Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 7
Zij moest hem de hand op den mond leggen.
--Och, die is ook al getrouwd, riep ze boos, hij is niets aardig! Ik heb zijn vrouw bij u gezien, een vervelend mensch! Ze heeft me uitgenoodigd hun fabriek in Bourges te komen bezichtigen.
Ze nam den laatsten hap van haar eerste boterham en dronk daarop een grooten teug water. Haar beenen hingen langs de tafel neer, en terwijl ze, ietwat voorovergebogen, het hoofd achterover hield, schommelde ze met haar beenen, met een werktuigelijke beweging, waarvan Rougon den rythmus volgde. Bij iedere beweging werden haar kuiten dikker, onder het gaas.
--En mijnheer Du Poizat? vroeg ze, na een korte stilte.
--Du Poizat is onder-prefect geweest, antwoordde hij eenvoudig. Zij keek hem aan, verbaasd over de kortheid van dat verslag.
--Dat weet ik, zei ze. En verder?
--Verder, wordt hij later prefect, en dan zal men hem decoreeren.
Zij begreep dat hij niets meer wilde uitlaten. Trouwens, zij had den naam Du Poizat met zekere onverschilligheid genoemd. Nu telde zij de heeren op haar vingers; ze begon met den duim en mompelde:
--Mijnheer d'Escorailles, die is niet ernstig genoeg, hij raakt op alle vrouwen verliefd. Mijnheer La Rouquette, onnoodig, dien ken ik al te goed. Mijnheer de Combelot, ook al getrouwd...
En toen zij bij den ringvinger ophield en niemand meer wist, zei Rougon, haar strak aanziende:
--U vergeet Delestang.
--Dat is waar! riep ze. Vertel me eens wat van hem?
--'t Is een knap man, hernam hij, haar steeds aankijkende. Hij is zeer rijk. Ik heb hem altijd een groote toekomst voorspeld.
Hij ging op dien toon voort, kwistig met loftuitingen en de cijfers verdubbelend. De modelhoeve van la Chamade was twee millioen waard. Delestang zou het ongetwijfeld nog eens tot minister brengen. Maar zij hield een minachtenden trek om den mond.
--Hij is erg dom, klonk het eindelijk.
--Nu, zei Rougon, met een fijn lachje.
Hij scheen haar gezegde allergrappigst te vinden. Maar zij deed hem weer een andere vraag, terwijl zij op haar beurt hem strak aankeek.
--U kent mijnheer de Marsy zeker heel goed?
--Ja zeker, we kennen elkander, zei hij bedaard, als vond hij het vermakelijk dat zij hem daar naar vroeg. Maar hij werd weer ernstig. Zijn oordeel klonk zeer waardig, zeer billijk.
--'t Is een man van een buitengewone scherpzinnigheid, zei hij. Ik reken het tot een eer hem tot vijand te hebben. Hij heeft aan alles gedaan. Op acht en twintigjarigen leeftijd was hij kolonel. Later stond hij aan het hoofd van een groote fabriek. Daarna heeft hij zich bezig gehouden met landbouw, financiën, handel. Men verzekert zelfs dat hij portretten geschilderd en romans geschreven heeft.
Clorinde vergat te eten en staarde droomend voor zich uit.
--Ik heb op een avond met hem gesproken, zei ze halfluid. Hij is heel knap.... Een zoon van een koningin!
--Ik vind, zei Rougon, dat zijn geestigheid hem in den weg staat. Ik heb een ander denkbeeld van kracht. Ik heb hem eens kwinkslagen hooren maken bij een zeer ernstige gelegenheid. Enfin, hij heeft zijn weg gemaakt, hij heeft evenveel macht als de keizer. Al die bastaards hebben geluk!.... Maar hij heeft daarbij een ijzeren vuist, onverschrokken, vastberaden, en toch heel fijn en lenig.
Onwillekeurig had het meisje naar Rougon's groote handen gekeken.
