Zoo'n Nonna!

Part 5

Chapter 53,827 wordsPublic domain

De toegesprokene beet zich op de lippen. »O, volstrekt niet,” zeî ze. Ze nam ’t andere jonge meisje eens op. Een nonna van ’t echte soort! was haar eerste gedachte. En toch besefte ze onmiddellijk, dat ze onoprecht was tegen zichzelve. Dat hinderde haar, maakte haar kregelig. Die Laura was donker van huidskleur, zeker, maar ze was een dame in spraak en manieren ... misschien nog in meer. En ze zag er goed uit: donkere afhangende krullen, prachtige groote oogen met lange wimpers, een klein neusje, een donzige huid, een slanke lenige gestalte. ’t Verpleegsterskostuum misstond haar niet, integendeel. Dat alles merkte Clarine op in de enkele steelsgewijze blikken, die ze op de verpleegster wierp. En de ontdekking van zooveel goeds kwam in onaangename, korzelig makende botsing met de voorstelling, die ze van »die Laura” gevormd had. Ze had gedacht een dom, schreeuwerig, sluikharig, platneuzig, slecht gekleed meisje te zullen ontmoeten, »zoo’n halve baboe,” zooals Clarine’s Haagsche kennissen zich uitdrukten wanneer ze ’t over zulk een type hadden.

De tegenstelling van gedachtebeeld en werkelijkheid was bizonder groot, bizonder pijnlijk voor Clarine’s eigenliefde.

Ze voelde zich verlegen, en dat tegenover een nonna! De verpleegster bood haar een stoel aan vlak bij ’t bed van den zieke, op de plaats, waar zij zelf gezeten had, en maakte een beweging naar de deur.

»Wil u heengaan?” vroeg Clarine. »We hebben niets te bespreken, dat u niet hooren mag.” Ze wist nauwelijks wat ze zeide. Ze had gezien, dat Cornelis ziek lag, hij kòn niet gelogen hebben, en hij werd verpleegd door een ontwikkeld, beschaafd meisje, met innemend uiterlijk en innemende manieren. Die twee ontdekkingen hadden haar geheel van streek gebracht. En ze had bovendien een overdreven vrees, dat geheimzinnigheid vermoedens zou wekken, in verband met haar vreemde onverwachte overkomst en haar zenuwachtigheid. Ze kòn die niet bedwingen. ’t Was om dol te worden!

De verpleegster keek vreemd op, even. Niets te bespreken? dacht ze. Clarine kleurde hevig, en haastte zich achter het Japansche scherm te treden, uit het licht. Zou Cornelis iets verteld hebben?... Onmogelijk.

Laura weifelde een oogenblik. Daarna zei ze losweg: »O, kan ik blijven? Wacht, dan zal ik even voor je medicijn zorgen, Kees.” Meteen liet ze Clarine met den zieke alleen in de afzondering achter ’t Japansche scherm.

Kees! dacht Clarine. Wat ’n familiariteit en wat ’n platte, gemeene verkorting voor Cornelis! Zij had hem altijd Cor genoemd, wat zij op Haagsche wijze »Kog” uitsprak.

Het uit het gezicht gaan van de verpleegster gaf haar een zekere voldoening. Voordat ze zich nederzette, greep ze Cornelis hand. Hij hield die uitgestoken, hartelijk, met tranen in de oogen. Hij maakte een beweging met het hoofd, even met moeite, om te kennen te geven, dat hij een kus verlangde. Maar Clarine keek hem aan, en deed alsof ze ’t niet merkte. Cornelis zei niets dan:

»Zoo, Clarine. Hoe is ’t?” Er was angst en bezorgdheid in zijn stem.

»O goed”, antwoordde ze vrij koel. En iets zachter liet ze volgen: »Ik mag wel medelijden met jou hebben.” Ze keek hem strak aan. »’t Gaat beter, niet waar? Immers geen gevaar?” O, die ellendige zenuwachtigheid! En waaròm dan toch eigenlijk?

