Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 6

Chapter 64,041 wordsPublic domain

Zij zei dat op een trotschen toon, zonder een gebaar, in haar godinnenhouding op de tafel staande. Rougon, op zijn beurt heel ernstig, trad een stap terug en keek haar opmerkzaam aan. Ze was werkelijk prachtig, met haar zuiver profiel, haar slanken hals, die met een zachte ronding op haar schouders rustte. Haar buste vooral was heerlijk schoon. Haar ronde armen en beenen glansden als marmer. Haar linkerheup stak vooruit, zoodat haar bovenlijf ietwat gebogen was; ze hield de rechterhand omhoog, van den oksel tot den hiel liep een krachtige, buigzame lijn, ingebogen bij de taille, zich welvend bij de dij. Met de andere hand steunde zij op haar boog, met het rustige, krachtbewuste uiterlijk van de jachtgodin der oudheid, onbekommerd om haar naaktheid, vol minachting voor de liefde der mannen, koud, trotsch, onsterfelijk.

--Heel mooi, heel mooi, mompelde Rougon, niet wetend wat hij zeggen zou. Eigenlijk vond hij haar hinderlijk, met haar onbeweeglijkheid als van een standbeeld. Ze scheen zoo zegevierend, zoo zeker van haar klassieke schoonheid, dat hij, als hij gedurfd had, haar gecritiseerd zou hebben als een marmeren beeld waarvan enkele forsche vormen zijn burgerlijke oogen kwetsten; hij zou een dunner middel, minder breede heupen, een minder laag geplaatste borst verkozen hebben. Plotseling kwam een onbeschaamde begeerte in hem op haar bij de kuiten te nemen. Hij moest zich van de tafel verwijderen, om niet aan die begeerte te voldoen.

--Hebt u genoeg gezien? vroeg Clorinde, nog steeds ernstig. Wacht, hier is iets anders.

En plotseling was zij geen Diana meer. Zij liet haar boog vallen en ze was Venus. De handen achter om het hoofd geslagen, het bovenlijf eenigszins achterovergebogen, zoodat de borsten hooger rezen, glimlachte zij met halfgeopende lippen. den blik dwalend, het gelaat als in een zonneglans gehuld. Zij scheen kleiner, haar ledematen dikker, en het was hem alsof hij een warme trilling van begeerte over haar satijnen huid zag golven. Ze bood zich aan, maakte zich begeerlijk, als een onderworpen minnares, die geheel in een omhelzing wil genomen worden.

De heeren Brambilla, Staderino, en Viscardi klapten ernstig in de handen, zonder hun gezicht uit den sombere samenzweerdersplooi te brengen.

--Brava, brava, brava!

Mijnheer La Rouquette juichte haar geestdriftig toe, terwijl ridder Rusconi, die de tafel genaderd was, om de jonge dame een cigarette aan te reiken, haar met een verrukten blik aanstaarde en met het hoofd wiegelde, alsof hij de maat sloeg bij zijn bewondering.

Rougon zei niets. Hij kneep zijn handen met zooveel kracht ineen, dat zijn vingers kraakten. Een lichte rilling liep hem van den nek tot aan de voeten. Toen dacht hij niet meer aan heengaan; hij zette zich in een armstoel neer. Maar zij had weer haar vroegere houding hernomen, vroolijk lachend, haar cigarette met omgekrulde lip rookend. Zij vertelde dat zij dolgraag tooneelspeelster had willen worden, ze had alles kunnen weergeven, toorn, liefde, schaamte, afgrijzen; en door haar houding en haar mimiek stelde zij allerlei personen voor. Plotseling zei ze:

--Mijnheer Rougon, wil ik u eens nadoen zooals u in de Kamer spreekt?

Ze blies zich op, zette haar borst uit, en diep ademhalend stak zij haar vuisten vooruit, met zoo'n grappig gebaar en zoo waar in haar overdrijving, dat iedereen er verrukt over was. Rougon lachte als een kind; hij vond haar aanbiddelijk, geestig en verontrustend.

