Zoo mooi als zonneschijn. Het Kaarsemannetje

Part 2

Chapter 24,219 wordsPublic domain

Gerinkel van bellen en paardengetrappel klonken nu vroolijk in de heldere vrieslucht.

Wijd werden de deuren van de zaal geopend en Urlo trad binnen met opgeheven hoofd en fieren tred, gevolgd door twee, wier haren reeds grijs waren. En die twee moesten wel heel geleerd zijn; dat merkten de anderen dadelijk,—want zij roken naar stoffige bibliotheken en men kon aan hun oogen zien, dat zij gewend waren te kijken naar getallen, met risjes cijfers achter het decimaalteeken.

„Vader,” zei Urlo en hij boog de knie, kuste den koningsmantel, als Perlus gedaan had. „Vader, ik vond wat U genezen zal.”

„Sta op, mijn zoon,” sprak de trillende stem van den koning en zijn verbeeldingsoogen zagen het schrandere gelaat van Urlo, zijn hooge voorhoofd, zijn zwarte haar, zijn lenige gestalte. Maar zijn arme blinde oogen konden niet het kostbaar-eenvoudige kleed zien, niet het ordelint om Urlo’s hals, het lint, waarvan al de geleerden wisten, dat alleen fabelachtige knapheid het recht gaf het te dragen.

En de raadslieden van den koning vroegen zich af hoe het kwam, dat iemand, die arm en alleen was uitgetrokken, terugkeerde met zulk een gevolg van wijsheid.

„Vader,” sprak Urlo, „toen ik mijn tocht begon, herhaalde ik de woorden, die u in den droom gezegd waren. En ik keek naar de zon, en ik dacht en peinsde uren, dagen en weken lang.

„Iets zoo schoon als zonneschijn! Wat kon dat zijn? Ik dacht erover bij nacht en bij dag en als ik mijn lessen gaf, want dat moest ik doen om aan den kost te komen.

„Op een nacht, dat ik niet slapen kon, hoorde ik de woorden aldoor:

„Iets zoo mooi als zonneschijn, Zal voor zijn blindheid genezing zijn!”

„Toen kreeg ik plotseling een ingeving; iets zoo mooi als zonneschijn, dat kon slechts zonneschijn zelf wezen, want mijne heer en,”—en nu wendde Urlo zich tot de geleerden—„als a gelijk moet wezen aan b, dan kan b slechts gelijk zijn aan a. Vier is gelijk aan twee maal twee, omdat twee maal twee gelijk is aan vier.

„Zonneschijn is licht; ik moest dus licht gaan zoeken, gelijk aan zonneschijn.”

De geleerden knikten en al de anderen luisterden aandachtig. Ja, dat was zoo klaar als de dag. Twee maal twee is gelijk aan vier, omdat vier weer gelijk is aan twee maal twee. Ja, ja, och,—wat was dat eenvoudig. Het kwam er toch eigenlijk maar op aan, licht te zoeken, gelijk aan zonneschijn. De blinde koning echter glimlachte. Het was twaalf uur. De zon stond in het Zuiden en hij voelde het warme zonnetje schijnen op zijn handen en hij was zoo innig blij, dat Urlo terug was.

„Toen begreep ik,” ging Urlo voort, „dat om mijn vader te kunnen genezen, ik zonnelicht moest kunnen meebrengen, werkelijk zonnelicht.”

Verrukt luisterden de geleerden. Zou Urlo werkelijk zonnelicht kunnen maken?

Dat moest niet zoo moeielijk zijn, dacht een der geleerden. Hij zelf had toch wel iets uitgevonden, waarmee je in iemand zijn maag kijken kon. En je had toch ook al ander licht! Die Urlo zou het wel klaar gespeeld hebben. Het moest niet zoo lastig zijn. Hij verwedde er wat onder, dat hij zelf het ook kon. En de wijze geleerde keek naar de zon en lette bijna niet op door de som, die hij aan het uitrekenen ging! En de koning dacht: „werkelijk zonlicht, brengt hij dat mee?” en zijn gedachten dwaalden even af naar de wolken, gekleurd in morgen- en avondzon, naar helmen en schilden van zijn strijders, fonkelend in het zonlicht, naar boomen en bosschen, waar elke zonnestraal een dansend licht-elfje scheen.

