Zoo'n lastige jongen

Part 1

Chapter 14,275 wordsPublic domain

GRACE STEBBING

ZOO’N LASTIGE JONGEN!

Vrij naar het Engelsch door CORA

GEÏLLUSTREERD

GEAUTORISEERDE UITGAVE

AMSTERDAM C. A. J. VAN DISHOECK 1899

I.

WAT JO VAN ZICHZELF WIST.

„Corrie! Toe, Corrie, luister eens even!”

En als ooit in een paar blauwe jongensoogen joligheid en ondeugendheid te lezen stonden, dan was dit stellig nu ’t geval met de jongensoogen, waarvan de kleine eigenaar Jo Holmer heette.

Met een twijfelachtige uitdrukking keek Corrie van haar werk op. „Ja, wat is er?” zei ze.

„O, Corrie, ik heb vandaag zoo iets aardigs gehoord, toen ik uit school kwam, iets erg aardigs, heusch.”

„Zoo! Wat was dat dan voor moois?”

„Wel, ergens voor een deur stond een vrouw, en die riep tegen een klein, vuil jongetje, dat in de goot speelde, en ze riep en riep almaar door, en ’t hielp niks, de jongen kwam toch niet; en net toen ik vlak bij hem stond, weet-je wat ik hem toen hoorde zeggen—wat denk-je wel?”

„Ik ben er in ’t geheel niet benieuwd naar. ’t Zal wel iets ondeugends zijn geweest.”

„Nou ja, zie-je—” en Jo hield zijn hoofd een beetje op zij, alsof hij heel ernstig over de zaak nadacht;—„héél erg mooi was ’t nou niet, maar hij zei ’t op zoo’n grappige manier. „Hoe meer je me nou roept, hoe minder of ik kom.” Hij zei ’t niet brutaal, zie-je, maar je kunt je niet begrijpen hoe leuk of dat nou klonk.”

„Neen, dat kan ik me zeker niet begrijpen,” luidde het antwoord van een paar meisjeslippen, die haar uiterste best deden niet te glimlachen. ’t Was niet dat de woorden van den eenen ondeugenden kleinen jongen, aldus herhaald door een anderen ondeugenden kleinen jongen, op zichzelf zoo bijzonder komiek waren, volstrekt niet; maar de manier en de toon waarop ze werden geuit, en ’tgeen er werd bijgevoegd, dat alles te zamen maakte dat Jo’s zuster haar ernst moeilijk volkomen kon bewaren.

Vriend Jo kwam een eind verder de kamer in en bleef vlak voor zijn zuster staan, gebukt, en met een paar niet heel zindelijke handjes op zijn knieën gedrukt. „Corrie—je weet niet hoe komiek je er uitziet, als je bijna lacht en niet wil lachen. Niet alleen je lippen trillen dan, maar ook een klein stukje van den eenen kant van je neus—Kijk—” met een kreet van verrukking—„daar heb-je ’t weer!”

De geplaagde Corrie stond op. „Ik zal je om je ooren slaan, Jo, werkelijk, hoor, als je niet uitscheidt.”

„Toe, doe ’t eens, Corrie! Je hebt al zoo dikwijls gezegd dat je ’t doen zou, en je hebt ’t nog nooit gedaan. Ik zou zoo graag eens probeeren of ik er iets van voelde.”

Juffrouw Corrie Holmer hief haar hand op en sloeg toe. En ze sloeg flink toe ook, te oordeelen naar het geluid dat er op volgde. Maar dat geluid werd niet veroorzaakt door de aanraking van Corrie’s hand met haar broer’s wang. Toen de gevraagde klap viel, had Jo onverwachts een houten „bat” van achter zijn rug voor den dag gehaald, en die als beschutting voor zijn oor gehouden; en in plaats dat hijzelf een kleur kreeg van den klap, zooals ieder allicht zou hebben verwacht, was ’t zijn zuster, op wier wangen zich een blos vertoonde, niet zoozeer van pijn, waarschijnlijk, als van ergernis. ’t Is dan ook allesbehalve pleizierig, als iemand zelf als ’t middel wordt gebruikt om zich belachelijk te maken, vooral als de schuldige geen meer belangrijk personaadje is dan een kleine dreumes van negen jaar.

