Zoo'n Nonna!

Part 12

Chapter 123,988 wordsPublic domain

De spreker was een waanwijs kleermakersbediendetje met puntsnorretje, in een zwart pakje, met vuurrood dasje en witgaren handschoenen. Hij stond te oreeren tot een drietal handwerkslieden, die half geloovig, half spotachtig stonden te luisteren.

»Nou,” zei de jonge menschenvriend zich in ’t gesprek mengend, »dat ben ìk niet met je eens, als ik ’t zoo maar’s zeggen mag. Ik heb gehoord, dat-i ’t om de centen niet hoeft te doen: hij is schatrijk. En om hier dit heele spulletje gaande te houden, moet-i alle jaren een hoop geld uitgeven. Hij houdt van de werklui, zie je. Hij heeft er een boel vooruitgeholpen.”

»Dat heb ik ook gehoord,” zei een der handwerkslieden.

»En dan zeg ik maar,” ging Udoma voort, »als je geen lid wil worden, of goedkooper terecht kan, ben je immers vrij om te gaan waar je wil.”

»Ga bij »Ries” eten of een komediestuk zien in de opera!” zei een ander der werklieden spottend. De twee overigen lachten, en ’t kleermakertje droop af.

»Zeg,” riep Udoma hem na, en greep hem gemeenzaam bij den arm. »Zullen we nog even samen naar ’t buffet gaan?”

»Hè?”

»Nou, ik hoû je vrij. Ik ben zooveel ouder, al ben ik maar een eenvoudige timmerman. Mijn naam is Jan Biene.”

De ander stelde zich ook voor, en nam ’t voorstel aan.

Spoedig had Udoma vernomen, dat hij »wel lid woû worden: hij woû ’s zien wat ’t was.”

Toen ze scheidden, weer in de tooneelzaal, dacht de pseudo-timmerman: Ik moet dat baasje in ’t oog houden. Langzamerhand zal ik zien, juist zulke verkeerdingelichten te bekeeren. Ik zal ze wel weten uit te vinden. Zulke lui hebben een zeker »aplomb” over zich, dat op eenvoudige zielen licht kwaad werkt. Toch kan ik ook die elementen niet missen: ze zijn ’t bekeeren waard meestal. De twijfelaars zijn niet altijd de domsten...

In de tooneelzaal kwam plotseling stilte. De eerste bel had geluid. Udoma zette zich willekeurig ergens neer: ’t was vlak aan den doorloop in ’t midden. Zoo kon hij zijn blikken gemakkelijk door de heele zaal laten gaan.

’t Eerste bedrijf van de drie liep ten einde. Justus van Maurik’s »’n Bittere pil” had den gewonen bijval. Daverend applaus en stralende gezichten overal.

Udoma keek rond, en had geen moeite zijn incognito te bewaren: ook hem blonk de vreugde uit de oogen.

Plotseling vestigde zijn blik zich op een gezicht een tiental schreden van hem af, nogal achteraan in de zaal, ook vlak naast den doorloop. Zijn hart sprong op! Laura! Hun blikken ontmoetten elkaar. Ze keek een oogenblik scherp met verwonderd gezicht. Dan vloog een glimlach over haar gelaat, en knikte zij vriendelijk. In een oogwenk was hij zijn incognito vergeten en bij haar.

»Jij hier, Laura!” Haar onmiddellijke buurman, een zware vrijgezel met rood gezicht en kleine biggeoogjes, weggeknepen achter wangkwabben, keek verwonderd op, zoover hij kijken kon achter zooveel vleesch.

’t Jonge meisje zag het, en stond op. Udoma begreep haar, en samen wandelden ze naar ’t achtereinde der zaal. Er was geen opvallend verschil tusschen haar en zijn kleeding; want zij was eenvoudig als altijd, schoon niet in verpleegsterskostuum. In haar lichte bloezetje en grijzen rok zou ieder oppervlakkig opmerker haar voor een net naaistertje kunnen aanzien, van ’t type dat in den Haag lang geen zeldzaamheid is.

»Ik kom, om je triomf bij te wonen, Kees,” zei Laura hartelijk.

