Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje
Part 4
Truus mocht meer dan zij in de ziekenkamer komen, want oom was bang, dat Milly spreken zou over haar gestorven vader. Tante had het treurige nieuws nog niet mogen hooren, want de dokter had gezegd, dat alles vermeden moest worden, wat de ziekte verergeren kon. Heel verstandig had oom met Milly gesproken en haar gezegd, dat zij nu bewijzen moest van tante werkelijk te houden. En het meisje begreep heel goed wat oom bedoelde, maar zij voelde er zich niet minder ongelukkig en eenzaam door. Het is dan ook heel hard voor een klein meisje om niemand te hebben, die troost in een groot verdriet!
Bop was plagerig, al nam Truus ook haar nichtje in bescherming. Hoe kon nu een gezonde, dikke jongen ook begrijpen, waarom Milly zoo stil was! Hansje zeurde, want het kleine, kreupele ventje verlangde naar zijn moeder.
Waarom had zij alleen geen moeder! Waarom was nu ook haar vader gestorven! Waarom had zij geen broertjes en zusjes!
Niemand, niemand hield echt veel van haar. Zij was maar het nichtje! Zij was maar uit medelijden opgenomen! En zoo dikwijls zeide het kind dat tot zichzelf, dat zij stil en schuw werd. Truus, Bop en Hansje vonden haar vreemd en betrokken haar niet in hun spelletjes.
Toen gebeurde er weer iets droevigs. Milly viel, kwetste zich de knie en moest stil liggen. Oom richtte een gezellig ligplaatsje voor haar in op een langen stoel in de huiskamer, zoo, dat zij kijken kon naar het haardvuur. En allen waren wel vriendelijk en lief voor haar, maar niemand kon het helpen, dat het meisje lange uren alleen lag, nu tante, heel zwak, nog altijd in haar slaapkamer was. Als Truus en Bop naar school waren, en Hansje, die soms lastig werd, naar een tante gestuurd was, dan lag Milly heel alleen te kijken en te denken in de groote huiskamer, en het meisje voelde zich treurig gestemd.
Eens op een donkeren middag, toen de sneeuw in groote vlokken heel stil langs de ruiten viel, was Milly ongelukkiger dan ooit. Het zou zoo heerlijk zijn, dacht het meisje, als tante haar oppaste of de vroolijke stem van vader zich plotseling zou laten hooren gelijk vroeger, wanneer hij haar kwam halen om samen een dag van pret te hebben buiten de kostschool. Als het nu eens niet waar bleek te zijn, dat vader voor altijd heengegaan was! Als er nu eens gebeld werd en vader naar zijn dochtertje kwam kijken, die moest blijven liggen, wie de boeken verveelden, die nergens lust in had. Zij verlangde alleen naar een mensch, die haar koesterde, naar iemand, die voor haar alleen was als oom en tante voor Truus, Bop en Hansje.
Toen plotseling klonk de bel. Het bloed vloog Milly naar het gezicht. Zij richtte zich op om te luisteren.... Was het de stem van vader?
Neen, neen, een heel gewone boodschap was het.
Heete tranen liepen er langs Milly’s wangen. Door een mist zag zij het spelen der vlammen in het vuur. Het was nu of zij soezen ging. Toen echter werd zij helder wakker, want zij hoorde een zacht stemmetje, dat riep: „Milly.”
Haar vriendje, het kaarsemannetje, zat op het boek, dat zij lusteloos uit haar hand had laten glijden.
„Ik heb zoo’n groot verdriet,” klaagde zij. „Waarom ben je zoo lang weggebleven?”
„Jij bent niet de enige, Milly, die me noodig heeft. Is boven tante Ada niet, zwak en ziek? En ligt zij niet te tobben over al haar kinderen, die haar zoo noodig hebben? Zijn er dan niet andere menschen met verdriet, voor wie ik schijnen moet?”
„Ik heb geen moeder meer en geen vader,” schreide Milly. „Ik lig hier alleen, heel alleen. Ik ben een heel ongelukkig meisje.”
Het mannetje rimpelde zijn voorhoofd, zoodat het scheen of hij boos werd.
„Niet boos zijn,” smeekte Milly met een bedroefd stemmetje, „ik ben zoo heel, zoo heel alleen.”
„Ja maar,” zei het mannetje, „ik heb je al zoo dikwijls geholpen en je zooveel licht gegeven. Je vader is gestorven, dat is heel akelig voor je. Je tante is ziek, dat is héél naar. En toch kijk je niet! Wie heeft je hier zoo gezellig gelegd.”
„Oom!”
„Van wie kreeg je al die boeken?
„Van wie dat lekkers?”
„Van tante, die het brengen liet door de zuster.”
„En wat geef jij,” zei het mannetje en hij fronste zijn wenkbrauwen. „Een treurig bleek gezichtje, en tranen, en treurige woorden.”
„Ik heb ook zoo’n groot verdriet,” klaagde Milly en weer liepen er heete tranen langs haar gezichtje.
„Daarom heb ik medelijden met je,” zei het mannetje, „daarom wil ik je helpen.” Toen werd zijn gestalte grooter en het was of er iets van vaders vroolijke gezicht in zijn gelaat kwam. Hij boog zich over haar heen en kuste haar zacht op beide oogen.
„Nu ga ik heen voor goed, Milly. Mijn licht gaf ik je. Het brandt in je. Kijk nu goed, zie nu goed.”
„Laat me niet alleen,” smeekte Milly.
„Je zult het niet meer zijn.”
„Je was zoo heel alleen, omdat niets in je scheen.”
„Nu brandt het in je hoofd, nu brandt het in je hart. Vaarwel, mijn kind.”
Weer boog het mannetje zich over Milly heen en kuste haar oogen. Toen keek hij haar aan met een blik als van vader, met een gelaat, dat niets dan licht was.
Toen verdween hij.
V.
Sliep Milly een oogenblik later? Was zij wakker? Droomde zij? Zij heeft het nooit zeker geweten, maar wel zag en hoorde zij het wonderlijke, dat nu gebeuren ging, heel duidelijk.
Er kwam een geroes uit den haard of daar getwist werd. Er klonken stemmetjes, die over haar spraken.
„Och,” zei er een, „wat ligt die arme Milly alleen in het donkere winterweer. Het kind heeft pijn en verdriet. Dat is treurig voor een klein meisje.”
„Ja, ja,” riep er een stem, die iemand moed gaf, als men maar luisterde naar den klank. Milly keerde zich naar het hoekje van waar het geluid kwam. Het was de kolenschop, die sprak en hij leek, toen hij aan het praten was, op den goeden ouden dokter. „Ik heb met haar te doen.”
Toen klonk het uit den haard: „Ik brand voor haar wat ik kan.
Wie warmte heeft, Die warmte geeft.
Ik heb aan al de kolen gezegd om lekker voor haar te gloeien en aan de vlammen om te schijnen en te schitteren en te dansen net of het feest is. Kon zij nog maar dichter bij ons komen! Het is zoo heerlijk warm te zijn, warm te maken, niet, kolen?”
Het knetterde en schitterde in den haard.
„Ik brand nog niet genoeg,” bromde een groot zwart stuk kool. „Ik wil branden, ik wil warmen.”
„Doe je plicht, Maak het licht.”
zei toen de flinke stem van de kolenschop en daar stapte de pook van zijn plaats en hij hielp, en lustig snorde het in den haard, en de vlammen dansten en het groote stuk kool bromde net als een spinnende poes:
„Ik brand en schijn. Kan er iets schooners zijn? Het vuur in me zingt een lied: Iets schooners dan branden, dat is er niet.”
Maar nog wonderlijker dingen gingen er gebeuren.
Uit het lucifersdoosje, dat in den hoek van den schoorsteen stond, wipte een wezentje. Het leek een margrietje, maar in plaats van een kroontje van blaadjes droeg het een kransje van fijne lichtstraaltjes. Toen wipte er nog een te voorschijn, en nog een, en nog een! Een heel troep je bij elkaar.
„We zijn de broertjes uit het doosje, We leven niet lang, maar toch een poosje.”
„Daar zijn onze vriendjes,” riepen de stemmen uit den haard.
