik zag hoe lijdende gij waart, hoe overspannen en ellendig. Ik weet zelf wat lijden is, ik heb zelf geleden en veel zien lijden. Begrijp dus, dat ik innige deernis met u had. Ondanks mezelven ben ik op de hoogte gekomen van uwe betrekking tot Cornelis. Hij heeft me die bekend, zonder dat ik er naar gevraagd heb. Ik weet alles, en beklaag u. Voor Cornelis heb ik veel sympathie: dat alleen is reeds voldoende, om mij levendig belang in u te doen stellen. Ik gun u beiden geluk zooveel ’t leven u dat nog kan aanbieden. ’t Zou mij een groote voldoening wezen, geloof mij, als ik bijgedragen had tot u-beider geluk. Zie er nog van te maken wat ge kunt. Laat geen wantrouwen in uw hart sluipen, en bedwing uw hevigheid. Geloof mij, dat Cornelis niets liever wil, (»zeker,” dacht de schrijfster, »hij zou niet anders willen, al is zijn hart ook afkeerig”) dan al ’t onrecht herstellen. Als gij nu in deze kritieke omstandigheden met hem breekt, maakt gij hem voor zijn verdere leven ongelukkig (»dat zal zeker indruk maken” dacht Laura »’t is de waarheid, al bedoel ik ook zijn verdriet uit zelfverwijt...”), en, bedenk dit toch in ’s hemels naam ook, uw kind evenzeer. Offer uw eigenliefde op aan ’t belang van Cornelis en dat van uw kind.

Ik spreek zeer vrijmoedig met u, dat besef ik volkomen. Maar waarlijk, gij behoeft u over mijn stilzwijgendheid niet ongerust te maken: die is zoo veilig als iets menschelijks ooit wezen kan. Ik heb in mijn driejarige loopbaan als verpleegster al zoo veel geheimen vernomen en in mijn ziel bewaard en—ik ben niet als ieder ander. Ik voel mij ouder, bezadigder, en ik sta als ’t ware buiten het gewone leven als een non. Beschouw mij dus als uwe oudere zuster, eene die niet drie, maar tien jaar ouder is dan gij. Zoo voel ik me ook tegenover Cornelis.

Dus nog eens: vertrouw hem, en wacht af. En als ik u met raad kan dienen, beschik over mij.

Geloof mij inmiddels met de beste gevoelens,

de uwe, Laura van Keulen.

»O, Laura!” riep Cornelis vol bewondering toen ’t laatste woord van haar lippen kwam, en ze hem vragend aankeek. »Als die brief geen indruk op haar maakt, dan is geen menschelijke macht ter wereld in staat haar trots te breken.”

De brief, waarop Cornelis zooveel gebouwd had, kwam Clarine ’s avonds in handen. Ze las hem alleen in haar slaapkamer met strakke droge oogen en opeengeklemde lippen. Ze las hem nog eens. Haar wangen gloeiden. Ze stond driftig op met een prachtig gebaar. Haar glanzend bruin haar viel weelderig om haar half naakte schouders, terwijl haar hoofd zich woest achterover boog. »Nooit! dan liever dood!!” mompelde ze met gesloten vuisten.

Daarna wendde ze zich naar haar toilet-tafel, en begon droomerig haar haar te doen. Een bitter lachje plooide even haar lippen, toen ze haar mooi beeld in den spiegel zag, en er een oogenblik naar staarde.

’t Was duister in haar ziel.

En haar trots was niet gebroken. Daartoe moest een andere macht haar innigste wezen treffen.

IX.

EEN CORRECT MENSCH EN EEN IDEALISTE.