»Maak je niet bezorgd om mij.” Er sprak deernis uit zijn stem. Hij wist, dat ze alle reden had, om, bezorgd, neen rampzalig te wezen. Hij wist niet dat jaloezie en wantrouwen haar de laatste troost ontnamen: ’t geloof in zijn liefde. In zijn deernis zag hij daar vóor zich het slachtoffer van maatschappelijk vooroordeel: zij zou in ’t oog der wereld de grootste schande dragen, als hun huwelijk eens onmogelijk werd. De grootste schande? Neen, alle schande, dacht de jonge man met innige bitterheid. Wat schaadde het hèm, ook al wist men, dat hij in zijn studententijd een «dwaasheid” begaan had, en er ergens een kind van hem bestond? In ’t oog van velen onder zijn standgenooten was zoo iets al heel onbeteekenend; ’t maakte hem in enkeler opvatting zelfs belangwekkend. En de vrouwen, de jonge meisjes: niet de helft, geen twee van de tien, daar! die er hem om zouden minachten of minder als begeerlijke »partij” voor een huwelijk beschouwen! Zij... was voor goed verloren, geschandvlekt, gebrandmerkt! En geen leven van berouw en boetedoening zou haar misstap, steeds blijkend uit haar kind, „voor de wereld” goed maken. Als hij genas, zou hij ’t huwelijk doorzetten, in allen geval; maar haar naam zou in de achting harer standgenooten toch nooit volkomen hersteld wezen...

Vlijmend zelfverwijt martelde hem. Hij voelde zich de schuldige, hoe meer hij erover dacht. En hij had in de dagen van zijn ziekliggen zichzelf wat gekweld! ’t Was eene ware pijniging nu hij gedwongen was te zwijgen, steeds te zwijgen. Zijn vader kwam zelden aan zijn bed: die was de eenige, die van »de zaak” afwist, en ’t stuitte Cornelis tegen de borst er met hem over te spreken. Zijn vader was blijkbaar tevreden, dat hij op die wijze van verder »gezanik” af was. Over die nachtelijke dieverij had hij geen woord gerept, en Cornelis had wijselijk zijn mond gehouden. Zijn vader voorzag van de onverwachte gebeurtenis veel goeds: ’t jonge mensch zou nu zijn kuren wel afleeren en verstandig worden. Zonder twijfel was dat zijn opvatting: uit enkele uitlatingen was dat Cornelis voldoende duidelijk geworden.

O, dat besef van schuld gunde hem geen rust of duur. Zijn verpleegster had spoedig bemerkt, dat hij zich over iets naar maakte, ze gaf hem op kiesche wijze een wenk. Enkele verwarde woorden, die ze opving, als hij droomde, en zij naast zijn bed waakte, deden vermoedens bij haar opkomen. Ze begreep, dat er hartsgeheimen waren. En in haar onschuldig vertrouwen sprak ze van een priester, zoo in ’t algemeen, en vroeg ze, losweg, of hij nooit biechtte. Hij voer korzelig uit met een afgebeten »Och, waarom zou ik?” Hij schrok terug voor biechten in zulk een kiesche zaak, en miste het blinde vertrouwen van den eenvoudige des harten. In den priester zag hij den mensch, niet den door God gemachtigde om vergiffenis van zonden te schenken; van den mensch, vaak jong, voortgekomen uit en zich bewegend in een andere wereld dan hij en volslagen onervaren in die levensuiting vol raadselen, welke men geslachtelijke liefde noemt, van dien mensch verwachtte hij geen heil, geen opbeuring of leniging van pijn. Neen, ’t eenige dat hij kon doen was zijn schuld peilen en voor zichzelf blootleggen, biechten voor God, zooals Cornelis het noemde.

