Zoo'n lastige jongen

Part 6

Chapter 64,150 wordsPublic domain

Het ontbijt was afgeloopen. Jo had het laatste stukje van zijn gesuikerd brood opgegeten, in alle stilte in zichzelf denkende dat zijn aandeel in de kook-aangelegenheden toch, bij slot van rekening, bepaald een verbetering zou zijn geweest van de gewone manier; maar daarna hadden Marian en Corrie de zaak eigenlijk bedorven. Hij stond nu door ’t raam van de eetkamer naar buiten te staren, met zijn hoofd op zij, op een manier, die, zooals zijn zuster wel wist, voor de toekomstige rust en vrede in huis nooit heel veel goeds deed verwachten.

„Wat voor stoutigheid ben-je nu weer aan ’t bedenken, kleine baas,” zei ze, terwijl ze achter hem ging staan en zijn hoofd recht trok.

Jo draaide zich om.

„Cor,” zei hij, ernstig, en op een toon vol verwijt; „weet je dan niet dat mijn stoutheden dingen zijn die altijd in eens opkomen? Ik denk er nooit van te voren over. Gelukkig niet. Als je ziet dat ik over iets sta te denken, dan is ’t altijd dat ik bezig ben iets goeds of iets prettigs te verzinnen, maar nooit iets stouts. Begrijp-je dat nu nog niet, Corrie?”

„Nu—j—a,” zei Corrie, eenigszins aarzelend. „Ik geloof wel, Jo, dat je er meer over denkt iets goeds of aardigs te doen dan iets stouts. Maar, zie-je, je ondernemingen vallen meestal zoo ongelukkig uit, dat—”

„O!” viel Jo bedaard in, „dat komt alleen, zooals papa altijd van de dingen uit de geschiedenis zegt, door de macht van de omstandigheden. En je kunt van mij toch niet verwachten dat ik daar veel aan doen kan, Cor.”

Corrie barstte in zoo’n hartelijk gelach uit, bij ’t hooren van dat antwoord, dat haar jeugdige broer op ’t punt stond ernstig boos te worden. Maar ze bedwong zich en zei:

„Kom, kom, kereltje, wees nu maar niet boos omdat ik zoo lach. Je weet wel dat ’t heel gezond is voor een mensch, nu en dan eens hartelijk te lachen, dus je moest blij zijn dat je ’t mij hebt laten doen. En nu zal ik weer heel ernstig zijn, dat beloof ik je, terwijl je me vertelt welk plan je bezig was te verzinnen.”

Jo staarde met een eenigszins onzekere uitdrukking voor zich heen. Hij voelde zich in zijn waardigheid gekwetst, maar toch vond hij ’t verschrikkelijk vervelend, en lastig ook, om op Corrie boos te blijven.

„Ik zou zeggen dat je volstrekt geen reden hebt om me uit te lachen, Corrie, en—”, dit werd er met een heel ernstig gezicht bijgevoegd, „ik vind dat ’t voor papa ook niet prettig is, dat je zoo lacht om iets wat hij gezegd heeft. Als je me zoo blijft plagen, dan kan ik niks meer verzinnen, en ik was juist zoo aan ’t bedenken van iets waar ik oom eens pleizier mee zou kunnen doen, omdat hij gisteren niet erg boos is geweest om die pastei en dat allemaal.”

„O—o!” zei Corrie, terwijl haar lachlust verdween, en ze haar broer met een blik vol bezorgdheid aankeek. „Dus heb ik toch gelijk gehad, klein papegaaitje, dat je bezig was iets te bedenken, dat misschien weer slecht zou kunnen afloopen. Ik zal je eens iets veel beters vertellen. Wees zoo voorzichtig als je ’t maar met mogelijkheid zijn kan, om niet ’t minste of geringste meer te ondernemen van die dingen, die jij verrassingen noemt, maar waarvan de gevolgen meestal lastig en onpleizierig zijn. Dat zal een veel betere manier zijn om Oom Johan te bedanken dan iets anders, geloof me.”

„Zou-je dat denken?” luidde ’t gemoedelijke antwoord, terwijl de blonde krullebol weer op zij werd gehouden. „Maar, zie-je, Cor, jou plannen zijn allemaal om niets te doen, en ik vind ’t veel aardiger om wél iets te doen.”

Vóórdat Juffrouw Holmer haar spijt kon uitdrukken omtrent dat laatste, welbekende feit, stak de heer Holmer zijn hoofd naar binnen, terwijl hij haastig zei:

„Jo, ik ga vandaag niet naar mijn kantoor, dus als je dadelijk je muts opzet, kan-je met me meegaan om de boerderij rond te gaan; en misschien kunnen we daarna nog wel even een kijkje nemen in de school, en den Kerstboom zien, als we Corrie daar gaan afhalen.”

„Hoera!” schreeuwde Jo, terwijl hij naar de deur holde om zijn muts te halen. Maar opeens scheen hij zich iets te herinneren, en hij bleef met een eenigszins bedrukt gezicht staan.

„Dat ’s waar, oom, ’t spijt me erg, maar ik heb aan Cor beloofd dat ik met haar mee zou gaan om haar te helpen.”

„Wel, wel!” zei de heer Holmer, op een toon van ernst, die door de uitdrukking van zijn gezicht werd weersproken. „Dat is bepaald een lastig geval, jongen! Maar zou-je niet denken dat Corrie je misschien wel van je belofte zou willen ontslaan, als we ’t haar vroegen?”

Corrie trad naar voren, met een lachende uitdrukking in haar oogen, om voor zichzelf te antwoorden.

„Zeker, Oom, ’t zal me zelfs heel veel pleizier doen. Ik bedoel natuurlijk, Jo, dat ik ’t heel best vind, als je met Oom meegaat om al de dieren te bekijken, en ik hoop dat je een heel prettigen ochtend zult hebben.”

En zoo werd Jo door zijn zuster aan de hoede van haar oom overgegeven, terwijl ze niet kon nalaten een lichten zucht van verlichting te slaken, nu ze eindelijk eens in staat was vrij adem te halen, al was de deugniet ook uit ’t gezicht. Die arme Corrie! Weinige uren later schreide ze zich half blind, bij de herinnering dat ze er blij om was geweest haar kleinen, lastigen broer een poosje kwijt te zijn, en deed ze haar best, door middel van allerlei zelf-pijnigingen, uit die gedachte stof te putten tot bitter zelfverwijt.

Voor ’t oogenblik echter begaf ze zich vol opgewektheid op weg, om den zeer welkomen bijstand te verleenen van haar goeden smaak en vlugge vingers bij ’t versieren van den Kerstboom, die in de gemeenteschool dienst zou moeten doen; en Jo liep mee met zijn oom, om een flinke inspectie te houden over de paarden, varkens en koeien, en al het andere gedierte in die omgeving.

Jo was er bijzonder op gesteld niets over te slaan, en dus moest er ook een bezoek worden gebracht aan de geit, die op een veld op eenigen afstand van het huis te vinden was. Voordat oom en neef die plek hadden bereikt, werden ze ingehaald door den dorpsgeestelijke, die gekomen was om met den heer Holmer het een en ander omtrent de regeling van het schoolfeest te bespreken. Jo liep naast de beide heeren voort, nu en dan eens luisterend naar hun gesprek, en dan weer bezig met zijn eigen gedachten. Maar op eens scheen ’t hem toe, dat zijn eigen gedachten en ’t onderwerp van gesprek der beide heeren zóó wonderlijk in elkaar pasten, dat hij er bepaald verbaasd over was.

„Wat een prachtige oude boom!” had de predikant zoo juist gezegd, terwijl hij stil bleef staan onder een breedgetakten kastanjeboom, die er, zelfs in zijn wintersche kaalheid, indrukwekkend uitzag.

„Ja,” zei de heer Holmer, „die oude reus is een van de dingen hier, waar ik bijzonder veel prijs op stel. Maar tot mijn spijt heeft hij door ’t zware onweer van verleden zomer wat geleden. Daarginder zit een tak, zie-je wel, die door den bliksem is getroffen; hij is heelemaal dood.”

