Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje

Part 3

Chapter 34,206 wordsPublic domain

Milly herinnerde zich heel weinig van alles wat met haar moeder in verband stond, daar die stierf, toen het kind vijf jaar was. Milly wist nog alleen, dat zij zwarte kleertjes aankreeg en naar een Fransche kostschool gestuurd werd. Later hoorde zij, dat dit moest, omdat haar vader altijd reisde en er geen familie was, waar het meisje toen komen kon. Zij werd dus door vreemden opgevoed met veel kinderen tegelijk. Toch was Milly niet te beklagen geweest. Haar vader kwam haar, zoo dikwijls het maar kon, opzoeken en de tijd, dien zij dan saampjes doorbrachten, was er een van pret en uitgaan. Zij hield heel veel van hem, maar zonder veel verdriet keerde zij altijd naar de kostschool terug en wanneer zij soms even schreide, waren haar traantjes weer spoedig afgewischt, want de directeur en zijn vrouw waren heel goed voor al de kinderen. Dat mocht ook wel, want allen misten een eigen tehuis.

De school lag bovendien ergens buiten. Er werd heerlijk gespeeld na de lessen en elk jaargetij had zijn eigen vreugden en bezigheden. Milly verveelde zich nooit, ook niet in de lange winteravonden, want dan waren er gezellige spelletjes of vertellingen en heerlijke boeken.

Zij was dus tevreden en gelukkig, omdat zij niet voelde, dat zij iets miste.

Nu echter was alles anders voor haar geworden. Een oorlog was uitgebroken en door de streek, waar Milly’s school lag, trokken legers. Toen was de vader zijn dochtertje gaan halen en had haar in veiligheid gebracht in Nederland bij een zuster, die drie kinderen had en nu wel het meisje bij zich kon nemen. Dat was vroeger niet mogelijk geweest, omdat Milly’s tante heel lang ziek was geweest. De vader hervatte zijn zwervend leven, toen hij zijn eenig dochtertje veilig geborgen wist.

Al maanden lang was Milly nu al bij haar oom en tante en al dien tijd had ze niets van haar vader gehoord. Soms verlangde het meisje heel innig naar hem, meer eigenlijk dan toen zij op de kostschool was, waar zij hem toch ook dikwijls in langen tijd niet zag.

Het kind begon te begrijpen, dat zij niet bezat wat alle andere kinderen om haar heen wel hadden. De jongens en meisjes van de school, waar tante Ada en oom Frank haar geplaatst hadden, hadden allen een vader en een moeder, broertjes en zusjes. Zij was alleen op de wereld. Dat voelde zij, sedert zij in Nederland was. Oom en tante waren lief voor haar, maar anders toch, vond zij, dan voor hun eigen kinderen, anders dan voor blonde Truusje, anders dan voor dikken Bop, anders dan voor kreupele Hansje. Alle drie kuste tante veel inniger dan haar, het vreemde nichtje! En als het aanhalige Truusje haar armen om haar moeders hals sloeg en zich zoo dicht tegen haar aanvlijde, als behoorde haar moeder alleen aan haar, dan trok Milly een onverschillig gezicht, en drukte haar lippen stijf op elkaar, en keek op dezelfde wijze, die Bop wel eens plagend deed vragen of zij een stok had ingeslikt.

Niemand echter wist, dat Milly naar een vader en moeder verlangde, zooals haar nichtjes en neefjes hadden. Zij had ook wel eens haar armen om haar tante willen slaan en toch gaf zij niets dan een vluchtige kus. Zij was toch maar het nichtje, dacht Milly; zij was niet het eigen dochtertje. Zij kreeg niets dan een aalmoes! Zij had naar de kostschool terug willen gaan, waar de goede mijnheer en mevrouw er voor allen waren en tegen den een niet vriendelijker deden dan tegen den ander. En alles was zoo akelig vreemd in de stad, waar zij was: de taal, die zij moest spreken en vader niet altijd tegen haar gebruikt had,—de stad met huizen in plaats van velden en bosschen,—de kleinigheden waar door oom en tante veel meer op gelet werd dan op de school in Frankrijk.

