Part 2
»Zeker,” hervatte zijn contub, »zullen we wedden? ’t Is heusch nog zoo vreeselijk niet, dat je met een lief meisje van goeie familie trouwt...”
»Ik trouwen? En dan zeker doorgaan met mijn studie hier in Leiden? En door al mijn kennissen uitgelachen worden?”
»Daar heb je weer die verdraaide valsche schaamte!” Fritsje Seemans liep driftig op en neer. »Is ’t dan niet mogelijk je studie elders voort te zetten, of... er mee uit te scheiden? Wat ’t zwaarste is, moet ’t zwaarste wegen. En dan, wat ’t verschil in godsdienst betreft, hoû je bij de overtuiging, dat je meer zonde doet door dat meisje in de steek te laten dan door met een Protestantsche te trouwen. Ik woû wel eens zien, of de pastoor je dat tegensprak... Nu, manneke, ik laat je alleen, hoor. Denk jij maar ’s over mijn woorden na, en neem een snel besluit. Van avond na ’t eten spreken we elkaar nog wel. Hoû je taai!”
»Tot ziens!” mompelde de achterblijvende. Hij stond op van zijn stoel bij den schoorsteen en ging naar ’t raam vóor aan straat, waar hij zijn vriend naoogde. Dan begon hij zenuwachtig heen en weer te loopen, en bleef eindelijk vóor ’t portret van zijn meisje, dat op de piano stond, staan. ’t Opnemende en aanstarende, zeide hij met een driftig gebaar: »Ellendige geschiedenis! Zou Frits geen gelijk hebben, wel beschouwd?...”
Zoo stond hij een poos, wellicht een kwartier, in gedachten verzonken. Dan wil hij zich in een leuningstoel zetten, besluiteloos, ontevreden over zichzelf, als er aan de deur geklopt wordt.
»Binnen!” roept Cornelis brommig.
»Meheer, daar is iemand om u te spreke...” zegt ’t kamermeisje.
»Iemand? Wie? Een heer, een vent, wat is ’t?”
»Een heer, meheer!” ... Pietje de meid begrijpt niet hoe »meheer”, die anders altijd zoo vriendelijk is, nu zoo’n humeur vertoont. Ze is er onthutst van. »Met ’n hooge hoed...” laat ze volgen, maar half gerust, of ze er goed aan doet, dat er bij te zeggen.
Cornelis voelt een bang vermoeden opkomen.
»Hooge hoed, hooge hoed!... Hoe ziet hij er uit? Donkere knevel en sik?”
»Ja... ik geloof ’t wel,” antwoordt de dienstmeid aarzelend en schuift onwillekeurig naar de deur.
»Laat meneer binnen, hier in de voorkamer.”
Pietje af. Cornelis is opgestaan en verdwijnt haastig door een deur, die naar zijn slaapkamer leidt: hij moet zijn kamerjapon uitdoen en wat toilet maken.