Udoma Senior had het niet druk dien morgen. Er was nog niets bizonders geweest, niets nieuws dan alleen een actetje voor een arme weduwe, die meubels op »huurkoop” nam van een uitdrager. Dat kwam anders meer in ’t vóorjaar voor. Er was in den omtrek van Delmond een soort »Knijpinrichting,” iets dat pas opgekomen was, en nogal vreemdelingen trok. Menschen in ’t dorp verhuurden kamers, natuurlijk vooral in den zomer. Een enkele patiënt verkoos den herfst, en zoo had de weduwe, die notaris Udoma in zijn lectuur gestoord had, »van de gelegenheid ereis willen gebruik maken, als ik ’t zoo maar’s zeggen mag,” om ook kamers te verhuren. Daarvoor waren meubels noodig, en, om deze te krijgen, geld. Een »welwillende” uitdrager sprong in dit en dergelijke gevallen bij, en wilde wel met »recht van wederinkoop” meubels verhuren. Als dan éen termijn van de te betalen huursom niet voldaan werd, had die menschenvriend ’t recht de meubels terug te nemen. Na een zekeren tijd van geregeld afbetalen werden de meubels het eigendom der huurders. Van de tien contractanten brachten negen ’t nooit zoo ver: de edele helper in den nood wist dan wel raad. Begreep hij, dat er »niets te halen” was, en ’t »verhuurzaakje” verloopen was, dan beriep hij zich op zijn notarieel contract, en de meubels vonden weer een plaats in zijn »magazijn,” om nieuwe hulpbehoevenden te lokken; was er daarentegen nog kans op verbetering van omstandigheden, dan werd een nieuw contract gesloten, nog drukkender dan te voren.

Notaris Udoma hield niet van zulke contracten: ze gaven »veel gezanik” en maar weinig voordeel. Hij kon zich niet begrijpen, hoe zijn voorganger—naar hij gehoord had—er genoegen in vond zulke lui gratis te helpen, en soms een uur kon leuteren met zoo’n uitdrager, om den man zooveel mogelijk schappelijke voorwaarden voor te stellen, of anders ’t aangaan van een al te drukkende verbintenis aan ’t slachtoffer af te raden. Wat ’n dwaasheid! Zoo’n mensch moest maar weten wat ze deed: ze was geen kind, parbleu! En dan—hij had nog al tijd om dat gezeur aan te hooren! Ze verveelden hem al genoeg, die »waarlooze cliënten,” zooals hij ze noemde. Zijn candidaat-notaris, de heer Puntsik vond, dat zijn baas »wolkome geleek” had. De heer Puntsik was uit den Haag. Udoma had hem overgenomen, van zijn voorganger, en was zeer tevreden over hem. Met zijn vorigen patroon had hij ’t nooit best kunnen vinden: verbeeld je, die beweerde altijd, dat zoo’n onsmakelijk individu van de »lagere klasse” even goed een fatsoenlijk man kon wezen als iemand uit »zijn kginge!” Neen, dan was Udoma beter: die was »coggect” in alles, zie je. ’t Eenige dat hij tegen zijn werkkring had, was dan ook ’t »gat van ’n plèètche,” waar hij woonde, en ’t sombere weinig »smèèkwolle” van Udoma’s kantoorinrichting.

Inderdaad was dit oord van menschelijk wantrouwen niet smaakvol en niet vroolijk, verre van dien. ’t Was of er steeds een nevel van argwaan hing, zoo somber keken de paarschgeworden ruiten vóor aan straat met de donkergroene horretjes, zoo grijnzend zagen de zwarte brandkasten met koperen beslagen er uit, zoo streng leken de oude eikenhouten meubels, de stoelen met zwartleêren zittingen, de ontzaggelijke schrijftafel van den notaris, alles straalde, of liever walmde wantrouwen. En de smalle straat vóor ’t huis keek dof en onbeminnelijk binnen. Wie aarzelend of verlegen binnentrad was vaak de kluts heelemaal kwijt wanneer hij vlak vóor de ontzaggelijke schrijftafel stond. De twee zwarte archiefkastjes boven ’t meubel aan den muur schenen dan blikken vol wantrouwen op den cliënt te werpen.

