Zoo'n Nonna!

Part 6

Chapter 64,037 wordsPublic domain

Laura van Keulen had haar moeder jong verlaten. Ze herinnerde zich zelfs niet, ooit een moeder gehad te hebben. Haar vader, een koffie-planter in Midden-Java, ruw en onbeschaafd, had haar, toen ze twee jaar oud was, naar Nederland gezonden. Daar werd ze opgevoed door een dame van middelbaren leeftijd, haar vaders eenige zuster. Deze leefde in vrij bekrompen omstandigheden, en vond het dus niet onaardig tegen een ruim kostgeld voor de opvoeding van haar nicht te zorgen. Ze was weduwe en had geen kinderen; want het eenige kind, dat ze gehad had, was niet ouder dan vier jaar geworden. Toen de kleine Laura bij haar in huis kwam, was de indruk van ’t droevig verlies nog versch, en viel het haar zwaar haar leed met gelatenheid te dragen. Haar godsdienst was haar een troost; maar de eerste lach, die zich weer op haar bleek gelaat vertoonde, werd opgewekt door de vroolijkheid van ’t kind, dat ze tot zich genomen had. Weldra had ze dit lief met al de teederheid, die ze aan haar eigen kind geschonken had. En, toen Laura tien jaar oud was, en de vreeselijke tijding haar pleegmoeder bereikte, dat haar broeder in Indië een einde aan zijn leven gemaakt had, niets nalatende dan schulden, terwijl natuurlijk van verderen steun uit Indië geen sprake meer kon wezen, stond haar besluit vast. Ze zou haar leven wijden aan Laura’s vorming tot een vrouw van beschaving en deugd, welke opofferingen ze zich ook daarvoor getroosten moest. Ze vertrouwde op de Voorzienigheid. En ’t kind groeide op tot een lief beminnelijk meisje, ernstig, vroom, beschaafd. »Tante” had op haar achtste jaar reeds plaats gemaakt voor »Moeder”: en ’t kind wist nauwelijks beter, of de goede zachte vrouw, die haar opvoedde, was haar werkelijke moeder. Er kwam een leeftijd, waarop Laura begreep, dat er een geheimzinnige sluier lag over haar afkomst. »Moeder” liet zich zeer ongaarne daarover uit en, wanneer ze ’t deed, in vage termen. »Je ouders zijn in Indië gestorven, kind, toen je nog heel jong was.” Dat was ’t gewone antwoord. Laura kende een oud portret van haar vader: ’t stelde hem voor als een knappe jonge man, met een geestig gelaat en een vollen baard. ’t Was in een medaljon, dat haar tante steeds droeg. En als ze er naar keek, kon het jonge meisje tranen in haar oogen zien komen. ’t Medaljon ging dan ook zelden open.

Haar moeder? Och, de goede oude dame had zelf geen helder denkbeeld, wie die eigenlijk was. Ze vermoedde een »ongeoorloofde betrekking” tusschen haar broeder en een »heidin,” en zweeg daarover. „Je moeder was een Indische, kind,” zeî ze, als Laura te veel aandrong, »ze moet heel mooi geweest zijn.” Hoe ze heette? Een lastige vraag: tante vond het onaangenaam te zeggen, dat ze ’t niet wist, en hielp zich eraf met een «leugentje om bestwil”: die Indische namen waren zoo lastig te onthouden, ze wist het heusch niet meer. Laura was twaalf in dien tijd, en liet zich bepraten; ofschoon ze zich niet voldaan voelde. Maar ze toonde het niet. «Moeder” was zoo goed, hield zooveel van haar, dat ze haar nieuwsgierigheid liever inbond, om Moeder’s gevoeligheid te sparen. Doch ’t geheim harer geboorte liet Laura geen rust. Ware ze op een andere plaats dan ’t stille Delmond opgevoed, in een stad, waar ze bij voorbeeld meer met menschen van gemengde afkomst uit Indië in aanraking had kunnen komen, dan zou dat geheim zeker niet lang meer voor haar bestaan hebben, of ze zou er althans ’t meeste van ontsluierd hebben. Thans duurde ’t jaren.