Hij had het opgemerkt, en lachend hernam hij:
--Ja, ik heb lompe handen, niet waar? Daardoor heb ik het nooit met Marsy kunnen vinden. Hij sabelt de menschen netjes neer, zonder zijn witte handschoenen vuil te maken. Ik daarentegen vel ze met mijn vuisten neer.
Hij had zijn vuisten gebald, dikke vuisten met behaarde vingers, en hij schudde ze heen en weer, gelukkig ze zoo groot te zien. Clorinde nam haar tweede boterham en hapte er in, nog steeds peinzend. Eindelijk hief zij de oogen naar Rougon op.
--En u? vroeg zij.
--Wilt u mijn geschiedenis hooren? zei hij. Niets gemakkelijker dan dat. Mijn grootvader verkocht groenten. Ik zelf heb als advocaat tot mijn achtendertigste jaar in mijn provincie een onbekend, armzalig leven geleid. Ik heb niet zooals onze vriend Kahn mijn schouders versleten met het steunen van alle regeeringen. Ik kom niet zooals Béjuin van de Polytechnische school. Ik draag noch den mooien naam van den kleinen Escorailles, noch den mooien baard van dien armen Combelot. Ik heb niet zulke goede familiebetrekkingen als La Rouquette, die zijn zetel als afgevaardigde te danken heeft aan zijn zuster, de weduwe van generaal de Lorentz, tegenwoordig hofdame. Mijn vader heeft niet, zooals de oude Delestang, vijf millioen nagelaten. Ik ben niet geboren op de treden van een troon zooals de graaf de Marsy, en ik ben niet opgegroeid onder de lessen van een wijze vrouw of onder de liefkoozingen van Talleyrand. Neen, ik ben een homo novus, ik heb niets dan mijn vuisten....
En hij sloeg zijn vuisten tegen elkander, met een luiden lach, alsof hij schertste. Maar hij had zich opgericht, hij scheen steenen tusschen zijn gesloten vuisten te verbrijzelen. Clorinde bewonderde hem.
--Ik was niets, ik zal nu worden wat ik verkies, ging hij voort, in zich zelf sprekend. Ik voel mijn kracht. Ik haal mijn schouders op als ik denk aan die anderen met hun toewijding aan het keizerrijk! Hebben ze er mee op, zouden ze zich niet even goed in iederen anderen regeeringsvorm schikken? Ik ben met het keizerrijk opgekomen; ik heb het gemaakt en wederkeerig heeft het mij gemaakt.... Ik ben ridder geworden na den 10en December, officier in Januari 1852, kommandeur den 15en Augustus 54, grootkruis drie maanden geleden. Onder het presidentschap ben ik een poosje met de portefeuille van Openbare werken belast geweest; later heeft de keizer me een zending naar Engeland opgedragen, nog later, ben ik in den Staatsraad en in den Senaat gekomen....
--En waar komt ge morgen? vroeg Clorinde met een lachje, waaronder zij haar brandende nieuwsgierigheid trachtte te verbergen.
Hij keek haar aan en hield plotseling op.
--U is wel nieuwsgierig, juffrouw Machiavel, zei hij.
Toen begon ze nog harder met haar beenen te schommelen. Rougon, ziende dat ze weer in gepeinzen verdiept was, vond het een geschikt oogenblik om haar uit te hooren.
--De vrouwen.... begon hij.
Maar zij liet hem niet uitspreken; met starenden blik, glimlachend om haar eigen gedachten, mompelde ze halfluid:
--O, de vrouwen hebben iets anders.
Dat was haar eenige bekentenis. Ze at haar boterham op, ledigde haar glas in éen teug en stond met éen sprong, die haar vaardigheid in het paardrijden bewees, boven op de tafel.
--Hei, Luigi! riep zij.
