Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 8
Intusschen had een dubbel gelid den weg voor den stoet afgezet. Rechts stonden de nationale gardes; links de liniesoldaten. Het einde van dat dubbele gelid kwam uit in de rue d'Arcole, waarvan bijna alle woningen met vlaggen versierd waren. De brug vormde de eenige leege ruimte tusschen die dicht bezette straten en pleinen, en zij maakte een zonderling effect, met haar éenen, ijzeren boog. Maar beneden op de rivieroevers begon het gedrang weer; burgermannetjes in hun zondagsche kleeren hadden hun zakdoeken uitgespreid en zaten daar naast hun vrouwen van het lange rondslenteren uit te rusten. Midden op het blauwe water, dat bij de samenkomst der beide armen groen getint leek, werd een boot voortgeroeid door eenige roeiers in roode kielen, met de bedoeling om ter hoogte van de Port aux-Fruits te blijven liggen. Tegen de quai de Gèvres stond een groote waschinrichting, waarin men het lachen en het stampen der waschvrouwen hoorde. En die opeengedrongen menigte, die drie à vier honderdduizend menschen keken nu en dan op naar de torens van de Notre-Dame, die hun vierkante massa boven de huizen van de quai Napoléon uitstaken. Door de ondergaande zon verguld, roestkleurig tegen den helderen hemel, trilden zij in de lucht, door een welluidend, krachtig klokkenspel.
Een paar malen had een valsch alarm een groote opschudding onder de menigte veroorzaakt.
--Ik verzeker u, dat ze niet voor halfzes voorbijkomen, zei een lange snuiter, die in gezelschap van mijnheer en mevrouw Charbonnel voor een koffiehuis van de quai de Gèvres zat.
Het was Gilquin, Théodore Gilquin, de vroegere huurder van mevrouw Mélanie Correur, Rougon's lastige vriend. Dien dag droeg hij een geel linnen kostuum van negen en twintig francs, versleten en vol vlekken, en aan de naden opengescheurd; hij had schoenen met gaten, havanakleurige handschoenen, een breeden strooien hoed zonder lint. Wanneer Gilquin handschoenen aantrok, was hij gekleed. Sedert twaalf uur diende hij den Charbonnels tot gids, met wie hij op een avond bij Rougon in de keuken kennis had gemaakt.
--Ge zult alles zien, kinderen, herhaalde hij, met zijn hand over de lange knevels strijkende, die als twee zwarte sabelhouwen over zijn dronkemansgezicht liepen. Ge hebt je aan mijn zorgen toevertrouwd, niet waar? Nu, laat de regeling van het feestje dan ook aan mij over.
Gilquin had drie glaasjes cognac en vijf glazen bier gedronken. Hij hield de Charbonnels daar al een paar uren onder voorwendsel, dat zij er op die manier het eerste bij zouden zijn. Het was een klein koffiehuis, waar men heel netjes zat, zei hij, en hij was heel gemeenzaam met den kellner. De Charbonnels hoorden hem geduldig aan en verbaasden zich over zijn woordenrijkdom en de afwisseling in zijn onderwerpen; mevrouw Charbonnel had niets dan een glas suikerwater verlangd, mijnheer Charbonnel nam een glas anisette, zooals hij meermalen deed, in de club te Plassans. Intusschen sprak Gilquin over de doopplechtigheid, alsof hij dien morgen op de Tuileriën geweest was om inlichtingen in te winnen.
--De keizerin is erg in haar schik, zei hij. Ze heeft een prachtige bevalling gehad. O, 't is zoo'n flinke vrouw! Je zult eens zien hoe statig ze er uitziet.... De keizer is eergisteren uit Nantes teruggekomen, waar hij heengegaan was voor de overstroomingen.... Wat een ramp hè, die overstroomingen!
Mevrouw Charbonnel schoof haar stoel terug. Ze was eenigszins angstig voor de dichte menigte, die langs haar heen stroomde.
