Zoo'n Nonna!

Part 3

Chapter 34,003 wordsPublic domain

De verwijdering tusschen man en vrouw werd weer met den dag grooter. Hevige tooneelen hadden echter niet plaats: zij was er te zachtzinnig voor, hij te deftig, te hartstochteloos. Toch ontbraken de uitbarstingen niet, hoe kalm ze ook afliepen. Hij kon kalm grof zijn, cynisch en dom wreed. In ’t eerst eindigde zulk een woordenwisseling met een krampachtig gesnik van de zwakkere partij, later hield dit op. Als hij sarrend bedaard, met onnoozel meerderheidsvertoon, schouderophalend en lachend, heenging met een: »Je bent een eend!” zweeg zij, bleek bevend, ineengedoken op een stoel. En ze wierp hem een langen blik na, waarin smartelijke minachting lag. Ze schreide niet meer in zijn bijzijn: haar tranen achtte ze te heilig om besmet te worden door zijn gemeenen spot. Een uur later stak hij haar de hand toe, met een minzamen lach en een gemaakt hartelijk »kom, kom,” zwaar gebromd. Mat nam ze dan ’t vredesteeken aan. En hij achtte zich onweerstaanbaar. Haar geweten plaagde haar, ’t vertelde van vredesluiten, vergeten en vergeven. Ze zwichtte dan voor die stem, om weldra weer om te slaan. Ze ging naar de kerk, dagelijks, en bad om kracht, om bijstand, om zuiver inzicht: mocht ze den vader van haar kind minachten? Was ’t geen zonde de liefkozingen te dulden van een man, dien ze minachtte? En met angst dacht ze aan de komende gebeurtenis, haar tweede bevalling, ’t Kind kwam, een zwak meisje, geboren uit een zwakke moeder. Bij ’t zielelijden der moeder voegde zich thans lichamelijk lijden, sleepend, slopend.

’t Meisje werd twee jaar oud en stierf. De moeder volgde een half jaar later. Aan ’t sterfbed was Udoma bizonder effectvol geweest. In ’t bijzijn van den priester had zijn vrouw hem vergiffenis gevraagd voor ’t verdriet hem aangedaan. »Van harte, m’n lieve,” had hij waardig geantwoord. Ze was tevreden gestorven.

Cornelis, toen zeventien, voelde den slag vreeselijk. Hij was steeds de lieveling van zijn moeder geweest, haar trots ook, haar hoop, haar troost. Hij had een fijngevoelig hart als zij, hij begreep haar neigingen, haar smaak. In zijn gezelschap vond ze afleiding voor haar zorgen. En hij genoot van de uurtjes van intiem samenzijn met haar, zonder zijn vader. Voor dezen had hij een soort schuwen eerbied, zonder innigheid. Hij keek tegen hem op als tegen een autoriteit, zijn moeder was een oudere vriendin, een vertrouwelinge voor hem geweest. Hij was zóo innig, zóo teeder in dien omgang, dat zijn vrienden op school hem »moederskindje” noemden; omdat hij ’t altijd over zijn moeder had, over »wat moeder zei” en »wat moeder vond.” ’t Nadeel, was een zekere verweekelijking in zijn gevoelsleven, maar ’t voordeel, dat hij vrij bleef van veel besmetting, waaraan men op dien jeugdigen leeftijd door omgang met kameraadjes en kameraden blootstaat. Ook had Cornelis niet veel tijd voor dien omgang: veel uren buiten de school werden in beslag genomen door privaat-onderwijs in de klassieke talen. Een priester kwam die lessen geven: vader Udoma zond zijn zoon liever niet naar ’t gymnasium in den Bosch of dat te Venlo. De avonduren sleet Cornelis in ’t bijzijn zijner moeder; bij haar zittend maakte hij zijn werk. En als hij vroeg daarmee klaar was, speelde zij een stukje op de piano, soms zong zij, meest weemoedige liederen, met zwakke stem, maar vol innigheid voorgedragen. Vaak moest het lied afgebroken worden, vóor het einde, omdat de tranen haar stem verstikten. Moeder en zoon vielen elkaar dan in de armen, ’t Was een leerschool voor gevoeligheid—»gevoelerigheid” was een woord van Udoma Senior—die omgang met zijn moeder. Cornelis werd een stille ernstige jongen, soms droomerig—»suf,” zei zijn vader. Hij hield veel van lezen, van muziek—speelde viool, bewonderde alle kunst. Een paar maal waren ze naar Brussel geweest—vader, moeder en zoon—en ook »de musea” waren in vaders correct reisplan begrepen. Cornelis had genoten, vader Udoma vond, dat z’n jongen daar ook verstand van moest hebben: dat hoorde zoo bij zijn stand.