Hij dacht weer aan dat geheimzinnige Wezen, sinds kort, en de hernieuwde betrekking was hem nog vreemd. Hij voelde zich als een hond, die weggeloopen en teruggevonden is, tegenover zijn meester, een meester die niet kastijdt, maar alleen verwijtend schijnt te kijken. Hij voelde zich ongemakkelijk, verlegen. Toch zocht hij daar zijn kracht, soms schier wanhopig.

Hoe vaak had hij, met den rug naar zijn verpleegster gekeerd, de handen onder ’t dek krampachtig samengeklemd en zijn gedachten op dat eene punt gevestigd: vergiffenis door wroeging gekocht, zuiverend en sterkend. ’t Was alles zoo vreemd, zoo vreemd, die godsdienst van ’t gemoed, waar hij jaren achtereen—sinds zijn moeders dood—den godsdienst als louter vorm had leeren beschouwen! Maar hij zou volhouden: de genade zou komen...

Cornelis dacht aan dat alles in de enkele minuten, dat hij en Clarine zwijgend bij elkaar waren.

Bij haar woelden gansch andere denkbeelden. Ze wachtte tot hij zou spreken, en schreef zijn zwijgen aan verlegenheid toe, omdat zij zijn trouweloosheid ontdekt had. Wat gaf zij er om, of hij al betuigd had, dat hij alles zou doen wat hij kon, om haar te redden, als ze wist, dat ’t hem een last was? ’t Wàs hem een last, àls hij ooit haar tot zijn vrouw maakte. Als! Die Laura... Een vraag brandde haar op de lippen. Haar drift was machtiger dan haar wil.

»Hoe lang is dat mensch hier al, om je op te passen?” Haar stem klonk hard en duidelijk. Ze was onderwijl vuurrood geworden, en haar oogen fonkelden.

»Dat mensch?” vroeg Cornelis met kwalijk ingehouden verbazing. «Clarine!”

De toon van zacht verwijt in Cornelis’ stem deed de vonk overslaan, die Clarine’s toorngloed deed uitlaaien.

»Dat mensch hier natuurlijk, die verpleegster van je! Die nonna!...” Ze was opgestaan.

Ze zag noch voelde iets dan haar gloeiende jaloezie, opgezweept door haar wanhoop. De zieke met zijn vermagerd gelaat, dat duidelijk sprak van veel doorgestaan lijden, was hier niets dan de ontrouwe minnaar, de valschaard, die niets voor haar voelde, dan wat medelijden! Clarine’s stem klonk schel, en de woorden, die ze uitsprak, vielen als zweepslagen in de stilte van ’t vertrek. Cornelis keek met groote oogen, in stomme verbazing.

»Juffrouw Dauteville, denk aan de zieke, als ’t u belieft”, zeide de verpleegster, die ongerust, en slechts aan Cornelis denkend, haastig naderbij kwam. Haar toon was zacht vermanend. De kalmte en ’t zelfbedwang erin ergerden Clarine, als drukten ze minachting voor haar hevigheid uit. ’t Was als olie op vuur.

»U behoeft me de wet niet te stellen, juffrouw Van Keulen! Maar ik zie ’t wel... u heeft hier alles te zeggen... en Cornelis heeft niets liever ... hij houdt immers van u ...”

Laura keek de woedende bedaard aan, zonder een woord.

»Clarine lief, in Gods naam!...” riep Cornelis, eindelijk in staat iets uit te brengen.

»Lief? Ik bèn niet lief voor je! Zeg dat tegen haar, die je mij laat beleedigen... zonder me te verdedigen. Neem ’r voor mijn part, ik wensch je geluk met de koop. Ha, ha! En u juffrouw Van Keulen...”

»Neem me niet kwalijk, juffrouw Dauteville,” viel de toegesprokene in. »Ik ben tegenover de dokter verantwoordelijk voor de rust van mijn zieke... Ik kan niet toelaten, dat u hier zoo schreeuwt.”

’t Kwam er steeds kalm uit. Inwendig beefde ze van verontwaardiging.