--Wat een menschen! mompelde zij.
--Te deksel, riep Gilquin, er zijn meer dan driehonderdduizend vreemdelingen in Parijs. Sedert acht dagen komen er dagelijks pleiziertreinen aan. Kijk daar heb je Normandiërs, en daar Gasconjers en die zijn uit Franche-Comté. O, ik haal ze er dadelijk uit! Ik heb zoowat overal rondgezworven.
Toen vertelde hij dat de gerechtshoven vakantie hielden, dat de Beurs gesloten was, dat alle kantoren hun bedienden vrijaf hadden gegeven. De heele stad vierde het doopfeest mee. En hij noemde cijfers, hij berekende wat de plechtigheid en de feesten wel zouden kosten. Het Wetgevende lichaam had vierhonderdduizend francs toegestaan; maar dat beteekende niets, want een palfrenier van de Tuileriën had hem den vorigen avond verzekerd dat de stoet alleen bijna tweehonderdduizend francs zou kosten. Als de keizer er maar een millioen van zijn civiele lijst bij hoefde te leggen, mocht hij van geluk spreken. De luiermand alleen kostte honderdduizend francs.
--Honderdduizend francs! herhaalde mevrouw Charbonnel verbluft. Maar waaruit bestaat ze dan? Wat heeft men er dan in gedaan?
Gilquin lachte toegevend. Er waren zulke dure kanten bij! Hij was vroeger reiziger in kanten geweest. En hij zette zijn berekening voort: vijftigduizend francs waren uitgeloofd ten behoeve der ouders van de wettige kinderen, die op denzelfden dag als de jonge prins geboren waren, en waarover de keizer en de keizerin peter en meter hadden willen zijn; vijf en tachtigduizend francs moesten besteed worden voor den aankoop van medailles voor de auteurs der cantates, die in de schouwburgen gezongen werden. Eindelijk vertelde hij nog breedvoerig hoe er nog honderdtwintigduizend herinneringsmedailles uitgedeeld werden aan de leerlingen van de lagere en de bewaarscholen, aan de onder-officieren en minderen van het Parijsche garnizoen. Hij had er een bij zich die hij liet zien. 't Was een medaille ter grootte van een halven franc, aan de eene zijde de beeltenissen van den keizer en de keizerin dragend, op de andere die van den keizerlijken prins, met den datum van de doopplechtigheid: 14 Juni 1856.
--Mag ik het van u hebben? vroeg mijnheer Charbonnel.
Gilquin stemde toe. Maar toen de goede man hem er een franc voor gaf, weigerde hij hooghartig, zeggende dat het hoogstens een halven franc waard was.
Intusschen beschouwde mevrouw Charbonnel de beeltenissen van het keizerlijk echtpaar. Ze werd verteederd.
--Ze zien er goedhartig uit, zei ze. Ze staan daar zoo naast elkaar, als brave menschen.... Zie eens, mijnheer Charbonnel, net twee hoofden op hetzelfde kussen, als men er zoo naar kijkt.
Toen kwam Gilquin weer op de keizerin terug, wier liefdadigheid hij uitbundig prees. In de negende maand van haar zwangerschap had zij heele namiddagen besteed met de oprichting van een opvoedingsgesticht voor arme jonge meisjes in de faubourg Saint-Antoine. Zij had tachtigduizend francs geweigerd, die bij vijf sous tegelijk onder het volk waren ingezameld, om den jongen prins een geschenk aan te bieden; die som gelds moest volgens haar wensch dienen voor den leertijd van een honderdtal weezen. Gilquin, die al licht aangeschoten was, zette vervaarlijk groote oogen, terwijl hij naar zachte stembuigingen en teedere woorden zocht, die den eerbied van den onderdaan met de hartstochtelijke bewondering van den man vereenigden. Hij verklaarde dat hij gaarne zijn leven zou opofferen voor die edele vrouw. Maar niemand sprak hem tegen. Het gedruis van de menigte in de verte scheen de echo van zijn loftuitingen. En de klokken van de Notre-Dame verkondigden hoog boven de huizen haar uitbundige vreugde.