Inmiddels zat Domine Dauteville in ’t kleine spreekkamertje van juffrouw Pilleman, de hospita. Hij was ’t met zichzelf nog niet volkomen eens, welk uiterlijk hij straks vertoonen moest, als hij bij Cornelis binnengelaten zou worden, en ’t was hem daarom lang niet onaangenaam, dat ze »meheer Udema,” zooals de hospita zeide, »eres evetjes waarschuwe” moest. Zoo had hij een paar minuten den tijd, om ’t hoogst gewichtige probleem van gelaatsuitdrukking en toon verder, naar hij hoopte, tot voldoening van zichzelf op te lossen. ’t Was een lastig, een hoogst onaangenaam iets, dat probleem: hij had er al in den trein en op zijn wandeling naar Cornelis kamers over nagedacht, en ook te voren, wel een uur in ’t geheel, van ’t oogenblik, dat hij zijn woning in den Haag verliet, om in de vigilante te stappen, tot zijn aankomst op de plek, waar hij nu zat. ’t Onaangenaamste van alles was, dat hij nu zichzelf bekennen moest, dat er zoo’n ding wàs: er was een vraagstuk, waar hij maar steeds hardnekkig het bestaan van had ontkend! Dat was een tweede deemoediging binnen vier en twintig uur. Gisterenavond, na Clarine’s bekentenis en nu ... Toen was hij de kluts kwijt geweest, was verlegen geweest met zijn houding tegenover zijn eigen kind; nu moest hij weer erkennen, dat er gevallen in ’t leven zijn, waarin een man als hij, »die z’n wereld kent,” met zijn leeftijd en zijn ondervinding, niet weet, hoe hij zich moet voordoen tegenover een beginneling in ’s levens school als Cornelis Udoma! Die erkentenis was bizonder pijnlijk en hinderlijk brutaal ook: ze klonk daarom maar noode door, overstelpt en overbulderd als ze telkens werd door zijn verontwaardigde ijdelheid. En toch kwam ze telkens, en ze plaagde hem juist op ’t oogenblik, dat de onthutste Pietje kwam zeggen, »of meheer maar binne woû komme.”
Een ware opluchting voor den zelfstrijder was de ontdekking, dat de kamer, waarin hij gelaten werd, tijdelijk bewonerloos was.
De inrichting beviel hem bizonder. Ze gaf ook een goeden indruk van ’s bewoners smaak, en—de middelen om daaraan te voldoen. Niets van de ruwe studentikoziteit, zich openbarend in schreeuwende klad-reclameplaten aan de wanden, smakeloos hier en daar tegen aan bengelende of neerhangende trofeeën van nachtelijke »moer”-partijen—naamplaatjes, schelknoppen, bordjes van stations of spoorwagens—geen monsterspinnekoppen van papier-maché of wanstaltige langarmige Japansche gedrochtjes aan de lampen, ook geen onzichtbare spiegel wegschuilend onder introductie-kaarten, programs van uitvoeringen, naamkaartjes en wat niet al. Neen, de heele kamer—Cornelis’ zitkamer—had iets geregelds, iets verstandig maar smaakvol overlegds, had een aanzien van hoog-beschaafde verfijning, ja iets vrouwelijks zou men geneigd zijn te zeggen. ’t Was, of er een rijk, ontwikkeld en elegant jong meisje de inrichting had geregeld, in plaats van een student.
De verrassing van dien indruk gaf een aangename afleiding aan Domine Dauteville’s gedachten, stemde hem tot toegevendheid, en loste ’t houding-vraagstuk bevredigend op. Ja zeker, een waardige, vaderlijk vermanende, maar ook vaderlijk vergevensgezinde inschikkelijkheid: dat was je ware, dat paste hem, dat was de toon, dien hij als zieleherder zoo goed kon aanslaan.
»Een drommels mooie kamer!” mompelde hij, weer geheel de oude. Zijn zin voor artisticiteit werd gestreeld: hij voelde zich volkomen op zijn gemak, en, toen hij, met den rug naar de deur gekeerd, met ingenomenheid stond te turen naar een keurige reproductie van Titiaan’s liggende Venus, belette slechts het geluid der opengaande deur, dat hij aan zijn opgewektheid in een zacht neuriënd gefluit lucht gaf.
In de plotselinge terugroeping tot zijn vorigen gedachtenkring verloor Domine Dauteville even zijn evenwicht, en ’t had weinig gescheeld, of hij had den binnentredende begroet met een vroolijk: »Zoo, kerel, hoe gaat ’t?” Bij tijds wist hij zich echter in te binden, en hij bepaalde zich tot een vormelijke buiging, correct en zelfbewust.
Cornelis boog bedremmeld, links. Hij was opvallend bleek en zenuwachtig.
»Ga u zitten, Meneer Dauteville ... Hoe maakt u ’t?”
»Dank u, Meneer Udoma, heel goed. U ook?”