»Ik zal heengaan,” antwoordde Clarine iets zachter, maar nog hevig, hartstochtelijk. »Wees gelukkig samen. Hij zal jou wel beter behandelen dan hij mij gedaan heeft, zeker omdat je een nonna bent!” Clarine’s stem had weer iets krijschends gekregen. Stem en gelaatsuitdrukking waren onherkenbaar. Ze stikte bijna. Niet de helft van ’t geen ze zeggen wilde kwam er uit.

»Clarine, blijf!” riep Cornelis, die haar weg hoorde gaan. Maar de deur was al dichtgeslagen.

VII.

EEN BIECHT ZONDER PRIESTER.

De achtergeblevenen waren eenige oogenblikken onder den indruk; beiden zwegen. Cornelis was de eerste, die de stilte verbrak.

»O Laura, wat vind ik dat naar voor je! Ik kan je niet zeggen, hoe naar ik ’t vind!” Zijn stem was nog beveriger dan anders.

»Kom!” zei ’t jonge meisje, »maak je daar niet ongerust over. ’t Is niet erg hoor...”

Haar vermoeden, dat er een geheim lag tusschen Cornelis en Clarine Dauteville, was thans schier zekerheid geworden. Zij had ondanks haar jeugd veel van ’t leven gezien, meer ondervonden, meer nagedacht dan menig jongmeisje van haar leeftijd. Haar werkkring ook had haar veel doen zien en opmerken, en haar ernstiger gemaakt dan ze wellicht in andere omstandigheden geweest zou zijn. Ze zag in Clarine een voorbeeld van uiterlijke beschaving zonder degelijke kern, zooals ze dat zoo vaak had waargenomen onder meisjes van haar stand; maar ze begreep ook, dat slechts een schok, een aandoening van hevigen aard kon bewerken, dat zulk een aan uiterlijke »vormen” hechtend persoon zich zoo vergat, als Clarine gedaan had. Dat in verband met Cornelis’ ontroering, toen Clarine’s kaartje binnengebracht werd, en hij haar aarzelend meedeelde, dat ze in stilte verloofd waren, en eindelijk de vreemde afgetrokkenheid, ’t duidelijk sprekende verdriet van den jongen man, al de dagen van hun samenzijn, zoo gansch niet verklaarbaar uit zijn lichamelijken toestand, dat alles deed Laura de waarheid raden: dat meisje moest wel ongelukkig wezen! En diepe deernis vervulde haar.

Iets in haar blik scheen haar gedachten te verraden. Cornelis bewoog zich onrustig in zijn bed. Wat kon hij tot verontschuldiging voor Clarine aanvoeren? Zij, Laura, mocht niets weten van al de ellende, die hem en ’t ongelukkige meisje vervulden. Wellicht vermoedde ze thans iets... waarom keek ze hem zoo vreemd aan, en was ze zoo lankmoedig na dien stortvloed van onverdienden smaad, dien Clarine haar naar ’t hoofd geslingerd had? Als ze vermoedens had, zou dat hun verhouding zeer onaangenaam kunnen maken. Ware ’t dan niet beter ronduit alles te zeggen? Laura was een goed en verstandig meisje, een vrouw in raad en oordeel. Ze was vroom en lankmoedig, belangstellend, zorgzaam, teeder zelfs. Hij mocht haar graag. Ze was als een zuster, ja beter dan menige zuster voor haar broeder. O, wat ’n zaligheid als hij zijn hart eindelijk eens uitstorten kon, en eens een woord kon hooren uit een anderen mond dan dien zijns vaders, uit een lieven sympathieken mond! Zeker, ze zou niet hard zijn in haar oordeel. Ze zou hem steunen in zijn streven om alles goed te maken, zooveel dat nog mogelijk was; ze zou hem zeker vriendelijken raad geven...

»Laura,” zei Cornelis op eens, en zijn bleeke wangen gloeiden. De toon van zijn stem trof de toegesprokene.