--Clorinda, Clorinda, mompelde Luigi, terwijl hij met zijn schildersstokje op den ezel tikte.

Zij was zoo ongedurig, dat hij niet kon werken. Hij had het houtskoolpijpje neergelegd, en bracht nu kleuren op het doek. Hij bleef ernstig onder al het gelach, hief vurige blikken op naar het jonge meisje en keek nijdig naar de mannen met wie zij schertste. Hij was het eerst op de gedachte gekomen haar uit te schilderen in dat kostuum van Diana, de godin der jacht, waarover heel Parijs den mond vol had, sedert het laatste gezantschapsbal. Hij noemde zich haar neef, omdat zij in dezelfde straat, in Florence, geboren waren.

--Clorinda! herhaalde hij op toornigen toon.

--Luigi heeft gelijk, zei zij. Ge maakt te veel leven!.... Komaan, aan het werk!

En zij nam weer haar olympische houding aan. Ze werd weer een mooi marmeren beeld. Mijnheer La Rouquette alleen trommelde zachtjes met zijn vingertoppen op den arm van zijn leuningstoel. Rougon, achterover leunend, keek Clorinde aan; hij verdiepte zich allengs in mijmeringen, waarin het meisje buitensporig groote verhoudingen aannam. Een vrouw was toch een verwonderlijk samenstel. Hij had daar nooit zoo over nagedacht. Hij begon nu in te zien dat zoo'n mechanisme buitengewoon ingewikkeld was. Een oogenblik had hij een duidelijke intuïtie van de kracht van die bloote schouders, dat zij in staat zouden zijn een wereld te doen wankelen. Voor zijn benevelden blik werd Clorinde steeds grooter, bedekte zij de geheele vensteropening met haar reusachtige gestalte. Maar hij knipte met de oogleden en vond haar veel minder groot en dik dan hijzelf op de tafel terug. Toen kwam er een glimlach op zijn gelaat; als hij gewild had, zou hij haar als een klein meisje kunnen afranselen; en hij stond verbaasd dat hij een oogenblik bang voor haar geweest was.

Intusschen deed zich aan het andere einde der galerij een zacht geluid van stemmen hooren. Rougon spitste zijn ooren uit gewoonte, maar hij hoorde slechts een paar Italiaansche woorden. Ridder Rusconi, die achter de meubels om gegaan was, leunde met de hand op den rug van den armstoel der gravin, terwijl hij zich eerbiedig naar haar overboog; hij scheen haar iets heel uitvoerig te vertellen. De gravin knikte goedkeurend. Een enkele maal maakte zij echter een heftige afwijzende beweging en de ridder boog zich nog meer over, en suste haar met zijn zangerige stem, die klonk als het gekweel van een vogel. Rougon slaagde er door zijn kennis van het provençaalsch in, enkele woorden op te vangen, die hem zeer ernstig stemden.

--Mama, riep Clorinde plotseling uit, hebt u den ridder het telegram van gisteren avond laten zien?

--Een telegram! herhaalde de ridder hardop.

De gravin had uit een van haar zakken een pakje brieven te voorschijn gehaald, waarin zij geruimen tijd zocht. Eindelijk reikte zij hem een verkreukt stukje blauw papier toe. Zoodra hij het doorgelezen had, maakte hij een gebaar van verwondering en van toorn:

-- Hoe! riep hij in het Fransch uit, niet denkend aan de gasten die aanwezig waren, wist u dat gisteren al! En ik ontving het eerst van morgen!

Clorinde begon hartelijk te lachen, zoodat hij nog boozer werd.

--En mevrouw de gravin laat me de zaak breedvoerig vertellen, alsof ze er niets van wist!.... Welnu, als de zetel van de legatie hier gevestigd is, kom ik iederen dag de correspondentie nazien.

De gravin glimlachte. Ze zocht nog eens in haar pakje brieven en haalde er een tweede papier uit, dat zij hem liet lezen. Ditmaal scheen hij zeer voldaan. En het gesprek werd fluisterend voortgezet. Hij glimlachte weer eerbiedig. Toen hij de gravin verliet, kuste hij haar de hand.