--Het zal nu wel tijd worden om een plaatsje te zoeken, zei mijnheer Charbonnel beschroomd.
Mevrouw Charbonnel was reeds opgestaan en trok haar gele sjaal wat dichter om haar schouders.
--Zeker, mompelde zij. U wou een van de eersten zijn en nu blijven we hier zitten, zoodat al die menschen ons voor zijn.
Maar Gilquin werd boos. Hij sloeg met zijn vuist op het zinken blad van het tafeltje. Zou hij zijn Parijs soms niet kennen? En terwijl mevrouw Charbonnel zich verschrikt op haar stoel liet neervallen, riep hij den kellner toe:
--Jules, een absinth en sigaren!
Toen hij zijn groote knevels in zijn absinth gedoopt had, riep hij hem woedend terug.
--Hou je me voor den gek? Wil je dat bocht eens dadelijk meenemen en me die andere flesch geven, van Vrijdag!.... Ik ben reiziger in likeuren geweest, oude jongen. Je kan Théodore niet beetnemen!
Hij kwam weer tot kalmte, toen de kellner, die bang voor hem scheen te zijn, hem de verlangde flesch gebracht had. Toen klopte hij het echtpaar Charbonnel vriendschappelijk op den schouder en noemde ze papa en mama.
--Zoo, zoo, mamaatje, beginnen de voetjes u te jeuken? Nu, ze zullen nog genoeg te doen krijgen tot van avond! Nu, hoe is het, vadertje, zitten we hier niet opperbest, voor dit café? We zitten, we zien de menschen voorbijtrekken. Ik zeg u dat we den tijd hebben. Bestel intusschen wat.
--Dank u, we hebben genoeg gehad, verklaarde mijnheer Charbonnel.
Gilquin had een sigaar aangestoken. Hij leunde achterover, met de duimen in de armsgaten van zijn vest, zijn borst opzettende en wiegelend op zijn stoel. Een zalige uitdrukking kwam in zijn oogen. Plotseling kreeg hij een inval.
--Weet u wat? riep hij, morgen ochtend om zeven uur kom ik u afhalen, dan laat ik u alle feestelijkheden zien. Vindt u dat niet aardig?
De Charbonnels keken elkander ongerust aan. Maar hij zette zijn programma uitvoerig uiteen, met een stem als een dierentemmer. 's Morgens ontbijten in het Palais Royal en wandeling door de stad. 's Middags naar de esplanade des Invalides, militaire vertooningen, mastklimmen, driehonderd opgelaten ballons met peperhuisjes suikergoed, een groote ballon met een regen van bruidsuikers. 's Avonds, dineeren bij een wijnkoopman aan de quai de Billy dien hij kende, vuurwerk waarvan het hoofdnummer een doopkapel zou voorstellen, wandeling door de geïllumineerde straten. En hij vertelde hun van het vurige kruis dat men op het gebouw van het Legioen van eer zou ophijschen, van het tooverpaleis op de place de la Concorde, waarvoor negenhonderd vijftigduizend gekleurde glazen noodig waren, van den toren Saint-Jacques, waarvan het standbeeld hoog in de lucht een brandende fakkel zou schijnen. Daar de Charbonnels nog weifelden, boog hij zich naar hen over en ging hij op zachten toon voort:
--En bij het naar huis gaan loopen we even een melksalon in de rue de Seine binnen, waar men heerlijke kaassoep kan krijgen.
Toen durfden de Charbonnels niet langer weigeren. Hun ronde oogen drukten te gelijk nieuwsgierigheid en kinderlijke vreesachtigheid uit. Zij voelden zich aan de willekeur van dien verschrikkelijken man overgeleverd. Mevrouw Charbonnel mompelde:
--Ach, dat Parijs, dat Parijs!... Enfin, nu we er toch eenmaal zijn, moeten we alles zien. Maar als u eens wist, mijnheer Gilquin, hoe rustig we het in Plassans hadden! Ik heb daar ingemaakte groenten die staan te bederven, confituren, kersen op brandewijn, augurkjes...