„Zoo!” zei de predikant, terwijl hij haastig eenige schreden achteruit trad. Hij was een eenigszins zenuwachtig man, en de getroffen tak was vrij groot.

„Zou ’t niet beter zijn dat hij werd weggenomen?” vroeg hij, met eenige onrust. „Bij harden wind zou hij bepaald gevaarlijk kunnen worden. Dunkt-je niet?”

De heer Holmer keek met onderzoekenden blik omhoog, en dat deed Jo ook.

„Jawel,” zei de heer Holmer; „daar heb ik zelf ook wel eens over gedacht. Maar de kwestie is dat John, mijn tuinman, zoo zwaar is, dat ik eigenlijk bang was hem zoo hoog te laten klimmen. ’t Zal ’t best zijn dat ik eens naar een of anderen jeugdigen schoorsteenveger uitkijk, om naar boven te klimmen en een touw om den tak te slaan. Die zou dan gauw genoeg beneden zijn, met één flinken ruk. En ik moet zeggen dat ik er blij om zou wezen, want ’t is niet alleen gevaarlijk, maar een leelijk gezicht ook.”

Dit zeggende, kwam hij van onder den boom uit en voegde zich weer bij zijn vriend, te zeer vervuld van ’t gesprek, dat tijdelijk was afgebroken, om de belangstellende, verlangende blikken op te merken, die door vriend Jo op den dooden tak werden geworpen, waarover zijn oom had gesproken.

„Ik ben geen schoorsteenveger,” zei Jo zacht in zichzelf, terwijl hij langzaam achter de beide heeren aanliep; „maar ik kan heel wat beter klimmen dan Fred Mackenzie, en ik geloof dat hij zelfs heel gemakkelijk naar boven zou kunnen klauteren om een touw te slaan om dien dooden ouden tak. Ik kan ’t in elk geval zeker.”

XI.

DE LASTIGE JONGEN KRIJGT EEN ONGELUK.

„En wat zal oom tevreden zijn,” mompelde Jo Holmer in zichzelf, „als ik terugloop en hem vertel dat ’t touw al heelemaal in orde is, en dat ze maar kunnen trekken.”

Vriend Jo zat heel in de hoogte tusschen de takken van den reusachtigen ouden kastanjeboom, toen hij dat zei; en hij keek naar boven om te zien hoe ver hij nog gaan moest. ’t Deed hem wel een beetje pleizier te merken, dat hij nog maar een klein eindje hooger behoefde te klimmen om te zijn waar hij wezen moest, want door de vorst waren de takken eenigszins „glibberig,” en ondanks de inspanning van het klimmen, begonnen zijn handen tamelijk verstijfd te worden van de kou. Hij keek naar het touw, dat hij om zijn middel had gewonden, en wenschte er zichzelf geluk mee dat hij ’t niet met een knoop had vastgemaakt, want die zou moeilijk los te maken zijn geweest. En toen strekte hij zijn arm weer uit naar een hoogeren tak, en klom verder.

Maar terwijl Jo bezig was zijn plan te volvoeren om zijn oom een echten, werkelijken dienst te doen, als teeken van dankbaarheid voor al de aan hem bewezen vriendelijkheden, werd door de personen, die zich voor zijn welvaren en goed gedrag verantwoordelijk voelden, de gebruikelijke vraag gedaan, waar hij ergens zitten zou.

Dadelijk na ’t koffiemaal was Juffrouw Holmer weggeroepen naar de ontvangkamer, om het een en ander met de schooljuffrouw te bepraten. De heer Holmer had een wijsgeerig gesprek op touw gezet met den predikant, die met hem naar huis was gegaan om te blijven koffiedrinken, en Jo had die gunstige gelegenheid waargenomen, om weg te loopen en ongehinderd zijn goede plannen te gaan volvoeren.

De gewichtige kwesties betreffende ’t schoolfeest, het onthalen van de kinderen, de versiering van den Kerstboom, enz., waren eindelijk tot een beslissing gekomen, en Corrie keerde nu naar de eetkamer terug. De onvermijdelijke vraag volgde:

„Waar is Jo, oom Johan, weet u ’t ook?”