»Nee, dank u,” ging de kalme van de twee voort, nadat hij inmiddels was gaan zitten op een der gemakkelijke stoelen bij een raam vóor aan straat. »Ik zal liever niet rooken.”
Hij wees de fijne sigaar af, die het jonge mensch hem gedienstig kwam aanbieden: ’t zelfbedwang kostte hem moeite, maar ’t paste niet te rooken in de gegeven omstandigheden, ’t prestige verbood die gezelligheid.
Na wat heen en weer drentelen, om een aschbakje te zoeken en lucifers klaar te zetten, die hij een oogenblik later inzag niet noodig te hebben, omdat hij begreep niet te kunnen rooken, als de domine het niet deed, zette Cornelis zich tegenover dezen in den tweeden beschikbaren leuningstoel.
’t Oogenblik zwijgen, dat nu volgt, is voor Cornelis lang geen ledigheid. Sinds het aangekondigde bezoek is er een merkwaardige ommekeer in hem gekomen. De zaak is beslist; hij zàl Clarine’s eer redden. Hoe is hem lang niet duidelijk. Hij voorziet moeilijkheden zonder eind; maar éen ding staat vast bij hem: zijn huwelijk met het meisje, dat hij ongelukkig gemaakt heeft. ’t Is hem nu volkomen helder: dat is zijn plicht, wat er ook verder moge gebeuren, en ’t is hem onbegrijpelijk, hoe hij er ooit anders over heeft kunnen denken ...
»Hm, hm,” kuchte Domine Dauteville. Hij wendt zich vertrouwelijk tot den jongen man en heft de rechter hand op—zijn gewoon oratorisch gebaar. »Ik kom u over een moeilijke zaak spreken, Meneer Udoma, een zaak, waarin ik op uw ridderlijkheid ... hm ... op uw gevoel van recht reken. Ik heb u sinds een jaar als een huisvriend ontvangen ...”
Cornelis buigt even, bleek, met neergeslagen blik. Onwillekeurig plukt hij met de linkerhand aan zijn snor, terwijl de andere zich om de zwarte zijleuning van zijn stoel klemt.
»U en mijn dochter Clarine mogen elkaar lijden...”
Cornelis kleurt.
»Nu, nu,” zegt de ander minzaam, vaderlijk, »daarin is niets lakenswaardigs.” Hij ziet den jongen man vol aan.
Cornelis kleurt nog heviger, zijn blik blijft gevestigd op een figuur in ’t tapijt vlak vóor zijn voeten.
»Mits...” Wat zal hij zeggen? De menschenkennende predikant acht het raadzaam in vage termen te spreken, kort, zonder omhaal. Hij heeft toch al gezien, dat de ander vrijwel gewonnen is. Bij dat »mits” trekt hij zijn stereotypen glimlach, breed met gesloten mond, minzaam en toch ernstig vermanend, echt herderlijk, naar hij vast gelooft. De opgestoken wijsvinger der rechterhand en ’t even voorover leunen in zijn stoel verhoogen dien indruk. Hij is correct, bewonderenswaardig, indrukwekkend, dat voelt hij.
De jonge man is te zeer van streek, om er iets van op te merken of te ondervinden. Als ’t dak op dat oogenblik ingevallen was, zou hij—mits behouden en ertoe in staat—waarschijnlijk ’t zelfde gezegd hebben wat hij nu zeide. Hij was er vol van.
»U heeft gelijk, Meneer Dauteville”—Cornelis zei nooit »Domine”—antwoordde hij plotseling opziende. En zenuwachtig, maar beslist ging hij voort, tot verbazing van zijn bezoeker, die meer tegenstand gevreesd had, en—heel in zijn binnenste—wat meer voldoening had willen hebben van zijn welsprekendheid:
»Zeker, ik had u al lang om Clarine’s hand moeten vragen. Ik doe ’t bij deze. Ik weet, dat uw dochter mij... dat ik van haar liefde zeker ben...”
»M’n jongen, ik geef je m’n toestemming. Van harte”. Domine’s stem klinkt gevoelvol, en zijn handdruk heeft iets echt spontaan hartelijks. Dat beseft hij.
Als hij verder spreken wil, voorkomt Cornelis hem.
»Ik ga zoo spoedig mogelijk naar Delmond... m’n vader spreken. Ik zal in alles mijn best doen, geloof me, Meneer Dauteville...”
Als hij dit zegt en den toegesprokene aanziet, is niets dan trouw in zijn blik te lezen. Cornelis meende volkomen wat hij zeide. In den »poseur” daar vóor hem zag hij niets dan den beleedigden, diep gegriefden vader, en zijn wroeging over ’t bedreven onrecht was groot en innig.
»Komaan, komaan,” zegt de predikant opstaande, ook de ander staat op. »Ik wist wel, dat ik met een man van eer te doen had. O, ik wist het.” En weer ’s jongen mans hand grijpende, zegt hij: »Vergun me, je de hand te drukken. Ik heb je altijd mogen lijden. M’n dochter zal gelukkig met je zijn, dat weet ik zeker.”
Cornelis zwijgt en geleidt zijn bezoeker naar de deur. »Ik schrijf u spoedig,” zegt Cornelis nog.
Als de huisdeur dicht slaat, haast hij zich naar zijn kamer, valt daar in een stoel neer—en wat hem zeker in de laatste vijf jaar—sinds zijn moeders dood, niet overkomen is, geschiedt thans: hij barst in schreien uit. Met de eene hand tegen ’t voorhoofd blijft hij zitten, hartstochlijk, maar gedempt snikkend.
De spanning was te groot geweest.
III.
HARD TEGEN HARD.
Cornelis Udoma was niet slecht. Men is trouwens zelden slecht op zijn twee-en-twintigste jaar. Goed in den zin van »deugdzaam,” op de wijze zooals de traktaatjes dat opvatten, was hij ook niet. Beginselen had hij maar enkele, en die behoorden niet tot het deugdzame soort. Een daarvan, het voornaamste zeker, was: men moet netjes zijn vóor alles. Nauw hing hiermee samen: de schijn is alles hier in de wereld. Cornelis was steeds »netjes” geweest. Zijn vader had het hem zóo dikwijls ingeprent, en hij was steeds zóo volgzaam geweest, dat ’t haast niet anders kon. Hij was netjes in zijn spreken—zelfs toen hij thuis gebracht werd van de ontgroeningsjool op de »kroeg” te Leiden—netjes in zijn gang—regelmatig, bedaard—netjes in zijn kleeren—steeds onberispelijk, maar stemmig—netjes in zijn omgang—hij »zat” in club van »aristo’s” zooals ze zich gaarne noemden—en netjes in zijn gedrag ... tot voor kort. En de »schijn” was steeds vóor hem geweest ... zou die nu tegen hem worden?
Dat had Cornelis ellendig gemaakt, die gedachte, dat hij nu belachelijk zou worden.
En nu?... Hij zat in den trein, eenzaam in een hoekje gedoken. Hij had een goeden nacht gehad en was vrij laat opgestaan. Even had hij eenige woorden aan Clarine geschreven, om haar zijn vertrek mede te deelen, en toen was hij naar ’t station gestapt. Daar gekomen, had hij naar huis geseind, dat hij tegen den avond verschijnen zou.
Wat voelde hij zich anders dan vier-en-twintig uren te voren! Wat was er toch met hem gebeurd? Hoe kwam ’t dat hij »’t land aan zichzelf had,” en ’t zoo uitdrukte, bij zichzelf mompelend, hij, die altijd zoo tevreden en zelfgenoegzaam en correct geweest was? Hij wist het niet. Hij wist, dat hij zich ongelukkig voelde, dat hij Domine Dauteville een ploert vond en zichzelf een zwakkeling. En Clarine? Hij dacht aan haar met een gevoel van schaamte, maar koel, zonder hartelijkheid. En ’t besef van ’t ontbreken van liefde in ’t heele geval—althans zijnerzijds—maakte zijn ontevredenheid over zichzelf, zijn ergernis nog grooter.