„En,” vervolgde Urlo zijn verhaal, „ik ging toen naar een groote stad en huurde daar een kamer ergens in een stil hoekje, zoodat ik niet gestoord kon worden. Daar bestudeerde ik alle boeken over het licht, het zonnelicht, maar ik vond niet wat ik zocht. En ik trok van hoogeschool naar hoogeschool en ik ben veel, veel te weten gekomen.

„Toen kreeg ik toevallig een heel klein, oud boekje in handen en daarin las ik, dat in de ongenaakbare rotsen in het noorden een grot was, waarin een grijsaard woonde, die wijzer was dan iemand anders op de heele aarde. En ik besloot naar hem toe te gaan. Het was een moeilijke en gevaarvolle tocht, maar zoo groot was mijn verlangen om zonlicht te maken, dat ik tegen niets opzag.” Even zweeg de prins en met een glimlach van zelfvertrouwen keek hij door het boograam naar de zon, die aan den wolkenloozen hemel straalde en de sneeuw in het park schitteren deed.

„En,” ging Urlo door, „ik ben naar de steile rotsen gegaan en dikwijls dacht ik, dat ik de grot niet bereiken zou, want het land, waar ik doortrekken moest, was woest en onherbergzaam. Toch kwam ik bij den ouden wijze.”

„O, mijn vader, o, mijne heeren, ik werd beloond voor mijn moeite, want wijzer man dan hij hoorde ik nooit; bij hem vergeleken wist ik niets, want alle wijsheid van alle wijze mannen van vroeger en nu was in hem. En ik bleef lange, lange weken bij hem en ik vond een spiegel, die de zonnestralen vasthoudt en teruggeeft, wanneer men wil. Zooals linnen olie opslurpt, zoo drinkt mijn spiegel zonnelicht en geeft zonnelicht terug altijd, op elk oogenblik van den dag en den nacht.”

„Hoor, hoor,” riepen de geleerden opgewonden.

„Stil, stil,” zei Urlo, „niet te vroeg juichen, want wie zegt u, dat het waarheid is wat ik spreek? Eerst moet ge zien, zien met eigen oogen, dat vier gelijk is aan twee maal twee, omdat twee maal twee gelijk is aan vier. Dat zei ik ook in de academie van wijsheid der wijsheid, waar ik mijn uitvinding besprak en toen de leden zagen met eigen oogen, gaven zij mij het lint, dat ik draag om mijn hals.”

En weer keken de geleerden naar het lint, waar met parels uilen en doodshoofden op geborduurd waren.

Toen haalde Urlo van uit zijn kleed een foudraal. Hij opende het en toonde aan de geleerden, die om hem waren komen staan, een wonderlijk gebogen spiegel.

„Wij zien niets,” zeiden de geleerden teleurgesteld.

„Wordt licht gezien bij licht?” vroeg Urlo.

„Smaakt honig zoet na honig?”

„Nee, nee,” zeiden de geleerden, „nee, nee, water in water is nat!”

„Goed, goed,” zei Urlo ongeduldig. „Laat het dan donker worden, heelemaal donker, zwart donker, opdat licht zal gezien worden in duisternis, als verstand te midden van domheid.”