’t Eenige vroolijke toontje, dat had kunnen klinken, als ’t gedurfd had, was ’s heeren Puntsiks »mup,” nu en dan meegedeeld aan den oudsten klerk, dien hij »wel leeë moch”: ’t was »’n jonge van goeie famieïe.” Maar zelfs die mop klonk wantrouwig: want de baas hield niet van schuine aardigheden onder ’t werk, althans niet in ’t bijzijn van de klerken. Zulks was ongepast, vond Udoma.

Hij zat dan te lezen. Morgen zou de pastoor komen eten, en als hij nu »de Tijd” niet wat nauwkeurig las, zou ’t gesprek zeker niet best vlotten. De pastoor kwam gewoonlijk iederen Zondag eten. ’t Was nu twee maal niet gebeurd, »om die jongen boven.” ’t Stond niet. Nu hij meende, dat het gevaar kon verondersteld worden geweken te zijn, mocht Heeroom niet wegblijven. Heeroom luisterde geduldig naar Udoma’s verhalen en zijn politieke frazenmakerij. Heeroom vond ook, dat hij zeer rechtzinnig dacht over de »goddelooze school” en over de dienstplicht, en de tafel van »Meneer de notaris” was bizonder goed, vooral ’s zondags. Heeroom dacht wel dikwijls met een zweem van zelfverwijt aan de zwakheid des vleesches, die hem Udoma’s maaltijden zoo lekker deed vinden; maar de goede man had telkens een gewetensstopper bij de hand; ’t was immers goed voor de belangen van de kerk, als hij zich een vriend toonde van »mannen als Udoma, mannen van vermogen en invloed.” En, heusch, hij mocht hem wel—hem persoonlijk, niet alleen zijn tafel. En zijn kitteloorig priestersgeweten zweeg.

De zware deuren van ’t kantoor—alle deuren waren in ’t ouderwetsche huis wantrouwig zwaar—ging half open. Er vertoonde zich een hoofd. Candidaat-notaris en klerk keken gelijktijdig op van hun werk. Een jonge dame! O, ’t was maar de verpleegster. Niets nieuws dus, maar toch niet onaardig. ’n Typisch bakkesje, die juffrouw Van Keulen: »pikant” vond Puntsikje; »’n bedroefde Cleopatra,” dacht de klerk van »goeie famieie,” die klassieke neigingen had; want hij had ’t indertijd tot het derde jaar gymnasium gebracht. Hij had den weemoedigen trek om Laura’s kleinen mond waargenomen.

De notaris, wiens schrijftafel dicht bij den ingang stond, was te veel verdiept in zijn courant, om dadelijk op te kijken. Niet, dat hij ’t opengaan der deur niet gehoord had, maar zijn waardigheid liet niet toe dadelijk »nieuwsgierigheid” te toonen: de binnentredende zou wel eens te min van zijn grootheid als notaris kunnen denken, als hij »begeerigheid” naar een cliënt liet blijken.

Laura wilde spreken. »Neef” zeide ze niet gaarne. Wel was ’s mans houding tegenover de arme nicht in den laatsten tijd opvallend veranderd, en was hij bizonder vriendelijk jegens haar, telkens wanneer ze elkaar ontmoetten. Dat was met het middagmaal, want de andere maaltijden hield ze boven bij den patiënt. Maar die vriendelijkheid was van een soort, die Laura vreemd voorkwam, en haar op een afstand hield in plaats van aan te trekken. »Neef” was wel eens wat vrij met zijn complimentjes en zoo. Hij wilde met alle geweld, dat ze »oom” zou zeggen—iets waar hij vroeger niet aan gedacht zou hebben; doch in gezelschap van anderen ging zelfs »neef” haar slecht af. In haar fierheid als arme nicht—eigenlijk achternicht—stond een toon van gemeenzaamheid haar niet aan, die anderen zou kunnen doen vermoeden, dat ze op die familiebetrekking bizonder prijs stelde.

Het jonge meisje vertoonde zich even in de kamer, wierp een blik naar de twee starende jonge menschen, die onmiddellijk weer vol aandacht aan ’t werk togen, en deden, alsof ze haar niet gezien hadden. Ze kuchte.