Toen Laura achttien was, wilde het toeval, dat ze een Indischen roman in handen kreeg. Ze las veel, ofschoon onder toezicht, en was in hooge mate leergierig. Ze vond ’t boek in een boekenkast bij notaris Udoma. Deze was een neef van haar vader. Ze kwam er veel aan huis, en had als kind steeds met Cornelis gespeeld. Hoe gemeenzaam de omgang ook geweest was—Cornelis was een jaar ouder—over hoeveel onderwerpen zij ook, steeds op leeren uit, met haar neefje gesproken had, ’t kiesche punt van haar afkomst had ze schuchter vermeden. Toen werd haar op eens alles duidelijk: ze was stellig uit zulk een onregelmatige verbintenis van Europeaan en inlandsche vrouw voortgekomen. Haar moeder was dus een Javaansche uit het volk, een vrouw van lage afkomst waarschijnlijk. Geheel van streek, maar zich bedwingend zoo goed zij kon, ging Laura naar huis, en zocht dadelijk haar tante op.

»Moeder,” begon ze, »wil u me een genoegen doen?”

De oude vrouw keek vreemd op. Ze was mager en bleek, maar had kleine schrander kijkende vriendelijk oogen. Haar heele voorkomen had iets vriendelijks en bedaards. Verwonderd keken de verstandige oogen onder ’t kleine zwarte mutsje.

»Wel kind, natuurlijk. Kom hier, geef me ’n zoen. Waar ben je zoo lang geweest?” Tante trok nichtje naar zich toe.

»Bij neef Udoma. Maar... wil u me mijn geboorteacte laten zien?”

»Je geboorte... acte?” stamelde de oude dame ontsteld.

»Zeker, vindt u dat zoo vreemd?” Laura’s stem had een vreemde beving, die haar tante niet ontging.

Wat had ’t kind zich nu in haar hoofd gehaald, genadige Hemel! dacht Mevrouw Fenn. Maar weldra berustte ze er in: die dag moest vroeg of laat komen. En toch: hoe naar voor ’t goeie kind: dacht de rechtzinnige dame, met naïeven afschuw voor de «verbintenissen tegen Gods gebod.” Zou de kennis der waarheid niet slecht kunnen werken op haar gemoed? Och, misschien was ’t beter zoo. Later, wanneer ze trouwde, zou ’t geheim toch geopenbaard moeten worden...

»Goed, kind,” zei ze na een oogenblik aarzelens »Ik zal je de acte laten zien, bij tijd en wijle...” Nog hoopte ze angstig op een uitstel. ’t Was toch zoo hard voor ’t lieve meisje...

»Nee, moeder, nù bedoel ik; ik wil het stuk nù zoo graag zien. U heeft me nooit gezegd, hoe mijn moeder heet, en ik denk er nu pas aan, dat haar naam in die acte moet staan... Toe, u zou me zoo’n genoegen doen.” De uitdrukking in Laura’s oogen werkte magisch. De traanklieren in die van tante deden lastig, en de goede vrouw wendde zich om, met de eene hand een gebaar ten hemel makend, als zeide ze: in Godsnaam dan!

Uit een oude trommel, die zelden openging, en weggeborgen was in haar secrétaire, haalde mevrouw Fenn voorzichtig het geel geworden papier.

»Hier,” zei ze met trillende stem, en gaf het stuk Laura in handen.

’t Jonge meisje kon thans haar ontroering niet langer verbergen. Gretig greep ze ’t papier aan, en ging vóor ’t raam staan. ’t Was al schemerend op dat uur in ’t najaar. Daar las ze de bevestiging van haar vermoeden:... kind van Laurens Jan van Keulen en de Javaansche vrouw Kasimah.

De verbleekte letters dansten haar vóor de oogen. Een nevel bedekte ze. Ze zette zich op een stoel neer, den eersten, die bij de hand was, en barstte in hartstochtelijk schreien uit. Mevrouw Fenn kwam ontdaan toeloopen.