--Ziezoo, de ernstige zaken zijn afgeloopen, zei hij halfluid, terwijl hij weer voor de piano ging zitten.

Hij trommelde er een volksdeuntje op, dat toen zeer in zwang was. Daarop plotseling op zijn horloge ziende, greep hij zijn hoed en maakte aanstalten om te vertrekken.

--Gaat u heen? vroeg Clorinde.

Zij wenkte hem tot zich, leunde op zijn schouder om hem iets in te fluisteren. Hij schudde lachend het hoofd.

--Heel sterk, fluisterde hij. Ik zal het naar ginds schrijven.

Hij groette en vertrok. Luigi had Clorinde, die gehurkt op de tafel zat, een tikje gegeven om haar te doen opstaan. De gravin, die genoeg had van het uitzicht op de eindelooze reeks rijtuigen in de avenue, trok aan het schelkoord, zoodra zij de coupé van den ridder tusschen de landauers, die uit het Bosch kwamen, had zien verdwijnen. De lange vlegel van een knecht, met zijn bandietengezicht, trad binnen en liet de deur wijd open staan. De gravin ging, op zijn arm steunend, langzaam de kamer door, voorbij de heeren die opstonden en bogen. Zij groette glimlachend met een hoofdknikje. Op den drempel keerde zij zich om en zei tot Clorinde:

--Ik heb weer hoofdpijn, ik ga wat rusten.

--Flaminio, riep het meisje den knecht toe, geef haar een warme kruik in bed!

De drie politieke uitgewekenen gingen niet weer zitten. Ze bleven nog een oogenblik op een rij staan, en wierpen hun afgekauwde sigaren in een hoek, achter den hoop kleiaarde, met hetzelfde correcte gebaar. En voor Clorinde heengaande, verlieten zij achter elkander het vertrek.

--Mijn hemel! zei mijnheer La Rouquette, die een ernstig gesprek met Rougon had aangeknoopt, ik weet wel dat die suikerkwestie heel belangrijk is. 't Is een groote tak van de Fransche nijverheid. Ongelukkig schijnt niemand in de Kamer de zaak grondig bestudeerd te hebben.

Rougon, die zich verveelde, antwoordde nog slechts met een knikje. De jonge afgevaardigde kwam nog wat nader en zette een heel ernstig gezicht.

--Ik heb een oom, die een van de grootste suikerraffinaderijen van Marseille heeft.... Welnu, ik ben drie maanden bij hem gaan logeeren. Ik heb notities gemaakt, een massa notities! Ik heb met de werklieden gesproken, kortom, me geheel op de hoogte van de zaken gebracht!.... U begrijpt, ik wou in de Kamer spreken.

Hij nam een gewichtige houding aan voor Rougon, en deed zijn uiterste best om hem bezig te houden met de eenige onderwerpen die zijn belangstelling moesten opwekken.

--En hebt u niet gesproken? vroeg Clorinde, die ongeduldig werd door het lange blijven van mijnheer La Rouquette.

--Neen, ik heb niet gesproken, hernam hij langzamer. Ik vond het toch beter niet te spreken.... Op het uiterste oogenblik bekroop mij de vrees dat mijn gegevens niet juist genoeg waren.

Rougon keek hem strak aan en zei ernstig:

--Weet u hoeveel stukjes suiker er dagelijks in het café Anglais gebruikt worden?

Mijnheer La Rouquette keek een oogenblik verbluft. Toen barstte hij in een schaterlach uit:

--Heel aardig, heel aardig! riep hij. Ik begrijp u, u schertst.... Alleraardigst! Ik mag het zeker wel verder vertellen?