De schilder had al een oogenblik met verbeten ongeduld om hen beiden rondgedrenteld. Met een zucht nam hij weer plaats. De drie minuten rust, die Clorinde gevraagd had, waren tot een kwartier aangegroeid. Maar nu stond ze weer op de tafel, gehuld in haar kanten doek. Toen zij haar pose teruggevonden had, liet ze den doek met een enkele beweging afglijden. Ze werd weer een marmeren beeld, ze had geen schaamte meer.
In de Champs-Elysées reden de rijtuigen minder druk. De ondergaande zon bescheen de avenue en de boomen werden als gepoederd met een gouden stof, dat de wielen, naar het scheen, hadden doen opstuiven. Onder het wegstervende daglicht dat door de hooge vensters viel, kregen Clorinde's schouders een weerschijn van goud.
--Gaat dat huwelijk van mijnheer de Marsy met die prinses uit Walachije nog door? vroeg ze een oogenblik later.
--Ik denk het wel, antwoordde Rougon. Ze is schatrijk. Marsy zit altijd om geld verlegen. En daarbij moet hij dol op haar zijn.
De stilte werd niet meer verbroken. Rougon dacht niet meer aan heengaan. Hij liep nadenkend op en neer. Die Clorinde was toch een innemend meisje. Hij dacht aan haar alsof hij haar al lang verlaten had; en met neergeslagen blik verdiepte hij zich in zeer aangename gedachten. Het was hem te moede alsof hij uit een lauw bad kwam, met een heerlijk loom gevoel in de leden. Een eigenaardige geur, scherp en toch eenigszins zoet, drong in hem. Wat zou hij dat heerlijk gevonden hebben, als hij op een van de sofa's in dien geur had kunnen inslapen.
Plotseling werd hij door een geluid van stemmen wakker geschrikt. Een groote grijsaard, dien hij niet had zien binnenkomen, drukte Clorinde, die zich glimlachend vooroverboog, een kus op het voorhoofd.
--Goeden dag, lief kind, zei hij. Wat ben je mooi! En laat je zoo alles zien wat je hebt?
Hij liet een zacht gegrinnik hooren en toen Clorinde verlegen haar kanten doek opraapte, hernam hij levendig:
--Neen, neen, 't is heel mooi, hoor, je kan gerust alles laten zien.... Ach, kind, ik heb in mijn leven al zooveel gezien.
Zich daarop tot Rougon wendende, dien hij "waarde collega" noemde, drukte hij hem de hand en zei:
--Als klein ding heeft ze menigmaal op mijn schoot gezeten! Nu, heeft ze een borst om iemand een oog uit te steken!
Het was de oude heer de Plouguern. Hij was zeventig jaar. Onder Louis-Philippe door le Finistère naar de Kamer afgevaardigd, werd hij een der legitimistische kamerleden die den pelgrimstocht naar Belgrave-Square deden; hij nam zijn ontslag na het onteerend votum, dat hem en zijn metgezellen trof. Later, na de Februari-dagen, toonde hij een plotselinge voorkeur voor de republiek, die hij op de banken van de Constituante vol geestdrift toejuichte. Nu de keizer hem een welverdiende rustplaats in den Senaat had verzekerd, was hij bonapartist. Maar hij wist dat te zijn als een edelman. Zijn groote nederigheid veroorloofde zich somtijds de weelde van een beetje oppositie. Twijfelaar in merg en been, verdedigde hij toch den godsdienst en den familieband. Hij meende dat aan zijn naam verschuldigd te zijn, een der beroemdste namen uit Bretagne. Op zekere dagen vond hij het keizerrijk onzedelijk en hij verkondigde dat hardop. Zelf had hij een avontuurlijk, losbandig leven geleid, men vertelde dingen van hem als grijsaard, die den jongelui wat te denken gaven. Op een reis door Italië leerde hij gravin Balbi kennen, wier minnaar hij bijna dertig jaar bleef; na een scheiding, die soms jaren duurde, kwamen zij weer voor enkele nachten samen, in de steden waar zij elkander ontmoetten. Het praatje liep dat Clorinde zijn dochter was, maar de gravin wist er al even weinig van als hij; en sedert het meisje tot vrouw was opgegroeid, mollig en begeerlijk, beweerde hij dat hij vroeger veel met haar vader omgegaan had. Hij verslond haar met zijn oogen, waarin de oude gloed gebleven was, en hij veroorloofde zich als oud vriend zeer vertrouwelijke vrijheden met haar. Mijnheer de Plouguern, groot, mager, beenig, geleek veel op Voltaire, voor wien hij een geheime vereering koesterde.