»Kalm zijn, Kees!” antwoordde ze vermanend. Ze stond weer bij zijn bed, en ging zitten. »Laat toch deze zaak rusten. Ik weet, dat juffrouw Dauteville er niets van meent, geloof me. Kom, ik lach om de zaak... Denk toch aan je zelven, je windt je op en verergert maar je toestand...”

»Dat kan me niet schelen!” riep de jonge man hevig. »Trouwens, ’t is beter, dat ik nu spreek, dan dat ik nog langer zwijg... Je moet weten, waarom dat arme kind zoo zenuwachtig en opvliegend was. Waarom ze zoo...”

»Spreek in allen geval bedaard,” viel de ander in, wel beseffende, dat hier thans geen tegenhouden mogelijk was.

»Kalm aan, en ik zal naar je luisteren. Anders, heusch hoor, laat ik je alleen...”

»Goed, goed, ik zal bedaard zijn...” De bedreiging had inderdaad eenige uitwerking. Meer nog de waardige stille eenvoud der verpleegster, de voorbeeldige zelftucht, die uit heel haar wezen sprak. Haar blik deed vaak meer dan kalmeerende middelen konden bereiken, haar woord kon gemoedsstormen doen bedaren.

Cornelis zweeg even, en zuchtte diep. Hortend kwam er uit: »Ik kan ’t niet langer voor me houden! Clarine is ongelukkig. En... ik ben ’t ook!... ’t Is alles mijn schuld! Alles! Ik kan er nu niets aan doen. En ik zou toch graag alles goed maken... om haar! Ik vind het verschrikkelijk, dat ze me verdenkt...”

Hij zweeg, en wendde het hoofd af. Laura zag niet, dat er tranen in zijn oogen stonden, en zijn lippen vast op elkaar gesloten waren.

»En je houdt immers veel van haar?” vroeg het jonge meisje vriendelijk. Toch klonk die vraag hem, alsof er ironie in lag. Hij antwoordde niet dadelijk.

»O, Laura!” riep hij eindelijk zich weer tot haar wendende. »Dat is juist wat me zoo ellendig maakt! Ik hôu niet... niet... meer van haar. Daar! ’t Is er uit...”

»Dat spijt me, Kees. Maar dat maakt toch geen verandering in je plannen? In allen geval ben je voornemens haar te trouwen!”

»Natuurlijk...” In dat enkele woord lag een ontzaggelijke bitterheid. Zij keek hem aan en begreep hem.

»Kan je vatten, hoe ik me er onder voelen moet?”

Laura zweeg, en keek vóor zich. Haar gelaat teekende ernst en medelijden.

»Ik lig hier machteloos,” ging hij voort... »En toch... wil je gelooven, dat ik aanvechting voel, om me dood te wenschen, liever dan zoo’n huwelijk aan te gaan?!” Hij haalde diep adem, met een snikkend geluid, en wendde zich opnieuw van Laura af. Ze legde haar hand op zijn schouder.

»Kom, Kees!” zei ze zacht. »’t Is hard voor je, zeker. Maar zulke gedachten moet je van je af zetten. Er is een belooning in ’t nakomen van een harde plicht. Je geweten zal je die belooning zeker geven. Die kaatst, moet de bal verwachten, dat moet je ook niet vergeten, Kees. Je moet nu eenmaal. Bid God om kracht, en wie weet, hoe alles nog anders uitvalt dan je nu denkt.”

Cornelis keek somber vóor zich uit, strak, als wezenloos. De verpleegster ging voort:

»Wie zegt je, of Clarine’s karakter niet nog veranderen zal? Het moederschap doet soms wonderen. Doe je plicht, en laat de rest in Gods handen, geloof me, Kees.”