Op den avond, dat dit verhaal begint, lag dus Milly heel zachtjes te schreien en zij meende, dat er geen ongelukkiger kind op de heele wereld was dan zij. Eventjes klonk er een luide snik en dadelijk trok het kind haar hoofd onder de dekens, opdat toch niemand haar hooren zou, tante niet, oom niet, plagerige Bop niet. Toch lag Milly alleen in de kamer. Zij deelde die met Truusje, maar haar nichtje was voor een paar nachten uit logeeren bij haar peettante.

Maar daarom schreide Milly niet! Dat kon haar niets schelen!

Tante Ada kwam echter altijd de kaars uitblazen in de kamer der meisjes. Dan stopte zij de kinderen nog eens toe en dan hoorde Milly heel goed de lieve woordjes, die Truus dan tegen haar moeder zei, voor zij slapen ging en zij kon zien hoe innig het kind haar „schat,” haar „eenige moesje,” haar „liefste, liefste moeder” naar zich toetrok.

Dan kwam tante Ada bij haar.

„Nacht Milly,” zei dan tante.

„Nacht tante,” antwoordde Milly.

„Lig je goed?”

„Ja, tante.”

„Is de kiespijn heelemaal over?”

„Ja, tante.”

„Goed slapen, hoor, kindje.”

„Ja, tante.”

Tante legde dan de dekens nog eens goed, streek over het donkere bolletje van Milly, gaf haar een kus, en was heel lief.... Maar alles was toch anders dan bij Truus.

Dien avond echter, toen Truus uit logeeren was, had Milly gevraagd, toen zij naar bed ging:

„Tante, komt u de kaars uitblazen?”

„Ja zeker,” antwoordde tante. Maar juist werd er gebeld en er kwam avondbezoek.

Milly was toen naar bed gegaan en, hoorde het stemmengeroes van beneden. Zij lag te wachten, tot tante het licht zou uitdoen, maar tante kwam niet.

Milly luisterde naar de geluiden, die van uit de huiskamer tot haar doordrongen en ze keek naar de kaars, die knetterde. Toen voelde het kind zich heel ongelukkig en verlaten.

„Truus zou niet vergeten zijn,” zei zij tot zichzelve en zoo’n gevoel van eenzaamheid maakte zich van haar meester bij de pratende stemmen onder haar en de flikkerende kaars, dat zij de dekens over zich heen sloeg om niets meer te hooren of te zien. Toen dacht zij aan haar vader, die zijn eenige dochtertje niet meer schreef of opzocht, aan de verre kostschool, waar het soms zoo gezellig kon zijn in de groote slaapzaal, als mevrouw even langs al de bedden ging.

Het kleine meisje, dat Milly was, kon zich niet meer bedwingen en de tranen stroomden langs haar gezichtje en zij stopte haar zakdoek in haar mond uit vrees voor plagerigen Bop. Wat vader wel zeggen zou, als hij wist, dat de jongen haar sarde, wanneer tante en oom er niet bij waren, en haar een „ongewasschen Fransoos” noemde, omdat haar oogen en haar even donker waren, als die van haar nichtje en neefjes licht. Truus had net zulk blond haar als haar moeder. Neen, dat van tante schitterde nog meer, als de lamp erop scheen. Dan moest Milly altijd naar haar kijken of zij wilde of niet en het meisje vroeg zich af of haar eigen moeder, van wie ze zelfs geen portret had, er ook zoo lief had uitgezien.

Milly bleef zachtjes doorschreien. De stemmen beneden klonken doffer, de kaars flikkerde wonderlijk.

Het was of de vlam grooter en kleiner werd en er iets bewoog in het donkere hartje. Nu leek ze wel zoo groot als kreupele Hansje. Kijk, nu scheen het of zij naar beide kanten week.

Een wezentje stapte eruit met kleertjes zoo donker als het hart van de vlam en een gezichtje zoo stralend als het licht van de kaars. Het ging zitten op den rand van het bed.

„Ken je me niet, Milly,” vroeg het mannetje.

„Neen,” zei Milly verbaasd.

„En je hebt zoo lang naar me gekeken. Ik ben het mannetje uit de kaars, die je tante vergat uit te doen.”

Toen kwamen er weer de waterlanders bij Milly te voorschijn.

„Waarom huil je toch zoo,” vroeg het kaarsemannetje.

„Omdat tante Ada nooit vergeet de kaars uit te doen, als Truus er is.”

„Ik ben toch bij je gebleven,” troostte het mannetje. „Ik heb het licht voor je gemaakt in de kamer.”

„Wat geeft dat,” snikte Milly. „Ik ben zoo’n ongelukkig kind. Mijn vader is weg, mijn moeder is dood. Ik heb geen broertjes en zusjes. Alle kinderen hebben het beter dan ik.”

„Hoor eens,” zei het kaarsemannetje, „ik heb medelijden met je en daarom wil ik je helpen. Ik houd wel niet veel van zeurende en klagende kinderen, maar het is waar, dat je niet alles hebt als een ander.”

„Niets,” zuchtte Milly.

„Ik wil daarom je vriendje worden,” ging het kaarsemannetje door, „al heb je ook gezegd, dat het je niet schelen kan, dat ik het licht voor je in de kamer liet zijn. Kom eens uit je bed, dan zal ik je wat moois laten zien.”

Milly gehoorzaamde en nu stond ze achter de dikke gordijnen.

„Waar ben je,” vroeg ze.

„Ik zit bij je oogen,” lachte het mannetje, „vlak tusschen je wenkbrauwen. Je kunt me niet zien, maar ik jou wel. Ik ben nu een kaarsje voor je oogen.”

„Hoe grappig,” zei Milly. „Ik kan nu veel beter zien. De gordijnen zijn dicht en ik kijk er door heen. Zoo’n mooien sterrenhemel heb ik nog nooit gezien, ook niet op de kostschool. De sterren lijken wel diamanten. En daar is de sikkel van de maan. En daar de toren van de kerk. Hoe grappig. Ik zie alles veel beter en toch zijn de gordijnen dicht. Hè, hoe jammer, nu zie ik weer niets.”

„Dat komt, omdat ik nu op je schouders zit.”

„Kom weer in mijn oogen,” smeekte Milly. „Alles was zoo mooi daar straks.”

„Neen, je moet gaan slapen. Gauw naar je bed, meisje.”

Milly kroop onder de dekens.

„Slaap lekker,” zei het mannetje. „Ik ga in een andere kaars wonen. Deze is veel te klein voor mij geworden.”

Slaperig keek Milly toe. Het flikkerde en siste in de kaars. Het vlammetje danste, nam allerlei vormen aan. Toen was er niets dan wat geglim en gespatter. Toen werd het geheel donker in de kamer.

Milly verzonk in een diepen slaap.

II.

Toen Milly den volgenden morgen opstond, zag zij, dat er een grauwe mist hing. Het kaarsemannetje ontstak nu echter niets in haar oogen en daarom keek zij knorrig.

„Wat een malle droom,” dacht ze en huiverig kleedde zij zich aan, want er brandde geen vuur in Milly’s kamer.

Tante en oom zaten reeds met de twee jongens aan tafel, toen Milly beneden kwam, tante tusschen Bop en Hansje zooals altijd.

„Je bent laat vanmorgen, Milly,” zei oom, nadat ze goeden morgen gewenscht had.

„Ja,” antwoordde ze knorrig.

„Milly,” zei tante, „gisteren avond heb ik vergeten de kaars uit te komen blazen. Maar juist, toen je naar bed ging, kwamen neef Anton en nicht Marie en die hadden zooveel te vertellen, dat ik het heelemaal vergat. Ik ben later naar boven gegaan, maar je sliep als een roos. Niet aardig van me, hè, dat ik het vergat?”

„Het kon me niets schelen,” zei Milly met een heel strak gezichtje.

„O,” vond oom, die de wenkbrauwen fronste.

„Heeft Moes jou geen nachtzoen gegeven,” zei Hansje. „Hoe naar,” en het ventje streelde zachtjes zijn moeders hand en drukte zijn kopje tegen zijn moeders arm. „Ik zou niet kunnen gaan slapen, als Moes me geen nachtzoen gaf.”

„Ik wel, best hoor,” zei Milly met nog onverschilliger gezicht.

„Eet en houd je mond, Milly,” beval oom op strengen toon. Tante zei niets, vroeg alleen, toen Milly naar school ging, of zij haar atlas bij zich had.

„Je krijgt anders weer straf, Milly,” zei tante vriendelijk.

Koud was het buiten en koud was het in het meisje zelf. Het was alles even akelig, vond zij. Vandaag was er rekenles en daar hield zij niet van. Dan taal en daar maakte zij ook al zooveel fouten in.

Ze knoeide, toen ze met haar sommen bezig was, die maar niet uit wilden komen, al tuurde en tuurde ze ook op de cijfers. Toen ze echter zoo ingespannen keek, was het of er iets schitterde in haar boek, iets kleins, iets zonderlings.

„Goeden morgen, Milly,” klonk het met een fijn stemmetje. „Ken je me niet meer? Ik ben het kaarsemannetje van vannacht. Neen, schrik maar niet, niemand kan me hooren en zien dan jij. Meisje, wat zie je er uit! Het is net zoo donker in je als in een kelder. Je lijkt wel een lamp zonder olie. Je bent net een kachel, die niet branden wil, omdat de kolen nat zijn. Het is noodig, dat ik je kaarsje aansteek! Rrr.... daar brandt het!”

„Ik zie je niet meer,” fluisterde Milly.

„Tusschen je oogen zit ik, daar licht ik, daar brand ik, daar schijn ik. Ik kijk door je sommen, als vannacht door de gordijnen. Ik zie al de kubieke meters en wat marcheert dat decimaalteeken flink. Kijk eens, hoe leuk!”

En Milly keek! De cijfers schitterden als de sterren, die ze aan den hemel gezien had. Het waren net dwergjes met kleine lichtjes in hun handen, die naar hun plaats zochten. Zij wees hun den weg. Het was of het een legertje was, dat zij aanvoerde en deed wat zij wilde. De getallen gehoorzaamden. Elk kwam op de plek, waar het hoorde. Milly’s oogen schitterden, toen zij naar die orde keek.

„Wat uitstekend werk,” prees de onderwijzeres. „Niemand heeft zoo goed gerekend als jij.”

En toen moest Milly voor de klasse vertellen in het Hollandsch. Even wreef zij met haar handen over het voorhoofd, want wat zouden de kinderen zeggen, als zij het kaarsemannetje tusschen haar wenkbrauwen zagen? Ze voelde niets en toch wist zij, dat het ventje er zat. Toch lachte geen van de kinderen en niemand keek verbaasd naar haar. Misschien vonden zij wel, dat Milly er heel vriendelijk uitzag, heel anders dan gewoonlijk. Maar dat zeiden zij niet. Het zou natuurlijk heel onbeleefd zijn geweest om te zeggen: „Milly, je ziet er anders uit als een onverschillige knorrepot, maar nu lijk je wel een zonnetje in den mist!”

Een zonnetje in den mist! Ja waarlijk, het meisje zag het zonnetje, toen zij naar buiten keek, naar de dampen, die voor de ramen hingen. Ze waren er nog en toen was het of zij achter de nevels de zon schijnen zag.

„Ik zit bij je oogen,” zei het fijne stemmetje. „Ik zie de woorden. Niet dat nemen, maar dat en dat!”

Wat was het heerlijk vertellen met het kaarsemannetje bij Milly! Het was of zij in een kast keek, waarin al de woorden netjes gerangschikt waren en telkens ging een lade vanzelf open en Milly nam het woord eruit, dat zij noodig had. Haar oogen schitterden van pret.

„Je zult zien,” zeide de onderwijzeres, „Milly wil nooit meer bij ons vandaan. Die gaat het prettig bij ons vinden! Die rekent als een professor en die vertelt als een die het kan.”

Voor het eerst sedert langen tijd voelde Milly zich gelukkig.

„Nu ga ik weg, Milly,” zei het mannetje, toen zij weer op haar plaats zat.

„Ik steek aan en verlicht Ik jaag het donkere van het gezicht. Kijk naar het licht, dat voor je scheen, Dag, Milly, kind, ik moet nu heen.”

Toen schitterde het niet meer in Milly’s boek, maar makkelijk, dat het werk dien heelen schooldag ging!

Oom en tante deden, alsof er niets was gebeurd, toen Milly thuis kwam. Tante was vriendelijker dan anders en oom verbood Bop streng, toen hij vroeg of Milly nog altijd bevroren was.

Het werd bedtijd. Even aarzelde het meisje, voor zij naar boven ging.

„Tante,” vroeg zij zacht, „komt U de kaars uit blazen?”

„Natuurlijk,” antwoordde tante, „ga maar vast. Ik kom gauw, maar ik moet eerst nog wat bergen in het kastje van Truus.”

Heel vlug was Milly uitgekleed en ze tuurde naar de lange, witte, nieuwe kaars. Tante kwam boven en liep bedrijvig heen en weer om in het kastje van Truus te ordenen en te schikken. Toen echter zag Milly weer wat niemand dan zij opmerken kon. De vlam van de kaars rekte zich en boog naar beide zijden en eruit stapte Milly’s kaarsemannetje met het donkere fluweelige lijfje en een gezichtje dat helderder straalde dan ooit.

Hij wipte naar Milly’s bed en voor het kind zien kon hoe het gebeurde, was hij het heel kleine wezentje geworden, dat zich tusschen haar oogen nestelde.

„Kijk nu maar eens goed, Kijk naar wat tante doet,”—

fluisterde het mannetje.

O, wat werd het nu gezellig om het meisje! De kamer, waarin zij lag te kijken, werd zoo vriendelijk! Wat waren de poppetjes op den schoorsteen aardig! Wat mooi die Fransche platen, welke tante vlak over Milly’s bed gehangen had boven Milly’s eigen kastje, dat zij met Kerstmis kreeg! Het blonde haar van tante kwam zoo leuk uit tegen het donkere behang. Haar handen zetten het fijne vaasje van Truus zoo heel zacht neer. Toen verschikte ze iets op Milly’s kastje.

„Daar moet later ook nog een vaasje bij, hè, Milly?”

„Ja, tante.”

„Nu, goeden nacht, kindje,” en tante kwam naar het meisje toe en zag haar aan met oogen, die heel vriendelijk keken.

Toen blies het kaarsemannetje het lichtje aan, dat hij voor Milly ontstoken had, en het scheen vroolijk naar alle kanten.

„Tante,” zei Milly en onstuimig sloeg zij haar armen om tante heen, „ik ben niet lief geweest en het was niet waar wat ik zeide, want ik heb gisteren niet kunnen slapen, omdat U mij geen nachtzoen gaf.”

Toen fluisterden tante en Milly nog wat samen en het leek het meisje, of zij ook tante’s dochtertje was.

Even later was het donker in de kamer. Niets hoorde Milly dan iets gedempts—vertrouwelijks, dat er was in het spreken van oom en tante beneden.

„Ik was onaardig,” zei Milly tot het mannetje, „maar er was dan ook reden voor.”

„Reden, reden,” lachte het mannetje. „Er is net zooveel reden om aardig en flink te wezen. Kijk, kijk!”

Het kaarsemannetje tuurde naar boven en daarom deed Milly het ook. Wonderlijk was het wat het kind zag. Haar oogen keken door de zoldering heen naar buiten in den nacht. De mist was opgetrokken. De maansikkel was gegroeid.

„Reden om onaardig te wezen,” lachte het mannetje en het wipte weer in de kaars.

Niets was er nu om Milly heen dan de donkere kamer, waar zij gelukkig en rustig insliep.

III.

„Waarom doe je je oogen zoo stijf toe,” vroeg het kaarsemannetje een avond. „Waarom? Je hebt me een heele poos niet noodig gehad, meisje! Je weet nu veel wat je vroeger niet wist! Je ziet nu wat je eerst niet zag. Waarom doe je nu zoo donker?”

Milly gaf geen antwoord, maar drukte haar gezicht diep in de kussens.

„Je houdt je of je me niet ziet. Maar, kindjelief, dat helpt je niet!”

spotte het ventje.

„Ik zit op je donker bolletje, Het lijkt er een heel zwart holletje.”

zuchtte het mannetje. „Ik kan alleen het werk niet af. Ik haal mijn kameraadje van den overkant.”

Toen verdween het kaarsemannetje en dikke duisternis was er nu om en in Milly. En toen klonk er weer een fijn stemmetje, dat zeide: „help me, vriend!”

Of Milly nu wilde of niet, zij moest de oogen openen en zij zag twee lichtende wezentjes met gelijke, lichte gezichtjes en donkere, fluweelige manteltjes.

„Zoo, zoo,” zei Milly’s kaarsemannetje, „ik zie je oogen weer. Kijk hem maar eens aan,”—het tweede ventje boog en zijn gezicht glinsterde,—„hij is het kaarsemannetje van het oude vrouwtje over je. Eerlijk, dat ze is! Zij heeft ons niet noodig. Nu gaan we het samen helder in je maken, hij in je eene oog, ik in je andere.”

Doodstil werd het nu in de kamer, zoo stil, alsof de gansche wereld met al haar geluiden sliep.

En plotseling kwamen er gefluisterde woorden over Milly’s lippen. „Ja, ja,” zei ze heel zacht, „het was heel leelijk wat ik deed. Ik had dat geld niet moeten nemen uit mijn spaarpot.”

Weer was het stil. Toen, fluisterend, ging Milly door: „Het was gulzig ook, want ik at alles alleen op en zei niemand er wat van.”

„Gulzig, en leelijk, en laf was het,” herhaalde het fijne stemmetje van het lichtwezentje. „En licht is altijd licht, niet kameraad?”

„Ja,” antwoordde het tweede, fijne stemmetje.

Toen was het Milly of de wanden en zoldering van haar kamer geheel doorzichtig werden, zoodat zij uitzien kon naar alle kanten.

„Nu springen we uit je oogen. Nu zijn er andere wezens van licht.”

„Hoe mooi,” zei Milly. „Kijk, daar zijn de lantarens. Ik zag ze nog nooit zoo goed. Lijnen van licht lijken ze wel, éen langs de eene huizenrij, éen langs de andere.”

„Ze branden in den donkeren nacht, ze stralen, ze wijzen den weg,” riep het hooge, fijne stemmetje. „Zoo deden zij gisteren, zoo doen zij vannacht en morgen weer zullen zij rustig branden, trouw en eerlijk in de lange laan, in de groote stad.”

„Licht is licht, altijd,” zei zacht het kameraadje.

„Ik heb nog nooit zoo ver gezien. Dat lijkt wel het licht van den vuurtoren aan het strand. Hij is net een mensch, een groote man, en waar het licht straalt, is zijn hoofd.”

„De vuurtoren straalt,” zei het kaarsemannetje langzaam. „Hij wijst den weg elken nacht, trouw en eerlijk, want licht is licht.”

„Nu zie ik weer niets,” riep Milly. „Die lantarens schenen zoo helder en de vuurtoren brandde zoo hoog boven de zee. Nu zie ik niets meer, alleen de sterren. Daar heb je de Poolster. Die heeft Bop me leeren vinden, maar er is niets bizonders aan. Die staat altijd vlak boven den schoorsteen van het huis aan den overkant, precies boven het randje van de vierde pijp.”

„Precies boven het randje van de vierde pijp! Zoo was het, zoo is het, zoo zal het zijn. Ze stond, waar ze staat en ze zal er staan. Ze wijst den weg, als niemand hem meer weet. Ze is het groote licht, waarnaar wij lichtjes kijken in den donkeren nacht.”

Toen zweeg het kaarsemannetje en met gevouwen handjes zaten hij en zijn kameraad op den rand van Milly’s bed en hielden de gezichtjes naar de Poolster, die groot en glanzend stond aan het hemelvlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen van het huis aan den overkant.

„Groote ster, geef ons altijd van uw licht,” fluisterde zacht het kameraadje.

„Groote ster, laten we lichtwezentjes blijven in de oogen en harten van de menschen,” smeekte het kaarsemannetje.

„Groote ster, groote ster,” herhaalden de mannetjes zacht en zij kruisten hun armen over de borst en bogen met plechtige gezichten.

Toen was het of de muren der kamer zich weer sloten. Flauw onderscheidde Milly het bed waar Truus sliep en de koperen knop aan de kachel ving als altijd een straal op van de lantaren voor de deur, gezellig en vertrouwelijk.

Droomde Milly?

Was zij wakker?

Zonder leven te maken kwam zij uit haar bed en lichtte het gordijn op. De lantarens brandden in den stillen nacht. Den vuurtoren zag zij niet, maar vlak boven het randje der vierde pijp van den schoorsteen over haar straalde rustig en helder de Poolster.

Toen dacht Milly aan het stilletjes gekochte en gulzig opgegetene en zij kroop in bed, maar de slaap wilde niet komen.

Den volgenden dag was het Zondag. Dan was iedereen thuis, ook oom.

„Oom, ik wou u wat zeggen,” zei Milly met een bibberende stem, want de werkkamer was groot en van achter de werktafel zagen oom’s oogen, die heel streng konden lijken, onderzoekend naar haar.

„Mag tante het niet weten,” vroeg oom.

„U is streng en tante is zoo lief en wat ik deed, was heel leelijk.”

Toen bibberde Milly’s stem nog meer en met neergeslagen oogen bekende het meisje wat zij deed.

„Dat doen we nooit meer, niet Milly,” vroeg oom met vasten toon. Toen moest Milly haar oogen weer opslaan of zij wilde of niet en het was of zij op oom’s gelaat het licht zag van de lantarens en den vuurtoren.

„Nooit meer,” antwoordde Milly en met opgeheven gelaat bleef zij kijken in het strenge eerlijke gezicht van den grooten man en als vanzelf legde zij haar hand in die van haar oom. Diens krachtige vingers omsloten stevig de hare.

„Nooit meer,” herhaalde oom.

„Nooit meer,” zei Milly zacht.

IV.

Nog echter had het kaarsemannetje niet voor altijd afscheid van het meisje genomen en het was maar goed, dat hij het niet deed, want er kwam weer een heel treurige tijd voor Milly. Haar vader stierf in een vreemd land en in denzelfden tijd, dat de droevige tijding Milly geschreven werd, gebeurde er iets in het gezin van tante Ada, dat vroolijk en treurig tegelijk was. Er werd een kindje geboren, een meisje. Dat was een heel vroolijke gebeurtenis. Maar tante Ada werd ziek en was zoo zwak, dat de kinderen nauwelijks bij haar mochten komen.

Dat was héél droevig, vooral voor Milly, want nu was zij alleen met haar groote verdriet. Oom Frank was wel heel vriendelijk voor haar, maar tante zou toch anders geweest zijn en als hij maar even zich vrij kon maken, was hij bij zijn zieke vrouw, al was er ook nog zulk een zorgzame verpleegster voor haar en het teere kleine kindje.

Het leek de arme Milly of zij nog nooit zóó alleen was geweest.