Nu klonken er van alle kanten schelletjes, die de bedienden riepen. En Urlo sloot den spiegel in het foudraal, dat gemaakt was van een stof, die geen licht doorliet. De luiken werden nu voor de ramen gezet, de zware gordijnen toegetrokken en wanneer er slechts een kiertje of spleetje was, waar de zon had kunnen door schijnen, dan werd het toegestopt, als naden van een schip, dat niet lek mag worden. Eindelijk trok de laatste bediende weg met het laatste lampje, dat het werk van sluiting had helpen verlichten en toen was het zoo donker in de groote zaal, dat alles een kuil van zwart leek; alle geschitter en geflikker van rijkdom scheen gedoofd te zijn. Het was zoo donker, dat de zienden meenden blind te zijn. Alleen een glimp van licht kwam van het foudraal. Het leek wel op de maan, die soms onzichtbaar is, maar alleen door een smallen zilveren rand toont, dat zij er toch is.

Het was dood—en doodstil in de zaal. Allen wachtten op het wonder.

Toen opende Urlo plotseling het foudraal en zie: de duisternis werd als plat geduwd tegen de muren; alles glom en glansde van licht, van licht, dat kwam uit den tooverspiegel, van licht, dat hel was als zonnelicht.

Weer schitterden het goud, het zilver en de edelgesteenten; weer fonkelden de diamanten op de borsten der voorname mannen; weer blonken de gezichten van geleerdheid; alle kleuren en alle glans waren weer ontwaakt uit den slaap der duisternis.

„Lang leve Urlo,” galmde het door de zaal.

De blinde koning echter zag niets. Voor hem was het donker gebleven. Zijn blinde oogen staarden over alles heen en hij wikkelde zich in zijn mantel, nu de zon niet meer op hem scheen met koesterende warmte.

En die koude voelden ook de anderen. Want veel der geleerden waren mager en zij waren gewend te studeeren bij koesterende vuren.

„Het licht is niet warm,” rilde een der geleerdsten.

„Dat behoeft ook niet, dat mag ook niet,” zei Urlo.

„Warmte werd niet gevraagd en niet gelast. Ik moest iets zoeken, zoo mooi als zonneschijn en niet zoo warm. Ik moest licht zoeken, niets dan licht en zie hoe mijn spiegel straalt,”—en in verrukking hield Urlo de vingers voor zijn spiegel, die zich kleurden, als liet hij werkelijk zonnelicht op zijn handen vallen. Maar alleen op zijn troon zat de blinde koning. „Vader,” zei Urlo, „vader, ik vond. Nu zal uw blindheid genezen.”

„Kus mij, mijn zoon en wees gezegend, want je zocht met ijver en met moed,” zei de koning en weer was er de glimlach rond zijn lippen. En met den spiegel in zijn hand besteeg Urlo den troon van zijn vader en hij kuste hem op de blinde oogen.

„De koning ziet, de koning ziet,” juichten de geleerden. Doch de koning richtte zich op en blind als voorheen staarden zijn oogen. „Ik zie niet,” sprak hij met zachte stem en als medelijdend. „Ik zie niets van het licht.”

„Vader, dan was uw droom een droom,” zei Urlo, „want zonnelicht bracht ik.” Toen werd er gescheld om de bedienden, die de luiken wegnamen en de gordijnen open trokken.

In stroomde nu de zon met verkwikkende koestering en naar die warmte keerde de koning het bleeke gelaat.

IV.

WAT ZOO MOOI WAS ALS ZONNESCHIJN.

Naar alle kanten verbreidde zich nu de roem van het kasteel, waar de schatten van Perlus zich ophoopten en de wonderspiegel van Urlo knappe en wijze mannen uit de heele wereld tot zich trok. En ze gingen weer weg, verbaasd over hetgeen zij gezien en gehoord hadden. Maar de koning verlangde naar Wanda, zijn prinsesje en hij vreesde voor haar, nu hij van zijn zoons de verhalen der gevaren kende. De tijd ging echter voorbij, doch Wanda keerde niet terug. Reeds was de sneeuw gesmolten, reeds ging er iets als een voorjaarszoelte door de lucht, maar het prinsesje liet niets van zich hooren. Toen werd de koning zoo ongerust, dat hij boden uitzond om haar te zoeken, maar allen keerden terug met de boodschap, dat hun reis vergeefsch was geweest. En de koning dacht, dat zijn droom een list was geweest van een boozen toovenaar, die Wanda in zijn macht wilde krijgen door haar te laten zoeken naar iets onvindbaars. En den dag, dat de laatste bode terugkeerde met het bericht, dat niemand in het gansche rijk iets berichten kon over Wanda’s lot, zond de koning om zijn raadslieden.