--Oom, kijk je niet eens naar mijn portret? riep Clorinde. Zij noemde hem oom, uit vriendschap. Hij was achter Luigi gaan staan, en kneep de oogen half dicht, als een kenner.
--Kostelijk! mompelde hij.
Rougon trad naderbij, Clorinde zelfs sprong van de tafel om te zien. En alle drie stonden ze er over verrukt. Het schilderij was zeer netjes. De schilder had een achtergrond aangebracht van rose, wit en geel, heel dun opgestreken, zoodat het de bleeke tinten van een aquarel had. En het gelaat glimlachte als een poppengezichtje, met zijn gebogen lippen en wenkbrauwen, zijn wangen met zacht vermiljoen getint. Het was een Diana om op een pastilledoos te zetten.
--O, zie toch eens, daar bij het oog, dat vlekje, zei Clorinde, vol bewondering in de handen klappende. Die Luigi, hij vergeet niets.
Rougon, die schilderijen gewoonlijk vervelend vond, was er verrukt over. Op dit oogenblik begreep hij de kunst en met overtuiging sprak hij zijn oordeel uit:
--'t Is verwonderlijk mooi geteekend.
--En de kleur is uitmuntend, hernam mijnheer de Plouguern. Die schouders zijn werkelijk vleesch.... Heel bevallig, die borsten. De linker vooral is zoo frisch als een roos.... Wat een armen, hè! Dat lieve kind heeft verbazende armen! Ik vind die zwelling boven de plooi van den arm prachtig gevormd.
En zich tot den schilder wendende:
--Mijnheer Pozzo, ging hij voort, ik maak u mijn compliment. Ik had al eens een Baigneuse van u gezien. Maar dit portret zal nog beter zijn. Waarom exposeert u het niet? Ik heb een diplomaat gekend die uitstekend viool speelde, dat heeft hem niet belet vooruit te komen.
Luigi boog, zeer gevleid. Intusschen begon het donker te worden en daar hij nog een oor wou afmaken, verzocht hij Clorinde nog tien minuten te poseeren. Mijnheer de Plouguern en Rougon zetten hun gesprek over schilderkunst voort. Laatstgenoemde bekende dat hij door speciale studiën in de onmogelijkheid verkeerd had de artistieke beweging van de laatste jaren te volgen, maar hij verzekerde dat de schoone kunsten zijn bewondering wegdroegen. Hij verklaarde eindelijk dat de kleur hem tamelijk koud liet; een mooie teekening voldeed hem ten volle, wanneer zij in staat was het gemoed te verheffen en grootsche gedachten op te wekken. Wat mijnheer de Plouguern betreft, hij vond slechts de oude school mooi; hij had alle museums van Europa bezocht, hij begreep niet hoe men den moed nog had om te schilderen. Toch had hij de vorige maand nog een klein salon laten versieren door een kunstenaar, dien niemand kende en die toch werkelijk veel talent had.
--Hij heeft me kleine Amors, bloemen en bladeren geschilderd, die bijzonder fraai zijn, zei hij. Men zou de bloemen bepaald plukken. En er zijn insecten in, vlinders, vliegen, kevers, die er als levend uitzien. Heel vroolijk, in éen woord.... Ik houd van vroolijke schilderstukken.
--De kunst is niet gemaakt om te vervelen, besloot Rougon.
Terwijl zij zoo naast elkander op en neer drentelden, trapte mijnheer de Plouguern op iets, dat met een lichten knal uiteen barstte.
--Wat is dat? riep hij.
