Zoo'n Nonna!

Part 13

Chapter 132,288 wordsPublic domain

Op zijn teenen ging Cornelis naar de kamer naast het slaapvertrek. Hij vond er den ouden heer Dauteville wezenloos neerzitten in een gemakkelijken stoel, de handen slap neerhangend tusschen de knieën, ’t hoofd voorover: een toonbeeld van verslagenheid.

Toen hij den jongen Udoma zag, sprong hij op:

»O, Mijnheer Udoma! Een vreeselijke toestand voor een vader nietwaar? U zal me begrijpen. U...”

»Spreek u in Godsnaam wat zachter!” viel de ander hem in de rede. »Heeft u haar hooren hoesten?”

De ex-domine hief de eene hand hoog op, een theatraal gebaar, dat hem eigen was.

»Ik heb gezegd, dat ze wat rust moest nemen. Straks kunnen we ’t een en ander regelen, Mijnheer Dauteville.”

»O, zooals u dat goed vindt, Mijnheer Udoma. U wenscht er haast mee te maken, zooals ik zie.”

De jonge man keek hem aan.

»’t Komt me wel noodig voor,” zei hij zacht. »Voor den kleine jongen zal ik dan natuurlijk verder zorgen.”

»O.”

’t Was Cornelis onmogelijk met dezen man, wiens zelfzucht en liefdeloosheid hij doorgrondde, anders dan op een toon van zaken-afdoen te spreken. Zijn hart was vol tot berstens toe, en toch sprak hij koel en afgemeten, ’t Was hem, of ’t openbaren van eenige aandoening hier heiligschennis zou wezen.

’t Viel den ander bizonder mee, en zijn stemming werd iets beter. Hij voelde zijn gewone spraakzaamheid weer opkomen, maar hield zich in. Nu en dan wierp hij een schuwen, komisch zotten blik op den jongen man, die inmiddels bij hem was komen zitten en in gepeinzen verdiept was.

»Ik woû... m’n jongen wel ’s zien,” zei Cornelis na een poos, als vervolgde hij hardop zijn eigen gedachten, en zonder opkijken.

»Hoe heet hij?”

»Charles. Een alleraardigste jongen! Bepaald een amour van een ventje. Jammer, dat hij uit is. Maar hij zal wel dadelijk thuiskomen.” De oude heer keek op zijn zakuurwerk.

»Zeker, zeker, hij moet spoedig thuiskomen: hij blijft nooit langer dan een uur uit.”

Hij stond op en ging naar een der vensters, quasi om uit te kijken.

»’t Is mooi weer,” merkte hij als resultaat van zijn waarneming op.

Voor den ander bestond hij op dat oogenblik niet. Hij was verbijsterd door den drom van aandoeningen, die de laatste uren gebracht hadden: eerst de schrik van ’t eerste bericht, de plotselinge schipbreuk van zijn geluk, dan de wanhopige gelatenheid van een ter dood veroordeelde, de vreeselijkste onverschilligheid, die zich bij ’t ergste neerlegt, daarop ’t terugzien van Clarine in een toestand en in omstandigheden zoo geheel anders dan hij verwacht had, zijn innige deernis, die alle andere gevoelens, alle overwegingen van eigen belang verdrong, de warme edelmoed, die zijn hart overstroomde, de drang om nog alles te doen, alles te zijn voor die vrouw, die hij daar zoo diep rampzalig zag. Haar leven van schande en zonde telde hij niet, nu hij haar in de oogen gezien had, en er de smeekbede van een eenzame verlatene gelezen had.

O, wat moest die vrouw geleden hebben! Wat moest haar ziel smachten naar teederheid, nu ze na jaren van huichelvreugde en schijngenot, eindelijk bij ’t voelen naderen van haar dood met walg het masker had afgeworpen, en daar mat en afgetobd neerlag met niemand dan dien Dauteville tot troost, een vader haar vreemder dan een vreemde! Toch had ze in haar wanhoop zich tot hem gewend, toen de angst voor haar dreigend einde met den dag grooter werd, en haar hart ineenkroop bij de gedachte aan ’t lot van haar kind! Zoo moest het gegaan zijn ...