»Zonder mij iets te zeggen!” zeî Udoma met zijn gedachten elders.

»Ik wilde je verrassen... Ik had je in zoo lang niet gezien... Sinds je vaders dood, nie’waar?”

»Ja. Ben je in de tusschentijd nog te Delmond geweest? Hoe maakt je Tante het?”

»O, goed, die vrouw wordt nooit oud. Altijd opgeruimd. Ik heb haar dezen zomer nog gezien. Steeds verlangend om mij thuis te hebben. Maar dat gaat niet... We maken ons beiden nuttig, nie’waar? Jou streven vind ik benijdenswaardig. Och, maar ieder zijn rol: gefortuneerd kan men meer doen, en mag men ook meer verwachten... Ik doe in mijn armoêtje wat ik kan...”

Cornelis zweeg; hij dacht aan samenwerking: zij met haar zelfopofferende liefde, haar kiesch beleid, haar toewijding en hartenwinnende manieren, hij met zijn fortuin, zijn talenten en zijn heilige voornemens...

»Aan mij ligt ’t niet, dat ’t zoo is,” zei hij eindelijk. Cornelis sprak droomerig.

Beiden waren nu in de voorhal van ’t gebouw. Langzaam gingen ze naast elkaar, sprekende zonder elkaar aan te zien. Er was een zekere gedwongenheid in hun houding. Ze hadden elkaar veel te zeggen, maar vonden de woorden niet. Ze waren daar vrijwel alleen; maar meenden, dat ze te veel de aandacht zouden trekken, als ze te lang uit de zaal bleven.

»Niets vernomen?” zei Laura zacht »’t Is nu drie jaar ruim, nie’waar?”

»Ja.”

Nu antwoordde zij niet.

Ze stapten zwijgend voort. Uit de zaal klonk het geroezemoes eener groote menigte. Eenigen der toeschouwers kwamen naar buiten, drentelden wat op en neer.

»We moeten naar binnen,” zei Laura.

»Ik ga me verkleeden, en kom straks. Ik zal je met de Steenkamps in kennis brengen: daar ben ik mee. ’t Zijn mijn beste vrienden, zooals je weet...”

»Goed, heel goed. Ik zal je wachten.”

Cornelis voelde zich een ander mensch. Met vlugge schreden ging hij naar den rechtervleugel van ’t gebouw, waar zijn kamer was. Zou de voldoening van dezen avond nog bekroond worden door gegronde hoop op dat andere geluk? Ze hadden zoo weinig woorden, zooveel gedachten gewisseld!

Hij was er nog vol van, toen hij eenige minuten later zich met Laura bij de Steenkamps voegde.

’t Gesprek vlotte goed, schoon hij er zich weinig in mengde. De voorstelling ging door. Laura scheen vol belangstelling, en Cornelis kwelde zich met vragen en twijfelingen. Naast haar gezeten, richtte hij den blik meer op haar dan op het tooneel. Zou zij de ware belangstelling hebben, en ongevoelig zijn voor ’t geen er in zijn ziel omging? Zou zij eindelijk willen toegeven, hem ontslagen achten van zijn gewetensverbintenis?

Tusschen de twee laatste bedrijven was Laura druk aan ’t praten met haar nieuwe kennis, Mevrouw Steenkamp. Haar oogen schitterden, en ze sprak veel meer dan anders ooit haar gewoonte was. Cornelis betrapte zichzelven herhaaldelijk op zelfvergeten staren in ’t lieve gelaat naast hem, naar ’t profiel met den kleinen neus, de zware zwarte wenkbrauwen, den kleinen mond met volle lipjes, waarboven een spoor van dons, de pareltandjes flikkerend bij ’t radde lipbewegen, de omlijsting van zwarte golvende lokken, glad weggestreken; iets bijbelsch oostersch in ’t type.