Na zijn moeders dood was ’t een heel ander leven. Vader en zoon waren veel meer samen. Udoma Senior miste ’t gezelschap der anders onvermijdelijke, maar ook slecht ontbeerbare derde persoonlijkheid in huis, en zocht nu méer ’t gezelschap van zijn zoon. En hij kreeg ’t in zijn hoofd den jongen naar zijn model te vormen, hem te scholen in al »de maatschappelijke en intieme deugden”—zooals hij ’t noemde—waarin hij zichzelf zoo volleerd vond. De overgang voor Cornelis was onmerkbaar. Allengs groeide er een korst van wereldsche ploertenwijsheid om de blanke teedere kern zijner ziel; voor ’t uiterlijk werd hij een tweede notaris Udoma, uitgave in kleiner formaat, wat fijner omslag, maar overigens een reproductie. De oude heer vond de verandering bizonder naar zijn zin: hij had zooveel kneedbaarheid, zooveel aannemendheid niet verwacht.

Toen Cornelis naar Leiden ging, was ’s vaders ongerustheid dan ook voornamelijk, dat hij zich »compromiteeren” zou. Dat had Udoma Senior nooit gedaan. Hij had als student—want hij was gepromoveerd in de rechten—éen, zegge een liefdesbetrekking gehad. Die had drie jaar geduurd, niemand had er van geweten, behalve ’t meisje en haar moeder, ’t was alles »contractueel” gegaan, zonder horten en stooten, zonder zich te compromiteeren—ook ’t afscheid: hij had haar vijf honderd gulden gegeven, en haar moeder, een weduwe, in een zaakje gezet. Alles correct.

Cornelis compromiteerde zich te Leiden ook niet, ofschoon hij zich ver hield van alle betrekkingen van teederen aard—tot op dien noodlottigen dag. Hij maakte kennis met Clarine bij gemeenschappelijke vrienden in den Haag, op een avondpartijtje...

En thans die ommekeer, dat plotseling afbrokkelen en wegvallen van die buitenlaag van zijn wezen, die ontdekking, dat het zijn wezen niet was, de verbijstering van ’t schijnbaar nieuwe, waarin vreugde, verrassing, ergernis en afschuw dooreenwarrelden!

De schok der laatste gebeurtenissen had hem dan wel door elkaar geschud, om zoo iets te bewerken! En als hij zichzelf niet geweest was, maar een ander, rijper en ouder dan hij, en die zielsrevolutie had kunnen beoordeelen, dan zou hij gejuicht hebben. De schok was beslissend voor zijn leven: de mensch, de edele oprechte mensch was gered, behoed voor verwording...

Cornelis verwenschte voor de zooveelste maal zijn vorig wezen, zijn »mooidoenerij.” Hij had er een walg van. En hij dacht aan zijn moeder, aan den tijd toen hij als kleine jongen ’s avonds naar beneden sloop, stilletjes de trap af, naar de voorkamer, waar moeder zat piano te spelen en te neuriën, droomerig zacht. Hoe hij kans zag achter de piano te kruipen, zonder dat zij ’t merkte, en daar soms slapende gevonden werd, een half uur later. Een lied dat ze veel zong ruischte hem door ’t hoofd, aanhoudend, weemoedig streelend: »Bleibe nur fein geduldig...” Zijn moeder zong dat wiegelied zoo vaak. ’t Werkte nu als een wiegelied op hem. Hij had een uur zitten peinzen met de oogen dicht, en dat na al de aandoeningen... hij sliep in.