»Je hebt gelijk, je hebt gelijk,” mompelde Cornelis droomerig. Hij voelde een oneindige droefenis zijn gemoed overstroomen. En de stem, die tot hem gesproken had, klonk nog na in zijn ziel: hartelijk en teeder, onzeggelijk beminnelijk... Wat was Clarine bij dit eenvoudige lieve meisje! Wat een schril contrast van teugellooze hartstocht en heerlijke zelftucht! Dit meisje zou den man gelukkig maken, die waardig was haar tot vrouw te krijgen. En te denken, dat hij wellicht die man had kunnen wezen, als hij niet zoo verblind was geweest, niet zoo’n ezel... Hij had Clarine niet lief, neen, duizendmaal neen. Maar zij hem dan? Juist haar hevig versmaden van zijn liefde getuigde van een grooten hartstocht. Of die ooit liefde geweest was of worden zou? Wat deed dat ertoe? Er was hier meer; er waren meer belangen in ’t spel dan ’t hare en ’t zijne: dat van hun kind, wanneer ’t ter wereld kwam...

»Laura,” zei Cornelis op eens op heel anderen toon dan te voren, »’t is geen zonde, geen misdaad—nietwaar?—een meisje te trouwen, dat je niet lief hebt... in dit geval, bedoel ik?” Hij wilde de bevestiging van zijn eigen denkbeelden door haar hooren uitspreken: haar instemming zou hem kracht geven en wijding aan zijn streven.

Met volle overtuiging antwoordde het jonge meisje: »Integendeel. Je moogt niet anders handelen. Ik weet wel, dat er veel menschen zijn, die er niet zoo over denken, en die me zelfs zouden uitlachen, als ze me hoorden spreken; maar ik vind, dat, als er zoo’n misstap begaan is, ’t huwelijk alleen de twee schuldigen tegenover hun geweten kan redden, zelfs al zijn er... geen gevolgen zooals in dit geval...”

»Tegenover hun geweten... zeker,” mompelde Cornelis in gedachten verzonken »dat is ’t... ik haat dat «schijn redden”.—En als er een kind is?”

»Dan... dan,” antwoordde Laura, vol vuur in haar spreken, »houdt alle gedachte aan eigen belang op, en moeten beiden zich opofferen in ’t belang van het arme wezen, dat door hun schuld in de wereld komt...” Ze hield zich in: ’t was niet goed te veel hierover uit te weiden, Cornelis was al zenuwachtig. »Maar,” ging ze voort, »laten we niet verder daarover spreken. Je hebt je bekentenis gedaan, en voelt je nu opgelucht. Nog eens: blijf bij je goede voornemens, en vertrouw overigens op God...”

Hij zocht haar hand, en drukte die innig. Zij trok haar hand terug.

»Ga nu slapen. Je hebt je veel te veel opgewonden. Kom, ik ga wat lezen.”

’t Jonge meisje stond op, wierp even een blik vol zorgzaamheid op den zieke, en begaf zich naar de tafel.