Corrie zette zich weer neer en boog zich haastig over haar breiwerk. „Ga weg, Jo. Je bent een heel ondeugende jongen, en ik spreek geen woord meer tegen je vóórdat je excuus hebt gevraagd.”

„Hè!” zei Jo, terwijl hij met een nadenkend gezicht op zijn „bat” neerzag. „Dat’s altijd zoo vervelend van meisjes. Ze zijn zoo héél anders als jongens. Toen ik laatst met Fred Mackenzie die grap uithaalde, probeerde hij dadelijk me een andere poets te bakken, en toen was ’t uit; maar als je met meisjes eens een grapje wil hebben, dan is ’t altijd dadelijk een geroep van „vraag me excuus”.”

„Ik zie er niet veel grappigs in, dat je me mijn hand laat zeer slaan op je „bat”,” luidde de eenigszins verontwaardigde tegenwerping. „En wat betreft dat een dreumes, zooals jij, iets zou weten van het onderscheid in karakter tusschen jongens en meisjes—wel, je weet niet eens iets van je eigen karakter tot nog toe.”

„O, zeker wel,” antwoordde Jo dadelijk. „Ik weet bijvoorbeeld van mezelf dat ik ’t afschuwelijk vind om iemand excuus te moeten vragen, of te zeggen dat ik spijt van iets heb. Ik krijg net een gevoel alsof ik een—een—” met een uitdrukking van drift—„een ezel ben, als ik ’t doen moet.”

„Een wat?” riep Corrie uit. „Wat bedoel je toch?”

„O,” klonk ’t op meer kalmen toon—„ik krijg dan zoo’n lust om almaar te gaan schoppen, niet tegen iemand aan, zie-je, maar achteruit, zooals de ezels doen. Almaar door en almaar door, totdat ’t voorbij is.”

Corrie keek op. Op haar aardig, vriendelijk gezichtje was weer een glimlach te voorschijn gekomen.

„Nu, klein ezeltje, als je ’t excuus vragen dan zóó’n leelijk, bitter drankje vindt, dan zal ik je voor dezen keer nog maar van ’t innemen er van vrijstellen. Maar ik vind, dat je toch wel beloven mag dat je me op een anderen keer niet meer zoo’n hard ding zult voorhouden om op te slaan, zeg!”

Jo dacht een oogenblik na.

„Och, zie-je, beloftes die je zoo lang moet houden, langer dan een heelen dag, dat zijn zulke nare dingen. Je moet er zoo vreeselijk lang aan denken. Toe, bedenk liever een belofte, waarmee ik zoo in eens klaar kan zijn.”

Corrie lachte. „’t Is waar, dat zou misschien veiliger wezen. Ik moet eens zien of ik iets bedenken kan, dat je niet zoo lang hoeft te onthouden.”

Maar Jo’s gedachten schenen vlugger te werken dan die van zijn zuster. „Ik ben er al,” klonk zijn uitroep. „Ik zal beloven dat ik nu dadelijk mijn handen heel netjes zal gaan wasschen en mijn haar zal borstelen, dan ben ik klaar om te eten, als jij dan wilt beloven dat je me een stuk van een verhaaltje vertelt, dadelijk als ik weer beneden kom, en de rest na ’t eten, of van avond.”

„Wel, heb ik ooit!” riep Corrie uit. „Is dat nu een manier van—”

Maar ze werd in de rede gevallen door een vertrouwelijk: „’t Is in orde, hoor, ik zie wel dat je ’t doen wilt. Ik ben dadelijk weer terug.”

En toen werd de deur met een ruk geopend, en met een bons weer dichtgeslagen, en vriend Jo rende de trap op, een vroolijk liedje uitgalmende.