Hij schudde van pleizier, in zijn fauteuil. Hij was weer geheel op zijn gemak en sloeg weer een schertsenden toon aan. Maar Clorinde viel hem aan over de vrouwen. Ze had hem een paar avonden tevoren alweer gezien in de Variétés, met een leelijk blond vrouwtje, wier kapsel aan het haar van een poedelhond deed denken. Eerst ontkende hij, maar daarna geërgerd over de wreede wijze waarop zij over "dien kleinen poedel" sprak, begon hij de dame in kwestie te verdedigen, 't was een hoogst fatsoenlijke dame, die er ook zoo kwaad niet uitzag; en hij sprak over haar haren, haar taille, haar beenen. Nu spuwde Clorinde vuur en vlam. Mijnheer La Rouquette riep eindelijk uit:

--Ze wacht me, ik ga naar haar toe.

Toen hij de deur achter zich gesloten had, klapte het meisje zegevierend in de handen en riep:

--Ziezoo, nu is hij weg, goede reis!

En zij sprong vlug van de tafel, liep op Rougon toe en vatte zijn beide handen. Ze was heel lief: het speet haar zoo dat hij haar niet alleen aangetroffen had. Wat had ze een moeite gehad om al die menschen kwijt te raken. De menschen waren ook heusch zoo onbegrijpelijk! Die La Rouquette, wat een bespottelijk figuur maakte hij met zijn suiker! Maar nu zouden ze niet meer gestoord worden, nu konden ze praten. Ze had hem zooveel te vertellen! En zoo pratende geleidde zij hem weer naar een sofa. Hij was gaan zitten, zonder haar handen los te laten, toen Luigi met zijn schilderstokje tikte en boos uitriep:

--Clorinda! Clorinda!

--Dat is waar ook, het portret! zei ze lachend.

Ze ontsnapte aan Rougon en boog zich liefkoozend over den schilder heen. O, hoe mooi had hij dat gedaan! Dat werd prachtig. Maar ze was heusch een beetje moe; ze wou graag een kwartiertje uitrusten. Dan kon hij meteen het kostuum maken, daar hoefde ze niet voor te poseeren. Luigi wierp glinsterende blikken op Rougon en bleef pruttelen. Toen zei ze snel een paar woorden in het Italiaansch, met gefronste wenkbrauwen, steeds glimlachend. En hij zweeg en deed weer eenige penseelstreken.

--Ik lieg niet, hernam zij, weer naast Rougon plaats nemende. Mijn linkerbeen is geheel stijf.

En ze klopte op haar linkerbeen, om het bloed door te laten stroomen, zei ze. Onder het gaas zag men de roode plek van de knieën. Ze had intusschen vergeten, dat ze naakt was. Ze boog zich heel ernstig naar hem over, zoodat haar schouder tegen het grove laken van zijn jas schaafde. Maar plotseling ontmoette zij een knoop die een rilling over haar borst deed gaan. Zij bekeek zich en bloosde diep. En zij nam haastig een lap zwarte kant, dien zij over haar schouders sloeg.

--Ik heb het een beetje koud, zei ze, terwijl ze een fauteuil naar Rougon toeschoof en daarin plaats nam.

Alleen haar polsen kwamen nu nog uit den kanten doek te voorschijn. Ze had hem om den hals geknoopt, zoodat hij een groote das geleek, waarin haar geheele kin verzonk. En boven die zwarte buste stak haar bleek en ernstig gelaat uit.

--Wat is er toch eigenlijk met u gebeurd? vroeg zij. Vertel me alles.

En ze vroeg hem naar de oorzaak van zijn ongenade, met de vrijmoedigheid van een nieuwsgierig meisje. Zij was een vreemdelinge, en zij liet zich enkele bijzonderheden, die zij beweerde niet te begrijpen, drie- of viermaal oververtellen. Zij viel hem met Italiaansche uitroepen in de rede, en in haar donkere oogen kon hij de verschillende aandoeningen lezen, die zijn verhaal bij haar teweeg bracht. Waarom was hij met den keizer in onmin geraakt? Hoe had hij van zoo'n hooge betrekking kunnen afzien? Wie waren dan toch zijn vijanden, dat hij zich zoo had laten verslaan? En als hij weifelde, wanneer zij hem wou nopen tot een bekentenis die hij niet wou doen, keek zij hem zoo lieftallig, zoo argeloos aan, dat hij haar zijn volle vertrouwen schonk. Weldra wist zij zeker wat zij wenschte te weten. Ze deed nog eenige vragen, die in een zeer verwijderd verband met het onderwerp stonden, en die Rougon zeer vreemd vond. Daarop vouwde ze haar handen samen en zweeg. Ze had de oogen gesloten en scheen in diep gepeins verzonken?

--Nu? vroeg hij glimlachend.

--Niets, fluisterde zij; het heeft me leed gedaan.

Hij was getroffen. Hij trachtte haar handen weer te vatten, maar zij hield ze onder haar kanten doek, en de stilte bleef voortduren. Na twee lange minuten opende zij de oogleden en zei:

--Dus hebt u plannen?

Hij keek haar strak aan. Een vage achterdocht rees in hem op. Maar ze was nu zoo allerliefst, zooals zij daar in een kwijnende houding achterover lag, alsof ze gebukt ging onder den slag die haar goeden vriend getroffen had, dat hij niet lette op dat onaangename gevoel dat hem daar straks beving. Zij vleide hem erg. Natuurlijk zou hij niet lang op den achtergrond blijven, den een of anderen dag zou hij weer de eerste zijn. Ze was vast overtuigd dat hij groote plannen had, dat hij op zijn gesternte vertrouwde, want dat was hem wel aan te zien. Waarom schonk hij haar zijn vertrouwen niet? Ze was zoo bescheiden, ze zou zich zoo gelukkig gevoelen als zij in zijn toekomst mocht deelen! Rougon, onder haar betoovering, sprak ten laatste al zijn verwachtingen, al zijn zekerheid uit. En zij moedigde hem door woord noch gebaar aan, uit vrees dat hij plotseling zou zwijgen. Ze beschouwde hem oplettend, ontleedde hem, peilde zijn hersenen, woog zijn schouders, mat zijn borst. 't Was buiten kijf een stevig gebouwd man, die haar, hoe sterk zij ook was, met éen greep op zijn rug zou kunnen nemen en zoo wegvoeren, zonder dat het hem hinderde, zoo hoog als zij zelf wilde.

--Ach, mijn goede vriend! zei ze op eens. Wie ook aan u getwijfeld mocht hebben, ik nooit!

Zij was uit haar liggende houding opgerezen, en had door een armbeweging haar kanten doek laten afglijden. Toen verscheen zij, naakter nog dan te voren; zij stak haar borst vooruit en liet haar schouders met zoo'n hevige beweging van een verliefde kat uit het gaas glijden, dat zij uit haar keurslijf scheen te springen. Het was een plotseling vizioen, als een belooning en een belofte aan Rougon. 't Was toch immers de kanten doek die afgegleden was? Ze nam hem weer op en knoopte hem vaster toe.

--St! fluisterde ze. Luigi knort.

En zij snelde naar den schilder, boog zich weer over hem heen en fluisterde hem snel iets in het oor. Toen zij weg was, wreef Rougon, die over zijn geheele lichaam trilde, zich zenuwachtig, bijna boos, in de handen. Ze bracht zijn huid in een buitengewone prikkeling. En hij verwenschte haar. Toen hij twintig jaar was, had hij niet dommer kunnen zijn. Ze had hem uitgehoord als een kind, terwijl hij al twee maanden lang moeite deed haar aan het spreken te krijgen, zonder dat hij iets anders dan een lachje uit haar kon halen. Ze had hem slechts een oogenblik haar polsen behoeven te weigeren en hij had zich zoozeer vergeten, dat hij haar alles had opgebiecht. 't Werd hem nu duidelijk, nu zij hem aan zich geboeid had, overlegde zij bij zichzelve of het nog wel de moeite waard was hem te verleiden.