En de jonge man voelde bij de gedachte aan dit alles een onuitsprekelijken weedom. Hij zou haar gelukkig maken in de laatste uren van haar leven: hij kòn ’t—dat hadden hem haar oogen gezegd in hun onmiskenbare smachting en vleiing, hij wilde het—dat zeî zijn eigen hart.

Na een poos keek hij op.

»Gaat u mee?” zei hij tot Dauteville. »We kunnen nu dadelijk van ’t een en ander werk maken. U zal me wel terecht willen helpen? Ik ben hier vrijwel onbekend.”

»Zeker, zeker. We kunnen een fiacre nemen, en ons naar ’t hôtel de ville laten rijden. Dat is gauw gedaan.”

Zonder door de ziekenkamer te gaan, verliet het tweetal het huis. Clarine bewoonde er twee verdiepingen, de beste.

»We vinden de kleine jongen straks bij ’t thuiskomen misschien,” merkte de jongste der beide mannen op bij ’t afgaan der breede trap.

»O ja, stellig. O, ’t is een amour van een kind!” zei Dauteville. Cornelis’ mond vertoonde even een vluchtige samentrekking, en zijn wenkbrauwen fronsten zich.

»Hm,” bromde hij.

Ze stapten weldra in een huurrijtuig, en een uur later vernamen zij, na de noodige besprekingen, dat de huwelijksvoltrekking onmogelijk dien dag plaats kon hebben: de Fransche wet stond bij uitzondering toe, dat die drie dagen na de eerste afkondiging geschiedde.

»Ezel!” bromde Cornelis. »Ik had daar wel aan kunnen denken als rechtsgeleerde”!

Wederzijdsche stukken waren anders aanwezig: Cornelis had de zijne meegebracht en verwonderde zich niets over Dauteville’s voorzorg in de aangelegenheid. ’t Eenige was, nu zich tevreden te stellen met een kerkelijk huwelijk. De priester zou strafbaar wezen. Goed, maar wie zou er ooit achter komen? Men zou de zaak geheim houden, en al was zulk een huwelijk niet geldig voor de wet, in Godsnaam: dan was althans Clarine gerust, en kon ze gelaten en tevreden sterven.

Dauteville te vragen om zulk een inzegening vond Cornelis al te stuitend. Neen, ’t moet een ander wezen: Een Roomsch-Katholiek priester. Clarine zou daar zeker niet tegen hebben in die omstandigheden. En zijn jongen zou hij mee naar Holland nemen en zoo spoedig mogelijk erkennen. Dat was toch ’t voornaamste. Clarine had zich naar alle menschelijke berekening nog slechts te verantwoorden tegenover God... ’t Toeval wilde, dat Cornelis, hierover nadenkende, zich den naam herinnerde van een ouden priester te Parijs, dien hij op zijn reizen had leeren kennen: dien moest hij zien te vinden ...

Op den terugrit was Cornelis stil, terwijl Dauteville telkens moeite had om zijn opborrelende welsprekendheid onder de kurk te houden. Een blik op ’t stroeve gezicht van zijn aanstaanden schoonzoon was dan voldoende om de bruising te doen neerslaan.

Cornelis zag op tegen de plechtigheid, die hij door zou moeten worstelen, het uur van gemoedsbedwang, dat hem wachtte straks in ’t bijzijn van den priester. En dat terwijl hij bij de gedachte aan haar lijden angstig de minuten zag heensnellen, de kostbare minuten, die haar nog restten, en waarin hij al de teederheid woû uitstorten waartoe zijn hart in staat was!

Thuisgekomen zette hij Dauteville af, en reed alleen naar de woning van den priester. Hij had er Dauteville niets van gezegd. Hij deed trouwens alles dien morgen alsof die man nauwelijks bestond. En dat volkomen natuurlijk en onwillekeurig. Na eenig zoeken gelukte het Cornelis l’abbé Fabre te vinden. De man was dadelijk bereid mee te gaan.

En om drie uur in den namiddag had ’t ceremoniëel plaats. Tegenover den waardigen priester beloofde ’t paar elkaar trouw. Zij had na een korten sluimer gedurende de afwezigheid van Cornelis naar haar zoontje gevraagd, en ook naar »Monsieur.” En toen deze thuiskwam, vond hij Clarine met het kind naast haar bed. Hij had het ventje in zijn armen genomen, het met aandoening gekust, en was met hem weer op zijn oude plaats bij ’t bed gaan zitten. En Clarine had weer denzelfden blik op hem gevestigd als te voren, schoon ditmaal rustiger glans, en allengs was er een uitdrukking van kinderlijk geluk op haar trekken gekomen. Die was er gebleven gedurende de plechtigheid, en toen ze Cornelis’ hand zacht drukte bij de inzegening van den priester was ze volkomen kalm. En hij, de sterke gezonde en mannelijke, kon zijn tranen niet inhouden!

Zij zaten nog hand in hand, toen ze alleen waren, man, vrouw en kind. En de kleine Charles, een teer kereltje met fijne blonde krulletjes en zijn moeders groote donkere oogen, leunde vleiend tegen zijn knie, spelend met zijn horlogeketting. Ze zaten daar alleen, omdat Dauteville en de kindermeid heengegaan waren. Cornelis was blij, dat ze beiden weg waren. Hij had gemelijk geluisterd naar ’s ouden heers zalvende woorden, die ook deze van zijn kant niet nalaten kon te spreken, toen de priester gesproken had.

En in gedachten doorliep de jonge man nog eens de zonderlinge plechtigheid van zooeven. De ziekenkamer was als een kerk geweest. Men had er zacht, schier fluisterend gesproken; de menschen waren gekomen, hadden zich bewogen en waren heengegaan als spookachtige wezens in ’t flauw verlichte vertrek. Allen waren onder den indruk geweest, zelfs de spotlustige jonge kindermeid, voor wie anders weinig heilig was. De huwelijksvoltrekking eener beruchte demi-mondaine had haar ontzag voor lijden en opoffering ingeboezemd.

Op de tafel vlak bij ’t ledikant stond een sierlijke vaas vol rozen, donkere roode rozen, fraai geschikt in rijken overvloed. ’t Was een attentie van Cornelis geweest. Hij kende haar voorliefde voor donkerroode rozen: hij herinnerde zich die nog levendig. Ze had hem beloond met een lach van erkentelijkheid.

En ze zaten daar hand in hand, beiden zwijgend, zij rustig genietend van den aanblik zijner trekken, thans zoo anders dan vroeger, en toch dezelfde, die ze eens liefgehad had. En die ze nòg liefhad—op haar wijze, goed,—maar thans met even heilige liefde als welke ook ter wereld. Haar hart was er vol van, neen, haar gansche wezen. Ze leefde geheel in die liefde. Ze was er gelukkig in, en wilde aan niets, aan niets anders denken. Ze voelde zich als een kind—rein en gelukkig als een kind—in heerlijke illusie verheven boven al het slijk van haar verleden. Dat verleden bestond voor haar niet meer. Ze wilde in dien zoeten waanzin van ’t heden sterven, en de hand, die ze drukte, was haar een steun, dien ze angstvallig bij haar hield. ’t Was als zou bij ’t ontglippen van die hand de begoocheling verdwijnen, als zou ze dan terugzinken in een oceaan van wanhoop.

Bij hem maakte haar wondere gelatenheid en extatische kalmte de deernis grooter. En ook de vrees voor een spoedig einde... ’t Kon niet lang meer duren. Hoe lang nog? vroeg hij zich telkens af, en de angstige onzekerheid verdubbelde zoo mogelijk den drang van zijn hart, om haar te overstelpen met zijn teederheid.

»Ben je nu gelukkig, Clarine?” En hij boog zich over haar heen, en kuste haar, kiesch en eerbiedig.

Ze sloeg haar arm om zijn hals.

»Liefste,” fluisterde ze in zijn oor.

Toen ze in zijn trouwe oogen keek, daar vlak bij haar, was ’t of haar blik er al de teederheid uit wegdronk. En een tinteling van innig welbehagen voer door haar leden.

Op eens voelde de jonge man, nog in dezelfde houding over haar heen gebogen, haar arm krampachtig drukken. Met de andere hand greep ze hem aan den bovenarm, haar oogen puilden uit, haar gansche gelaat nam een uitdrukking van doodelijken angst aan, die hem deed ijzen. De druk en ’t angstig klemmen werden aanhoudend erger, heviger.

»Cor! Cor! Blijf bij me, blijf bij me!” hijgde ze, in radelooze benauwdheid.

Als versteend zag Cornelis haar vreeselijk lijden.

»Clarine, in Godsnaam...” stamelde hij buiten zichzelven. En plotseling ’t ergste vreezend, kreet hij zoo hard hij kon:

»Meneer Dauteville!”

De geroepene en de kindermeid kwamen toeloopen, met dwaze verschrikte gezichten.

Toen ze bij ’t bed kwamen, zagen ze Cornelis zich zacht losmaken uit de omhelzing, waarin Clarine hem eenige minuten gehouden had. ’t Kostte hem geringe moeite. Eerbiedig legde hij haar hoofd op ’t kussen, haar handen op het dek. Een oogenblik staarde hij met wilden blik op de verglaasde oogen. Daarna liet hij zich in den stoel bij ’t bed vallen, en bedekte het gelaat met beide handen.

»Papa, papa!” riep de kleine knaap, die een poos verbluft had staan kijken. »Tu as fait mal à Maman!” Hartstochtelijk schreiend wierp het kind zich tegen ’t bed.

De keukenmeid trad naderbij. »Mon Dieu, mon Dieu!” riep ze.

Dauteville trok aan zijn snor, en keek zot...

Ongeveer een jaar later kwam op een avond Cornelis Udoma boven in zijn woning in den Haag, om een kijkje te nemen in ’t slaapkamertje van zijn zoontje Charles.

»Waarom kom je niet beneden, vrouwtje?” vroeg hij op gedempten toon. »Slaapt de kleine vent nòg niet?”

Zijn vrouw stond eenigszins verrast uit haar stoel bij ’t kinderbedje op.

»Zeker, hij slaapt,” antwoordde ze zacht. »Ik was in gedachten. Kom, ik ga met je mee.”

»Waar dacht je zoo aan, Laur?”

»’t Is éen October, de sterfdag van Clarine... Arme vrouw!”

Hij antwoordde niet, maar sloeg zijn eenen arm om haar middel, en troonde haar mee de trap af. Droomerig sprekend hervatte zij: »Ik dacht aan ons aardig kereltje, en wat er van hem geworden zou zijn, als... als ...”

»Als die nare roman niet met ons huwelijk geëindigd was...”

Hij besefte al de teederheid harer toewijding aan zijn kind.

»Dat meen ik niet,” zei ze. »En bovendien, geëindigd is die roman niet. ’t Is immers maar de opzet voor wat komen moet...”

Er volgde een stilte vol weemoed, die hen vergezelde tot in de helder verlichte smaakvolle gezellige huiskamer. Maar ’t was een weemoed zonder bitterheid, die hen de heiligheid hunner voornemens dieper deed beseffen.

En hun toekomst lag vóor hen in haar grootschen ernst.

De doode had hen opnieuw vervuld met liefde voor ’t leven, dat ze in volmaakte samenwerking wilden doorbrengen.

INHOUD.

Bladz. I. Vader en dochter 1 II. Een meevaller 16 III. Hard tegen hard 29 IV. Cornelis Vleugellam 50 V. Haar liefde 59 VI. Karakter 73 VII. Een biecht zonder priester 85 VIII. Een „nonna” 95 IX. Een correct mensch en een idealiste 119 X. Een Canossa-gang 137 XI. En als nieuwgeboren kinderkens 154 XII. Gewetensverbintenis 172 XIII. Daadwerkelijke godsdienst 189 XIV. Een einde en een begin 217