Corrie was op een na ’t oudste, en Jo ’t jongste kind van den heer en mevrouw Holmer. Er waren er vier. Willy, de oudste, twintig jaar oud, studeerde te Oxford; Corrie, haar moeder’s rechterhand en een flink, vroolijk, lief meisje, was even achttien. Dan volgde een meisje van veertien, dat in ’t buitenland op kostschool was. En ’t laatst kwam Jo, de kleine, lastige Jo. Want lastig was hij, dat zouden zijn ouders en zijn zusters hebben kunnen vertellen. Hij was tegelijkertijd de vreugde en de plaag van zijn liefhebbende bloedverwanten. Als ge aan Corrie hadt gevraagd of ze hem niet graag kwijt wou zijn, dan zou ze u met een uitdrukking van de grootste verbazing en verontwaardiging hebben aangekeken. Maar als vriend Jo zelf die vraag had gedaan, dan zou ze hoogstwaarschijnlijk hebben geantwoord:

„Of ik je graag kwijt zou willen zijn? Wel natuurlijk, heel graag, hoor! Wie zou zoo’n lastigen jongen niet graag kwijt zijn?”

„Och,” zei Jo, op een dag, toen hij werkelijk zoo’n antwoord had gekregen. „’t Komt er eigenlijk niet zoo erg veel op aan, Cor, wat je er van vindt.”

„Waarom niet?” vroeg Corrie, met een zweem van ongerustheid in haar toon. „Wat bedoel je er mee, dat ’t er niet veel op aan komt wat ik er van vind?”

„Wel,” luidde ’t kalme antwoord, „als jij er heusch niet heel veel om geeft of ik bij je ben, dan geef ik er zóóveel om, om bij jou te zijn, dat er toch niks, niks geen kans is dat je me kunt kwijt raken; dus dat komt toch op ’t zelfde neer, is ’t niet?”

En de stevige omarming, die de vraag vergezelde, werd met een even warme omhelzing beantwoord, terwijl fluisterend de woorden weerklonken:

„Mijn beste kleine dreumes, ik zou je niet willen verkoopen voor een diamant, zoo groot als je eigen krullebol!”

II.

HET METEN VAN GOTEN.

„Niet dat ik nu zooveel geef, dat weet je wel, Corrie—zoo echt en echt veel geef—om sprookjes; maar dat was toch nog al een slimme kleine jongen, vind ik, waar je van verteld hebt. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”

„Welk plan?” vroeg Corrie, eenigszins verbaasd.

Maar vóórdat Jo die vraag kon beantwoorden, deed de stem van Mevrouw Holmer, die aan de tafel zat te schrijven, zich hooren.

„Kom, Jo,” riep ze, met een blik op de pendule. „’t Is meer dan tijd voor je. Als je je niet haast, zal je nog te laat op school komen, jongen.”

Jo vloog heen, en Corrie’s oogen richtten zich weer op de bijna afgebreide kous, die voor haar broertje was bestemd. Maar op haar gezicht stond nog een uitdrukking van verwondering te lezen, en telkens en telkens weer probeerde ze voor zichzelf de vraag te beantwoorden, die ze aan Jo had gedaan, wat hij toch bedoelde omtrent ’t plan van dien kleinen jongen.

Terwijl Jo boven was geweest om zijn handen te wasschen en zijn haar te borstelen, had Corrie een deel van de sprookjes van Andersen opgenomen en de bladzijden doorloopen om een geschikt verhaaltje te bedenken. Maar ze had een beetje hoofdpijn, en haar verbeeldingskracht liet haar dezen keer heel en al in den steek. Haar broertje kwam terug, vóórdat ze iets had kunnen bedenken dat hem kon amuseeren, en ’t was in den tusschentijd al vrij laat geworden.

„Zeg eens, Jo,” waagde ze eindelijk voor te stellen, „als ik je nu eens een van de sprookjes uit dit boek voorlas, totdat de etensbel luidt, en als ik dan na het eten eens probeerde je iets uit mijn hoofd te vertellen, hoe zou je dat vinden?”

„’t Is goed,” luidde ’t antwoord van den jeugdigen gebieder, „voor dezen eenen keer kan ’t wel; maar dan moet je er op rekenen dat ik voor een anderen keer een echt, mooi verhaal van je te goed heb, hoor! Lees maar op!”