Dadelijk moesten zij komen, want het verblijf van de prinses moest opgespoord worden. Toen trokken allen naar het kasteel: ministers en staatsraden, generaals en geleerden, maar nu niet vroolijk gestemd als bij den terugkeer van Perlus en Urlo. Geen vlaggen wapperden uit ramen en torens, geen bloemen slingerden zich langs kozijnen en lijsten, geen tapijten vervroolijkten de grijsheid der muren. De zon was bedekt door wolken; het was een koude, kille dag; nevelen waren er in de verte en hingen om het kasteel; treurig staken de boomen hun takken in de lucht; grauw en grijs was het land; de lente scheen maar niet te willen komen en de aarde rilde nog van winterkoude. De rijtuigen rolden af en aan en brachten uit alle streken de wijze en voorname mannen, raadslieden van den koning. Allen moesten om het kasteel te bereiken langs den breeden weg, maar niemand in de koetsen had opgemerkt, dat langs dienzelfden weg zich een klein, tenger figuurtje bewoog.

Dat was Wanda, die terugkeerde van den langen, langen tocht. Zij herkende wel de raadslieden van haar vader, maar zij zag er zoo eenvoudig uit in de dracht der meisjes van haar volk, dat niemand het de moeite waard vond naar haar te kijken. Alle rijtuigen haalden haar in, zoodat het al stiller werd op den weg naar het kasteel. Het was heel stil ook op het voorplein van het paleis. De schildwachten liepen in regelmatigen stap op en neer, niemand lette op haar. Wanda ging nu ongemerkt naar een kleine zijdeur in het kasteel, die niet bewaakt werd, omdat bijna niemand van zijn bestaan af wist. Nu liep zij door de stille gangen, maar plotseling, met dolle vaart en vroolijk geblaf, rende een groot ruig dier op haar toe. Dat was Bello, haar reusachtige hond en hij zette zijn pooten op haar schouders en lekte haar in dolle, uitgelaten vreugde. En haar kleine hand streelde den kop van het dier, dat rond haar bleef springen, nu zij naar de troonzaal ging, want daar, dat wist zij, hadden steeds de groote vergaderingen der geleerde en wijze mannen plaats.

„Laat mij door,” zei zij tot de lakeien en voor die goed wisten met wie zij eigenlijk te doen hadden en wat er eigenlijk gebeurde, opende Wanda de deuren, die de zaal scheidden van de marmeren hal en plotseling stond zij midden in de zaal: een klein figuurtje met een grooten hond, die zijn kop tegen haar hand wreef, en sprong, en blafte, en kwispelstaartte.

„Wanda,” riepen de prinsen.

„Prinses Wanda,” riepen ook de wijzen en voornamen.

Toen legde zich een doodsche stilte en allen staarden naar het prinsesje, dat als verlegen en armoedig in haar donkeren mantel in den grooten kring stond.

„Vader,” zei toen Wanda en als haar broers knielde zij voor haar vader, die lachte met blijde vroolijkheid en opgestaan was om zijn dochtertje te ontvangen, „vader, ik heb gezocht, maar niet gevonden.”

En zij drukte haar lippen op de hand van den koning en zij nestelde zich tegen zijn knieën op de treden van den troon om het verhaal van haar tocht te doen. Heel, heel klein scheen Wanda nu; zij had den mantel uitgedaan, zich den doek van het hoofd genomen en haar blonde lokken leken nu wel goud tegen den donkeren troon; vaalgrijs was haar kleedje bij de pracht van den koningsmantel en het verguldsel van de zaal. Maar haar oogen glansden met diepen gloed en haar hand legde zich op den kop van den hond, die al kwispelstaartend aan haar voeten was gaan liggen. „Vader,” sprak nu Wanda, „met leege handen kom ik terug en toch heb ik gezocht van Oost tot West, van Noord tot Zuid, naar allen kant.

„Toen ik mijn tocht begon, herhaalde ik, wat u in den droom gezegd was. O, het was een dag van gouden zonneschijn.

„Ik kwam door een klein dorpje. Daar zat voor de deur van haar woning een oud vrouwtje. De zon scheen op haar en zij koesterde er zich in als een spinnende poes. „Moedertje,” zei ik, „wat kijk je gelukkig.”

„Voel je dan het zonnetje niet,” vroeg zij.

„En weer een eind verder zag ik een knaap met een bleek uitgeteerd gezicht en lange, smalle handen. Hij zat in een stoel met kussens in den rug. En ik bleef voor hem staan, waarom wist ik zelf niet.

„Ik wensch je beterschap toe,” zei ik.

„O, ik word wel beter, want voel eens de zon. Die koestert me,” en hij sloot zijn oogen en keerde zich al meer naar de zon toe.

„Peinzend liep ik verder en op een heel stil plekje zag ik een ziek katje, een klein ongelukkig dier. Het was gekropen naar een plaatsje, waar de zon scheen met alle kracht en daar liet het zich warmen. En ik droomde dien nacht een vreemden droom. Het was of ik vleugels kreeg, of ik licht werd, of ik met de zonnestralen overal heenkijken kon. Ik zag hoe een zonnestraal viel op een bloemknop en zij opende zich met teere kleuren, die schenen te lachen tegen het licht. Ik zag hoe een andere zonnestraal viel op een slapenden vogel en hij werd wakker en zong liederen, die trilden van blijheid en geluk.

„O, wat was dat mooi; al die bloemen en dieren, gelukkig gemaakt door de zon: klein margrieten en gloeiende rozen, grauwe musschen en pronkende pauwen. Toen begreep ik, dat het heel moeielijk was iets te vinden, zoo mooi als zonneschijn.”

Even kuchten een paar der wijze voorname mannen, anderen schoven op hun stoel. Wat een dwaas verhaal deed Wanda, vonden zij. Het gaf niets te denken. Een der geleerden kon er zijn gedachten niet bij houden. Hij had een moeielijke som pas in den steek gelaten, toen de koning hem had doen roepen en cijferde bijna hardop; nul, decimaalteeken, 5, 6, 7, 8, 3, 2, 1.

Maar de hand van den koning streelde het blonde haar van zijn dochtertje en een paar tranen liepen langs zijn wangen, want zijn verbeeldingsoogen zagen den tijd, toen het licht er ook voor hem was.

„En ik zag zonnestralen vallen,” vertelde Wanda, op oude menschjes, zooals ik in het dorp gezien had en zij koesterden er zich in, en grijsaards en zieken zag ik glimlachen in den zonneschijn. Met andere zonnestralen zag ik neer in een gevangenis. O, vader, dat was een verschrikkelijk gezicht. Een der gevangenen was zoo bleek, dat hij wel een doode leek. Toen viel een warme zonnestraal op de plek, waar hij lag en hij lachte, vader, hij wendde het hoofd naar het licht.

„Heel lang heb ik in dien kerker rondgekeken en ik werd heel treurig, want zonneschijn leek mij onvindbaar mooi. Hoe zou ik op aarde iets kunnen vinden, zoo mooi dat het een eenzamen mensch in een cel het gelaat zou doen glanzen van vreugde?”

Weer kuchte een voorname geleerde en hij keek vragend zijn buurman aan en deze haalde onmerkbaar zijn schouders op, wat zeggen wilde: „vrouwenpraat, collega, geduld!”

En de voorname wijze, die van zijn som werd weggeroepen, was weg, ver weg in het land der cijfers, hij hoorde niets, want hij zat te rekenen, te rekenen, met lange, lange getallen!

Doch, alsof zij tot zichzelve sprak, ging de prinses door: „Een andere zonnestraal viel in een armoedig kamertje. Daar woonde een jonge man, die mooie verhalen maken kon. Zoo mooi vader, zoo mooi als nachten met blauwigen maneschijn. Maar hij was arm en zijn zwakke zieke moedertje leed gebrek. Toen zag ik hem schreien. Maar drie, vier zonnestralen kwamen tegelijk zijn vertrekje binnen en hij keek er naar, en zijn oogen begonnen weer te stralen; en hij werkte, dat zijn pen over het papier vloog.”

Een hoveling gaapte bijna hoorbaar en kreeg toen een verschrikkelijke kleur, want het was hem in lange jaren niet gebeurd, dat hij gegaapt had in een vergadering in de troonzaal. En de geleerde van de som was nog altijd aan het rekenen. Als alles uitkwam, dan wist hij hoeveel stofjes er gingen in een korreltje meel!

„Toen ik wakker werd,” vertelde Wanda door, „begreep ik, dat ik zoeken moest naar iets, dat bloemen hun schoonheid gaf, vogels deed zingen, arme, oude menschen een glans gaf van geluk en tevredenheid, wat zieken hun pijn deed vergeten, eenzamen deed lachen en dichters hoop in het hart gaf.” Het geschuifel op de stoelen werd onrustig. Perlus keek meelijdend naar zijn zusje, die op deze wijze haar tijd verloren had en hij nam zich voor haar voor vergoeding een diamanten ketting te geven. Urlo wou haar vermaken met den wonderspiegel, dan zou zij wel gauw alles vergeten zijn.

„Toen vader, zocht ik naar iets, dat zóó lachen deed, zóó glanzen.

„Maar met leege handen keer ik terug.... Toch heb ik soms gedacht, dat ik dát lachen en glanzen zag, eens, tweemaal, neen veel meer en toen droomde ik niet.”

Toen Wanda deze woorden zeide, straalden haar oogen met wonderlijk diepen gloed. Dat zag de blinde koning niet; hij hoorde alleen maar den klank van haar stem en zijn handen vouwden zich.

En nu begon ook de zon door te breken; ijler en lichter werden buiten de nevels; door de boogramen stroomde het licht op alles, maar het was of er meer glans viel op het prinsesje, wier haar nu zonnegoud leek, wier gelaat blank en fijn was tegen het donkere rood van den troon. En zooveel zon was er om haar, dat de wijze en voorname mannen kijken moesten of zij wilden of niet.

„Op mijn langen tocht zag ik soms dat lachen en glanzen uit mijn droom.

„Bloemen lagen ergens vergeten en toen ik ze verzorgde, openden ze zich als de knop uit mijn droom.

„Een vink gaf ik de vrijheid en hij jubelde, als de vogel, door den zonnestraal gewekt.

„En een hond, die zich gewond had en dien ik verbond, keek mij aan als het katje, dat zich in de zonnewarmte koesterde.

„Maar dat lachen en glanzen zag ik vooral in de oogen der menschen. Vader, ik ben geweest bij zieken en in gevangenissen, in kleine donkere steegjes en kamertjes, waar het zoo donker was, dat zelfs de zonnestralen er bijna niet komen konden.”

„Wat, wat?” riep de geleerde, die met zijn som in de war was geraakt en een paar woorden opving.

„Bespottelijk, collega,” fluisterde een staatsraad.

En een man, zoo wijs, dat men hem van overal raadplegen kwam en wiens borst geheel bedekt was met ridderorden, schoot even in den lach. Toen voelde hij een steek in zijn lendenen, want de geleerde staatsraad had in lang niet gelachen. Doch de koning glimlachte als vroeger, toen hij zien kon en zijn handen vouwden zich. En de zonnestralen schenen te spelen rond het meisje. Buiten werd de lucht al blauwer; de nevels verdampten en verdunden zich. Een zonderling geklepper deed zich hooren van achter uit het park. Dat kwam van den ooievaar, die teruggekeerd was en wiens snavel vroolijk rood in het zonlicht was.