Rougon glimlachte als een man, die zijn kracht kent. Hij kon haar verpletteren als hij wou. Daagde zij hem niet zelve uit? En er kwamen onbetamelijke gedachten in hem op, een geheel verleidingsplan, waarin hij haar aan haar lot zou overlaten, na eerst haar meester te zijn geweest. Hij kon zich toch waarlijk zoo onnoozel niet aanstellen tegenover dat groote meisje, dat hem zoo haar schouders liet zien. Toch was hij er niet zoo zeker meer van dat de kanten doek niet van zelf was losgeraakt.

--Vindt u dat ik grijze oogen heb? vroeg Clorinde, dicht bij hem komende.

Hij stond op, en keek haar in de oogen, zonder dat haar heldere blik er minder kalm door werd. Maar toen hij de handen uitstak, gaf zij hem een tik. Hij hoefde haar niet aan te raken. Ze was nu heel koel. Ze wikkelde zich in haar doek, met een schaamtegevoel dat voor het minste openingetje schrikte. En of hij al schertste, haar plaagde, en deed alsof hij geweld wilde gebruiken, zij hulde zich nog dichter in haar doek en gaf een gilletje als zij dien maar even aanraakte. Ze wou ook niet meer gaan zitten.

--Ik loop liever heen en weer, zei ze, dat neemt de stramheid uit mijn beenen weg.

Toen liepen ze samen de galerij op en neer. Hij probeerde haar op zijn beurt uit te hooren. Gewoonlijk beantwoordde ze zijn vragen niet. Ze sprong altijd van den hak op den tak, slaakte allerlei uitroepen, en wist eindelooze verhalen op te disschen. Toen hij haar vroeg naar een veertiendaagsche afwezigheid met haar moeder, in de vorige maand, vertelde zij allerlei bijzonderheden van haar reizen. Ze was overal geweest, in Engeland, in Spanje, in Duitschland; ze had alles gezien. Daarop had zij een aantal kinderachtige opmerkingen over het eten, de modes, het weer. Soms begon ze een verhaal, waarin ze handelend optrad met bekende personen die zij bij name noemde. Rougon spitste de ooren, hoopte dat ze zich eindelijk iets zou laten ontvallen, maar het verhaal liep op niets uit of eindigde met een kinderachtigheid. Dien dag kwam hij weer niets te weten. Zij had haar gewone lachje op het gelaat, waarachter zij met al haar praatzieke mededeelzaamheid ondoorgrondelijk bleef. Rougon, die de kluts kwijt raakte bij al die mededeelingen, die met elkander in strijd waren, wist eindelijk niet meer of hij een onnoozel gansje tegenover zich had of een geslepen vrouw, die zich uit berekening onnoozel hield.

Clorinde bleef midden in het verhaal van een avontuur steken, dat haar in een Spaansch stadje overkomen was, toen zij in het bed van een galanten reiziger geslapen had, terwijl deze zelf zich met een stoel beholpen had.

--Ge moet niet naar de Tuileriën terugkeeren, zei ze zonder eenigen overgang. Laat ze naar u verlangen.

--Dank u wel, juffrouw Machiavel, antwoordde hij lachend.

Zij lachte nog harder dan hij. Maar intusschen bleef ze voortgaan hem uitmuntenden raad te geven. En toen hij nog eens probeerde haar in de armen te knijpen, bij wijze van spelletje, riep ze boos uit dat men geen twee minuten ernstig kon praten. O, als zij een man was, wat zou zij het ver brengen! De mannen waren zoo kortzichtig!

--Kom, vertel me eens wat van uw vrienden, hernam zij, terwijl zij op den rand van de tafel ging zitten.

Luigi, die geen oog van hen afwendde, sloot zijn verfdoos driftig dicht.

--Ik ga heen, zei hij.

Maar Clorinde liep naar hem toe, en bracht hem weer terug; ze zou dadelijk weer poseeren. Ze scheen bang te zijn om met Rougon alleen te blijven. En toen Luigi toegaf, zocht zij tijd te winnen.