En met den blonden krullebol op haar knie geleund, begon Juffrouw Holmer heel gehoorzaam „op te lezen”, ’t eerste ’t beste stuk uit het boek, dat zich toevallig voordeed. ’t Was het verhaal van den Vlierboom. Een kleine jongen krijgt natte voeten, door ’t loopen in een goot, hij vat kou, wordt naar bed gebracht, zijn moeder geeft hem warme vlierthee te drinken, en een oude vriend van de familie komt bij zijn bed zitten en vertelt hem verhaaltjes, totdat hij in slaap valt; en daarna droomt hij voor zichzelf verhalen, die nog vreemder en wonderlijker zijn dan wat ze hem hebben verteld.

„Een volkomen onschadelijk verhaaltje,” mompelde Corrie, op nadenkenden toon; „er is heelemaal niets in, dat Jo op de gedachte zou kunnen brengen van iets ondeugends.”

Maar hoewel Juffrouw Holmer dit in den loop van den namiddag telkens en telkens weer tot zichzelf zei, voelde ze zich toch door onrustige gedachten geplaagd, als in haar ooren de echo weerklonk van de woorden: „Dat was wel een slimme kleine jongen. Ik wou dat ik ’t het eerst had bedacht, dat plan van hem.”

In den regel hield Jo zich niet veel op met ’t maken van plannen, dan alleen in die gevallen dat ze met ’t een of ander kattekwaad in verband stonden. Toen hij na ’t eten boven was gekomen, had hij aan zijn zuster meegedeeld dat ze wel met ’t sprookje kon doorgaan, omdat ’t hem zóóveel te denken had gegeven, dat hij geen ruimte meer in zijn hoofd had voor nieuwe gedachten. Maar Corrie had die mededeeling op rekening gesteld van zijn belangstelling in de reisavonturen, door den koning der sprookjes-schrijvers te boek gesteld. Om de waarheid te zeggen, had Jo daar nauwlijks naar geluisterd.

Tegen vier uur was de kous af, en Corrie legde haar breinaalden neer en nam op nieuw het sprookjesboek op.

„Ik zou denken dat Jo ’t plassen in de goot in zijn hoofd moet hebben gehad,” mompelde ze, met een angstig voorgevoel, nadat ze ’t heele verhaal nog eens had doorloopen, zonder één ander punt te vinden, waarbij van ondeugendheid sprake was. „Maar hij sprak van een plan, en ik zie in dat loopen door de goot niets, dat hem op de gedachte van een of ander plan kan hebben gebracht.”

’t Bleek intusschen dat de opinies van broer en zuster dienaangaande volstrekt niet overeenstemden.

Corrie legde ’t boek weer neer en liep naar het raam. Ze had daar nauwelijks twee minuten gestaan, eenigszins afgetrokken starende in den tuin en over de velden in de verte, of die afgetrokken uitdrukking veranderde plotseling in een uitdrukking van verbazing en schrik.

„Dus was ’t toch de goot!” riep ze hardop uit, terwijl ze van ’t raam wegliep en de kamer uitvloog.

Mevrouw Holmer, die op de canapé zat te lezen, liet, door dien uitroep nu op haar beurt verschrikt, haar boek vallen, en snelde naar het raam, waar haar dochter zooeven van was weggeloopen. En al gauw genoeg begreep ze Corrie’s haast en opgewondenheid.

„Och! Och!” riep ze uit, niet recht wetende of ze moest schreien of lachen. „Wat moeten we toch met zoo’n jongen beginnen?”

De heer en mevrouw Holmer en hun oudste dochter hadden een dergelijken uitroep al menigmaal doen hooren. En op dit oogenblik althans bestond tot ’t slaken van zulk een uitroep alle mogelijke reden. ’t Jongetje, dat daar op dien killen November-middag door den tuin naderde, zonder schoenen of kousen, van ’t hoofd tot de voeten één massa druipende modder, leverde waarlijk al een heel weinig fraaie vertooning op. En toch was er iets in zijn manier van loopen, en in de houding van den blonden krullebol, dat van triomf getuigde, zelfs vóórdat de schelle jongensstem den uitroep deed hooren:

„O, Corrie! Je raadt nooit wat ik gedaan heb!”

„Daar hoef ik niet naar te raden, jou vuile, morsige kleine vagebond,” viel zijn zuster, op verontwaardigden toon, in. „Je hebt van alles gedaan wat je niet hadt mogen doen, zou ik zeggen. En,” dit werd er op zachter toon bijgevoegd, „ik denk dat je morgen zóó verkouden zult zijn als een kleine jongen maar met mogelijkheid wezen kan.”

„Dat ’s niks,” luidde ’t wijsgeerige antwoord. „Ik heb vandaag zóóveel pret gehad, dat ’t me niet zoo erg veel schelen kan wat er morgen gebeurt. Ik heb de diepte geprobeerd van elke goot aan dezen kant van de stad. Fred Mackenzie heeft ook een heelen tijd meegedaan, maar toen ik in een er van uitgleed, zei hij dat ik er te vuil uitzag om met me te loopen, en toen ging hij naar huis. Ik begin hem toch wel een beetje een flauwe jongen te vinden, jij ook niet?”

„Neen, zeker niet,” zei Corrie, terwijl ze de hand van haar broertje, modderig en wel, vastgreep, en hem gauw mee naar binnen trok.

De proefnemingen van vriend Jo hadden hem wel eenigszins koud en huiverig gemaakt, zoodat hij zich vrij geduldig aan de behandeling onderwierp, die door zijn moeder, dadelijk toen hij in huis kwam, werd voorgeschreven—onmiddellijk een warm bad, en daarna naar bed.

„En dan komt Corrie bij me zitten totdat ze gaat eten; dan kan ze me dat verhaaltje vertellen, dat ik nog te goed heb,” aldus vulde de kleine schuldige het programma aan, zonder zich door zijn misdaden eenigszins uit ’t veld geslagen te voelen.

„Maar ik vind dat Corrie toch niet zeggen mag dat ’t iets héél ondeugends was, vindt u wel, Pa?” vroeg Jo, op een toon van diepe overtuiging, toen zijn vader een uur later boven kwam, om eens naar den kleinen lastpost der familie te kijken.

„U hebt zelf zoo dikwijls tegen me gezegd, Pa, dat we, zelfs als we spelen, flink moeten zijn en ons best moeten doen; en wat ik wou weten van die goten vond ik zoo’n prettig spel als ik in lang niet heb gehad, en daarom deed ik er zoo mijn best bij als ik maar kon.”

„Dat schijnt wel,” zei zijn vader, en toen barstte hij in lachen uit. Hij was naar boven gegaan om zijn zoon een ernstige vermaning toe te dienen, maar hoe was ’t hem mogelijk een jongen te beknorren, die nog lof verwachtte voor zijn betoon van gehoorzaamheid, zelfs nu hij zichzelf en zijn kleeren een modderbad had doen ondergaan?

„Maar wat was eigenlijk de aardigheid van ’t spelletje?” vroeg Mevrouw Holmer. „Want ik moet bekennen dat ik de zaak nog niet recht begrijp.”

„Ja,” voegde Corrie er bij, „en hoe liep je zoo zonder schoenen en kousen?”

Hier kwam zijn moeder hem te hulp. „Och, zie je, Corrie, dát begrijp ik nu wel. Natuurlijk heeft hij die uitgetrokken om ze niet nat te laten worden.”

„Maar ze zitten tóch vol modder,” bracht Corrie tegen deze opvatting van de zaak in.

„Natuurlijk zitten ze vol modder,” riep Jo, weer verontwaardigd, uit. „Och, ik merk wel dat niemand de manier waarop ik ’t gedaan heb begrijpt. ’t Was alleen maar jammer dat die kleine jongen uit ’t sprookjesboek ’t plan had uitgevonden, want papa zei laatst dat er niet veel knapheid voor noodig is om een uitvinding, die eenmaal gedaan is, nog een beetje te verbeteren. Hij bedacht ’t plan om met zijn schoenen te meten hoe diep de goot was, en ik meette met mijn schoenen en mijn kousen en mijn eigen beenen. Eerst meette ik met mijn schoenen, en toen ik aan een goot kwam, die daar te diep voor was, trok ik ze uit en meette alleen met mijn kousen aan. En toen ik aan de goot kwam bij den hoek, die groote steenen, je weet wel, toen kwam ’t water tot boven mijn kousen, dus toen trok ik ze uit en merkte met krijt een streep op mijn been, en toen gleed ik over iets uit en ik viel er in; dus van dat merk kon je niks meer zien, en toen ik er daarna nog twee had geprobeerd, ben ik naar huis gegaan. Maar de merken zitten nog op een van mijn schoenen en op een van mijn kousen; en de steenen goot is de diepste, en daarop volgt die bij de brug, en de goot in die zijstraat, hier achter, is de vuilste.”

„En de jongen, die Jo Holmer heet, is de kluchtigste,” zei zijn vader lachend, „en de domste er bij; en ik hoop dat hij een volgenden keer, als hij goten wil meten, zoo slim zal wezen ’t te doen met een stok, in plaats van met zichzelf, anders zou hij kans loopen den stok eens op zijn rug te voelen, om hem er aan te herinneren.”

„Hé! Daar heb ik in ’t geheel niet aan gedacht, aan een stok!” riep Jo, met nieuwe opgewondenheid, uit. „Hoe dom van me! ik heb er in ’t geheel niet aan gedacht!”

„Denk er dan nu, in vredesnaam, ook maar niet meer aan,” zei zijn moeder haastig, terwijl een visioen van nieuwe proefnemingen in den modder, met verkoudheden tot slot, in haar geest oprees.

Maar de heer Holmer ging naar beneden om te eten, met een glimlach op ’t gelaat. Zijn jongste kind was bepaald een heel lastige jongen; maar ’t leek zoo’n vroolijk, door en door eerlijk kereltje, zooals hij daar, met verwarden krullebol en frissche roode wangen, in bed overeind zat. Wat hij ook deed, hij deed ’t in ’t volle daglicht.

Mevrouw Holmer bleef een oogenblik achter om haar jongen nog eens goed in te stoppen en hem, met een kus, een paar vriendelijke woorden toe te fluisteren. Corrie bleef nog een oogenblik langer, nadat haar mama al was heengegaan. Ook zij bukte zich om het blozende jongensgezichtje een kus te geven, maar ze deed ’t heel bedaard en zonder een woord te zeggen, en toen keerde ze zich om, om de kamer uit te gaan.

In ’t volgende oogenblik, zonder zich om ingestopte dekens en voorschriften om zich warm te houden te bekommeren, was Jo opgesprongen en had hij zijn armen om zijn zuster’s hals geslagen.

„Corrie, zeg eens, je bent toch niet boos, echt boos op me? Je vindt toch niet dat ik héél erg ondeugend ben geweest, is ’t wel?”

Er klonk oprechte ernst in den toon waarop die vraag werd gedaan, oprecht, onrustig verlangen naar een antwoord. Wat kon Corrie zeggen? Ze aarzelde een oogenblik. Ze wist zelf nauwlijks of ’t héél erg ondeugend was goten te meten en modderbaden te nemen, en onder de oogen van alle mogelijke fatsoenlijke menschen op bloote voeten naar huis te loopen. Eindelijk gaf ze hem een tweeden kus en zei: „Toe, doe ’t niet meer, kleine vent; je zou er ziek van kunnen worden; en als je nu je best doet om morgen niet verkouden te zijn, dan zal ik je een mooi verhaaltje vertellen.” Toen stopte ze, op haar beurt, hem flink toe, terwijl ze hem influisterde: „Slaap lekker, beste jongen,” en toen ging ook zij naar beneden om te eten. Jo deed zijn oogen dicht en sliep weldra als een roos.

III.

„WAT NU WEER!”