„Jo, kind-lief?” zei Oom Johan, terwijl hij, op eenigszins afgetrokken manier, in de kamer rondkeek. „Neen, Corrie, ik dacht dat Jo bij jou was. Heb je hem naar hier teruggezonden?”

„Neen, Oom, ik had hem hier gelaten.”

„Uw broertje is uitgegaan, juffrouw,” zei Jane, die toevallig binnenkwam, terwijl ze er over aan ’t praten waren. „Een minuut of tien geleden zag ik hem ’t keukenraam voorbijgaan.”

„Lieve hemel, waar kan hij naar toe zijn gegaan?” zei Corrie, met een extra gevoel van onrust, bij de herinnering aan ’t gesprek van dien morgen over de verschillende uitingen van dankbaarheid. Ze keek zóó bedrukt, dat haar oom opstond, tegelijk met zijn gast, en op bemoedigenden, opgewekten toon zei:

„Kom, kom, beste meid, je kunt niet verwachten dat die kleine deugniet van een broer je altijd als een hondje naloopt. Maar wees maar gerust, ik wandel met Menheer Robinson terug naar het dorp, en ik wed dat we Jo dan wel hier of daar zullen zien in ’t voorbijgaan—op den schommel, of bezig om de konijnen eten te geven. Als ik hem vind, zal ik hem naar binnen zenden voor een brompartij.”

Corrie lachte.

„Dat ’s goed, oom. Ik zal me er voor gereedhouden. Maar zegt u alsjeblieft, als hij dadelijk komt, dat hij dan met me kan meegaan om naar den Kerstboom te kijken.”

„Bij wijze van brompartij zeker?” vroeg de predikant, glimlachend, en toen gingen de beide heeren heen, en Corrie zette zich, geheel gerustgesteld, neer, om een half dozijn kleine poppen aan te kleeden, die nog voor den Kerstboom noodig waren, maar die, door de macht der omstandigheden, zooals Jo zou hebben gezegd, nooit daarin zouden worden opgehangen.

De heer Holmer zag een van de staljongens staan, toen hij den achtertuin doorging, en hij riep hem toe:

„Sam, is mijn neefje kort geleden in den stal geweest om den ezel eten te geven?”

„Neen, menheer,” antwoordde Sam, naderbij tredend. „Ik heb den jongeheer daarstraks zien loopen, met een touw in zijn hand, ’t veld over, den kant van ’t dorp op.”

De heer Holmer stond plotseling stil, terwijl de jongen sprak, en hij wendde zich tot zijn vriend, met zóó’n zonderlinge uitdrukking op ’t gelaat, dat deze van zijn kant hem verschrikt aanstaarde.

„Wat scheelt er aan, Holmer?” vroeg hij, op bezorgden toon. „Voel-je je niet wel?”

„Neen, maar ik ben bang; dat gebeurt me niet dikwijls,” luidde ’t antwoord, hard en koel. „Maar kom, we verliezen hier maar tijd. We kunnen den kleinen waaghals misschien nog wel inhalen, vóórdat hij bij den boom is, als we ons haasten.”

„Den boom?” hijgde de predikant, ademloos, niet omdat hij den angst van zijn vriend eenigszins deelde, want hij wist dien volstrekt niet te verklaren, maar alleen omdat ’t hem moeite kostte diens snellen pas bij te houden.

Maar al had hij nog zoo verstaanbaar gesproken, dan zou hij toch, hoogstwaarschijnlijk, op dat oogenblik geen volkomen duidelijk antwoord hebben gekregen, want de heer Holmer sprak de eenvoudige waarheid, toen hij zei dat hij bang was. Hij had dadelijk begrepen wat dat touw beteekende, en in welke richting er naar zijn neefje moest worden gezocht.

Eindelijk, toen hij den boom in ’t gezicht kreeg, bleef hij even stilstaan, en, zich naar den predikant wendende, zei hij, terwijl hij naar den boom wees, met heesche stem:

„Robinson, je kunt beter in de verte zien dan ik—zeg eens, zie-je ’t kind?”