Na ’t tooneelstuk kwamen twee levende beeldengroepen. Het program vermeldde geheimzinnig den titel: »Een heer en een meneer.” ’t Eerste was de voorstelling van een arm kind, slecht gekleed en bibberend van koû, dat van een voorbijkomend werkman zijn duffelschen jekker krijgt, om zich te dekken; terwijl de edelmoedige gever, niet lettend op ’t barre winterweer, in zijn hemdsmouwen verder gaat; ’t laatste een tooneeltje tusschen een keurig gekleed heertje, dat, ’s nachts »lichtelijk aangedaan” thuiskomt, en een arme vrouw, die op zijn stoep een schuilplaats heeft gezocht tegen den sneeuwstorm buiten, en op ruwen toon weggejaagd wordt

Alles liep uitstekend van stapel. De toeschouwers gingen voldaan de zaal uit. En algemeen was de tevredenheid, toen om half elf ’t laatste stuk vuurwerk den avond besloot.

In den spaarzaam verlichten tuin stonden Cornelis, Laura en de Steenkamps bij elkaar. De eerste sprak op afgetrokken wijze nu en dan een woord. Laura behield haar levendigen toon, en Cornelis verwonderde zich.

Bij ’t afscheid kon hij haar even alleen spreken. Zij zou bij de Steenkamps blijven: op hun aandringen had ze haar plan, om nog dien avond weer naar Utrecht terug te gaan, gewijzigd. Ze bleef tot den volgenden morgen vroeg.

»Is er nu eenige hoop voor me, Laura?” stamelde Cornelis.

»Ik weet ’t niet... laat me tijd...”

»Hoe lang?”

»Ik kan ’t niet zeggen... Spreek daar in Godsnaam nu niet meer over!” Ze stak haar hand toe.

»Hoor ik van je?” zei Cornelis de uitgestoken vingertjes grijpend. Ze waren koud. Hij wilde haar hand een oogenblik in de zijne houden; maar zij belette ’t hem met een zachten ruk.

Een oogenblik later stond hij alleen. Hij zag haar met de Steenkamps, van wie hij reeds afscheid genomen had, in ’t gebouw verdwijnen.

Hij had haar nog nooit zoo zenuwachtig gezien.

O, hij zou overwinnen, eindelijk!

En licht als een veertje ging hij op weg naar zijn kamers, een tien minuten wandelens daarvandaan. Hij had willen zingen en juichen, hij was gelukkig als nooit te voren. Wat was ’t leven schoon, God, wat was ’t leven schoon!

Een vleiende stem riep hem uit zijn heerlijke droomen:

»Meneertje, ga je mee?” Tweemaal, driemaal.

De late wandelaar keerde zich om. De straat was leeg, een enkele lantaarn gaf treurig licht, de hemel was dof.

Een jeugdig snuitje keek hem vol in ’t gelaat. Hij zag een flodderig gekleed juffertje van misschien zestien jaar vóor zich.

»Wat wil je, kind?” vroeg Cornelis afgetrokken.

»Hè, toe, gaat u ’s mee?” En ze vleide zich tegen hem aan.

Een huivering voer den jongen man door de leden. Hij hield stil, en keek haar aan, met innige deernis. Zij sloeg den blik neer, beteuterd, blozend: ze had een anderen blik verwacht van »die nette meneer.”

»Waar wonen je ouders?” vroeg hij vriendelijk.

Ze gaf een adres ergens in een achterbuurt. Hij hoorde een klank van hulpelooze oprechtheid in haar antwoord.

»Hier, neem dat van me aan, en geef ’t aan je moeder. Zul je ’t doen? Stellig?”

Ze knikte.

»En dan niet meer ’s avonds de straat op, hoor.”

Ze schudde even ’t hoofd, rukkend, hartstochtelijk.

»Ik zal aan je denken... God zegen je, kind.”

En Cornelis nam zich voor haar ouders eens op te zoeken, om te zien wat hij doen kon. Hij had zoo al menige verdoolde terechtgebracht.

’t Meisje antwoordde niet. Ze hield de twee muntbiljetten, die Cornelis haar gegeven had in de hand, roerloos. Hij ging verder.

Toen hij een oogenblik later omkeek, stond ze nog in dezelfde houding bij een lantaarn.

»Een donquichotterietje tot besluit van m’n avond,” mompelde de jonge man de trap naar zijn kwartier opgaande. »Best, dat kan geen kwaad.”