»Laura, wat is dat nu? Kind, wat scheelt je? Had ik je dat nare stuk ook maar niet laten lezen! Maar je woû met alle geweld. Nie’ waar, kind, ’t was je eigen vrije wil? Ik dacht je pleizier te doen... of ten minste... ik wil zeggen, ik dacht, dat je ’t liever hadt”

En de oude vrouw pinkte ter sluiks een traan weg. Ze boog zich over de schreiende heen, liefkozend. ’t Meisje hief ’t hoofd niet op: ze verborg haar gelaat tusschen de handen, en zat voorover gebogen:

»Arme, arme moeder!” riep ze snikkend. O, ’t is vreeselijk! Ik ben dus, toen ik twee jaar was, van haar weggenomen? Ik was immers twee jaar, toen ik bij u kwam?”

»Ja,” antwoordde haar tante, die zich zeer onaangenaam te moede begon te voelen.

»En waar is ze nu?” vroeg Laura, het rood betraand gezicht eindelijk opheffend.

»Wie?” vroeg de tante, niet recht wetend wat ze zeide.

»Mijn... moeder, bedoel ik.” Laura sloeg haar oogen neer. Aan haar prachtige zwarte wimpers parelde een traan. Haar volle lipjes puilden vooruit. Tante’s blik streelde haar lieve trekken. Ze had dat kind zoo gaarne dat verdriet bespaard. Waar Laura’s moeder was? Hoe wist zij dat? Ze had er tevergeefs naar gevraagd, er twee brieven over geschreven, onmiddellijk na de tijding van haar broeders dood. De man, die haar ’t bericht gezonden had, had niet eens geantwoord. Mevrouw Fenn had toen haar geweten gerust gevoeld. Trouwens, wat had zij voor die »heidensche” vrouw kunnen doen, ook al wist ze precies waar ze woonde? En dan nog: hoe dan ook, ze was een «bijzit” geweest, geen wettige vrouw van haar broeder. Wat bekommerde ze zich eigenlijk om zóo iemand?

Thans was ’t of Laura’s vraag haar geweten wakker schudde: die heidensche vrouw was de moeder van dat lieve, onschuldige kind, dat ze beminde als haar eigen dochter.

»Je moeder, kind, die zal wel dood zijn.” ’t Kwam er aarzelend uit

Met een driftig gebaar stond ’t jonge meisje op.

»Maar... Tante!” ’t Woord »tante” klonk zoo vreemd, zoo onhartelijk, dat de oude dame ’t oogenblik verwenschte, waarop ze het onheilstichtend document onder Laura’s oogen gebracht had.

»Weet u dus niet eens, of ze dood is? Weet u niets, hoegenaamd niets van haar?” riep ’t meisje hartstochtelijk.

Mevrouw Fenn schudde verlegen ’t hoofd.

»Och,” ging Laura voort met groote bitterheid in haar stem, »mijn moeder was maar ’n inlandsche vrouw!” En weer begon ’t zenuwachtige snikken. Met haar zakdoek tegen de oogen liep ze ijlings de kamer uit. Ze verlangde naar de eenzaamheid boven in haar kamertje. Daar kon de storm uitwoeden, die haar gemoed teisterde.

De storm woedde uit, maar had veel verwoesting aangericht. Lieve illusiën waren vernietigd. Haar ziel was vervuld van een groote bitterheid, een wrevel tegen dien onbekenden vader, en een oneindig medelijden met haar moeder. En ze had dien vader zoo vereerd in haar gedachten! Ze had zich die moeder voorgesteld als een soort Oostersche prinses, een aanzienlijk meisje, dat haar vader lief gekregen had om zijn edel karakter sprekend uit zijn mannelijke edele trekken, zooals Laura die op ’t portret gezien had. En nu! Haar moeder was een bijzit, wellicht gekocht van arme dorpelingen, zooals in ’t boek, dat ze gelezen had, haar vader een snoodaard met gemeene lusten, die wreedheid toonde aan ’t schepsel, dat hem als een slavin gediend en hem een kind geschonken had! Hij had haar kind meedogenloos van haar weggerukt, en haar waarschijnlijk onverzorgd achtergelaten. Ze leed armoe, of was van verdriet en ellende misschien reeds lang omgekomen.