Eindelijk begreep de predikant zijn bedoeling. Maar hij voelde zich bijna geneigd om den angst van zijn vriend te lachen.

„Of ik het kind zie!” riep hij uit. „Je neefje, bedoel-je immers, Holmer? Wel neen, natuurlijk niet. Je veronderstelt toch niet, dat die kleine jongen ’t zou durven wagen in zóó’n boom te klimmen, vooral met een weer als dit!”

„Hij waagt en durft een heeleboel. Waar had hij anders het touw voor noodig, als om te doen wat ik opperde?”

De beide heeren waren weer voortgegaan, en bevonden zich nu dichter bij den boom. Op eens kwamen twee boerenarbeiders van uit een ander veld naar hen toesnellen.

„Menheer,” riep de een, „daar zit een jongen in dien boom daarginder. Wat hij er doet, begrijp ik niet, want er zijn nu geen vogelnesten om uit te halen; maar als hij geen armen of beenen breekt, is ’t een wonder.”

Er was nu geen twijfel meer mogelijk, en alle vier snelden ze vooruit naar de bewuste plek, juist toen een luid en vroolijk „Hoera! ik heb ’t gedaan!” van uit ’t midden van den boom weerklonk.

’t Volgende oogenblik hoorde men een luid gekraak, een schreeuw, een schuren tusschen de takken, een bons, en vóórdat de vier mannen de plek konden bereiken, lag de arme kleine Jo naast den afgebroken tak op den grond, bleek en bewegingloos, met een gebroken been, een gebroken arm, en een bloedend hoofd.

„Waar zullen we hem heenbrengen, mijnheer?” vroegen de mannen, zich meer tot den predikant richtende dan tot den doodelijk ontstelden bloedverwant, die met een zoo droevige uitdrukking op het bleeke gezichtje van den armen kleinen knaap staarde. Maar de heer Holmer zei snel:

„Waar! Wel, naar huis, natuurlijk.” En toen voegde hij er, op een anderen toon en als tot zichzelf sprekend, bij: „Maar, o! wat zal Corrie zeggen; wat zal Corrie zeggen?”

’t Herhalen van dien naam trok blijkbaar de aandacht van den half bewusteloozen knaap, want op eens openden zich de stijfgesloten blauwe oogen; de bleeke lippen bewogen zich, een zachte kreet deed zich hooren, gevolgd door de smeekend gedane vraag:

„Och! Oom—vertel ’t niet—aan Cor.”

De heer Holmer boog zijn gelaat nog dieper over het kind, terwijl hij op zachten, vriendelijken toon zei: „Waarom niet, beste jongen? Je denkt toch niet dat ze nu boos op je zal zijn?”

Even vertoonde zich een blos op ’t bleeke gezichtje, en Jo riep, met al de kracht waarover hij nog beschikken kon: „Maar oom!! Cor is immers nooit boos! Ik—ik—ben,” hier klonk zijn stem weer heel zwak, „alleen bang—dat—ze ’t zoo naar—zal vinden—die arme—”

Hij kon niet meer spreken; opnieuw verloor hij ’t bewustzijn.

’t Duurde lang, heel lang, dat die kleine, lastige Jo er niet ’t minste besef van had, wie al of niet van zijn ongeluk hoorde en wie er al of niet bedroefd en verdrietig over was. Door Corrie Holmer was al menige bittere traan geschreid, naast ’t ledikantje waarin haar kleine broer lag, met kort afgeknipt haar en een koortsblos op de wangen, vóórdat een heel zwak stemmetje op een ochtend onverwachts vroeg:

„Corrie, waarom zit-je hier?—Heb ik me verslapen?—is ’t tijd om te ontbijten?”

’t Duurde een oogenblik voordat die vragen beantwoord werden, want juffrouw Holmer scheen niet onmiddellijk tot spreken in staat te zijn. Eindelijk zei ze, op gedwongen kalmen toon:

„Ja, beste Jo, ’t is tijd om te ontbijten. Maar je hebt wat hoofdpijn gehad, en daarom vindt mama ’t beter dat je nog een beetje in bed blijft.”