Met een rukbeweging verzet hij zich. Hij moet... moet... daar is geen redeneeren tegen. En hij wil er ook niet tegen redeneeren. Hij is ’t met zich zelf eens, al lang. Lang? Ruim vier en twintig uur, en ’t schijnt hem een jaar op zijn minst! Hij moet dat huwelijk bespoedigen... om zijn eigen fatsoen... Bah! wat gaf hij daar nù om! Wat waren zijn denkbeelden, ook op dat punt veranderd in die korte uren! Om haar, om ’t onrecht goed te maken, om haar eer te redden. Zij hield van hem, o, daar was hij zeker van. En hij zou haar, hij moest haar trouwen. En hij zou haar nog gelukkig kunnen maken... Een fraai geluk met een echtgenoot, die haar huwde uit medelijden...
Cornelis had bijna gevloekt.
Dat deed er niet toe: hij zou zijn plicht doen, en hij zou zich schikken. Zij kon wel tevreden zijn, en niets bespeuren van de verkoeling bij hem. Verkoeling! Van liefde zeker niet. God, die had nooit bestaan bij hem, nooit, neen nooit! Hij besefte het nu ten volle. En hij zag zijn toekomst... gekluisterd aan een vrouw als Clarine. Al ’t oppervlakkige, banale, wufte van haar persoonlijkheid werd hem nu klaar. Waarom niet eerder, groote God, voordat hij de dwaasheid beging zich te verbeelden, dat hij dat kind liefhad!
Och, hij wist niet wat liefde was... Dat moest iets anders, iets beters, heiligers wezen. Had ze dan niet verdiend, dat hij haar in den steek liet...? De jonge man huiverde bij de gedachte, en wierp ze ver van zich af. ’t Wilde er bij hem niet in, dat in zijn noodlottig avontuur ook zij schuld had, de schuld van haar roekelooze, bandelooze dartelheid en weelderigheid. Hij kende ’t leven nog zoo weinig...
Hoe meer hij aan ’t jonge meisje dacht in ’t nieuwe licht van zijn toekomstige vrouw, hoe ontstemder hij werd; maar ook hoe wanhopiger vast zijn besluit werd. Hij voelde zich als iemand die, vervolgd door woedende roofdieren geen anderen uitweg ziet dan een bruischende breede rivier vóor zich, waarin hij moedig neer moest springen, vastberaden en kalm het gevaar onder de oogen ziende, om ’t veege lijf te redden.
Cornelis dacht aan al de uren van samenzijn met de aantrekkelijke predikantsdochter. Aantrekkelijk was ze... beauté du diable! Hij zag haar aan de piano zitten ’s avonds bij haar thuis een vroolijke deun aframmelend. Washington-post en onmiddellijk daarna Ouvre tes yeux bleus, ma mignonne! van Massenet, om te eindigen met een paar woedende accoorden, uit louter dolligheid. Dan sprong ze op en liep op hem toe, die aandachtig had staan luisteren naar haar aardig stemmetje, greep hem bij zijn schouders en duwde hem achterover op de canapé. Schaterlachend riep ze met de kleine handjes op zijn oogen gedrukt: Ouvre tes yeux bleus, mon mignon, voici la nuit! Was ’t wonder, dat hij haar in zijn armen nam en haar hartelijk kuste? ’t Was zoo’n aardige vroolijke meid! En in »de Batavier”... die uitspanningsplaats in de duinen... Wat ’n tooneeltjes van echte pret, uitgelaten, dolle, zorgelooze pret.