Hij raapte een rozenkrans op, die van een fauteuil gegleden was, waarop Clorinde haar zakken geledigd had. Een der glazen kralen, bij het kruis, was tot gruis getrapt; van het kruis zelf, een klein zilveren kruisje, was een der armen omgebogen en platgedrukt. De grijsaard hield den rozenkrans met een spottend lachje omhoog en zei:
--Kindlief, waarom laat je die snuisterijen slingeren?
Maar Clorinde was vuurrood geworden. Ze sprong van de tafel, met gezwollen lippen en door drift benevelde oogen, en haastig een doek om haar schouders slaande, stotterde zij:
--Slecht mensch, hij heeft mijn rozenkrans gebroken!
En zij rukte hem uit zijn handen. Zij huilde als een kind.
--Wel, wel, zei mijnheer de Plouguern, nog altijd lachend. Zie toch eens dat devote schepseltje! Laatst had ze me bijna de oogen uit het hoofd gekrabd, omdat ik, een palmtak in haar alkoof ziende, aan haar vroeg wat ze met dat bezempje veegde.... Huil maar niet meer, domme meid! Ik heb toch niets van onzen lieven Heer gebroken.
--Ja, ja, riep ze, u hebt hem kwaad gedaan.
Zij verwijderde met haar bevende handen het overschot van de glazen kraal. Toen wou ze, met een nieuwe uitbarsting van droefheid, het kruis recht buigen. Ze veegde het met haar vingertoppen af, alsof ze bloeddruppels op het metaal had gezien.
--Ik heb het van den paus gekregen, mompelde zij, toen ik hem voor de eerste maal met mama bezocht. De paus kent me heel goed; hij noemt me "zijn mooie apostel", omdat ik eens tot hem gezegd heb dat ik graag voor hem zou sterven.... Een rozenkrans die me geluk aanbracht. Nu heeft hij geen kracht meer, nu trekt hij den duivel aan....
--Geef hem maar eens hier, zei mijnheer de Plouguern. Je zult je nagels stuk maken.... Zilver is hard, lief kind.
Hij nam den rozenkrans en trachtte heel voorzichtig den arm van het kruisje om te buigen, zonder hem te breken. Clorinde schreide niet meer, maar keek oplettend toe. Rougon stak ook lachend zijn hoofd vooruit; hij was, treurig genoeg, zoo ongodsdienstig dat het jonge meisje tweemaal op het punt geweest was hem haar vriendschap te ontzeggen, om zijn ongepaste aardigheden.
--Drommels! zei mijnheer de Plouguern halfluid, je lieve Heer is alles behalve zacht. Ik ben bang dat ik hem in tweeën zal breken.... Maar dan krijg je een ander van me, hoor, kindlief!
Hij probeerde het nog eens. Het kruisje brak.
--Ach, zie je wel, riep hij. Nu is het gebroken.
Rougon begon te lachen. Maar Clorinde keek hen met een donkeren blik en een van woede vertrokken gezicht aan, en met haar gebalde vuisten dreef zij ze voort, alsof zij ze de deur had willen uitjagen. Ze schold ze uit in het Italiaansch, buiten zichzelve van drift.
--Ze slaat ons, ze slaat ons, riep mijnheer de Plouguern vroolijk.
--Dat zijn de vruchten van het bijgeloof, mompelde Rougon binnensmonds.
De grijsaard hield op met schertsen, en keek dadelijk ernstig, en terwijl de groote man zijn meening zei over den verderfelijken invloed van de geestelijkheid, de jammerlijke opvoeding van de katholieke vrouwen, den achteruitgang van het aan priesters overgeleverde Italië, verklaarde hij op drogen toon:
--De godsdienst maakt de staten groot.
--Wanneer hij er niet als een kanker invreet, antwoordde Rougon. De geschiedenis bewijst het. Als de kiezer de bisschoppen met in bedwang houdt, krijgt hij ze spoedig allemaal op den hals.