„Zonder ons zouden jullie niet branden, hè, groote, zwarte kolen, die je bent,” zei een stemmetje zoo fijn, dat het was of een speld sprak. „Denk je soms, dat jullie alleen voor Milly brandt.”
„Maak het voor haar licht, Doet allen goed je plicht,”
riep de kolenschop weer met het gezicht van den ouden dokter.
Toen dansten de kleine lichtjes naar Milly toe. Het was heel mooi: dat bewegen van die lichtkransjes op het donkere tapijt.
„Milly,” zei er een, „hier is de naald, waar je gisteren naar zocht. Hij lag in een hoekje achter je stoel.”
„Milly,” riep een ander, „hier is de postzegel, die je niet kon vinden. Hij was weggewaaid achter het gordijn.”
„Milly, daar ligt het potlood, dat je verloor.”
„Milly, daar is de speld met de glazen knop, die je niet meer vinden kon.”
Zoo klonk het door elkander.—Kijk daar wipte het lucifersdoosje van den schoorsteen. Het leek wel een moedertje, dat haar kinderen zocht.
„Goed zoo kinderen,” zei ze vriendelijk.
„Al is de hulp klein, Toch kan ze nuttig zijn.”
„Of—het, òf—het,” klonk er diep en plechtig. Het leek of de klok het zei, maar dat was toch niet zoo. De oude man, die op de pendule stond en naar wien Milly zoo dikwijls had liggen kijken, stapte van zijn plaats en liep langzaam op den schoorsteen heen en weer.
„Of—het, òf—het,” herhaalde hij. „Branden is heerlijk, schijnen is heerlijk, helpen is heerlijk. Tik, tak, de kolen branden. Tik, tak, de lucifers helpen. Ja, ja, zoo is het.” En plechtig liep de bronzen oude man op den schoorsteen heen en weer op de maat van de klok, die tikte.
Toen kwamen al de wezentjes van warmte en licht naar het meisje toe: het vuurvrouwtje uit den haard, het lichtvrouwtje uit het lucifersdoosje.
„Wie warmte heeft, Die warmte geeft,”
zei het vuurvrouwtje en zij drukte haar warme gezichtje tegen dat van Milly.
„Het kleine is mijn plicht, In het kleine geef ik licht,”
zei het moedertje uit het doosje en zij nam Milly’s rechterhand en kuste elken vinger.
De kolenschop met het goede oude gezicht bleef staan voor het meisje en zijn klinkende stem riep:
„Ik werk voor het vuur, Ik help uur aan uur.”
En de pook riep:
„Ik por aan, Ik laat het lekker snorren gaan.”
„Zoo is het, zoo was het, menschen komen, menschen gaan; blijft branden, blijft schijnen,” zei plechtig de bronzen man van de klok en langzaam stapte hij heen en weer op den schoorsteen.
Toen begon het in de klok te ratelen.
„Een, twee, drie, vier,” telde de bronzen man. „De kinderen komen van school. Wij wezen aan, wij spraken uit. Tik, tak, tik, tak!”
Al het wonderlijke verdween nu. De oude, bronzen man klom voorzichtig op de pendule. Het oude vrouwtje wipte in het vuur. Het lucifersdoosje stond op zijn plaats. De kleine lichtjes doofden.
In den haard flikkerden de vlammen en knetterden de kolen.
Tik, tak, klonk het rustig van den schoorsteen.
VI.
Toen ging de deur open en de stem van de zuster zei: „maar, vrouwtje, wat lig jij alleen in het donker. Ik zal maar eens gauw de gordijnen dicht trekken en het licht gezellig voor je opsteken.”
Soezerig keek Milly naar de zuster en knipte met de oogen, toen het gas brandde.
„Je hebt geslapen,” plaagde de zuster.
„Ik weet het niet,” zei Milly droomerig.
„Je bent nog niet goed wakker,” babbelde de zuster. „En ik heb juist een geheimpje voor je. Tante gaat goed vooruit. Je mag daarom van avond dadelijk na het eten op een paar stoelen bij haar bed liggen. Tante verlangt naar haar nichtje.”
„Hè,” zei Milly met een zucht en ze wendde haar gezichtje af, want ze wilde niet laten zien, dat de tranen bijna komen wilden.