„Dat ’s goed,” zei Jo, half slaperig, en met een zucht van voldoening. „Dan geloof ik dat ik nog maar een beetje ga slapen.”

En vijf minuten later, toen zijn moeder in de kamer kwam, om Corrie naar beneden te zenden voor haar ontbijt, en zelf haar kleinen jongen te verzorgen, vond ze hem rustig slapende. ’t Was de eerste natuurlijke, verkwikkende slaap, dien hij sinds weken had genoten. De crisis was voorbij. De koorts had opgehouden, de gebroken ledematen begonnen goed te genezen, schrammen en builen waren sinds lang verdwenen, en die veelbeminde, lastige kleine jongen, Jo Holmer, had nu niets meer te doen dan zoo gauw als hij maar kon heelemaal beter te worden. En in den tusschentijd beschouwde hij ’t blijkbaar als een uitgemaakte zaak, dat in bed liggen, met een arm en een been in gipsverband, iemand ’t recht verleende onbegrensde eischen te stellen op ’t gebied van verhaaltjes.

Niet alleen Corrie, maar ieder ander, die zijn ledikantje naderde, werd voor dien dienst geprest, totdat eindelijk, op zekeren avond, Marian, de keukenmeid, die de trap op was gekomen, met ’t speciale doel den jeugdigen dwingeland haar hulde te bewijzen, met den verheugden uitroep werd begroet:

„O! Marian, ik ben erg blij dat je gekomen bent. Ik geloof dat Cor een klein beetje suf in haar hoofd is geworden van al ’t vertellen. Ze heeft vandaag niet heel veel kunnen bedenken, ten minste niks aardigs, dus wil je dat kookboek van je maar boven brengen, ik zou dat grappige begin nog wel eens willen hooren.”

„En ik hoop, baasje,” zei de heer Holmer, „als Marian zoo goed wil zijn je uit dat kookboek voor te lezen, dat jij dan nog eens even zult denken aan zekere gesuikerde pastei en flink gezouten koekjes. Kom, Corrie, kind-lief, ga maar mee naar de ontvangkamer, er is daar iemand, die, geloof ik, op je zit te wachten, en die niet, zooals Jo, je verhaaltjes niet aardig genoeg vindt.”

„Wie is dat, Cor?” vroeg Jo, toen zijn zuster zich, met een eenigszins verlegen uitdrukking, over hem heenboog om hem een kus te geven. „Wie zit er op je te wachten?”

„Ik—ik—weet ’t niet, beste jongen,” luidde ’t vrij haastig gegeven antwoord, dat wáár was ook, want juffrouw Holmer wist ’t werkelijk niet; ze had alleen een vermoeden. Tegelijkertijd ontsnapte ze aan de mogelijkheid nog verder ondervraagd te worden, zoo snel als ze kon, en Jo moest zich dus tot Marian wenden:

„Marian, wie is er beneden, weet je ’t soms, bij mama en Oom?”

Marian aarzelde een oogenblik, voordat ze antwoordde, en toen zei ze:

„Menheer Russell is een poosje geleden gekomen, Jo. Maar ik weet niet of hij er nog is.”

„Natuurlijk kan hij er niet meer zijn,” klonk ’t onmiddellijk, op heel beslisten toon. „Als hij gebleven was, zou hij natuurlijk wel boven zijn gekomen, want hij houdt ’t meest van mij, meer dan van iemand anders hier in huis.”

En daar die verzekering vriend Jo volkomen voldeed, had Marian geen lust er iets tegen in te brengen.

XII.

JO MAAKT ZICH VERDIENSTELIJK.

’t Was in de allereerste dagen van April. Zacht, liefelijk, helder, heerlijk weer—kortom, juist ’t soort van weer, om iemand er toe te brengen allerlei bijvoegelijke naamwoorden ter eere er van opeen te stapelen. Juist ’t soort van weer, om hoopvolle menschen met een opgewekten glimlach tegen elkaar te doen zeggen:

„Wat een prachtigen zomer zullen we hebben!”