Toen maakte mijnheer de Plouguern zich op zijn beurt boos. Hij verdedigde Rome. Hij sprak van de ervaring, die hij in zijn gansche leven had opgedaan. Zonder godsdienst keerden de menschen tot den toestand van redelooze schepsels terug. De tijd waarin ze nu leefden, was een verfoeielijke tijd; nog nooit had de ondeugd zoo onbeschaamd gezegevierd, de goddeloosheid de gemoederen zoo op een dwaalspoor geleid.
--Spreek me niet van uw keizerrijk! riep hij eindelijk uit. 't Is een bastaard van de revolutie.... O, we weten het wel, het ideaal van uw keizerrijk is de vernedering der kerk. Maar we zullen ons niet als schapen ter slachtbank laten leiden.... Probeer het maar eens, mijn waarde heer Rougon, uw stellingen in den Senaat te verkondigen.
--Och, geef hem geen antwoord, zei Clorinde.... Als u hem tot het uiterste dreef, zou hij Christus bespuwen. Hij komt in de hel.
Rougon boog onder die verwijten het hoofd. Er ontstond een stilte. Het meisje zocht het gebroken stukje van het kruis op den vloer; toen zij het gevonden had, vouwde zij het zorgvuldig met den rozenkrans in een stuk krant. Ze kwam weer tot kalmte.
--O, ja, lieveling, hernam mijnheer de Plouguern plotseling, ik heb je nog niet eens verteld waarom ik eigenlijk kwam. Ik heb een loge in het Palais-Royal, en nu wou ik je meenemen.
--Die goede oom! riep Clorinde, met een kleur van pleizier. Ik ga ma wakker roepen.
Zij omhelsde hem "voor de moeite," zei zij. En zich tot Rougon wendend, zei ze glimlachend, met uitgestoken hand:
--U is toch niet boos op me! Maar dan moet u me niet meer kwaad maken met uw heidensche begrippen.... Ik kan het niet uitstaan, als ze me met den godsdienst plagen. Ik zou er mijn beste vrienden voor in den steek laten.
Luigi had intusschen zijn ezel in een hoek gezet; hij begreep dat hij het oor niet meer af kon maken. Hij nam zijn hoed en tikte het meisje op den schouder, om haar te waarschuwen dat hij heenging. En ze ging met hem mee tot op het portaal, ze trok zelfs de deur achter zich dicht; maar zij namen zoo luidruchtig afscheid, dat men een gilletje van Clorinde hoorde, dat verloren ging in een gesmoord gelach. Toen ze weer binnen kwam, zei ze:
--Ik ga me verkleeden, als oom me tenminste zoo niet mee wil nemen.
En ze vermaakten zich alle drie kostelijk om dat kluchtige idee. De schemering viel in. Toen Rougon heenging, ging Clorinde mee de trap af. Mijnheer de Plouguern bleef een oogenblik alleen, terwijl zij een japon aan trok. Het was al donker op de trap. Zij ging vooruit, zonder een woord te spreken, zoo langzaam, dat hij haar gazen tuniek tegen zijn knieën voelde schuiven. Voor de deur van haar kamer gekomen, trad zij binnen; na nog een paar stappen keerde zij zich om. Hij was haar gevolgd. Daar stond het onopgemaakt bed, in het flauwe licht van de twee vensters, de vergeten waschkom, de kat die nog altijd op de neergeworpen kleeren te slapen lag.
--U is niet boos op me? herhaalde ze bijna fluisterend, terwijl zij hem de handen toereikte.
Hij verzekerde van neen. Hij had haar handen gevat, en ging langs de armen tot boven de ellebogen, voorzichtig tastende in de zwarte kant, opdat zijn dikke vingers niets zouden scheuren. Ze hief de armen ietwat op, als om hem het werk gemakkelijk te maken. Ze stonden in de schaduw van het tochtscherm, zoodat zij elkanders gelaat niet konden zien. En in die kamer, waarvan de bedompte lucht hem een weinig benauwde, vond hij dien scherpen, maar toch eenigszins zoeten geur terug, die hem reeds vroeger bedwelmd had. Maar toen zijn handen, boven de ellebogen gekomen, brutaal werden, voelde hij Clorinde op eens ontsnappen en hoorde hij haar door de open deur roepen:
--Antonia, breng licht en geef me mijn grijze japon.