Te Boxtel werd hij met schrik wakker, meende reeds aangekomen te zijn. Verder bleef hij gedrukt, verward, slechts de eene zekerheid, die hij had—dat hij zijn vader alles zeggen, Clarine redden moest—met grooter ongerustheid onder de oogen ziende naarmate de ontmoeting met zijn vader nader kwam. Toch was hij iets kalmer en op dat éene punt vastberaden.

Aan ’t station stond Udoma Senior zijn zoon af te wachten. ’t Trof hem alleen, dat hij stil was, bizonder stil en ongewoon.

’t Was ongeveer etenstijd. Na het maal excuseerde Cornelis zich, nog vóor de sigaar, en ging naar zijn kamer. Van de zaak had hij niets gezegd: hij wilde tot den volgenden morgen wachten.

»Vreemd!” mompelde Udoma Senior, met zijn groote ronde oogen starende op ’t bandje van zijn »after-dinner.”

»De jongen heeft iets bizonders...” peinsde hij. »Zou hij zich gecompromiteerd hebben? Niet best mogelijk: hij is solide en verstandig.” En groot-formaat Udoma streelde zelfgenoegzaam zijn gladgeschoren vette kin. Hij dacht aan ’t kleine formaat, en was ten slotte innig tevreden.

»Ja, ja” mompelde hij, zwaar en dik van toon, stond van zijn stoel op en slenterde met de sigaar tusschen zijn tanden, de duimen boven aan zijn vest, bedaard en schommelend naar de ruime veranda, achter de naaste kamer.

’t Was een mooie avond in den vroegen herfst.

Een zonnestraal, een der laatste, viel lachend op zijn glanzigen deftigen schedel.

»Ja, ja...” klonk ’t nog eens als uit een hol vat.

Udoma Senior zette zich neer in een tuinstoel, strekte zijn korte beenen uit, leî zijn sigaar op een aschbakje en sloot de oogen. »Ja, ja...”

Den volgenden ochtend omstreeks half negen was Cornelis Udoma alleen met zijn geweten in den grooten tuin achter zijn vaders huis. ’t Was een bizonder groote tuin, een van de grootste in de stad. Bovendien bizonder mooi en goed onderhouden. Achterin waren lommerrijke paadjes en heerlijke plekjes, die den droomer de begoocheling der eenzaamheid schonken.

Cornelis wandelde op en neer, sinds bijna een uur in dat zelfde achterdeel van den tuin, de handen in de jaszakken van zijn flanellen zomerpakje, zóo dat die een eind vooruitstaken, de kin op de borst. Om hem heen een geurige, weelderige, zinnenwiegende morgen. Hij had zijn vader nòg niet gesproken! Die was niet aan ’t ontbijt om half acht. Hij had zich een uur vergist—hij wist dat zijn vader om half negen ontbeet—Na een vrijwel slapeloozen nacht was hij maar opgestaan, denkende, dat het al heel laat was. Waarom hij zijn vader niet afgewacht had, wist hij zelf niet best. Hij geloofde, dat het was omdat hij nog ’s goed bedenken moest, hoe hij de zaak in zou kleeden.

»Zoo, ben je daar?” klonk op eens een zware stem.

»Cornelis, jongen, wat scheelt je? Hoe kom je zoo vroeg uit de veeren? Je bent anders zoo matineus niet. Zeg?”

Udoma Senior was den tuin ingegaan om zijn zoon te zoeken en was weldra op hem gestuit bij ’t omslaan van een laantje achterin. Hij was nu overtuigd, dat »’m wat scheelde”, dat was duidelijk.

Cornelis kijkt verrast op, bloost en stamelt:

»Mij? Mij scheelt niets, Papa...”

»Kom!” Papa steekt zijn arm fideel onder den linkerarm van ’t jonge mensch en wandelt met hem op. »Woû je mij wijsmaken, dat je volkomen normaal was? Nee, m’n baasje, wij kennen onze wereld zoo’n beetje.” Dit zelfvoldaan en met strakken lachenden blik op Cornelis.