Hij was in de beste stemming. Hij had immers reden te over. Hij was zoo gelukkig!

Boven gekomen stak hij de gaslamp aan, en wierp zich in een gemakkelijken stoel. Hij wilde zich overgeven aan de overdenkingen, die hem bezighielden, nog een halfuurtje vóor ’t naar bed gaan wakend droomen van Laura...

Daar viel zijn oog op een brief, blijkbaar door de hospita voor hem boven gebracht en op tafel gelegd.

Hij herkende de hand van den schrijver niet...

’t Was een vreemde hand. Onverschillig greep hij ernaar.

Hij begon te lezen, en een kwartier later las hij nog, ofschoon de brief slechts een halve bladzijde besloeg.

Eindelijk keek hij op, zijn wenkbrauwen gefronst, bleek als een lijk, een ander mensch dan een poos te voren.

Starend, als verdwaasd, bleef hij zitten, ettelijke minuten. Dan greep hij weer naar den brief op zijn schoot. Hij las er een vonnis in, het doodvonnis van zijn nauwgeboren geluk.

XIV.

EEN EINDE EN EEN BEGIN.

Eentonig, zacht en vol weemoed klonk een eigenaardig wiegelied door het groote weelderige slaapvertrek. De zware overgordijnen aan de beide vensters hingen bijna dicht, in breede plooien, zoodat het middaglicht slechts schaars kon binnendringen.

De kamer was vol van den weemoed van ’t lied: ’t zweefde langs en over het prachtige gebeeldhouwde bed, onder de hooge roze zijden bedgordijnen, langs de sierlijke toilettafel vol kristal en zilver, langs de »psyche” en de fraaie meubels, langs gasluchter en wandsieraad.

En de weemoed lag op de matte trekken der lijderes in ’t bed, waar op ’t kantenomboorde hoofdkussen de donkere haren wanordelijk een achtergrond gaven aan de marineren bleekheid van gelaat en handen; waar een arm menschenkind, moê van leven, van zonde en ellende, zich koesterde aan de illusie door ’t lied gewekt. Ze leefde terug in een ver, ver verleden, zoo ver, als ze nooit vermoed had, dat haar herinneringen gaan konden.

En dezelfde weemoed zetelde op ’t gelaat van den ouden man, den grijsaard, die voorovergebogen op een stoel zat, naast het groote bed, met de eene hand onder ’t hoofd. Hij zingt met loome volharding een kinderdeun, die ook bij hem herinneringen wakker roept.

Bij ’t deinen van ’t eentonig, zinledig

nina nina bôbô, nina nina bôbô,

rijzen vergeten gewaande beelden en tooneelen uit de schuilhoeken van zijn wezen op vóor zijn geest. Hij ziet zijn jonge vrouw, ’s nachts met grenzeloos geduld op en neer stappend door de slaapkamer in hun woning te Batavia, neuriënd dit nooit eindigende lied, zoo vleiend sussend als wellicht geen ander ter wereld, om ’t kind in haar draagdoek te doen insluimeren. Hij hoort ’t klikken van haar slofjes, ziet de droomerige uitdrukking in haar donkere oogen, den ietwat pruilenden kleinen mond, haar gansche typische verschijning in ’t net Indisch nachtgewaad. Hij hoort ’t nina, nina in eindelooze herhaling voortklinken, en vergeet schier, dat hij zelf zingt

Nu en dan werpt hij een blik op ’t gelaat van zijn dochter, daar in ’t bed. En als hij dan even ophoudt te zingen, slaat zij de oogen op. Hun blikken ontmoeten elkaar een seconde. Mat sluit ze dan weer haar oogleden, en zegt, nauw hoorbaar:

»Toe, Pa, doorzingen...”

De oude man zucht dan, en hervat den dommeldeun van straks.