Wat speelde ze daar handig en sierlijk tennis achter ’t gebouw! Hoe lenig bewegen zich haar leden in de smaakvolle kleeding—toch zoo eenvoudig. O, hij ziet den weelderige boezem rijzen en dalen, de oogen schitteren, de haren glanzen in ’t zonlicht, als ze zich voorover buigt bij ’t hanteeren van haar raket. Een sierlijke verschijning... Een en al dartelheid, en smaak en vuur en leven! En gedachteloosheid... Hij had medelijden, want hij mocht haar toch wel... En ze was gul, goedhartig, eerlijk... Toch, neen, hij had haar niet lief, hij kòn haar niet liefhebben. Hij zag niet tegen haar op... had geen achting voor haar, en zelfs dolle verliefdheid, die niet denkt aan achting, die gemoedstoestand, door velen liefde genoemd, kwam bij hem niet meer voor...
Hij dankte God voor zijn inzicht met bittere erkentelijkheid. Hij was nu ten minste gevrijwaard voor latere ontgoochelingen. Hij kende Clarine—te laat om zijn geluk te redden, maar bij tijds genoeg om hem misschien voor wanhoop te behoeden.
De ontwaking van zijn gemoedsleven ging gepaard met een opleving van godsdienstig gevoel. En dit laatste mengde zich met weemoedige herinneringen. Hij dacht aan zijn moeder, en haar beeld was hem in de korte spanne tijds sinds de ongelukstijding meermalen vóor den geest gekomen dan wellicht in de laatste drie jaren. Hij voelde zich vreemd, vreemd te moede, begreep zichzelven niet; ’t was hem alleen duidelijk, dat er een nieuw leven voor hem begon, dat hij een ander mensch zou worden van stonde af aan...
’t Zielsproces, dat bij hem plaats gehad had, was inderdaad eenvoudiger dan ’t hèm leek. ’t Was een ommekeer, maar een herstel van veel ouds bij aanwinst van weinig nieuws. ’t Oude was zijn eigenlijke aard, ’t eenige nieuwe de meerdere innigheid, de diepere grondvesting zijner eigenschappen. De schok van Clarine’s openbaring en ’t gevolgde bezoek van haar vader had gewerkt als een storm, die het zwakke plantendek van een rotsige klip had afgerukt. Hij was weer wat hij was vóor den dood zijner moeder, iets rijper alleen...
Zijn moeder vertegenwoordigde het dichterlijke, sentimenteele element in Notaris Udoma’s huiselijken kring. Die kring bestond korten tijd uit vier personen; maar Cornelis’ jongere zuster was zeer jong gestorven. Zijn herinneringen bereikten nauwelijks dien tijd. Hij wist alleen, dat hij een zusje gehad had, en hij wist heel goed, dat zijn moeder getreurd had, tot haar dood getreurd had om ’t zusje. Zoo althans stelde hij ’t zich voor. Hij besefte niet, welk ander leed haar ondermijnde, en nu zelfs, na zijn ontwaking, zou hij slechts langzaam leeren beseffen wat haar zoo vroeg deed wegkwijnen.