Toen Rougon in de avenue des Champs-Elysées kwam, bleef hij een oogenblik stilstaan om de frissche lucht op te snuiven, die van de hoogten van den Triomfboog neerstreek. In de avenue, waar geen rijtuig meer te zien was, werden de lantarens een voor een aangestoken, in de duisternis schenen die plotseling opflikkerende vlammetjes een loopvuur van schitterende vonken. Hij had een gevoel, alsof al zijn bloed hem naar de hersenen gestegen was. Hij streek met de hand over zijn gelaat en zei hardop:
--Neen, dat zou al te dwaas zijn!
III.
De stoet voor de doopplechtigheid zou om vijf uur van het paviljoen de l'Horloge vertrekken. De vastgestelde weg was door de groote laan van den tuin der Tuileriën, place de la Concorde, rue de Rivoli, place de l'Hôtel-de-Ville, pont d'Arcole, rue d'Arcole en place du Parvis.
Om vier uur was er reeds een ontzaglijke menigte op de pont d'Arcole. Daar, in die opening die de rivier in de stad maakte, kon een geheel volk post vatten. 't Was een plotselinge verruiming van den horizon, met de spits van het eiland Saint-Louis in de verte, waarover de pont Louis-Philippe een zwarte streep trok; ter linkerzijde ging de kleine arm in een opeenhooping van lage gebouwtjes verloren; rechts opende de groote arm een verschiet, in een paarsachtig waas gehuld, waarin men de groene vlek der boomen van de Port-aux-Vins ontwaarde. Verder vormden aan weerszijden, van de quai Saint-Paul tot de quai de la Messagerie en van de quai Napoléon tot de quai de l'Horloge, de trottoirs lange wegen; terwijl de place de l'Hôtel-de-Ville, tegenover de brug, een groote vlakte aanbood. En boven die uitgestrekte ruimten spande de hemel, een warme, zuivere Juni-hemel, zijn oneindig blauw.
Toen het halfvijf sloeg, was het overal vol. Langs de trottoirs stonden onafzienbare rijen nieuwsgierigen tegen de borstweringen aangedrukt. Een zee van menschenhoofden, die steeds meer kwam aangolven, vulde het plein voor het stadhuis. Voor de wijdgeopende vensters van de oude huizen op de quai Napoléon stapelden de gezichten zich op; en zelfs achter uit de donkere steegjes, die op de rivier uitkwamen, zag men vrouwenmutsen, waarvan de linten in den wind fladderden. De pont Notre-Dame vertoonde een rij toeschouwers, die met de ellebogen op de steenen ballustrade leunden, als op het fluweel van een kolossale tribune. Aan het andere einde, heel in de verte, was het op de pont Louis-Philippe een gewriemel van zwarte stippen; terwijl nu en dan een licht kleedje verscheen in de meest verwijderde vensteropeningen der gele en grijze gevels van de huizen, op de spits van het eiland. Er stonden menschen op de daken, tusschen de schoorsteenen. Op de quai de la Tournelle stond men, met verrekijkers gewapend, boven op de terrassen.
Maar wat men overal zien kon, van af de kaden, de bruggen, van uit de vensters, dat was aan den horizon, op den kalen muur van een huis van zes verdiepingen, op het eiland Saint-Louis, het profiel van een reusachtige grijze overjas, in fresco geschilderd, met haar linkermouw aan den elleboog omgevouwen, alsof het kleedingstuk de houding en de ronding van een verdwenen lichaam behouden had. Die monumentale reclame kreeg in de zon, boven dat gewemel der wandelaars, een buitengewone belangrijkheid.