Cornelis lag roerloos, met de oogen dicht. Hij dacht aan Laura’s woorden, zoo vol innige overtuiging. Hoe vreemd was ’t een jong meisje zóo te hooren spreken over zulk een onderwerp! En toch, hoe wonderlijk indrukwekkend klonk zulk een taal uit zulk een mond! Wie had ooit te voren tot hem zóo gesproken? De gangbare opvatting onder zijn standgenooten was immers, dat kuischheid voor een jongen man nu eenmaal onmogelijk was. En hij had ergens in een Fransch werkje gelezen, dat geen enkel groot man kuisch was. Hoe prachtig paste die opvatting in ’t kader van zijn levensfilosofie, zooals ze drie maanden te voren nog was! Hoe lenigend en gewetensussend klonk ze voor den jongen man, die zich niet meer kuisch voelde. Kuisch! ’t Woord had iets belachelijks, iets dat naar den drogen zedemeester rook, die »’t leven” niet kende. Dat was zoo studentenopvatting. Salomo zelf was niet kuisch, en die was immers de wijze koning bij uitnemendheid? Alexander de Groote, Caesar, Lodewijk de Veertiende, Chateaubriand, Göthe, Shelley, Napoleon... voorbeelden te over: allen immers luchtig denkende over geslachtelijke liefde? O, hoe haatte hij thans die uitdenksels van verdwaalde hersenen! Neen, hoe grooter een mensch is, des te hooger zijn eischen aan zelftucht, des te strenger zijn kuischheidsbeginselen. Tegenover de voorbeelden van mannen met onreinen levenswandel stonden tal van anderen, die steeds ’t ideaal van zedelijkheid hoog gehouden hadden: een Cato, een Luther, een Grotius, een Spinoza, een Willem de Derde van Engeland, een Schiller, een Walter Scott, een Gladstone en wie niet al! En dan, wat de geschiedenis groot noemt, is nog niet altijd groot in den zin van hoogstaand in karakter, in verdiensten tegenover de gansche menschheid. Een veroveraar, al is hij een groot werktuig in Gods hand, is daarom nog niet zedelijk groot: Alexander van Macedonië stierf in een roes van beestachtigheid als erbarmelijke prooi zijner hartstochten. Lodewijk de Veertiende had een walgelijken ouderdom. Napoleon had geen zielegrootheid genoeg, om de ballingschap gelaten en wijs te dragen: hij stierf na korte jaren. De werkelijk groote mannen, die veel gezondigd hadden op geslachtelijk gebied, waren groot ondanks die zonden, en hun verdiensten voor ’t alheil waren zoodanig, dat die zonden licht wogen tegen de som dier verdiensten...

Disputen met zijn »contub” ter zake van dit voor jonge menschen zoo aantrekkelijk onderwerp kwamen Cornelis weer levendig vóor den geest: Frits Seeman was ’t zoo vaak oneens met hem geweest. Die hield vol, dat karaktergrootheid en kuischheid bijna altijd samen gingen. En Cornelis dacht thans ook aan ’t redenaarsgebaar, dat het kleine kereltje zoo grappig maakte, wanneer hij deed, alsof hij wees op de volken, die werkelijk groot waren, op de tegenwoordige macht van Duitschland, de kracht van ’t matige Oud-Holland in de dagen der Republiek, de zeeheerschappij van Engeland, den vooruitgang van Noord-Amerika en Canada, en dat alles tegenover het verval der Romaansche volken, die maar al te veel losse zeden dulden en zelfs verheerlijken.

»Nee, m’n manneke,” riep de kleine Frits dan »’t is met de menschen net als met de volken: die zijn hartstochten beheerscht, is ook een heerscher op ander gebied. ’t Beginsel van alle wijsheid...”

»Is de vreeze des Heeren” viel Cornelis toen lachend in.

»Zeker, als je ’t zoo noemen wil,” antwoordde de ander onverstoorbaar. »De vreeze Gods is evengoed ’t bevechten van kwade neigingen, ’t in-toom-houden van je dierlijke levensuitingen.”

Cornelis glimlachte in zijn droefheid. ’t Beeld van den komisch ernstigen kleinen declamator rees hem zoo duidelijk vóor den geest, en ’t was of hij hem dat »dierlijke levensuitingen” nog hoorde zeggen. Wat had hij toen gelachen om de blijkbare voldoening, waarmee Fritsje dit deftige woord had uitgesproken! ’t Was zoo een van die standaarduitdrukkingen van den «jurist” Frits Seeman.

Ja zeker, Frits had gelijk, stellig. En Laura ook. Hij was nu rustig en gelaten. En in een opwelling van erkentelijkheid voor ’t licht, dat thans zoo helder in zijn ziel scheen, bracht hij de handen bijeen, en bad.

Een half uur later keek een donker oogenpaar om den hoek van ’t schut naar den zieke.

»Goddank,” mompelde zij zacht en met voldoening. En kalm hervatte zij de lezing van Vondel’s Lucifer. Maar de lectuur boeide haar niet; haar gedachten bleven bij den zieke en de pijnlijke tooneelen, die ze dien avond bijgewoond had.

VIII.

EEN „NONNA.”