„Hoor eens, Oom,” begon Jo Holmer, „’t is toch eigenlijk nog zoo kwaad niet geweest, dat ik mijn arm en mijn been heb gebroken, want, ziet u, u zou er anders nooit over gedacht hebben Corrie en mij zoo lang hier te houden.”

De jeugdige patiënt lag, door kussens gesteund, op een canapé vlak, voor een groot, openslaand raam, dat uitzicht gaf op een ruim grasveld, waarin kleine bloemperken waren aangelegd, vol frissche crocussen, madeliefjes en hyacinthen.

Niet ver van die canapé zaten de vader en moeder van Jo, zijn oom, de heer Holmer, Corrie natuurlijk, en de heer Russell. ’t Heele gezelschap had gedurende eenige oogenblikken gezwegen, toen Jo aan de kalmte en stilte op eens een einde maakte door zijn, op heel beslisten toon, geuite opmerking. Na een oogenblik gewacht te hebben, voegde hij er bij:

„Is ’t wel, Oom? Zou u wel?”

De heer Holmer lachte.

„Nu, als ik je op een of andere manier hier had moeten houden, dan zou ik toch liever een gezonden logé hebben gehad.”

Jo schudde, met een heel wijs gezicht, zijn hoofd.

„Ja, Oom, ik geloof wel dat u dat denkt. Maar u zou ’t nooit hebben uitgehouden, ziet u. Dat heeft Marian, de keukenmeid, me gezegd. Ze zei vroeger eens, vóórdat ik gevallen ben, tegen me, dat u, als ik nog een week langer bleef, zóó mager zou zijn geworden van al ’t getob met me, zóó mager—ze zei dat u al zoo afgevallen was, sinds ik hier logeerde, en ze zei—”

„Houd nu je mondje maar eens, kleine babbelkous,” zei zijn moeder, lachend, terwijl ze haar hand op zijn mond legde. „Je mag al die vertrouwelijke mededeelingen van Marian zoo maar niet verklappen. Vertel ons liever eens waarom je ’t zoo’n speciaal goed ding vindt, dat je oom je zoo lang hier heeft moeten houden.”

„O! mama, dat is heel makkelijk te vertellen,” antwoordde hij dadelijk. „’s Winters vind ik ’t nu niet zoo’n vreeselijk prettig buiten hier, om op te wonen, behalve, ziet u, wat de ezels betreft, die zijn erg aardig, en de varkens ook. Maar nu ik ’t in de lente gezien heb, nu weet ik dat ’t hier erg mooi is. En dan is er, natuurlijk, nog die andere reden.”

„Is die evengoed als de eerste, kleine baas?” vroeg de heer Holmer lachend. „Kom, laten we ze eens hooren.”

„Dat ’s goed,” zei Jo kalm. „En die reden is eigenlijk nog beter dan de andere, omdat ze mezelf niet aangaat. Als ik niet uit dien boom was gevallen, dan zouden Corrie en Menheer Russell niet zoo dikwijls te zamen bij me hebben gezeten, en ik weet zeker dat ze ’t allebei heel plezierig—O!”

Wel mocht Jo „o!” zeggen, want ’t spreken werd hem dezen keer onmogelijk gemaakt door een plotseling naar boven duwen van zijn kin, waardoor hij zich in zijn tong beet, terwijl Corrie, werkelijk boos, met verontwaardigde blikken en hoogroode wangen, op gedempten toon zei:

„Hoe durf je, Jo? Hoe durf je zulke dingen zeggen!”

En toen werd Jo’s kin losgelaten, en weer uitte hij een benauwd „o!” terwijl Corrie van haar stoel opsprong, en door de openstaande glazen deur naar buiten liep, waar ze dadelijk om den hoek van het huis verdween.

’t Volgende oogenblik was ook de heer Russell opgesprongen, en, blijkbaar aangemoedigd door de lachend geuite opmerking van den heer Holmer:—„Ik zou je maar raden je wat te haasten, Frank, als je die vluchteling nog wilt inhalen”—vloog ook hij naar buiten en verdween om den hoek van het huis.