’t Jonge meisje wist niets van Indische toestanden: geen «deskundige” had haar kunnen wijsmaken, dat »zoo’n inlandsche vrouw” zoo »heel anders” is dan wij, dat ze van zulk een scheiding zeker nooit veel verdriet kon gehad hebben, en zoo voort; want zulke «deskundigen” waren er niet ter plaatse, noch elders, waar Laura wel eens kwam.

De openbaring omtrent haar geboorte liet een onuitwischbaren indruk bij Laura achter. Was ze reeds stil en in zich zelf gekeerd, geneigd tot peinzen en droomen, ze werd het nog meer na dien gedenkwaardigen dag. Ze had voor onderwijzeres gestudeerd, en, toen ze achttien was, haar examen gedaan: ’t was nog kort geleden.

Maar ze begreep thans, dat het onderwijs haar roeping niet was. Ze meende nuttiger werkzaam te kunnen wezen als ziekenverpleegster. Ze voelde zich getrokken tot een werkkring van vertroosting en medelijden. Aan ’t huwelijk dacht ze niet, dan om vast besloten te zijn er nooit een aan te gaan. De schande van haar ouders wilde ze niet onder de oogen van derden brengen: die geboorteacte zou niet meer noodig wezen. En dan—redeneerde zij—wie zou haar ondanks haar afkomst en haar armoede tot vrouw willen hebben? Hierin vergiste ze zich misschien. Toen ze, kort na ’t gebeurde te Nijmegen bij een schoolvriendin logeerde, leerde ze er een jongen man kennen, die dadelijk een groote liefde voor haar opvatte. Zij sloeg zijn aanzoek af. Hij was nauw dertig, zag er flink uit, was van een goede oude, zelfs adellijke familie, en stond als ingenieur aan ’t hoofd eener industrieële onderneming; hij was welgesteld en een man van onberispelijk gedrag, degelijk karakter en aangename manieren. Laura mocht hem van stonde af aan; maar ze deed zichzelve geweld, om zich koel en afgemeten te toonen. Waarom ze zijn aanzoek afsloeg, wenschte ze niet te zeggen. Had hij kunnen vermoeden, dat ze alleen weigerde, omdat ze te fier was voor haar afkomst uit te komen, dan had hij zeker zich niet zoo wanhopig gevoeld als nu, na den geleden tegenspoed. Hij wist meer van Indië en de toestanden daar te lande dan Laura, en had reeds lang vermoed, dat het meisje een buitenechtelijk kind was. Maar hij bekommerde zich daar niet om: hij had van zijn zuster, Laura’s vriendin, zooveel goeds van haar gehoord, haar gedurende de veertien dagen van hun samenzijn te Nijmegen zoozeer leeren bewonderen in karakter en manieren, en haar lieve verschijning—niet schoon in strengen zin, maar bevallig en vredig en weemoedig als een avondlied—leeren stellen boven menige schoonheid zonder innigheid, die hij kende, dat hij wel getracht zou hebben, het in zijn oog kleine bezwaar uit den weg te ruimen. Hij was wees en volkomen onafhankelijk. Laura was een dame in alle opzichten: waarom zou hij haar om haar onregelmatige afkomst minder waardeeren? Zooals de zaken stonden, was haar houding hem onverklaarbaar, en trachtte hij zich wijs te maken, dat ze een hekel aan hem had. En toch meende hij reden te hebben om ’t tegengestelde te vermoeden. Vreemd! Hij begreep er niets van.

Laura’s besluit was door deze ontmoeting nog vaster dan te voren: ze zou in nuttigen, harden arbeid troost en voldoening vinden. Haar korte roman was daarmee uit.

En een maand later had Laura mevrouw Fenn’s huis verlaten, ondanks al de smeekbeden der goede oude vrouw.