»Zoo Laura!” riep Notaris Udoma opstaande, met groote verrassing in zijn stem. »Wel, wel, kind, heb je ook al besognes? Waarmee kan ik je van dienst zijn? Hier, ga hier zitten”. Met vriendelijk gebaar wees hij op een stoel naast de schrijftafel, den stoel, die voor menigen stumperd een pijnbank was geweest.

»O nee, dank u” antwoordde ’t meisje even aarzelend en zacht.

»Ik wilde wel gaarne u alleen spreken. Zou dat kunnen?”

»Zeker, zeker, zeker...” Udoma legde de courant, die hij opstaande in de hand was blijven houden, op de schrijftafel, en keek haar vragend aan. »Iets van beteekenis? Toch niet over...” en hij maakte een wijzend gebaar naar boven.

»Ja, iets over Cornelis,” antwoordde Laura. Ze was reeds in de gang, de lange kille vochtige lage gang, met de witgekalkte muren, die ongeveer tot manshoogte zwart gemaakt waren. Er heerschte een halfduister, dat eerst achteraan bij den tuin eenigszins voor daglicht plaats maakte. Middenin was de holte van de breede trap zóo donker, dat er des daags zelfs een lampje brandde. ’t Heele huis had gebrek aan licht en lucht. Een beklagenswaardige vrouw was er verkwijnd, omdat ze er ook gebrek aan liefde had.

»Zoo, niets van beteekenis wil ik hopen?” zei Udoma, meer om wat te zeggen, dan uit belangstelling. Zijn gedachten waren niet bij den zieke; met welgevallen liet hij den blik gaan over de lenige, lieve gestalte der verpleegster. Ze voelde den gloed van zijn oogen op haar gelaat, en had een opwelling van wrevel, zich slechts uitende in een blos. Ze waren voorbij de spreekkamer, waar de voorname cliënten toegelaten werden.

»Van beteekenis? Ik zou zeggen van wel.”

»Hm” liet de notaris hooren, toen beiden vóor de deur der tuinkamer stonden. Daar werden de maaltijden gehouden.

»Hier maar?” vroeg hij, toen Laura onwillekeurig stil stond.

»Goed.” Ze trad binnen, hij volgde. Udoma was galant, zij stil en ernstig. Ze gingen bij ’t raam zitten.

»Ziezoo. En nu m’n lieve kind, zeg op. Wat ligt er op je hartje?”

Laura voelde zich niet op haar gemak.

»U weet,” begon ze moedig, »dat ’t gevaar van Cornelis’ been geweken is. Nu goed, er is nu een ander.”

»Wat bedoel je? Woû je’m aan een ander ter verpleging overlaten? Natuurlijk. Zeker, zeker...”

»Ik denk er niet aan,... Neef.” Ze had weer die aanvechting van wrevel. Die stoorde haar geregelden gedachtengang. »Er is een nieuw gevaar... waaraan u misschien niet gelooven zal...”

Udoma dacht aan »dat avontuur” van zijn zoon. Hij begreep echter niet, dat zij daar iets van wist, en nog minder, dat zij er zich mee bemoeide.

»Hee?” zeî hij met een provinciaal uitspraakje, dat hij in dit tusschenwerpsel nooit had kunnen afleggen.

»Cornelis heeft verdriet...” Laura zweeg even, en keek vóor zich. Ze vond het onderwerp netelig, vooral tegenover zoo’n man.

Udoma maakte een gebaar met rechterhand en schouderschok, dat hij altijd maakte, als hij wilde uitdrukken wat een onvormelijk mensch met »zeur niet!” te kennen geeft.

»Ik weet die heele nare... geschiedenis,” ging het jonge meisje voort, steeds de oogen neergeslagen houdend. De handen lagen samengevoegd op haar schoot.