Zij had een huwelijk »van liefde” gesloten, dat wil zeggen, zij had den knappen, beleefden, geestigen jongen man lief, toen ze met hem ’t leven inging. ’t Was te Amsterdam. Udoma was toen candidaat-notaris en een goede dertiger. Hij had geld en zij had geld. En de wederzijdsche ouders zagen ’t huwelijk zoo gaarne. Alles liep van een leien dakje, alles was keurig, deftig, tot algemeene tevredenheid gegaan. Hij was knap, zij zag er lief uit, en ’t geluk maakte beiden nog stralender dan gezondheid en jeugd en al ’t andere goeds, dat ze reeds hadden, hen konden gemaakt hebben. Het huwelijk was een schitterend huwelijk geweest, een huwelijk waar veel over gepraat was, dat veel jaloezie en veel bewondering had opgewekt. Twee jaar later werd Udoma notaris—’t ging vlugger in dien tijd dan tegenwoordig—en ’t paar trok naar Delmond. Intusschen had voor de arme Elizabeth, Cornelis’ moeder, de ontgoocheling reeds lang plaats gehad. In den dagelijkschen gemeenzamen omgang bleek Udoma een correcte nul. Hij begreep niets van haar rijk gemoedsleven; haar zin voor ’t schoone, haar godsdienstigheid, haar fijn ontwikkelde kieschheid verveelden hem, zoodra effectbejag er aan vreemd moest blijven. En hij kon alleen effect maken, als zijn vrouw zich de smaakvolle, fijn gevoelende en godsdienstige toonde tegenover derden. In den verlovingstijd was daarom dat alles volkomen naar zijn zin geweest; toen waren er meestal derden. En in dien tijd had hij die »zaakjes” ook heel anders opgevat. Hij zag nu dat ’t »allemaal ernst” bij haar was: geen spoor van effectbejag. En zij zag, dat ’t bij hem allemaal effectbejag was: geen spoor van ernst. Onder ernst verstond zij ’t innige, ’t oprechte.
En ze voelde zich ongelukkig, toen ze allengs bespeurde, dat haar liefde minder werd, dat hun huwelijk op weg was een lichaamsecht te worden. Een stille diepe weemoed drong meer en meer in haar hart. Moedervreugde gaf daarop afleiding. Ze was verrukt, haar gemoed was tot berstens toe vervuld van dankbaarheid voor ’t onverwachte geluk, ze aanbad haar jongen, ze zag de wereld weer zoo anders, ze voelde zich in warmen edelmoed tot hartelijke toenadering geneigd. Zou ze tòch van dien man, nu den vader van haar kind, kunnen houden, zou ze hem nòg kunnen liefhebben: omdat ze hem verkeerd beoordeeld had? De zoete begoocheling hield eenige maanden aan. Haar echtgenoot was bizonder attent en lief geweest. Zijn ijdelheid was daaraan niet vreemd: hij had een zoon en was vader, rees daardoor in »deftigheid,” meende hij.
Udoma was nààr deftig, had zijn vrouws jongste broer gezegd, iemand die »voor schilder studeerde”—zoo’n brutaal, onvormelijk individu van twintig jaar, die maar alles zeide wat hem voor den mond kwam, en vreeselijk »proleetig” deed met zijn losse kleeding en losse manieren en losse haren.
In Delmond vonden de notabelen Udoma onberispelijk. Hij was dan ook een van die menschen, die steeds in alle werelsche zaken het juiste midden weten te bewaren, die nooit door hartstocht verblind of door aandoeningen van de wijs schijnen te raken. Verder leefde hij geregeld, was matig, deed zijn werk in de puntjes, was beleefd tegen een ieder—hartelijk tegen niemand—ging stipt iederen Zondag naar de kerk en ook op de feestdagen, vastte op Vrijdag, steunde de Katholieke armen, bracht de »Pieterspenning” op—en royaal, dat wist men—zat in den gemeenteraad. Voor ’t overige nam hij deel aan ’t »gezellige leven der hoogere kringen,” vertoonde zich geregeld in de heeren-societeit, zoowel als ’s avonds met zijn vrouw op de deftige concerten en op de dineetjes en avondpartijtjes; terwijl hij zelf nu en dan zijn huis openzette voor de Delmondsche »menschen.” Natuurlijk waren dit uitsluitend de Roomsch-Katholieke notabelen. Zijn vrouw was van ’t zelfde geloof. Ze vond echter dit exclusivisme wat ver gedreven. Onder de enkele Protestanten ter plaatse waren er tot wie zij zich getrokken voelde.
Maar men deed ten huize Udoma slechts wat »behoorlijk” was tegenover de toongevende buitenwereld, en de heer des huizes maakte dat uit.