--Wees maar niet bang, mamaatje, zei Gilquin, die hoe langer hoe vroolijker en gemeenzamer werd. Je wint je proces en dan vraag je mij te logeeren, hè? We zullen met ons allen dat ingemaakte goed wel opkrijgen.
Hij schonk zich weer een glas absinth in. Hij was nu geheel dronken. Een oogenblik lang keek hij de Charbonnels met een teederen blik aan. Hij ging graag openhartig met iemand om. Opeens rees hij overeind en met zijn armen zwaaiende, riep hij pst! pst! 't Was mevrouw Mélanie Correur, die in een zijden japon aan de overzijde op het trottoir liep. Zij keerde zich om en scheen het zeer onaangenaam te vinden, toen zij Gilquin zag. Maar zij stak toch de straat over, trotsch voortstappende als een prinses. En toen zij voor het tafeltje stond, liet zij zich lang bidden eer zij iets aannam.
--Kom, een glaasje likeur, zei Gilquin. Daar houdt u wel van... Weet u nog, in de rue Vanneau? Wat een schik hebben we toen gehad! O, die dikzak van een Correur!
Ze ging eindelijk zitten, toen er een luid gejuich door de menigte liep. Als door een stormwind opgeheven, vlogen de wandelaars vooruit, trappelend, als een losgebroken kudde. De Charbonnels waren werktuigelijk opgestaan om den stroom te volgen. Maar de zware hand van Gilquin drukte hen weer op hun stoelen neer. Hij was rood van kwaadheid.
--Stilzitten, voor den drommel! Wacht tot ik het zeg... Je ziet wel dat ze zich druk maken voor niets. Het is pas vijf uur, niet waar? 't Is de kardinaal-legaat, daar geven we niets om, hè? Ik vind het een beleediging dat de paus niet zelf gekomen is. Men is peetvader of men is het niet, zou ik denken!... Ik zweer je dat het kereltje het eerste halfuur nog niet voorbijkomt.
De dronkenschap maakte hem oneerbiedig. Hij had zijn stoel omgekeerd, blies den voorbijgangers den rook van zijn sigaar in het gezicht, lonkte de vrouwen toe en keek de mannen uitdagend aan. Op de pont Notre-Dame was er een verstopping van rijtuigen ontstaan; de paarden trappelden van ongeduld, uniformen van hooge ambtenaren en hoofdofficieren, met goud geborduurd en met ridderorden bezaaid, vertoonden zich aan de portieren.
--Allemaal klatergoud! mompelde Gilquin, met een minachtend lachje.
Maar toen een coupé de quai de la Mégisserie afkwam, sprong hij het tafeltje bijna omver, terwijl hij riep:
--Kijk, Rougon!
En staande wuifde hij met zijn gehandschoende hand. Toen, vreezende dat hij niet opgemerkt was, begon hij met zijn strooien hoed te wuiven. Rougon, wiens senatorskostuum veel bekijks had, dook snel in een hoekje van de coupé. Toen riep Gilquin hem door zijn halfgesloten vuist, bij wijze van roeper.
Op het trottoir bleven de menschen stil staan om te zien tegen wien die lange kerel in zijn geel linnen pakje het had. Eindelijk kon de koetsier de zweep over zijn paard leggen en de coupé reed de pont Notre-Dame op.
--Houd je toch stil! zei mevrouw Correur met gesmoorde stem, terwijl ze Gilquin bij een arm greep.
Hij wou niet dadelijk gaan zitten. Hij rekte zijn hals uit om de coupé te midden der andere rijtuigen te volgen. En hij gaf zijn hart lucht, achter de voortrollende wielen.