„Een arm, ziek vrouwtje heb ik zien lachen als het menschje bij de zonnestralen, toen ik haar kussen recht legde, bloemen bij haar bed zette, eten voor haar kookte. Dat was wel het lachen uit mijn droom.”

Wanda was nu opgestaan en de groote hond lichtte zijn kop op, likte haar hand en keek toen weer soezend om zich heen.

Niemand lachte nu meer, want in stroomde het licht. Wat een zon was er om Wanda heen. Allen keken heel stil naar haar: Perlus en Urlo en al de wijzen en geleerden.

„En hetzelfde lachen en glanzen heb ik in de gevangenis gezien, vader. Daar was een der gevangenen ziek en ik werd tot hem toegelaten. Geen berouw was er op zijn gelaat. En ik vertelde hem zijn eigen leven, sprak hem van den tijd toen hij een kind was, van zijn moeder en het huisje waar hij geboren was, midden tusschen de bloemen. Toen heb ik hem tranen zien schreien, die schitterden in het licht. En hij voelde, dat hij sterven ging en verlangde naar zijn moeder, om haar vergiffenis te vragen voor al het leed, dat hij haar veroorzaakt had. En ik ben haar gaan zoeken, tot ik haar vond en ik bracht haar bij hem.

„En toen zij aan zijn ziekbed zat met zijn hand in de hare, toen heb ik haar en zijn gelaat zien glanzen, als in mijn droom.

„Niets breng ik dus mee vader, niets! Ik heb gezocht naar alle kanten, maar zonneschijn is zoo mooi, dat de aarde niets heeft wat daarop gelijkt. Maar als de zon wil ik u koesteren, vader, zoodat u lachen gaat als het zieke vrouwtje, en die moeder, en die zoon.”

„Kus mij, mijn kind,” zei de koning met fluisterende stem en groote tranen vielen op zijn mantel.

„Schrei niet, vader,” zei Wanda, „ik zal U liefhebben als uw kleine zonnetje,” en zij sloeg haar armen om den hals van den koning en kuste hem met groote teederheid.

In stroomen golfde het zonlicht naar binnen. Het vulde de zaal met vloeiend, doorzichtig goud. En het was of er honderden stemmetjes zongen. En in de zaal keken allen naar het wonder. De koning richtte zich op in volle lengte. In breede plooien viel zijn mantel om hem heen. En zijn oogen zagen naar alle kanten.

Zij staarden en tuurden niet, maar dronken het licht en de kleuren. Zijn oogen keken naar buiten, waar de nevels waren opgetrokken, waar de zon het blauw der voorjaarslucht stralen deed.

En naast den koning, klein en nietig, met goudglans op haar lokken, stond het kleine prinsesje, dat schreide van vreugde.

„Ik zie, ik zie,” zei de diepe stem van den koning.

„De koning ziet,” riep men bijna plechtig in de zaal.

„De koning ziet,” klonk het door de gangen. En de schildwachten vernamen het en vertelden het verder, en wie het hoorde, verspreidde het weer. Zoo ging het wonder van mond tot mond, door het heele land, het wonder van het blonde prinsesje, dat iets gevonden had, zoo mooi als zonneschijn, wat blindheid wegkust.

HET KAARSEMANNETJE.

I.

Milly lag in haar bed en schreide. Een paar maanden geleden zou zij het echter niet gedaan hebben om hetgeen, wat haar nu heel zacht snikken deed.

Want Milly heette eigenlijk Melanie, maar die naam klonk wat vreemd voor Hollandsche ooren en dus werd hij afgekort. Het meisje had een Fransche moeder en een Hollandschen vader en in haar moeders familie werden alle oudste dochtertjes Melanie genoemd. Zij heette daarom ook zoo.