’t Was een gril van haar als zooveel andere in haar ziekte. Hij had ze verdragen, en eraan toegegeven zooveel hij kon, met gelatenheid. Hij was sinds dagen al versuft, en in de laatste maanden bepaald ouder geworden, veel ouder. Bijna drie maanden geleden had zijn verloren gewaande dochter Clarine—na hun scheiding voor ’t eerst—iets van zich laten hooren. Hij had haar afgezworen, voor goed, meende hij vast en stellig. Gewetenswroeging over zijn ruw optreden, hun vijandig vaneengaan, had hij maar zeer weinig gehad. Toen hij haar dreigde geen centime te zullen zenden, als ze niet kwam, waar hij heenging, had hij niet gedacht, dat ze koppig zou blijven weigeren. En toen hij niets vernemende en ongerust geworden, na een week weder uit Parijs te Sainte-Marie de Ardennes kwam, vond hij tot zijn verbazing het huisje door haar verlaten: ze was met haar kind vertrokken, vertelde Père François, maar hij kon hem niet zeggen waarheen. Toen Dauteville eindelijk, ruim drie jaar na hun scheiding, een wanhopigen brief van Clarine ontving, waarin deze meldde, dat ze in ’t laatste stadium van longtering lag, en vóor haar dood hem wenschte te zien, had er iets in ’t gemoed van den verstokten wellusteling plaats, dat wel wroeging zou kunnen genoemd worden. Toen hij Clarine terugzag in al de weelde harer omgeving, en als oude lichtmis gemakkelijk allerlei kenteekenen van haar verguld verval opmerkte, kwam bij die wroeging schaamte, een gevoel van vernedering, dat hem ellendig stemde. Eindelijk volmaakte het besef zijner verantwoordelijkheid tegenover haar kind, dat anders binnen kort onverzorgd zou achterblijven, de verwarring in zijn aandoeningen. Hij wist geen raad, en ’t vele denken en tobben over zijn toestand maakte hem suf. In ’t eerste had hij nog eenige hoop, dat Clarine genezen zou. Hij wenschte ’t haar van harte toe, zeker: hij had echt medelijden met haar, en zou zien, dat hij een nieuw leven met haar begon. Maar dan dacht hij aan haar kind zonder naam, dat levend bewijs zijner schande... Hij zou weer moeten heengaan, weg uit Parijs, waar zijn dochter een weinig benijdenswaardigen roep in zekere wereld had, waar ze bekend was, als een der toongeefsters in die wereld ... Te denken, dat hij en zij daar zoo lang achtereen bij elkaar en onbewust van elkaar voortgeleefd hadden! En als ze niet genas,—’t arme kind—zou hij toch opgescheept zitten met dat wicht! Mon Dieu, ’t was om gansch van streek te raken voor zijn zoo weinig beproefd brein! Veel denken kòn hij niet: praten, rhetorischen klikklak afdreunen, en over aardsche beslommeringen zoo luchtig mogelijk heenloopen, daar was die hersenmachine op ingericht. Wroeging, zonde, vergelding waren altijd woorden voor hem geweest,—of weinig meer—nu begonnen die klanken beteekenis voor hem te krijgen. En, vreemd, ’t was of ze hem toegrauwden uit zijn eigen mond, want in de nachtelijke stilte of bij ’t ziekbed verrees zijn eigen beeld uit vroeger jaren, uit den tijd zijner redenaars-triomfen, toen hij zoo indrukwekkend die woorden »zonde” en »wroeging” en »vergelding” over zijn verrukte hoorders kon laten schallen. En nu drongen ze diep in zijn eigen ziel, greinzend, spottend, dreigend, dat hij er naar van werd.

Clarine werd niet beter: ze werd erger en erger, en Dauteville werd van dag tot dag somberder, suffer. Niet in staat, om haar zelf op te passen, had hij een verpleegster laten komen. Deze kwam ’s avonds vroeg, en ging ’s morgens vrij laat weg. Voor den kleinen jongen zorgde een kindermeisje. Hij zelf keek er nauwelijks naar om. Hij had nooit goed met kinderen kunnen omgaan, en dit kind maakte hem zenuwachtig. Hij was er schuw voor, en verheugde zich, wanneer het aan zijn gezicht onttrokken was.