’t Was in de eerste dagen van December. De heer en mevrouw Holmer waren uitgereden om den dag door te brengen bij een paar oude vrienden, die pas daar in de buurt waren komen wonen, en Corrie had afgesproken met een goede vriendin dat ze dien middag bij haar zou komen. Ze had toestemming gekregen Jo mee te brengen, daar ’t een Woensdag middag was; en ze stelde zich voor na ’t eten, dat ze dien dag heel vroeg te zamen hadden gebruikt, eerst nog een paar brieven te schrijven, vóórdat ze hem het pretje meedeelde, dat hem te wachten stond, want hij hield van de aardige, vroolijke Florence Elmslie bijna evenveel als Corrie zelf.

„Probeer je nu in huis maar eens een uurtje te amuseeren met ’t een of ander, hoor Jo,” zei ze, terwijl ze zich gereedmaakte de eetkamer te verlaten: „en als je goed oppast, dan wacht je voor de rest van den dag een heerlijk pretje.”

Jo’s oogen schitterden. Bijna elke halve vacantie-dag werd voor hem tot een soort van feest gemaakt, maar natuurlijk bestonden die pretjes gewoonlijk uit zaken van weinig beteekenis: toestemming om den tuinman bij ’t rooien van aardappelen te helpen, of om zijn vader van ’t station af te halen, en dan de leidsels te mogen vasthouden bij ’t naar huis rijden. Maar dit was blijkbaar iets van meer gewicht. Hij snelde naar zijn zuster toe, en greep haar bij den arm toen ze de kamer verliet.

„Bedoel je werkelijk iets heel, heel erg prettigs?” vroeg hij, met grooten ernst.

„Werkelijk iets heel, heel erg prettigs, als je goed oppast,” luidde ’t lachende antwoord; en toen ging Juffrouw Holmer heen om haar brieven te schrijven, terwijl haar broertje naar de eetkamer terugkeerde, waar hij gedurende eenige oogenblikken in gedachten verdiept bleef staan.

„Wees nu een zoete jongen vandaag, en maak ’t je zuster niet lastiger dan noodig is,” had zijn moeder gezegd, toen hij dien morgen naar school ging. En nu beloofde Corrie hem een belooning, als hij goed oppaste.

Alles bij elkaar was ’t bepaald de moeite waard nu eens te probeeren iets heel, heel prijzenwaardigs te doen. Als hij zich had neergezet met zijn verfdoos om prenten te kleuren, of hij was kalm wat in een verhaaltjes-boek gaan zitten lezen, dan zou zijn zuster hem een bijzonder zoete jongen hebben gevonden, aangenomen ten minste dat hij niet een boek van iemand anders had genomen om te kleuren, of een boek van iemand anders om vlekjes van vuile vingers in te maken. Maar deze manier van goed oppassen was niet voldoende om de verlangens van kleine Jo op dat oogenblik te bevredigen. Eindelijk viel hem een denkbeeld in. Een prachtig denkbeeld, vond hij.

„Ik ben er,” riep hij uit, terwijl hij een soort van oorlogsdans begon te dansen om de meid heen, die juist binnen was gekomen om de tafel af te nemen. „Ik ben er, Anne. Ik heb iets heel moois bedacht!”

Anne gaf hem een ongeduldig duwtje.

„Kom, Jo, laat me los; ik heb vandaag toch al zóóveel te doen, dat ik niet weet hoe ik ’t gedaan krijg.”

„Arme Anne,” zei Jo, op een toon van medelijden. „Maar je krijgt de volgende week een vrijen dag, hoor, dat heb ik mama hooren zeggen.”

En na ’t uiten van die vertrouwelijke mededeeling snelde Jo de gang door en draaide den deurknop om van een groote kamer aan ’t eind. ’t Volgende oogenblik stond hij binnen, met de deur achter zich dicht. ’t Was geen kamer waar hij zich in den regel heel veel om bekommerde, want ’t was zijn vader’s bibliotheek; en de eikenhouten paneelen, de lange rijen boeken, de zware meubelen, dat alles te zamen maakte een indruk van ontzagwekkendheid, dat voor vriend Jo altijd eenigszins drukkend was. Bovendien had hij een vrij duidelijk besef, dat de levenmakerijen en rumoerige grappen, die elders met geduld werden verdragen, binnen die geleerde muren niet zouden worden toegestaan.