’t Kostte het jonge meisje veel zelfbeheersching daar niet voor te zwichten. Tante was een ware moeder voor haar geweest, en was zoozeer gewend aan haar gezelschap. Maar de drang was te sterk geweest: Tante zou iets ruimer kunnen leven na haar vertrek, en krachtig en gezond als ze was, ondanks haar stemmig bleek uiterlijk, kon ze wel buiten Laura’s hulp in ’t huishouden; want de oude dienstmeid, die haar sinds jaren bijgestaan had, was immers nog altijd bij haar. »Waarom zou ik dan mijn roeping prijsgeven,” dacht Laura, »om toe te geven aan een gevoel van teederheid voor tante?” Ze moest ’t leven in. Haar vorig leven, geheel gewijd aan eigen vorming, eigen neigingen en vermaak—hoe onschuldig ook—eigen denken en eigen aandoeningen, scheen haar nu ijdel en beuzelachtig, zelfzuchtig in hooge mate. Er was zooveel leed te lenigen, zooveel zonde te bekampen in de maatschappij, dat ze niet meer aan eigen geluk wilde denken. Zelfs trok haar het nonschap aan; maar na tal van raadslagen met zichzelve, meestal in de eenzaamheid van den nacht, was ze tot de slotsom gekomen, dat het werkelijke leven haar terrein was, en niet de afzondering van een klooster.

Door tusschenkomst van haar vriendin te Nijmegen kreeg ze een aanbevelend schrijven voor een arts te Utrecht mee. Deze bezorgde haar een plaatsing aan ’t ziekenhuis. Twee jaar lang maakte ze daar een harden leertijd door, zonder dat er ooit een klacht van haar lippen kwam. Mevrouw Fenn ontving steeds opgewekte brieven, en ook als ze een enkelen keer »thuis” kwam, was ze tevreden. Doch, hoe ze zich ook inhield, zichzelve kon ze niet verhelen, dat het leven van strenge tucht in zulk een ziekenhuis haar niet aanstond. En—éen ding hinderde haar voortdurend: het klassenstelsel, volgens ’t welk de rijke zieke zooveel begunstigd was boven den arme. Laura snakte naar vrijheid, en smachtte naar ’t volgen van eigen neiging, eigen drang tot weldoen in haar verpleging. Ze nam haar ontslag, en vestigde zich als vrije verpleegster. Maar ze wilde niet de aanmatiging en zelfzucht toonen, die ze zoo vaak bij vrije verpleegsters waargenomen had: zoo menigeen daaronder zocht slechts de rijke huizen, waar weelderig logis, smakelijk voedsel en kostbare geschenken te wachten waren. Zij zou gaan waar haar hart haar drong te gaan, al moest zij er zich ontberingen opleggen.

Zoo was Laura nog geen vol jaar werkzaam, gewetensrust en voldoening smakend, toen een brief van haar tante haar op een morgen verraste. Ze was sinds enkele dagen weer vrij, en logeerde bij goede kennissen: een oud echtpaar, waarvan de vrouw indertijd in ’t ziekenhuis bij een gevaarlijke operatie haar hulp en oppassing gehad had. Vol dankbaarheid hadden de menschen haar op gulle wijze gastvrijheid aangeboden, telkens wanneer ze die noodig mocht hebben, en Laura had niet geaarzeld, dit als gunst gevraagde vriendschapsblijk aan te nemen.

De brief van mevrouw Fenn was kort, en blijkbaar in haast geschreven:

Delmond, 6 Sept. 188 .

»Lieve Laura!

’t Zal je verwonderen, dat ik nu weer schrijf zoo kort na mijn laatsten. Maar er is iets gebeurd, dat geen uitstel toelaat. Cornelis Udoma, die, zooals ik u schreef, sinds eenige dagen bij zijn vader over was, heeft gisteren een treurig ongeluk gekregen. Hij ligt met een gebroken dijbeen. Gevaar is er niet; maar een zorgzame verpleging en nakoming van al de voorschriften van den dokter zijn strikt noodig. En je begrijpt, dat er bij zijn vader thuis niemand is, die zoo iets op zich kan nemen. Ik dacht dadelijk aan u. Ik weet hoe wel ge met Cornelis zijt, en hoe graag hij je lijden mag. Mij dunkt, alleen het gezicht van uw lieve verschijning moet hem al goed doen.”