Deze zwijgt en beantwoordt den blik niet.

»Zeg ’s... Cornelis... ronduit, hoor. »La femme?”

»Och!” zegt Cornelis met schouderschok, alsof hij een vuile veronderstelling ver van zich af wil gooien. Nog steeds houdt hij zijn oogen naar de fijne kiezelsteentjes in ’t laantje gericht.

»Tu en as l’âge, mon ami. Rien d’extraordinaire!” gaat de vader voort, die gaarne Fransch spreekt en Fransch geurt en Fransche levensbeginselen te koop hangt.

»’t Is immers zoo? Zeg ’t nu maar, dan kunnen we ’s praten”.

De oudere man staat hier stil, Cornelis breekt onwillekeurig ook zijn wandeling af. Hij kijkt even op. De luchtige toon van zijn vader hindert hem geweldig.

»Er is niets van wat u vermoedt, Papa,” zegt hij snel, met afgewend hoofd morrelend in de kiezelsteentjes met zijn eenen hak. »Ik scharrel niet.” Dit met innige minachting in zijn toon, en korzelig.

»Natuurlijk niet, dat laat je aan prolen over, nietwaar?”

Zij hervatten hun wandeling. »Jij doet ondertusschen aan hofmaken en zoo. En nu ben je tegen de lamp geloopen. Hoe is ’t: ziet ze er goed uit? En kun je niet van ’r afkomen? Toch geen »conséquences”, wil ik hopen? Jongen, jongen, je weet wat ik je daaromtrent gezegd heb: Sauvez les apparences, en als je ’t te ver laat komen, is dat bliksems lastig.”

Cornelis bijt zich op de lippen. Dan draait hij zich plotseling half om, en zegt hard en duidelijk:

»Ik heb een meisje van mijn stand...”

»Verleid wil je zeggen? valt Udoma Senior lachend en doodkalm in, »of zij jou! Ha, ha!”

»Vader, ik verzoek u me niet in de rede te vallen!” roept Cornelis woedend.

Zonder erop te letten gaat de ander onmiddellijk daarop voort: »De gewone roman. Je wilt ’r nu trouwen. Erg edelmoedig... Ça ne se fait pas, m’n jongen. Ik had je voor verstandiger gehouden...”

»Papa, gaat u in Gods naam niet op die toon voort...”

Er komen tranen in Cornelis’ oogen. De ander ziet ’t, vertrekt even een mondhoek, en vraagt quasi belangstellend:

»Hoe heet ze, komaan?” Cornelis aarzelt even.

»Dauteville.”

»Zoo”, met zekere voldaanheid. Dan, nieuwsgierig: »Wat is de vader?”

»Predikant!”

»Domine. Protestant dus. Zoo. Hm... Geld?”

»Ja.”

Cornelis antwoordt voortdurend op gedempten, onwilligen toon.

»Al ’n ouwe geschiedenis?”

»Ik ken ’r een jaar ongeveer.”

»Ik bedoel die... eigenlijke amourette?”

»Och, wat bedoelt u toch? Begint u weer? Als u zóo spreekt zwijg ik liever...”

Vader Udoma herkent zijn zoon niet. Wat bezielt die’ jongen? Zouden de oude sentimentaliteiten weer terugkomen?

»Ik wil zeggen, wanneer je de jobstijding kreeg?” gaat Udoma Senior rustig voort.

»Nog pas een paar dagen geleden. Daarom ben ik hier.” Er is iets in Cornelis’ toon, dat te kennen geeft: hoe kan u anders denken?

»Zoo, zoo, je laat ’r geen gras over groeien. En nu wil je zeker mijn toestemming voor ’t huwelijk?”

»Natuurlijk, vader.”

De hooge ernst op ’t bleeke, regelmatige, fijne gezicht van den jongen Udoma vormt een schril tegenbeeld met de hoogroode tronie van zijn vader, pafferig en luchtig zelfvoldaan. Bij al de overeenkomst hunner trekken—dezelfde soort oogen, dezelfde vorm van neus, dezelfde snit van mond, dezelfde bakkebaardjes, dezelfde kortgehouden knevel—viel ’t onderscheid dadelijk op. Udoma Junior was fijn, de ander grof, de een aristocratisch van lijnen, de ander poenig.

