Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 9
--Kijk, daar heb je den oom ook!
De omstanders lachten. Mijnheer de Charbonnel, die het niet begrepen had, vroeg wat die uitroep beteekende, maar zijn stem ging verloren in het oorverdoovend gejuich en het handgeklap van de driehonderd duizend menschen, die daar dicht opeengepakt stonden. Toen de kleine prins op het midden van de brug gekomen was, en men den keizer en de keizerin achter hem had zien verschijnen, in die open ruimte waar niets het uitzicht belemmerde, maakte een buitengewone ontroering zich van de nieuwsgierigen meester. De mannen gingen op de teenen staan en heschen beteuterde kleuters op hun schouders; de vrouwen schreiden en stamelden teedere woordjes voor "dien lieven kleine." Een stormachtig gejuich bleef aanhouden op het plein voor het stadhuis; op de kaden, aan weerszijden van de rivier, zoover het oog kon reiken, ontwaarde men een woud van zwaaiende, groetende armen. Aan de vensters zag men met zakdoeken wuiven, geestdriftige gezichten met wijdgeopende monden zich voorover buigen. En heel aan het einde werden de smalle vensters van het eiland St. Louis levendig door een geschitter van witte plekken, die men niet duidelijk onderscheiden kon. De roeiers in hun roode kielen, staande in hun boot, die op de Seine voortdreef, schreeuwden uit alle macht; terwijl de waschvrouwen, met bloote armen en verward haar uit de ramen van het waschhuis hingen en zoo hard met haar stampers sloegen, dat zij dreigden te breken.
--'t Is gedaan, we kunnen wel heengaan, zei Gilquin.
Maar de Charbonnels wilden tot het laatste zien blijven. De achterhoede van den stoet, de escadrons van de gardes, de kurassiers en de karabiniers, trokken de rue d'Arcole in. Daarop ontstond er een vreeselijk gedrang; het dubbele gelid van de nationale gardes en de liniesoldaten werd op verscheidene plaatsen verbroken; vrouwen gilden.
--Laten we heengaan, herhaalde Gilquin. Men dringt elkander dood.
En toen hij de dames op het trottoir gezet had, liet hij ze den straatweg oversteken, ondanks de drukte. Mevrouw Correur en de Charbonnels vonden het beter langs de borstwering te loopen om zoodoende op de pont Notre-Dame te komen en te gaan zien, wat er op de place du Parvis gebeurde. Maar hij luisterde niet naar ze, hij trok ze mee. Toen ze zich weer voor het kleine koffiehuis bevonden, duwde hij ze plotseling neer op de stoelen rondom het tafeltje, dat zij zoo pas verlaten hadden.
--Jelui denkt zeker dat ik lust heb mijn voeten af te laten trappen door dien hoop leegloopers?.... We gaan wat drinken, wat drommel? We zijn daar beter dan in het gedrang. We hebben nu genoeg van het feest, hè? 't Begint eindelijk te vervelen.... Komaan, wat zult u gebruiken, mama?
De Charbonnels, op wie hij zijn verschrikkelijke oogen richtte, maakten eenige verlegen bedenkingen. Ze hadden den stoet graag uit de kerk zien komen. Toen bracht hij hun aan het verstand dat zij moesten wachten tot het wat minder druk werd; over een kwartiertje zou hij ze er heen brengen, als het dan niet al te druk was. Mevrouw Correur maakte stil dat zij wegkwam, terwijl hij aan Jules sigaren en bier ging bestellen.
--Wel ja, rust een beetje uit, zei ze tot de Charbonnels. U vindt me daar wel.
Zij ging de pont Notre-Dame over en de rue de la Cité in. Maar de opstopping was daar zoo groot, dat zij een vol kwartier noodig had om de rue de Constantine te bereiken. Ze besloot haar weg te bekorten door de rue de la Licorne en de rue des Trois-Canettes in te slaan. Eindelijk kwam zij op de place du Parvis, nadat zij aan een kelderraam van een verdacht huis een heelen volant van haar zijden japon had laten zitten. Het plein, met zand en met bloemen bestrooid, was beplant met palen die banieren met het koninklijke wapen droegen. Voor de kerk bevond zich een kolossaal voorportaal, in den vorm van een tent, dat de kale muursteenen aan het oog onttrok door roodfluweelen gordijnen met gouden franjes in eikels.
Daar stuitte mevrouw Correur op een rij soldaten, die de menigte in bedwang hielden. Te midden van de opengelaten ruimte liepen lakeien langzaam op en neer, naast de rijtuigen die in vijf rijen geschaard stonden; terwijl de koetsiers deftig op hun bok zaten, met de leidsels in de hand. En toen zij den hals uitrekte om een opening te zoeken, waardoor zij heen kon dringen, bemerkte zij Du Poizat die kalm een sigaar rookte, in een hoek van het plein, te midden der lakeien.
--Kunt u me daar niet binnen laten komen? vroeg zij hem, nadat zij door roepen en wuiven zijn aandacht had getrokken.
Hij sprak met een officier en bracht haar vóor de kerk.
--Ik zou u raden hier te blijven, zei hij. 't Is daarbinnen niet uit te houden. Ik kreeg het zoo benauwd, dat ik er uit ben gegaan.... Kijk, daar zijn de kolonel en mijnheer Bouchard, die ook al tevergeefs een plaats gezocht hebben.
De heeren stonden daar inderdaad, links, aan den kant van de rue du Cloître Notre-Dame. Mijnheer Bouchard vertelde dat hij zijn vrouw had toevertrouwd aan de hoede van mijnheer d'Escorailles, die een uitmuntenden fauteuil voor een dame had. Wat den kolonel aangaat, het speet hem zeer, dat hij de plechtigheid niet aan zijn zoon Auguste kon verklaren.
--Ik had hem de beroemde vaas willen toonen, zei hij. 't Is zooals u weet, de vaas die Lodewijk den Vromen heeft toebehoord, een vaas van vernikkeld, ingelegd koper, in den mooisten Perzischen stijl, een gedenkstuk uit den tijd der kruistochten, die bij den doop van al onze koningen dienst heeft gedaan.
--Hebt u de honneurs gezien? vroeg mijnheer Bouchard aan Du Poizat.
--Ja, antwoordde deze. Mevrouw de Lorentz droeg de chrémeau.
Hij moest een nadere uitlegging geven. De chrémeau was de doopmuts. Geen van beide heeren wist dat; daar keken zij vreemd van op. Du Poizat somde toen al de honneurs van den keizerlijken prins op, de doopmuts, de gewijde kaars, het zoutvat, en de honneurs van den peter en de meter, het bekken, de waterkan, de handdoek; al die voorwerpen werden door hofdames gedragen. Dan was er nog de mantel van den kleinen prins, een buitengewoon prachtige mantel, op een fauteuil bij het doopvont uitgespreid.
--Is er heusch geen plaatsje over? riep mevrouw Correur, wier nieuwsgierigheid door al die bijzonderheden opgewekt werd.
Toen vertelden zij haar van al de groote staatslichamen, alle autoriteiten, alle delegaties die zij hadden zien voorbijtrekken. Het was een eindelooze optocht; het Corps diplomatique, de Senaat, het Wetgevend lichaam, de Staatsraad, de Hooge Raad, de hofhouding, de rechters, zonder nog te spreken van de ministers, de prefecten, de burgemeesters en hun adjuncten, de leden van de Academie, de hoofdofficieren, tot zelfs de afgevaardigden van het Israëlitische en het Protestantsche consistorie. En er kwam nog geen einde aan.
--Goede hemel, wat moet dat mooi zijn! zuchtte mevrouw Correur.
Du Poizat haalde de schouders op. Hij was vreeselijk uit zijn humeur. Al die drukte "verveelde hem". En hij scheen ontstemd door den langen duur der plechtigheid. Was het nu nog haast niet gedaan? Ze hadden het Veni Creator gezongen; zij hadden elkander bewierookt en gegroet. De kleine zou nu toch wel gedoopt zijn. Mijnheer Bouchard en de kolonel, die geduldiger waren, keken naar de met vlaggen versierde vensters van het plein; daarop keken zij eensklaps op, bij een plotselinge losbarsting van het klokkenspel, dat de torens deed schudden, en een lichte huivering beving hen bij de gedachte aan de nabijheid van die ontzaglijke kerk, waarvan zij het einde niet konden bespeuren, hoog in de lucht. Intusschen was Auguste naar het voorportaal geslopen, Mevrouw Correur volgde hem. Maar toen zij tegenover de hoofddeur kwam, waarvan de beide vleugels open stonden, deed een buitengewoon schouwspel haar plotseling stilstaan.
Tusschen de twee groote gordijnen vertoonde zich de kerk als een ontzaglijke, kostbaar versierde tabernakel. De zachtblauwe gewelven waren met sterren bezaaid. De vensters vormden rondom dit uitspansel mystieke gesternten, die de kleine, levendige vlammetjes van een gloed van edelgesteenten levendig hielden. Overal daalde van de hooge pilaren een rood fluweelen draperie, die het weinige daglicht dat onder het schip bleef hangen, nog meer wegnam; en in dien rooden nacht brandde enkel, in het midden, een gloeiende haard van kaarsen, duizenden kaarsen, zoo dicht bij elkander geplaatst, dat het een enkele zon geleek, schitterende in een regen van vonken. Het was in het midden van het kruisraam, op een verhevenheid, het altaar dat in gloed stond. Links en rechts verhieven zich kronen. Een breede hemel van met hermelijn gevoerd fluweel, vormde boven den hoogsten troon een reusachtigen vogel met sneeuwwitten buik en purperen vleugels. Een van goud en edelgesteenten schitterende menigte vulde de kerk; bij het altaar vormden de bisschoppen met staf en myter, een glorie, een van die schitterende voorstellingen die aan een geopenden hemel doen denken; rondom de estrade zaten prinsen, prinsessen, grootwaardigheidsbekleeders in luisterrijke praal; aan weerszijden zaten in oploopende banken het diplomatieke Corps en de Senaat ter rechter-, het Wetgevend lichaam en de Raad van State ter linkerzijde; terwijl allerhande delegaties de overige ruimte van het schip vulden en de dames, boven op de tribunes, de bonte kleurenmengeling van haar lichte toiletjes ten toon spreidden. Een bloedroode nevel hing in de kerk. De hoofden, die rechts en links achter in de kerk opeengehoopt waren, hadden den rose tint van beschilderd porselein. De kostuums, het satijn, de zijde, het fluweel, werden met een dieprooden gloed overtogen, alsof zij op het punt waren te ontvlammen. Geheele rijen werden opeens in een vurigheid gehuld. De diepe kerk geleek een ontzaglijke smeltoven.
Toen zag mevrouw Correur een ceremoniemeester op het koor voorwaarts treden, die driemaal met een forsche stem riep:
--Leve de kroonprins! leve de kroonprins! leve de kroonprins!
En te midden der daverende toejuichingen bemerkte mevrouw Correur aan den rand van de verhevenheid den keizer, over de menigte heenziende. Zijn zwarte jas stak scherp af tegen de flonkerende gewaden der bisschoppen achter hem. Hij hield het volk den kroonprins voor, een pakje witte kant, dat hij met opgeheven armen omhoog hield.
Maar plotseling gaf een suisse mevrouw Correur een wenk, dat zij terzijde moest gaan. Zij ging twee passen achteruit en zag nog slechts een der gordijnen voor zich. Het vizioen was verdwenen. Ze stond daar opeens in het volle daglicht en onthutst bleef zij staan, meenende dat zij een oud schilderij gezien had, zooals er in het Louvre waren, met ouderwetsch gekleede personen, die men nooit op straat ontmoet.
--Blijf daar niet staan, zei mijnheer Du Poizat, terwijl hij haar weer bij den kolonel mijnheer Bouchard bracht.
De heeren spraken nu over de overstroomingen. Er waren verschrikkelijke verwoestingen in de dalen der Rhône en Loire aangericht. Duizenden gezinnen waren zonder onderkomen. De inschrijvingen, die overal geopend werden, waren niet bij machte om zooveel ellende te verlichten. Maar de keizer toonde een bewonderenswaardige mildheid en moed: te Lyon had men hem de overstroomde wijken der stad zien doorwaden; te Tours had hij bijna drie uur lang in een bootje rondgevaren en overal met milde hand aalmoezen uitgedeeld.
--Hoor eens! viel de kolonel hier in.
Het orgel bromde in de kerk. Een plechtig gezang klonk door de opening van het voorportaal, waarvan de gordijnen zich heen en weer bewogen onder dien ontzaglijken adem.
--'t Is het Te Deum, zei mijnheer Bouchard.
Du Poizat slaakte een zucht van verlichting. Eindelijk zou het dan gedaan zijn! Maar mijnheer Bouchard legde hem uit, dat de acten nog niet geteekend waren. Daarop moest de kardinaal-legaat den priesterlijken zegen uitspreken. Toch begonnen er al menschen uit de kerk te komen. Een van de eersten was Rougon, met een magere allereenvoudigst gekleede vrouw, met een tanig gezicht, aan den arm. Een magistraat, in het kostuum van president van het hof van appèl, vergezelde hem.
--Wie is dat? vroeg mevrouw Correur.
Du Poizat noemde hem de twee personen. Mijnheer Beulin d'Orchère was met Rougon in kennis gekomen een poosje vóór den Staatsgreep, en hij betoonde hem sinds dien tijd een bijzondere achting, zonder echter vriendschapsbetrekkingen met hem aan te knoopen. Mejuffrouw Véronique, zijn zuster, bewoonde met hem een hôtel in de rue Garancière, dat zij bijna alleen verliet om de missen in Saint-Sulpice bij te wonen.
--Kijk, zei de kolonel zachtjes, dat is nu juist een vrouw voor Rougon.
--Uitstekend, bevestigde mijnheer Bouchard. Een tamelijk fortuin, goede familie, een vrouw van orde en ondervinding. Hij zou geen betere kunnen vinden.
Maar Du Poizat sprak dit tegen. De juffrouw was zoo rijp als een mispel, die men op het stroo heeft laten liggen. Ze was minstens zes en dertig jaar en ze leek wel veertig. Een mooie bezemsteel om mee in bed te liggen! Een vrome zus die platgestreken haar droeg! Een hoofd met zulke flauwe trekken, dat het wel scheen alsof het een half jaar lang in wijwater te weeken had gelegen!
--U is nog jong, verklaarde de chef de bureau ernstig. Rougon moet bij het sluiten van een huwelijk met zijn verstand te rade gaan.... Ik ben uit liefde getrouwd, maar dat is niet voor iedereen weggelegd.
--Och, wat kan mij dat meisje ook schelen, bekende Du Poizat eindelijk. Maar dat gezicht van Beulin-d'Orchère bevalt me niet. Hij heeft een kop als een bulhond. Zie maar eens naar zijn breeden snoet en dien gekrulden haarbos, waarin zich geen enkel grijs haartje vertoont, ofschoon hij al vijftig jaar is! Wie kan achter zijn plannen komen? Vertel me eens waarom hij voort blijft gaan zijn zuster in Rougon's armen te voeren, nu Rougon toch gevallen is?
Mijnheer Bouchard en de kolonel zwegen en wisselden een angstigen blik. Zou de "bulhond," zooals de gewezen onder-prefect hem noemde, Rougon geheel alleen opslokken? Maar mevrouw Correur zei langzaam:
--'t Is altijd goed magistraatspersonen op zijn hand te hebben.
Rougon had intusschen juffrouw Véronique naar haar rijtuig geleid; voordat zij instapte, groette hij haar. Juist op dat oogenblik kwam de mooie Clorinde aan den arm van Delestang uit de kerk. Zij keek ernstig en wierp een vlammenden blik op dat gele meisje, tegenover wie Rougon zich zoo galant toonde, dat hij ondanks zijn senatorsrok het portier eigenhandig achter haar dichtsloot. Terwijl het rijtuig wegreed, trad zij regelrecht op hem toe, den arm van Delestang loslatend en haar kinderlijk lachje terugvindend. Het geheele gezelschap volgde haar.
--Ik ben ma kwijt geraakt! riep ze vroolijk uit. Men heeft mama in de drukte ontvoerd.... U hebt zeker wel een hoekje in uw coupé voor me over, nietwaar?
Delestang, die haar thuis had willen brengen, scheen zeer ontstemd. Zij droeg een oranjekleurige zijden japon, met zulke opzichtige bloemen geborduurd, dat de lakeien naar haar keken. Rougon maakte een buiging, maar het duurde wel tien minuten eer de coupé verscheen. Allen bleven daar staan, ook Delestang, ofschoon zijn rijtuig in de onmiddellijke nabijheid op hem wachtte. De kerk liep langzamerhand ledig. Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin voegden zich bij het gezelschap. En daar de groote man met een gemelijk gezicht zijn handdruk flauwtjes beantwoordde, vroeg hij ongerust:
--Voelt ge u niet goed?
--Neen, antwoordde hij. Al dat licht daarbinnen heeft me vermoeid.
Hij zweeg, en hernam daarna zachter:
--Het was een grootsch gezicht. Ik heb nog nooit een man zoo gelukkig zien kijken.
Hij sprak van den keizer. Hij had de armen uiteengestrekt, met een breed gebaar, langzaam en plechtig alsof hij hen aan het tooneel en de kerk wilde herinneren; overigens zei hij niets meer. Zijn vrienden zwegen insgelijks. Zij vormden in een hoek van het plein een klein groepje. Voor hen trok een dichte drom van magistraatspersonen in toga, officieren in groot tenue, ambtenaren in uniform, een gegalonneerde, opgeschikte, gedecoreerde menigte, die de bloemen, waarmee het plein bestrooid was, vertrad, te midden van het geroep der lakeien en het geratel der wegrijdende rijtuigen. De roem van het keizerrijk, op zijn toppunt gekomen, zweefde in het purper van de ondergaande zon, terwijl de torens van de Notre-Dame, zachtrood en welluidend, de toekomstige regeering van het kind, dat onder haar gewelven gedoopt was, zeer hoog naar een toppunt van vrede en grootheid, schenen te dragen. Maar zij voelden in hun ontevredenheid slechts een onmatige begeerigheid in zich opkomen bij al de pracht van de plechtigheid, het klokkengelui, de ontplooide banieren, de geestdrift in de stad, de verrukking van die officiëele wereld. Rougon die voor de eerste maal het onaangename van zijn ongenade gevoelde, was zeer bleek, en in gedachte benijdde hij den keizer.
--Bonsoir, ik ga heen, 't is doodelijk vervelend, zei Du Poizat en nam met een handdruk van de anderen afscheid.
--Wat scheelt u toch vandaag? vroeg de kolonel. U is zoo boos.
En de onder-prefect antwoordde bedaard, terwijl hij heenging:
--Wel, waarom zou ik vroolijk zijn?.... Van morgen las ik in den Moniteur dat die ezel van een Champenon de prefectuur gekregen heeft, die mij beloofd was.
De anderen keken elkander aan. Du Poizat had gelijk, zij kregen niet van de taart. Rougon had hun bij de geboorte van den kroonprins een regen van geschenken beloofd op den doopdag: mijnheer Kahn zou zijn concessie krijgen, de kolonel het kommandeurskruis, mevrouw Correur de vijf of zes tabaksdépots waarom zij zoo dikwijls gevraagd had. En daar stonden zij nu met hun allen, op een hoopje, in een hoek van het plein, met leege handen. Toen keken zij Rougon aan met zoo'n troosteloozen, verwijtenden blik, dat deze woedend de schouders ophaalde. Toen zijn coupé eindelijk voorreed, duwde hij Clorinde snel naar binnen, en zonder een woord te spreken sloeg hij het portier met een harden klap achter zich dicht.
--Daar staat Marsy in het portaal, mompelde mijnheer Kahn, terwijl hij mijnheer Béjuin meetrok. Wat ziet die ploert er trotsch uit!.... Draai je om. 't Ontbrak er nog maar aan dat hij ons niet terug groette!
Delestang had zich gehaast in zijn rijtuig te stappen, ten einde de coupé te volgen. Mijnheer Bouchard wachtte op zijn vrouw; toen hij zag dat de kerk leeg was, keek hij heel verbaasd en ging hij eindelijk heen met den kolonel, die ook genoeg had van het rondkijken naar zijn zoon Auguste.
Mevrouw Correur had intusschen het geleide aanvaard van een dragonder-luitenant, een landgenoot van haar, die zijn epauletten eenigszins aan haar te danken had.
In de coupé praatte Clorinde opgetogen over de plechtigheid, terwijl Rougon, achterover geleund, met een slaperig gezicht naar haar luisterde. Zij had de Paaschfeesten te Rome bijgewoond, maar die waren niets indrukwekkender. En zij legde hem uit dat de godsdienst voor haar als het ware een hoekje van den hemel opende, met God den Vader als een zon op zijn troon gezeten, te midden van de schitterende pracht der engelen om hem heen geschaard, als een breede kring van schoone, in goud gekleede jongelieden. Toen liet zij plotseling haar onderwerp varen en vroeg:
--Komt u van avond op het feest, dat de stad aan Hunne Majesteiten aanbiedt? Dat zal prachtig zijn.
Zij was uitgenoodigd. Ze zou een rose kleedje dragen, dicht bezaaid met vergeetmijnietjes. Mijnheer de Plouguern zou haar geleider zijn, omdat haar moeder 's avonds niet meer uitging wegens haar hoofdpijnen. Daarop weer tot een ander onderwerp overgaande, vroeg zij op nieuw:
--Wie is toch die magistraat, die u zooeven bij u hadt?