»En?” De notaris keek humeurig, ’t Hinderde hem, dat zij steeds even afgemeten tegen hem geweest was, bij alle gelegenheden dat hij zijn beste hoffelijkheid ten toon gespreid had.

Laura haatte hoffelijkheid en »galanterie,” die niet op achting steunden. Hij had daar geen flauw vermoeden van. Volgens hem was la femme daar steeds vatbaar voor. Dat Laura zich nu met die zaak van Cornelis inliet, liet hem vrij koel. Zij zou wel zwijgen, of anders, wat zou ’t nog? Péché de jeunesse! Maar dat ze op al zijn avances niet inging... Hij was rijk, en zag er goed uit, nog niet oud voor zijn zes en vijftig jaren—parbleu, menig jong meisje op de plaats zou hem nog wel willen hebben! Hij had dagen achtereen met het plan omgeloopen, Laura voor te stellen, dat »rare verpleegstersbaantje” op te geven, en bij hem in te komen wonen. Ze zou de leiding van de huishouding op zich kunnen nemen. Wat hem weerhouden had zijn mond erover open te doen, begreep notaris Udoma niet, wel besefte hij thans, dat het oogenblik voor zulk een voorstel nog niet gekomen was... als ’t ooit kwam.

Laura had naar haar woorden gezocht:

»Ik woû u alleen zeggen, dat die jongen zichzelf afbeult met... over die ... narigheid na te denken.”

»Dat zal wel slijten, kom, kom! Woû je alleen daarover spreken?” Hij deed alsof hij op wilde staan. Een blik van haar hield hem op zijn stoel. Hij greep een koord van ’t zware gordijn, en speelde met den afhangenden kwast.

»’t Is ernstig genoeg,” hervatte Laura. Ditmaal keek zij hem aan, en sloeg hij de oogen neer. »Als dat zoo voortgaat, wordt hij nooit beter...”

»Ik geloof ’t niet... Neem me niet kwalijk, Lauraatjelief.” Hierbij keek hij op. »Je overdrijft, zooals jullie vrouwen altijd min of meer doen.”

Ze antwoordde niet dadelijk.

»Nu”, en haar toon werd harder en stroever »’t is zooals ik u zeg. Hij ziet er ellendig uit. Hij tobt zich af...”

»Maar wat wil hij dan?” riep Udoma opstaande. Hij ging met den rug tegen den schoorsteenmantel staan, met het gezicht naar de verpleegster. ’t Was, of de lichamelijke steun hem ook moreel ten goede kwam.

»Uw toestemming voor dat huwelijk... dat begrijpt u immers zelf wel.” Laura’s hoop, om iets uit te werken op dat vaderhart begon te tanen.

Bij hem verdween de illusie van zijn »voorstel”: zoo’n eigenzinnig ding, nee...

»Laura, wees nu niet boos,” zei Udoma langzaam met de tartende langzaamheid en temerigheid, die zijn spreken vooral kenmerkten wanneer hij iets meende te zeggen, dat ad rem was. »Maar ik vind, dat we beter deden dit onderwerp te vermijden. Je zult toegeven, dat dit eigenlijk mijn terrein is. Ik heb—dit wil ik je nog wel zeggen—al lang mijn meening in die zaak gezegd: Cornelis krijgt van mij niet gedaan, dat ik hem toesta, zoo’n... kettersche lichte meid te trouwen.”

»Neef!” riep Laura verontwaardigd. »Hij, Cornelis zelf, heeft haar gemaakt tot wat ze nu is... Hij voelt zijn schuld zelf. Nu zou u haar om zijn schuld minachten?...”

»Zijn schuld? Och, ik weet niet wat de jongen scheelt: hij maalt! Waarachtig, Laura, ik vrees, dat hij niet wijs is, of... wordt.”

»Als hij krankzinnig werd... of er onder bezweek zou dat mij niets verwonderen.” Haar stem beefde.

»Ik heb wel eenige ondervinding van zulke gevallen...”