»Cornelis, dat doet men niet” antwoordt ’t poenig individu.

»Men, men... wat kan mij men schelen!!” roept Cornelis, zich niet meer kunnende inhouden. »Ik acht ’t mijn plicht dat huwelijk door te zetten.” De jonge man bedenkt zich, dat hij zijn vader niet beleedigen mag, dat zijn toestemming onontbeerlijk is; dat Clarine, als hij die niet krijgt, verloren is, want hij wordt eerst in Mei meerderjarig, en ’t is September.

»Papa, u geeft uw toestemming, nietwaar?” gaat hij op heel anderen toon voort, nu met smeeking en vleiing; hoe hij ook inwendig trilt van verontwaardiging.

»Kom, kom, kom. Hou je nu maar kalm. We spreken er nog wel nader over. Ik moet naar kantoor.” Bedaard zijn horloge weer in den zak stekend, zegt hij onder ’t heengaan: »Nu tot ziens. Onthoû nu voorloopig dit alleen: je krijgt mijn toestemming niet, he. Adieu!”

Cornelis oogt zijn vader na. Zijn vader!

Een gesmoorde vloek barst van zijn lippen; ’t was de tweede keer in zijn leven, dat hij zich zóo onbeschaafd uitdrukte.

Hij voelt zich rampzalig. Vol zelfverwijt over zijn gebrek aan zelfbedwang slentert de jonge man naar een bank, daar vlak bij onder een hoogen kastanje. Daar zet hij zich neer, en klemt ’t hoofd tusschen de handen, de ellebogen op de knieën.

IV.

CORNELIS VLEUGELLAM.

Onze student in de rechten was nu een week te Delmond bij zijn vader. Na de eerste woordenwisseling over »de zaak” waren er ettelijke andere gevolgd, alle kalm begonnen, alle hevig hartstochtelijk geëindigd, terwijl in alle zijn vader bedaard en onverzettelijk bleef. ’t Hersenlooze ça ne se fait pas, uit den treure op denzelfden toon herhaald, had Cornelis op ’t laatst razend gemaakt. ’t Einde was verklaarde oorlog met zijn levengever. Deze bleef lachen, spotten, schouderoptrekken.

Cornelis lag in zijn bed. ’t Was drie uur in den nacht: hij kon net op zijn horloge kijken, want de maan scheen helder in zijn kamer. Deze kwam uit op den tuin achter en lag op de eerste verdieping vlak naast die van zijn vader.

Hij lag al sinds elf uur in zijn bed... klaar wakker. Wanhopig was hij van ’t avondeten opgestaan na een laatste schermutseling met zijn vader.

Hij was er nu mooi aan toe, waarlijk! Geen rooie cent om weg te komen, en dus genoodzaakt te Delmond te blijven, terwijl hij Clarine spreken moest, moest, moest! Hij kon immers niet alles in een brief zetten ... En zijn vader wilde hem nu dwingen voorloopig op de plaats te blijven, totdat hij wat gekalmeerd was en die »zottigheden” uit zijn hoofd gezet had.

’t Was nu al een week, dat die arme Clarine op tijding wachtte, en dat in haar toestand! Och, ’t was zijn schuld niet: hij had alles in ’t werk willen stellen, om zijn vader tot toestemming over te halen. Moest hij nu nog langer aanhouden, de kans loopen, dat die lamme zaak nog een maand bleef sleepen? En haar ondertusschen schrijven, dat ’t nog wel gaan zou? En als ’t dan ’s niet ging ... Nee, bah, dat wàs geen handelen! Maar wat dan? Of hij al wegging, haar opzocht, sprak, de zaak uitlegde en wat niet al, dat eene bleef als een paal boven water: ’t huwelijk was onmogelijk vóor volgend jaar Mei, als hij drie-en-twintig werd. En hoe dan nog nog, als zijn vader bleef weigeren! Idiote wetsbepalingen! Cornelis wenschte, dat hij in Engeland was; ’t scheen, dat hier in Holland iemand van zijn leeftijd nog als een kind werd beschouwd. Dan zeker omdat een Hollander lummelachtiger, minder »leersch” is dan een Engelschman? Dat burgerlijk wetboek haatte hij hardgrondig. »Een samenknoeisel van idioten!” mopperde hij half opgericht in zijn bed »vooral op ’t punt van ’t huwelijk.”