Rougon hief het hoofd op en zei in éen adem door:
--Mijnheer Beulin-d'Orchère, vijftig jaar, uit een familie van rechtsgeleerden, is substituut geweest te Montbrison, procureur des konings te Orléans, advokaat-generaal te Rouen, heeft deel uitgemaakt van een gemengde commissie in 52, is vervolgens te Parijs gekomen als raadsheer van den Hoogen Raad, en is er nu president van.... O ja, hij heeft het decreet van den 22en Januari 1852 goedgekeurd, waarbij de goederen van de familie Orléans verbeurd verklaard werden.... Is u daarmee tevreden?
Clorinde lachte. Hij hield haar voor den gek, omdat zij weetgierig was; men mocht de menschen toch wel kennen, aan wie men allicht kon voorgesteld worden. En zij repte niet van mejuffrouw Beulin-d'Orchère. Zij sprak weer over het feest op het Stadhuis: de feestgalerij zou met ongekenden luister versierd worden; gedurende het diner zou een orkest zonder tusschenpoozen spelen. Ja, Frankrijk was een groot land! Nergens, noch in Engeland, noch in Duitschland, noch in Spanje, noch in Italië, had zij schitterender bals gezien. Haar keus was dan ook al gemaakt, zei ze met een gezicht dat straalde van bewondering, zij wou een Française zijn.
--O, soldaten, riep ze, zie eens, soldaten!
De coupé, die de rue de la Cité doorgereden was, moest aan het einde van de pont Notre-Dame stilhouden voor een regiment, dat op de kade voorbijtrok. Het waren liniesoldaten, soldaatjes die als schapen voortliepen, een beetje uit den pas door de boomen van de trottoirs. Zij kwamen terug van het afzetten. De volle namiddagzon schitterde hun juist in het gelaat, hun laarzen waren wit bestoft, hun rug gebogen onder het gewicht van ransel en geweer. En zij hadden zich zoo verveeld, onder al dat gedrang van de menigte, dat zij er nog versuft uitzagen.
--Ik dweep met het Fransche leger, zei Clorinde verrukt, zich voorover buigend om beter te kunnen zien.
Rougon scheen wakker te worden en keek nu ook. Het was de kracht van het keizerrijk, die daar voorbijtrok, in het stof van den weg. Langzamerhand was er een opstopping van rijtuigen op de brug ontstaan; maar de koetsiers wachtten eerbiedig; terwijl personages in galakostuum uit de portieren lagen en met een flauwen glimlach op het gelaat naar die soldaatjes keken, die door het lange staan versuft waren.
--En die laatsten daar, ziet u die? hernam Clorinde. Daar is een heele rij, die nog geen baard hebben. Zien ze er niet aardig uit?
En in een onstuimige opwelling van teederheid wierp zij den soldaten kushandjes toe. Ze hield zich een beetje verborgen, om niet gezien te worden. Het was een genot, die liefde voor de gewapende macht, waarop zij zichzelve onthaalde.
Rougon glimlachte toegevend; hij had dien dag ook pas zijn eerste genoegen gesmaakt.
--Wat is er nu weer aan de hand? vroeg hij, toen de coupé de kade op kon rijden.
Een menigte menschen verdrong zich op de trottoirs en de straat. Het rijtuig moest alweer stilhouden. Een stem uit de menigte zei:
--'t Is een dronkaard, die de soldaten uitgescholden heeft. De politie heeft hem al bij den kraag gepakt.
Toen de menigte uiteenging, bemerkte Rougon Gilquin die stomdronken door twee politieagenten vastgehouden werd. Hier en daar kwam zijn bloote huid door zijn gescheurde linnen pakje te voorschijn. Maar hij was niet lastig, met zijn afhangenden knevel op zijn rood gezicht. Hij sprak heel vertrouwelijk met de politieagenten, hij noemde ze "kindertjes". En hij vertelde hun dat hij den heelen middag heel rustig in een koffiehuis had gezeten, vlak bij, in gezelschap van heel voorname lui. Men kon informeeren aan het theater du Palais-Royal, waar mijnheer en mevrouw Charbonnels heengegaan waren om de opvoering van les Dragées du Captême te zien; ze zouden het stellig niet tegenspreken.
--Laat me toch los, grappenmakers! riep hij, zich plotseling schrap zettende. Het koffiehuis is hier vlak bij, wat donder! Kom maar mee, als je me niet gelooft!.... De soldaten waren onbeleefd, begrijp je, er was een klein ventje bij dat lachte. Toen heb ik hem op zijn voorman gezet. Maar het Fransche leger beleedigen, dat nooit! Noem den naam Théodore eens bij den keizer, dan zal je eens zien wat hij zegt.... Sakkerloot, je zou er leelijk inloopen!