--Ha, omdat hij goud op zijn jas draagt, kent hij niemand, hè? Dat neemt toch niet weg, dikkerd, dat je meer dan eens de laarzen van Théodore hebt te leen gehad.
De menschen aan de tafeltjes om hem heen zetten groote oogen op; vooral aan het naaste tafeltje werd hij met groote belangstelling aangehoord door een familie, uit vader, moeder en drie kinderen bestaande. Hij was er trotsch op dat hij een aandachtig publiek had. Langzaam liet hij zijn blik over de bezoekers gaan en zeer luid zei hij, terwijl hij weer ging zitten:
--Rougon, dien heb ik gemaakt wat hij is!
Hij riep mevrouw Correur tot getuige. Zij wist er alles van. Het was in haar hôtel, in de rue Vanneau, gebeurd. Ze kon niet tegenspreken dat hij hem wel twintigmaal zijn laarzen geleend had, om zich naar deftige lui te begeven met wie hij zaken behandelde, waarvan niemand iets begrijpen kon. Rougon bezat toen ter tijd slechts een paar oude, versleten schoenen, waarvoor een uitdrager niets gegeven zou hebben. En met een zegevierend gezicht naar het naaste tafeltje, de familie in het gesprek halende, riep hij uit:
--Dat kan ze zeker niet tegenspreken. Ze heeft zelf zijn eerste paar nieuwe laarzen in Parijs betaald.
Mevrouw Correur draaide haar stoel wat om, ten einde den schijn te geven, alsof ze niet tot het gezelschap van Gilquin behoorde. De Charbonnels waren er bleek van geworden, toen zij op zoo'n manier over een man hoorden spreken, die hun vijfhonderd duizend francs bezorgen moest. Maar Gilquin was eenmaal op dreef; hij vertelde van a tot z hoe Rougon begonnen was. Hij zei, dat hij het heel wijsgeerig opvatte; hij lachte om de ondankbaarheid der menschen, hij was blij dat hij zichzelf kon achten. En nogmaals verzekerde hij dat Rougon zijn opkomst aan hem te danken had. Beiden leden zij honger op dezelfde verdieping. Toen was hij op den inval gekomen Rougon aan te sporen olijfolie te laten komen van een eigenaar in Plassans; en ze waren er beiden op uit gegaan, ieder een anderen kant, tot 's avonds tien uur toe, met proefjes olie in hun zakken. Rougon was geen handige verkooper; toch bracht hij soms mooie bestellingen thuis, die hij opdeed bij de deftige lui waar hij 's avonds kwam. O, die weergasche Rougon, zoo dom als een eend in allerlei zaken, en toch zoo slim! Wat had hij Théodore laten sloven, voor zijn politiek! Hier sprak Gilquin een toontje zachter en knipte daarbij met de oogen; hij had immers ook tot dat troepje behoord. Hij liep de kroegen van de barrière af, waar hij uit alle macht riep: Leve de republiek! Men moest ook wel republikein zijn, om menschen te werven. Het keizerrijk was hem een mooie kaars schuldig. Maar jawel, het keizerrijk bedankte hem niet eens. Terwijl Rougon en zijn kliek de taart deelden, gooide men hem de deur uit, als een schurftigen hond. Maar eigenlijk had hij dat ook liever, op die manier bleef hij onafhankelijk. Toch speet het hem nog altijd dat hij niet tot het laatste toe met de republikeinen was meegegaan, om al dat gespuis neer te schieten.
--Daar heb je den kleinen Du Poizat, die net doet of hij me niet meer kent! zei hij ten slotte. Een nieteling, wiens pijp ik meer dan eens gestopt heb!.... Du Poizat! Onder-prefect! Ik heb hem in zijn hemd gezien met de groote Amélie, die hem met éen klap de deur uitgooide, als hij lastig was.