De rechtsgeleerde overdenkingen waren spoedig weer verdrongen.

Hij stond voor een feit: in zijn eigen land was een huwelijk met Clarine Dauteville door zijn vaders houding voor hem onmogelijk. Maar in ’t buitenland dan? In Engeland? Hij zou met haar kunnen vluchten, en dan verder zien wat hij doen kon. Lukte het hem niet in Engeland of in Frankrijk spoedig te trouwen, dan kon hij in allen geval op ’t oogenblik wachten, zonder Clarine’s naam onder haar eigen landgenooten in gevaar te brengen.

’t Eenige noodige was hier geld... En medewerking van den ouden Dauteville. Nu, die was wel te krijgen, of zelfs kon hij wel buiten die in ’t ergste geval... Als de man de overtuiging had, dat er niets anders op zat... Cornelis dacht een oogenblik aan de mogelijkheid, dat Dauteville zelf een poging zou wagen, om zijn vader te vermurwen. Zou de vent daartoe in staat zijn? Misschien wel, maar zijn vader zou hem niet willen ontvangen—dat wist hij zeker—en een brief zou immers niets uitwerken.

Hoe ’t ook liep, naar den Haag moest hij. En zoo spoedig mogelijk. Dadelijk...

Cornelis keek nog eens op zijn horloge, dat vlak vóor hem op ’t nachtkastje lag. Kwart over drie... De eerste trein naar ’t noorden vertrok om een uur of zes. Daar moest hij mee weg, hij mocht niet langer uitstellen.

Weer valt hem te binnen, dat hij geen geld heeft. Hij grijpt naar zijn portemonnaie, ook op ’t nachtkastje. In vredesnaam dan maar derde klas, als ’t moet. Cornelis Udoma, juris candidatus, student te Leiden derde klas! Maar zelfs daarvoor blijkt zijn zakgeld ontoereikend. Morgen ochtend geld gaan leenen bij iemand? Stel je voor, hij geldleenen, terwijl iedereen op de plaats wist, dat zijn vader schatrijk was! Wat zou dat een aanleiding tot praatjes wezen! En die wilde hij tot elken prijs vermijden... Bovendien zou dat weer uitstel wezen. Hij zoù met dien eersten trein vertrekken...

Cornelis zat op den rand van zijn ledikant, met beide beenen buiten. Hij had een idee.

Op zijn teenen sloop hij naar de deur van zijn slaapkamer. Die stond open, als gewoonlijk ’s zomers. Op ’t portaal zag hij dadelijk, dat ook zijn vaders kamerdeur op een kier stond.

Wie waagt die wint, en zijn vaders geld was ’t zijne immers, althans dat wat hem toekwam... Hij moest zijn maandgeld hebben—’t was al bijna October. En wat hij nemen zou, was immers niet meer dan die som. Hij had tweehonderd in de maand, en zijn vader had hem nog geen cent gegeven... Maar neen, hij had meer noodig. Wat zou ’t nog?

Daar op een tafeltje vóor ’t bed—’t groote welbekende bruinhouten bed met de prachtige afhangende gordijnen—lagen twee sleutels bij de talrijke zaakjes, die notaris Udoma in zijn broek- en vest- en jaszakken placht te dragen. Cornelis kende ze: de eene moest die van het »kantoor”, de andere die van de brandkast wezen. Er was een nachtlicht, en alles was vrij goed te zien.

Hij aarzelde een oogenblik. Achter de zware gordijnen, even openhangend, hoorde hij duidelijk de bedaarde, regelmatige ademhaling zijns vaders: ook die was deftig, als alles van Notaris Udoma. ’t Groote bed deed herinneringen uit Cornelis’ kindsche jaren leven. Wat had hij vaak ’s morgens dien hoogen rand beklommen, om »nog eventjes bij mamaatje onder de wol te kruipen”. Wat had hij vaak binnen die weelderige gordijnen zijn kinderlach doen schateren, zijn onschuldig mondje geroerd...

En nu sloop hij naar dat bed om sleutels weg te nemen, als een dief... Hij wàs in onmin met zijn vader, en waagde thans een daad, die hem misschien voor goed van hem zou vervreemden... Och kom, ’t zou zoo’n vaart niet nemen!

Cornelis sloot zijn lippen vaster opeen, deed een paar passen vooruit, en strekte de hand naar de twee sleutels uit. Achter ’t gordijn klonk een zucht als van iemand, die ontwaakt. Ademloos stond de jongeman enkele seconden als een beeld in dezelfde houding, de eene hand aan de sleutels. Zijn vader draaide zich om, ’t bed kraakte... Buiten op ’t portaal hoorde hij in de overigens doodsche stilte een geritsel... Muizen, een stukje kalk dat van den wand losliet... Met éen greep had hij de beide sleutels in zijn hand. Een seconde later was hij op ’t portaal.

Hij bedacht zich, dat hij ongekleed was.

Terug naar zijn kamer. In twee minuten had hij zich gedruischloos aangekleed. Hij deed er anders een half uur over, wasschen inbegrepen.

Daar stond hij weer op ’t portaal, met de sleutels in zijn zak. In gedachten nam hij afscheid van zijn vader. Onwillekeurig draaide hij ’t hoofd om, toen hij zich boven aan de trap bevond. Zoo zag hij zijn vader liggen, door de deur had hij juist ’t gezicht op ’t bed. Misschien zag hij hem nooit weer. Toch een nare gedachte! Och, ’t was zijn schuld niet, dat ze zoo scheiden moesten. Waarom niet toegegeven?

’t Was pikdonker boven aan de trap. Voorzichtig, stapje voor stapje gleed Cornelis naar beneden; met beide handen hield hij zich aan de gladde houten leuning vast. De bovenste trap had negen treden. ’t Kleine portaaltje over, en dan nog eens negen treden, dan was hij beneden in de ruime marmeren gang.

Alles ging goed. De gang was vrij helder verlicht; de maan zond haar stralen door ’t gekleurde glas boven de tuindeur. Toch tastte Cornelis naar lucifers in zijn broekzak. Hij had ze bij zich, als naar gewoonte. Dat was een geruststelling. Met bonzend hart opende hij de zware kantoordeur. Wat was hij zenuwachtig! In ’t kantoor was ’t pikdonker: hij kon niets zien. Een duffe lucht van vocht en paperassen sloeg hem in ’t gelaat. Bevend streek de jonge man een lucifer af. Een helle flikkering door de holle kamer: daar doemden de groote brandkasten met haar onvriendelijk dom voorkomen uit ’t duister op, rechts stond de kolossale secrétaire en de schrijftafel van zijn vader met de rij wetboeken er boven op, netjes geschikt, de duffe donkere stoelen met leeren zittingen, de schrijftafels van den candidaat-notaris en den klerk. Aan den wand kaarten, lijsten, onsmakelijke almanakken, alles duf en somber deftig over dag, in ’t flikkerend schijnsel grafkelderachtig.

Daar stond een blaker met een eind kaars op zijn vaders schrijftafel. De eerste lucifer brandde op. Cornelis knipte ’t overgebleven stukje driftig weg: hij had zich in de vingers gebrand. Een tweede lucifer. Met den blaker naar de eene brandkast. Daarin lag papieren geld, dat wist hij. De brandkast gaapte, en toonde zijn dikke metalen lippen. Uit de grijnzende opening haalde Cornelis een handvol bankpapier.

Even nageteld: alles bankbiljetten van vijf en twintig, tien stuks. Goed zoo, dat was genoeg. Zorgvuldig ’t logge ding weer gesloten. Hij moest er twee rukken aan geven. Wat beefde hij! En waarom meende hij niet te begrijpen.