»Die dwaze tante!” mompelde Laura. Ze dacht aan ’t onuitgesproken verlangen der goede oude, om haar »dochter” weer eens in haar nabijheid te hebben.

»Ik heb er Cornelis’ vader over gesproken,” luidde de brief verder. »Hij had eerst wat bezwaar, maar ik heb hem weten te bepraten. Cornelis was dadelijk erg met mijn plan ingenomen, en ziet reikhalzend naar uw komst uit. Ik weet, dat ge toevallig vrij zijt. Kom dus onverwijld. En—ge maakt iemand zoo gelukkig.

Uw liefhebbende Moeder.”

’t Laatste woord las het jonge meisje twee maal, drie maal. In gedachten verzonken staarde ze op dat gedeelte van den brief. »Ge maakt iemand zoo gelukkig,” klonk het na in haar geest. Die iemand kon wel niemand anders wezen dan haar goede tante, haar »moeder,” zooals ze zich in haar brieven nog steeds noemde. En Cornelis? Ze had medelijden met hem. Ze wilde hem gaarne dit genoegen doen, ondanks de antipathie, die ze voor zijn vader voelde. Ze had Cornelis in twee jaar niet gezien, stelde zich hem voor als een «heertje,” heel anders dan vroeger, toen ze als kinderen samen speelden. De vertrouwelijke toon was er niet meer. Hij toonde eerbied voor haar, maar haar kalme, waardige houding, haar heele voorkomen van onwereldschheid was in tegenspraak met zijn wezen. Hij vond haar niet »elegant,” ook niet zóo als, naar zijn idee, een meisje wezen moest. Het eenige type van jonge meisjes, dat hij kende was dat, hetwelk Laura Marholm »de gansjes” noemt. Daaronder uitsluitend had hij zijn kennissen. Onder de pracht-exemplaren van dat type behoorde ook Clarine later. Ieder ander type was hem in dien tijd vreemd, onbegrijpelijk. Hij vond Laura van Keulen niet zot of dwaas, eenvoudig omdat aan haar persoon te veel aangename herinneringen uit zijn jongenstijd verbonden waren: ieder ander van haar soort—weinig pratend, snedig in haar opmerkingen wanneer ze ’s praatte, arbeidzaam, belezen, ernstig en toch gelijkmatig opgewekt, vroom, zich eenvoudig kleedend, zich wijdend aan een nuttig doel—ieder ander van haar soort zou hij onder kameraden belachelijk gemaakt hebben. In haar geval kon hij niet nalaten haar te prijzen als er sprake van haar was, maar de lof ging niet van harte, Clarine had zich dan ook nooit jaloersch getoond, toen hij later wel eens haar naam noemde, en er altijd bij vertelde, dat hij haar zoo »achtte.” Ze stak er den draak mee. »Goed,” zei ze dan, »je acht haar verschrikkelijk hoog. Zoo’n Sainte n’y touche met een zwart kapje op en een zuur respectabel gezicht er onder. Zoo iets van een Javaansche maagd van Orleans!” Cornelis schoot in een lach. »Foei, foei, je mag niet met haar spotten. Ze is mijn nichtje bovendien. Natuurlijk is ze niet zoo’n elegant popje als jij.” Cornelis keek verliefd, »Mij moet je maar niet zoo akelig achten, hoor. Die achting heb ik ook voor Jeanne D’Arc... in een geschiedenisboek! Van mij moet je houden, heel veel houden.” »Dat doe ik,” riep Cornelis vol vuur. »Je bent een aartsondeugd.”