Hij zweeg een oogenblik, plotseling verteederd, met de waterige oogen van een dronkaard. Toen hernam hij, zich tot de bezoekers om hem heen wendend:
-- Enfin, u hebt Rougon gezien. Ik ben even groot als hij en even oud. Ik vlei me dat mijn hoofd er een beetje minder gemeen uit ziet dan het zijne. Nu, zou ik niet beter passen in een rijtuig, dan dat groote zwijn, met al dat verguld op zijn lijf?
Maar op dit oogenblik verhief zich zoo'n gejuich op het plein voor het Stadhuis, dat de bezoekers er niet aan dachten hem te antwoorden. De menschen gingen weer aan het draven; men zag niets dan menschenbeenen in de lucht, terwijl de vrouwen haar rokken tot boven de knieën opnamen om harder te kunnen loopen. En toen het gejuich naderbij kwam, tot een gillend geschreeuw aangroeide, riep Gilquin:
--Hoep, daar is de dreumes! Betaal gauw, papa Charbonnel, en volgt me allen.
Mevrouw Correur hield een slip van zijn geel katoenen jas vast om hem niet kwijt te raken. Achter haar kwam mevrouw Charbonnel hijgend aan. Het scheelde weinig of men had mijnheer Charbonnel in den steek gelaten. Gilquin had zich vastberaden in de menigte geworpen, zich met zijn ellebogen een weg banende; en hij manoeuvreerde met zoo'n gezag dat de dichtste rijen zich voor hem openden. Toen hij aan de borstwering van de kade gekomen was, wees hij zijn gezelschap hun plaatsen aan. Hij tilde de dames op en zette ze op de borstwering neer, met de beenen naar de rivierzijde, ondanks de angstige gilletjes die zij uitstieten. Hij en mijnheer Charbonnel bleven achter ze staan.
--Zie zoo, poesjes, nu zit je op den eersten rang, zei hij om ze te kalmeeren. Weest maar niet bang! We zullen je vasthouden.
Hij sloeg beide armen om de gevulde gestalte van mevrouw Correur, die hem toelachte. Men kon niet boos worden op dien snaak. Intusschen zag men niets. In de richting van het plein voor het stadhuis was het een deining van hoofden, een onstuimig hoera-geroep; hoeden werden wuivend op en neer bewogen door onzichtbare handen; zij vormden boven de menigte een groote zwarte golf, die langzamerhand naderbij kwam rollen. Toen kwam er leven in de huizen op de quai Napoléon, tegenover het plein, aan de vensters verdrongen zich de toeschouwers met verrukte gezichten, met uitgestrekte armen wees men naar iets dat links bij de rue de Rivoli in aantocht was. Drie eindelooze minuten bleef de brug nog ledig. De klokken aan de Notre-Dame, als door een razende vreugde aangegrepen, luidden harder. Plotseling verschenen er trompetters op de ledige brug. Een zucht van voldoening ging door de opeengepakte menigte. Achter de trompetters en het muziekkorps dat op hen volgde, reed een generaal, vergezeld van zijn staf. Daarop volgden escadrons karabiniers, dragonders en guides; toen eerst kwamen de galarijtuigen. Er waren er eerst acht, ieder met zes paarden bespannen. In de eerste zaten hofdames, kamerheeren, officieren van het huis hunner keizerlijke majesteiten, eeredames van de groothertogin van Baden, die de peetmoeder vertegenwoordigde. En Gilquin, zonder mevrouw Correur los te laten, verklaarde haar dat de peetmoeder, de koningin van Zweden, zich al evenmin als de peetvader verwaardigd had zelf te komen. Toen het zevende en het achtste rijtuig voorbijkwamen, noemde hij de personen die er in zaten, met een gemeenzaamheid die aantoonde hoezeer hij met het hof bekend was. Die twee dames waren prinses Mathilda en prinses Marie. Die drie heeren waren koning Jérôme, prins Napoléon en de prins van Zweden, zij hadden de groothertogin van Baden bij zich. De stoet ging langzaam vooruit. Naast de portieren gingen lakeien, adjudanten, eereridders, die de teugels kort hielden om de paarden stapvoets te laten gaan.