In al ’t gesuf des zwaarbeproefden kwam een licht van helder denken, toen hij op een goeden dag den inval kreeg, dat wellicht voor alles nog redding bestond. Hij dacht aan Cornelis Udoma. Een courantenbericht, waarin zijn naam voorkwam, had zijn gedachtenloop weder een bepaalde richting gegeven.

O, van dien kant daagde misschien verlossing uit zijn hachelijken toestand! Die Cornelis was zoo’n edelmoedige jonge man. Hij wist van zijn optreden tegenover Clarine, van zijn vergeefsche poging, om zoo goed hij kon haar eer te herstellen. Wat had hij, daarvan hoorende, geraasd en getierd! Dat tooneel had hun scheiding verhaast, en haar met dubbele bitterheid tegen haar vader vervuld. Waarom zou hij thans niet een kansje kunnen wagen? Cornelis had een medelijdend hart, en zou zeker overkomen. Eenmaal overgekomen, zou hij wel voor meer te vinden zijn. Een huwelijk gesloten aan Clarine’s ziekbed—sterfbed misschien? zou veel goedmaken...

En zij? Zou zij willen? Hij vreesde voor verzet, maar rekende op den bijstand van Cornelis. Trouwens... zou dat verzet, zoo kort vóor haar dood, wel groot kunnen wezen? Ze wist, dat ze hopeloos lag, ze was gelaten en stil; onherkenbaar schier in haar gansche persoonlijkheid, zoo had het lijden zijn werking doen gevoelen.

Dauteville schreef een brief, en zond dien naar den Haag. Ofschoon ’t adres geen straat vermeldde, zou er wel geen vergissing plaats hebben: er was maar éen Udoma in den Haag, en die was bekend genoeg.

Hij wachtte dus. Er zou zeker een brief komen als antwoord op de zijne, of Cornelis zou zelf verschijnen. Dauteville verwonderde zich daarom, toen hij noch ’t een, noch ’t ander zag gebeuren, en er lagen reeds twee etmalen tusschen toen en nu...

En hij zat uit den treure te neuriën... Dat lied daar in die ziekenkamer klonk zoo naargeestig, zoo akelig in de doodsche stilte, die er heerschte.

Telkens had hij zichzelven afgevraagd, of ’t niet beter was Clarine voor te bereiden op Udoma’s komst; maar ’t kwam hem voor, dat het beter was haar bij overrompeling te treffen. Voorbereiding zou haar zenuwachtig maken misschien. Neen, ze moest maar gelooven, dat Cornelis uit eigen beweging, geheel uit eigen beweging kwam. Hij had in dien geest geschreven.

Er werd zacht aan de deur geklopt. Dauteville schrok op uit zijn gemijmer. Hij stond op, en deed zelf de deur open.

»Clarine,” zei hij een oogenblik later met een kaartje in de hand, en weer bij ’t bed, »daar is Cornelis Udoma, verbeeld je! Die woû je zoo graag eens zien... Je wilt hem zeker nu niet ontvangen, wel?...”

»Och, waarom niet?” Er klonk iets doodelijk vermoeids en mats in haar stem. Toch waren haar bleeke wangen rood geworden, en lag er een verhoogde schittering in den blik, die ze vol op haar vader richtte. »Laat hem boven komen.”

Dauteville wist niet wat hij ervan denken moest. Enfin, hij waagde ’t erop:

»Laat mijnheer boven komen!” En, tot zijn dochter gewend:

»Vreemd, nie’ waar? En toch... ’t is een edelmoedige, brave jongen die Cornelis, een coeur d’or... O, Clarine...!

Een ongeduldige beweging der gestalte in bed deed hem ophouden. Ze staarde hem steeds aan... Wat waren die oogen akelig groot en schitterend!

Cornelis trad op zijn teenen binnen, aarzelend, vreemd te moede. Hij boog even voor Dauteville zonder een woord. Deze bood hem dadelijk een stoel bij ’t bed. Hij lette er niet op, en trad op de zieke toe. Clarine verroerde zich niet. Haar groote hol liggende oogen hadden den blik naar hem gewend, en staarden hem aan.

Cornelis wilde spreken, maar ’t was hem onmogelijk. Die blik vol stille smeeking, en dan... het bijzijn van dien man met zijn conventioneele vriendelijkheid en vormelijkheid, met de komische deerniswaardige uitdrukking op zijn oud Don Juan’s gezicht, die elegante bouwval met glimmenden schedel en een fraaien, nu wat verfomfaaiden grijzen knevel, waaraan hij telkens plukte... ’t Was hem te machtig.

Dauteville zag zijn verlegenheid:

»U neemt me zeker niet kwalijk, Mijnheer Udoma?” zei hij hoffelijk en verdween door een zijdeur.

De jonge man voelde zich op eens opgelucht.

»Clarine, heb je nu vertrouwen in me?” vroeg hij met innige ontroering.

Ze antwoordde niet, verroerde zich zelfs niet, en haar oogen bleven staren; maar hij zag dat ze vochtig werden. Wat zeide die blik met de indroevige smeeking? Wilde ze al de gedachten en aandoeningen van zijn gelaat weglezen, zoeken naar een spoor van minachting voor haar leven, waarvan dit het einde was? Hij geloofde ’t niet. Hij wilde gelooven, dat ze nu boven dat leven stond, nu in deze laatste oogenblikken. ’t Wàren immers oogenblikken: ze kon ’t niet lang meer maken. Ze moest nu terugzien op al de beroeringen van ’t verleden met de gelatenheid van iemand, die afgerekend heeft met deze wereld, zonder wantrouwen en zonder hartstochten. En ook de jaloezie zou voor goed geweken zijn.

»Ik kom ... om alles goed te maken... wat ik aan je misdaan heb... Wil je nu... m’n vrouw worden? Ook voor je kind?”

Zij trachtte haar eene hand los te maken van onder de deken. Gretig greep hij de uitgeteerde witte vingers, en drukte ze zacht.

Nog steeds sprak zij niet. Er rolden overvloedige tranen langs haar wangen. Een poos zwegen beiden.

»Waar is de kleine?” vroeg Cornelis. »Met de meid uit zeker?”

Ze knikte. Weer verzonk hij in gedachten.

Hij stond steeds in dezelfde houding, vlak bij haar, met het licht der vensters, zoover het door de gordijnen drong, vol op zijn gelaat, zoodat zij ’t goed zien kon. Ze keek hem voortdurend aan.

»Je gaat niet meer weg?” zeî ze op eens met inspanning. Niet meer! De jonge man voelde al de bittere zekerheid van een spoedig einde uit die enkele woorden, ’t Kostte hem moeite zich kalm te houden.

»Ik blijf hier, natuurlijk...”

»Onze huwelijksvoltrekking moet straks... Zoo spoedig mogelijk plaats hebben, Clarine. Alles kan hier gebeuren.”

Hij zag dat ze spreken wilde. Maar plotseling overviel haar een vreeselijke hoestbui. Haar gansche lichaam schokte in krampachtige bewegingen. Ze richtte zich op, en tastte naar iets. Hij begreep haar, en hielp haar, met afgewend gelaat, ’t hart vol deernis. Eindelijk viel ze uitgeput achterover, en sloot de oogen.

’t Duurde eenige oogenblikken voordat ze eenigermate hersteld was.

»Je moet nu nog wat rust nemen, hoor,” zei Cornelis eindelijk, op een toon als sprak hij tot een klein kind. Haar erbarmelijke hulpeloosheid deed hem onwillekeurig dien toon aannemen. »Denk nu maar aan aangename dingen. Straks, als je wat uitgerust bent, kan er voor alles gezorgd worden. Er komt een ambtenaar hier. Alles gaat heel bedaard en kalm. En dan is er niets meer tusschen ons, dat je ontstemmen kan. Je kind is dan voor de heele wereld ’t mijne.”

Er vloog een lachje van innige dankbaarheid over Clarine’s trekken.

Hij sloeg de hand aan ’t teruggeslagen bedgordijn.

»Ik zal dit neerlaten,” zei hij, en haalde het over het hoofdeneind van ’t bed. »Tracht nog wat te slapen.”

Ze liet hem begaan.