»Zulke liefdesgeschiedenissen?” zei de neef. Hij keek lachend op. Als er geen derden bij waren, was wat gewaagde familiariteit in zijn oog wel aardig, ’t Gold hier bovendien een arm nichtje. En kieschheid verkocht notaris Udoma alleen aan zijn rijke cliënten, of was een nummer van zijn hoffelijkheidsrepertorium, dat voor den dag kwam als hij hoffelijk wilde zijn. Hij vond dat nu niet noodig.

Weer kreeg de mooie olijf kleur op Laura’s konen—koelit langsep zegt men op Java—een verhoogden tint. Ze sloeg de groote donkere oogen op, en liet haar blik weiden over ’t zot-mooie dikke gezicht tegenover haar. En de grove zinnelijke lippen trilden even, de oogen—grijs en koud als ijs—zonden een leegen blik terug, om, onmiddellijk een anderen kant uit te kijken. Wat was die man onaangenaam! Zoo zei haar hart; maar ze legde haar weerzin ’t zwijgen op. Ze wilde Cornelis redden. De arts was ’t met haar eens: ’t zielslijden moest gelenigd worden, anders zou de genezing blijven sleepen.

»Neef Udoma,” zei Laura kalm, hem steeds aankijkende, »de dokter is ’t met mij eens. De oorzaak voor zijn getob moet zoo spoedig mogelijk weggenomen worden...”

»Laura, die dokter ziet de zaken veel te donker in. Ik blijf bij wat ik gezegd heb. Ik waag ’t erop.”

»Dan moet u maar zelf weten wat er van komt. Geeft u dan niets om uw zoon, nog niet gesproken van... haar... en hun kind? U is toch Christen...”

»We zullen nu maar heenstappen over die kapittelende toon van je,—vrouwen zijn tegenwoordig ook al zedemeesters en priesters, naar ’t schijnt—maar zeg nu ’s zelf.” Udoma maakte zich breed en sloeg de armen over elkaar. Onder zijn deftig »air” van levenswijsheid verborg hij zijn gevoel van zieleminderheid prachtig. »Zeg nu ’s zelf, zie jij zooveel heil in zoo’n huwelijk? Ze is een domine’s-dochter.”

»Dat is bijzaak, als er zulke omstandigheden zijn. Hoofdzaak is menschenliefde, naastenliefde. U màg uw zoon niet ongelukkig maken, en haar en haar kind erbij. Bovendien, wie weet, hoe God de zaak nog ten beste leidt, als u meehelpt om Cornelis’ fout te herstellen... zooveel dat mogelijk is...”

»Laura, heusch, je verveelt me. Als ik over godsdienst wil spreken, ga ik naar de pastoor, en, als ik een preek wil hooren naar de kerk.” In ’t gewone leven was Udoma voor scheiding van »Kerk en Staat.” Dit behoorde tot den Staat van zijn persoonlijke huiselijke belangen. In de politiek was ’t wat anders.

»Komaan, ik heb geen tijd meer. Je neemt me niet kwalijk, nie’ waar?” Meteen richtte hij zich naar de deur.

Laura trad op hem toe:

»Neef, ik bezweer u, wees toch toegevend! U vermoordt uw zoon anders.” Het jonge meisje had zijn arm gegrepen. Ze wilde nog een poging wagen; op zijn vaderlijk gevoel werken. »Wat heeft de arme jongen u misdaan, dat u zoo hartvochtig is? ’t Is uw eenige zoon...”

Udoma keek lachend in de prachtige smeekende oogen. Ze is om verliefd te worden, dacht hij. Cornelis moet het wel met die ander meenen, als hij tegen zulke oogen kan!

»Och, ’t is te dwaas, m’n lieve kind,” zei hij niettemin. Hij had zijn evenwicht volkomen hervonden en had weer zijn lossen gemakkelijken toon van den bezadigden »man van de wereld.” Juist omdat ik mijn zoon geen gek figuur wil laten slaan ... kan ik niet toegeven. Zijn heele toekomst... hij maakt zich immers belachelijk...”