--Ge zult me toch zeker wel toestaan iets te eten? Ik heb zoo'n honger! O, een paar hapjes maar!

Zij opende de deur en riep:

--Antonia! Antonia!

En ze gaf haar een bevel in het Italiaansch. Ze zat weer op den rand van de tafel, toen Antonia binnentrad, een boterham op iedere hand houdend. De dienstbode reikte ze haar toe als op een presenteerblad, met een lach die haar rooden mond in haar zwart gezicht deed opensplijten. Toen ze heen ging, veegde ze haar handen aan haar rokken af. Clorinde riep haar terug om een glas water.

--Wilt u meeëten? zei ze tot Rougon. Die boter is heel lekker. Soms doe ik er suiker op. Maar ik mag niet iederen dag zoo'n lekkerbek zijn.

Nu, dat was ze ook inderdaad niet. Rougon had haar op een morgen verrast, terwijl zij bezig was een koud stuk omelet van den vorigen avond voor haar ontbijt te gebruiken. Hij verdacht haar van gierigheid, een gebrek van de meeste Italianen.

--Drie minuten maar, Luigi! riep ze, in haar eerste boterham happend. En tot Rougon, die voor haar stond:

--Nu, mijnheer Kahn bijvoorbeeld, vertel me eens, hoe is hij afgevaardigde geworden?

Rougon onderwierp zich aan dat nieuwe verhoor, hopende dat hij haar op die manier tot een vertrouwelijke mededeeling kon dwingen. Hij kende haar nieuwsgierigheid naar ieders levensloop; hij wist dat zij altijd gereed stond om de minste onbescheidenheid op te vangen en steeds op het spoor trachtte te komen van de ingewikkelde intriges om haar heen. Zij was bijzonder nieuwsgierig naar de omstandigheden van de gefortuneerde lui.

--O, antwoordde hij lachend, Kahn is afgevaardigde geboren. Hij heeft bepaald zijn eerste tanden op de banken van de Kamer gekregen. Onder Louis-Philippe zat hij al in het rechter-centrum, en ondersteunde hij de constitutionneele monarchie met jeugdigen ijver. Na 48 is hij tot het linkercentrum overgegaan, steeds met denzelfden ijver; hij had een uitstekend gestyleerd republikeinsch program geschreven. Tegenwoordig zit hij weer in het rechter-centrum en verdedigt hij vol vuur het keizerrijk.... Overigens is hij de zoon van een joodsch bankier in Bordeaux, heeft hoogovens bij Bressuire, is specialiteit in finantiëele en industriëele kwesties, leeft tamelijk eenvoudig in afwachting van het groote fortuin dat hij te wachten heeft, is den 15en Augustus laatstleden officier van het legioen van Eer geworden....

En Rougon zocht zich nog meer te herinneren.

--Ik vergeet niets, geloof ik.... Neen, kinderen heeft hij niet.

--Wat, is hij getrouwd! riep Clorinde uit.

Ze gaf door een gebaar te kennen dat mijnheer Kahn haar niet meer interesseerde. Hij was een gluiper, hij had nooit zijn vrouw vertoond. Toen legde Rougon haar uit dat mevrouw Kahn zeer afgezonderd in Parijs leefde. En zonder een nadere vraag af te wachten, ging hij voort:

--Wilt u nu de biographie van Béjuin hooren?

--Neen, neen, zei het meisje.

Maar hij ging toch voort:

--Hij komt van de Polytechnische school. Hij heeft brochures geschreven die niemand gelezen heeft. Hij staat aan het hoofd van de fabriek van kristalwerken te Saint-Florent, drie uren van Bourges. De prefect du Cher heeft het eerst de aandacht op hem gevestigd.

--Zwijg dan toch! riep ze uit.

--Een waardig man, die trouw stemt, nooit spreekt, heel geduldig afwacht totdat men aan hem denkt, die altijd bij de hand is om u door een blik er aan te herinneren dat men hem niet vergeten moet. Ik heb hem tot ridder laten benoemen.