Toen werd er hard gebeld. Truus, Bop en Hansje kwamen thuis.
„Ik wil morgen niet meer naar tante,” zeurde Hansje. „Ik wil thuis blijven. Het is niets prettig bij tante. Ik moet maar met mezelve spelen.”
„Zuster,” zei Milly met een kleur, „laat Hansje morgen maar bij mij. Ik zal wel schooltje met hem spelen en hem vertellen.”
„Ja, ja,” juichte Hansje.
„We zullen het Vader vragen,” besliste de zuster.
En toen, zonder dat iemand iets zei, gingen de kinderen rond het rustbed van Milly zitten en zij vertelden van allerlei en het meisje luisterde met een opgewekt gezichtje. En na het eten droegen oom en de zuster Milly naar boven en legden haar heel voorzichtig op een paar stoelen naast tante’s bed.
„Arm kind,” zei tante, „oom heeft me verteld, van je vader.”
Toen greep Milly tante’s hand, en legde er haar bedroefde gezichtje tegen aan.
„Ik heb zoo vreeselijk naar U verlangd, tante, ik voelde me zoo heel alleen.”
„Nu gaan we alle twee weer beter worden,” troostte tante met haar lieven glimlach en zij streelde zachtjes Milly’s haar. „Zuster,” zei zij toen, „geef Milly even zusje.”
Toen legde de zuster het kleine kindje in Milly’s armen.
„Wat een schatje,” bewonderde Milly, „wat een klein kopje, wat kleine vingertjes. Tante, mag ik dikwijls voor haar zorgen?”
„Natuurlijk,” antwoordde tante. „Truus en jij zijn mijn oudste dochters.”
En de zuster legde het kleine kindje weer in de wieg, en Milly kuste tante’s handen, die lang en smal waren geworden.
Toen werd het meisje naar bed gebracht en het duurde lang, voor zij den slaap vatten kon. Zij luisterde naar het rustige ademhalen van Truus, zij keek in de kamer, waarin zij flauw de omtrekken van de meubelen onderscheidde. Weer ving de knop van de kachel den lichtstraal op, die door een kiertje naar binnen viel. Doch geen enkel wonder gebeurde er. Het kaarsemannetje kwam niet.
Milly zag niets dan wat even zichtbaar was: de glimmende kachelknop, het kastje met de beeldjes. Het was donker en stil om haar heen. Geen zoldering week, zoodat zij de sterren niet kon zien schitteren; geen muren werden doorzichtig, zoodat zij de lichtlijnen niet van uit haar bed volgen kon. En toch was het licht, héél licht in Milly.
„Vader,” vroeg het kreupele Hansje den volgenden dag, „mag ik altijd thuis blijven, zoolang Moes nog ziek is en Milly niet naar school gaat. We hebben zoo gezellig samen gespeeld, niet Milly?”
„Ja,” knikte het meisje met een glunder gezichtje.
„En Milly heeft zoo leuk verteld,” ging het dankbare Hansje door, „van een kaarsemannetje, vader, dat in een kaars zat, vader, hoor U wel, vader?”
„Ja, Hansje.”
„En dat kaarsemannetje is heel klein, vader, en dat springt in je oogen en dan is alles heelemaal licht, vader, ook als het donker is. Leuk, hè, vader? Mag Milly me altijd vertellen en mag ik thuis blijven?”
„Wat zegt Milly ervan?” vroeg oom.
„Ik zal wel goed op Hansje passen,” zei Milly met hetzelfde glundere gezichtje.
„Ik hou veel van Milly,” zei kreupele Hansje toen en hij wipte van zijn stoel aan tafel, ging naar Milly toe en sloeg zijn armen om haar hals.
„Wat een kleine jongen,” plaagde Bop.
„Niet klein,” verdedigde het ventje zich, „is het wel, vader, zusje is klein.”
„Zusje is klein, Hansje is groot, Bop is een flauwe jongen en Milly is een lieve meid,” besliste vader.
Milly antwoordde niet, maar lachte zoo vriendelijk, alsof het kaarsemannetje voor altijd in haar oogen gesprongen was.