De eerste ontmoeting na dien tijd van verkoeling, waarin Cornelis en Laura elkaar maar weinig zagen, zelfs in zijn vacanties niet, was daarom merkwaardig. Zij vond hem veranderd, en vergiste zich daarin niet, hij vond haar niet meer dezelfde als tevoren, en vergiste zich daarin wel: omdat hij zelf veranderd was, spiegelde zich haar wezen in ’t zijne op andere wijze af dan vroeger. Bij hem was ’t keerpunt in zijn leven juist bereikt, nauwelijks achter den rug. Het schip van zijn ziel had den ouden koers verlaten, de schipper wist, dat hij een anderen moest kiezen, maar was nog in ’t onzekere omtrent de richting. Bij haar lag dat keerpunt reeds ver, ver achter den rug; de vaart was kalm en gestadig, de schipper vastberaden. En hij dacht aan de levensreis vol stormen, die hij tegemoet ging: hoe gaarne had hij haar gevolgd op de stille lieflijke wateren, hoe smachtte zijn ziel naar ’t geleide der hare! Maar dat verlangen mocht hij niet openbaren, ja zelfs niet koesteren in zijn gedachten. ’t Werd hem te machtig nu en dan. ’t Groote lichamelijk lijden had hem verzwakt, en telkens speelden hem droomen van geluk verlokkelijke beelden vóor den geest. De ontgoocheling was dan wreed, en hij was verstoord op zichzelven, alsof hij verantwoordelijk ware voor de ontrouw zijner zieke verbeelding.

De vertrouwelijkheid werd groot tusschen die beiden. Toch spraken ze in de eerste dagen weinig. Maar er was een verstandhouding van blik, houding en gebaar, een zielsgemeenschap, zooals die soms ontstaat tusschen lijder en trooster. Zij voelde al spoedig, dat hij leed ook buiten ’t lichamelijke om, dat hij verdriet had. Hij voelde de warmte van haar heerlijke barmhartigheid, de echte, belangelooze, godgeboren barmhartigheid, die hem deed opkijken naar die vredige oogen, waaruit zij straalde, met het zelfde zoet vertrouwen, waarmee de vrome opblikt naar ’t beeld van den Heiland. En Cornelis dacht telkens aan oude, lang vervlogen tijden, toen zijn moeder nog leefde, en zij hem bijbelsche platen liet zien. ’t Was of uit Laura’s blik dezelfde troost sprak als uit Jezus’ woorden: »Komt tot mij gij allen, die vermoeid en belast zijt, en ik zal u rust geven.” Bij ’t zien van de plaat met deze woorden er onder merkte de kleine Cornelis, dat zijn moeders oogen steeds vochtig warden. ’t Was de plaat, die hij zich ’t best herinnerde, omdat zijn moeder er zoo vaak mijmerend op getuurd had. Hij gaf toe aan den weemoed, die hem dan overstelpte; want die werkte allengs als ’t lied eener teedere moeder op het moêgeschreide wicht. Met gesloten oogen lag hij dan roerloos, zonder gedachten, slechts met een zoet besef van veiligheid.

Het onstuimige hartstochtelijke tooneel met Clarine Dauteville bracht zieke en verpleegster nog nader tot elkaar; want Cornelis’ biecht maakte haar tot zijn vertrouwelinge, die zijn diepste gemoedsroerselen kende. En hij was niet meer alleen »de zieke,” »de patiënt” voor haar: zijn zielelijden had zich een plaats veroverd in haar gedachtenleven. Haar medelijden werd grooter en tevens inniger, werd aangevuld en geadeld door een deernis van hoogere orde. Zijn berouw en boetvaardigheid troffen haar diep. Sluimerende sympathieën uit haar kinderjaren ontwaakten weder. Van verpleegster was ze vriendin geworden.

Den dag na Clarine’s bezoek was de eerste gedachte van den zieke, toen hij in den ochtend de oogen opensloeg: Schrijven! Ik moet Clarine schrijven! ’t Was ’t eenige, dat hij doen kòn. Maar wat en hoe moest hij haar schrijven? Zelfs de gewone aanhef: »Lieve Clarine,” stuitte hem tegen de borst. En dat bij hem, zulk een fijngevoeligheid bij Cornelis Udoma, die nog kort te voren een man van de vormen was, die lachte om «sentimentaliteit,” en naar allen schijn op weg was, om dezelfde fatsoenlijke kwal te worden als zijn vader!