--Waar is de kleine nu? vroeg mevrouw Charbonnel ongeduldig.
--Wel, ze hebben hem niet onder een bankje verstopt, zei Gilquin lachend. Hij komt zoo dadelijk.
Hij drukte mevrouw Correur nog wat vaster tegen zich aan, en zij liet hem begaan, omdat zij bang was dat zij vallen zou, zei ze. En de bewondering werkte aanstekelijk op hem; met schitterende oogen mompelde hij:
--Ik moet toch zeggen, 't is mooi! Wat zitten ze daar op hun gemak, in hun satijnen doozen!.... Als je nagaat dat ik daaraan meegewerkt heb!
Hij blies zich op; de stoet, de menigte, de heele horizon behoorde hem toe. Maar na de korte stilte die door de verschijning der eerste rijtuigen teweeggebracht was, brak weer een joelend geluid los; nu wuifden de hoeden op de kade zelf boven de golvende hoofden. Midden op de brug verschenen zes pikeurs van den keizer, met hun groene livrei, hun ronde mutsjes waaromheen de gouden franje van een grooten eikel afhingen. Eindelijk verscheen het rijtuig der keizerin, door acht paarden getrokken; het had vier lantaarns, op de vier hoeken; geheel van glas, groot, afgerond, geleek het op een grooten kristallen koffer, die op gouden wielen rustte. Binnenin onderscheidde men duidelijk in een wolk van witte kant, den keizerlijken prins op den schoot van de gouvernante der Kinderen van Frankrijk; naast haar zat de min, een mooie, zwaar gebouwde Bourgondische. Op eenigen afstand, na een groep stalknechten te voet en stalmeesters te paard, kwam het rijtuig des keizers, eveneens getrokken door acht paarden, even rijk als het vorige, waarin de keizer en de keizerin zaten te groeten. Naast de portieren van beide rijtuigen kregen de maarschalken, met onverstoorbare kalmte, het stof der wielen op hun rijkgeborduurde uniformen.
--Als de brug nu eens inzakte! zei Gilquin grinnikend, die pleizier vond in vreeselijke veronderstellingen.
Mevrouw Correur legde hem verschrikt het zwijgen op. Maar hij hield vol dat die ijzeren bruggen nooit erg stevig zijn; en toen de beide rijtuigen midden op de brug waren, beweerde hij dat hij haar zag doorbuigen. Wat een duikeling, potstausend! papa, mama en het kind zouden daar een aardig slokje water naar binnen krijgen! De rijtuigen rolden langzaam en zachtjes voort, de brug was zoo licht, met haar zachte buiging, dat het scheen alsof zij boven de rivier zweefden, in het blauwe water spiegelde zij zich af, als vreemdsoortige goudvisschen. De keizer en de keizerin leunden ietwat vermoeid tegen het gecapitonneerde satijn, blij dat ze een oogenblik uit de drukte waren en niet behoefden te groeten. De gouvernante der Kinderen van Frankrijk maakte ook gebruik van de gelegenheid om den kleinen prins, die van haar schoot gegleden was, wat op te richten, terwijl de min, voorovergebogen, hem door haar glimlach vroolijk hield. En de geheele stoet baadde in het zonlicht, de uniformen, de toiletten, de tuigen schitterden; de rijtuigen wierpen een dansenden weerschijn op de donkere huizen van de quai Napoléon. Heel in de verte, boven de brug verhief zich als de achtergrond van dit schilderij, de monumentale reclame, op den muur van het hooge huis op het eiland Saint-Louis, de groote grijze overjas, waaruit het lichaam verdwenen was, waarvan de zon een schitterende apotheose maakte.
Gilquin merkte de jas op, juist toen zij boven de beide rijtuigen uitstak. Hij riep: