Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 5
--Mijn moeder, zei hij, geeft u den uitmuntenden raad geduld te oefenen. Ik weet er ook niets anders op.... Uw zaak schijnt goed te zijn, maar nu ben ik afgetreden en ik durf u niets meer beloven.
--We verlaten morgen Parijs! riep mevrouw Charbonnel, in een moedelooze bui.
Maar nauwelijks had ze dien uitroep geslaakt, of ze werd doodsbleek. Mijnheer Charbonnel moest haar ondersteunen. En zoo bleven zij elkander een poosje sprakeloos aanstaren, met trillende lippen, gereed om in tranen uit te barsten. Ze voelden op eens een ontsteltenis, alsof de vijfhonderd duizend francs plotseling voor hun oogen verdwenen.
Rougon ging vriendelijk voort:
--U hebt met een sterke tegenpartij te doen. Monseigneur Rochart, bisschop van Faverolles, is persoonlijk naar Parijs gekomen om de aanvraag van de zusters der H. Familie te steunen. Zonder zijn tusschenkomst zoudt ge al lang uw zaak gewonnen hebben. De geestelijkheid is ongelukkig heel machtig tegenwoordig.... Maar ik laat hier vrienden achter, ik hoop toch nog voor u te kunnen werken zonder me op den voorgrond te stellen. U hebt nu al zoo lang gewacht, dat....
--We zullen blijven, we zullen blijven, haastte mevrouw Charbonnel zich te zeggen. Ach, mijnheer Rougon, dat is een erfenis die ons duur genoeg te staan is gekomen!
Rougon keerde gauw naar zijn papieren terug. Hij wierp een blik van voldoening om zich heen, blij dat hij niemand meer zag die hem naar een vensternis kon voeren; het heele gezelschap was voldaan. In enkele minuten maakte hij grooten voortgang met zijn werk. Hij had een eigenaardige, lompe vroolijkheid; hij wreekte zich op zijn bezoekers voor den overlast dien zij hem aandeden. Een kwartier lang was hij onuitstaanbaar voor zijn vrienden, wier verhalen hij met zooveel goedwilligheid had aangehoord. Hij toonde zich zelfs zoo hardvochtig tegenover de mooie mevrouw Bouchard, dat haar oogen vol tranen stonden, zonder dat zij ophield te glimlachen. De vrienden lachten, gewoon als zij waren aan die uitvallen. Nooit stonden hun zaken beter dan wanneer Rougon de kracht van zijn vuisten op hun nek beproefde.
Op dit oogenblik werd er bescheiden op de deur geklopt.
--Neen, neen, doe niet open, riep hij Delestang toe. Nemen ze nu heelemaal een loopje met me? Mijn hoofd loopt me om.
En toen men wat harder begon te kloppen:
--O, als ik hier bleef, mompelde hij binnensmonds, dan gooide ik dien Merle de deur uit!
Het kloppen hield op. Maar plotseling ging een deur in een hoek van de kamer open, en verleende toegang aan een wijden blauwzijden japon, die achteruit binnenkwam. En die lichte japon, met strikken versierd, bleef een oogenblik half in de kamer, zonder dat er iets anders zichtbaar werd. Een hooge vrouwestem sprak druk buiten de deur.
--Mijnheer Rougon! riep de dame, eindelijk haar gelaat vertoonend.
Het was mevrouw Correur, met een hoed met rozen gegarneerd. Rougon, die met gesloten vuisten, woedend aankwam, boog op eens den rug en drukte de nieuwe bezoekster buigend de hand.
--Ik vroeg aan Merle of hij het hier naar zijn zin had, zei mevrouw Correur, terwijl ze met een teederen blik naar de flinke gestalte van den bode keek, die glimlachend voor haar stond. En is u over hem tevreden, mijnheer Rougon?
--Ja zeker, antwoordde Rougon heel lief.
Merle behield zijn schijnheilig lachje en keek intusschen naar den gevulden hals van mevrouw Correur. Zij zette de borst vooruit en streek de krulletjes op haar slapen terecht.
--Dat mag ik hooren, mijn jongen, hernam ze. Wanneer ik iemand aanbeveel, heb ik graag dat iedereen tevreden is.... En als je soms een goeden raad noodig hebt, kom dan maar bij me, 's morgens tusschen achten en negenen, weet je. Nu, pas maar goed op.
En zij trad de kamer binnen en zei tot Rougon:
--Niets beter dan de oud-militairen.
Daarop liet zij hem niet meer los; ze liet hem de heele kamer doorgaan, en bracht hem zoetjes aan voor het venster, aan de andere zijde. Ze beknorde hem dat hij niet opengedaan had. Als Merle er dus niet in toegestemd had haar door de kleine deur binnen te laten, zou ze er buiten hebben moeten blijven? God wist toch hoe noodzakelijk zij hem spreken moest. Hij kon toch niet zoo heengaan, zonder haar te vertellen, hoe het met haar verzoekschriften stond. Ze haalde uit haar zak een keurig notitieboekje voor den dag, met rose moire overtrokken.
--Ik heb den Moniteur eerst na mijn ontbijt ingezien, zei ze. Ik heb dadelijk een rijtuig genomen.... Wel, hoe staat het met de zaak van mevrouw Leturc, de kapiteinsweduwe, die een tabaksdepôt vraagt? Ik heb haar tegen de volgende week een bepaald antwoord beloofd.... En de zaak van dat meisje, u weet wel, Herminie Billecoq, die oud-leerlinge van Saint-Denis, met wie haar verleider, een officier, toestemt te huwen, als de een of andere goede ziel de voorgeschreven huwelijksgift wil voorschieten? We hadden aan de keizerin gedacht.... En al die dames, mevrouw Chardon, mevrouw Testanière, mevrouw Jalaguier, die al zooveel maanden wachten?
Rougon gaf heel kalm overal antwoord op, wist een verklaring voor de vertragingen te vinden, trad in de kleinste bijzonderheden. Toch gaf hij mevrouw Correur te verstaan dat zij nu veel minder op hem kon rekenen.
Toen werd ze wanhopig. Ze was zoo gelukkig iemand een dienst te kunnen bewijzen! Wat moest ze beginnen, met al die dames? En ze kwam van lieverlede op haar persoonlijke aangelegenheden, die Rougon heel goed kende. Ze vertelde voor de zooveelste maal, dat zij een Martineau was, van de Martineau's uit Coulonges, een welgestelde familie uit de Vendée, waarin zeven notarissen elkander van vader op zoon waren opgevolgd. Hoe zij aan den naam Correur kwam, bleek uit haar verhalen nooit duidelijk. Op vier en twintig-jarigen leeftijd was ze met een slagersknecht ontvlucht, nadat ze een heelen zomer samenkomsten met hem in een schuur had gehad. Haar vader had een halfjaar onder dat schandaal gebukt gegaan, waarover de heele streek den mond vol had. Sinds dien tijd woonde ze in Parijs, als dood voor haar familie. Tienmaal had ze aan haar broer geschreven, die nu aan het hoofd van het notariskantoor stond, zonder antwoord van hem te krijgen; en ze gaf de schuld van dat zwijgen aan haar schoonzuster "een vrouw die zich met pastoors ophield en haar onnoozelen Martineau alles wijsmaakte," zei ze. Een van haar liefste droomen was daarginds terug te keeren, evenals Du Poizat, om zich daar als een welgestelde, achtbare vrouw te vertoonen.
--Acht dagen geleden heb ik nog geschreven, mompelde zij, ik wed dat zij mijn brieven in het vuur gooit.... Maar als Martineau komt te sterven, moet ze haar deur toch wijd voor me openzetten. Zij hebben geen kind, dus ik zou voor mijn belangen opkomen.... Martineau is vijftien jaar ouder dan ik, en hij heeft last van jicht, heb ik gehoord.
Toen plotseling van toon veranderend hernam zij:
--Maar laten wij daar niet aan denken.... We moeten nu voor jou werken, nietwaar Eugène? En we zullen werken, dat zal je zien. Je moet wel alles zijn, als wij iets willen wezen. Weet je nog, in '51?
Rougon glimlachte. En terwijl zij hem moederlijk de handen drukte, boog hij zich naar haar over en fluisterde haar in het oor:
--Als je Gilquin spreekt, zeg hem dan dat hij verstandig moet zijn. Verbeeld je, verleden week toen men hem naar het commissariaat heeft moeten brengen, heeft hij het in zijn hoofd gekregen om mijn naam te noemen, opdat ik hem zou terughalen!
Mevrouw Correur beloofde dat zij met Gilquin zou spreken. Gilquin was een van haar vroegere huurders, ten tijde dat Rougon ook bij haar inwoonde; een jongmensch dat soms heel bruikbaar was, maar meestal een zeer los leven leidde.
--Mijn rijtuig wacht, ik ga heen, zei zij hardop en ging glimlachend naar het midden van het vertrek.
Toch bleef ze nog een poosje, blijkbaar verlangend dat het gezelschap tegelijk met haar zou heengaan. Om dit doel te bevorderen bood zij zelfs een plaatsje in haar rijtuig aan. De kolonel nam het aanbod aan en men kwam overeen dat Auguste naast den koetsier zou zitten. Toen volgde er een algemeen handengedruk. Rougon was aan de geopende deur gaan staan. Bij het heengaan had ieder nog een laatste troostwoord. Mijnheer Kahn, Du Poizat en de kolonel rekten den hals uit en fluisterden hem iets in het oor, opdat hij hen niet zou vergeten. De Charbonnels waren al op de eerste trede van de trap en mevrouw Correur stond te praten met Merle, in de voorkamer, terwijl mevrouw Bouchard, een paar stappen verder opgewacht door haar man en mijnheer d'Escorailles, nog heel lief en bevallig voor Rougon stond en hem vroeg hoe laat zij hem eens heel alleen in de rue Marbeuf kon spreken, omdat zij zoo verlegen was als er zooveel bezoekers waren. Maar de kolonel, die haar dat hoorde vragen, kwam weer haastig binnenloopen; de anderen volgden hem, het heele gezelschap was weer bijeen.
--We komen u allemaal opzoeken, riep de kolonel.
--Ge moet u niet gaan begraven, zeiden verscheidene stemmen.
Mijnheer Kahn verzocht stilte met een gebaar. Toen sprak hij dat mooie woord:
--Ge behoort u zelf niet meer toe, ge behoort uw vrienden en Frankrijk toe.
Eindelijk vertrokken zij. Rougon kon de deur weer sluiten. Hij slaakte een diepen zucht van verlichting. Delestang, dien hij vergeten had, kwam toen van achter den stapel doozen te voorschijn, achter welke verschansing hij als een nauwgezet vriend de rangschikking van de dokumenten volbracht had. Hij was bedrijvig bezig, terwijl de anderen praatten. Hij nam dan ook met een waar genot de dankbetuigingen van den grooten man in ontvangst. Hij alleen was hem werkelijk van dienst geweest; hij had een ordelijke manier van werken, die hem ver zou brengen; en Rougon uitte nog meer vleiende gezegden, zonder dat men weten kon of hij in ernst of in kortswijl sprak. Toen, overal rondkijkende, riep hij uit:
--Ik geloof dat alles gedaan is, hè?.... Nu moet Merle die pakken daar nog bij me thuisbezorgen.
Hij riep den bode en wees hem op de papieren, die hem persoonlijk aangingen. Op alle bevelen antwoordde de bode:
--Jawel, mijnheer de president.
--Ezel, riep Rougon geprikkeld uit, noem me toch geen president, dat ben ik immers niet meer.
Merle boog, deed een stap naar de deur en bleef daar weifelend staan. Hij kwam terug met de boodschap:
--Er is beneden een dame te paard die naar mijnheer vraagt.... Ze zei lachend dat ze wel met haar paard boven zou komen, als de trap maar breed genoeg was.... 't Is enkel om mijnheer de hand te drukken.
Rougon balde reeds de vuisten, hij dacht aan een grap. Maar Delestang die door een portaalvenster had gekeken, kwam opgewonden terug.
--Juffrouw Clorinde! mompelde hij.
Toen liet Rougon antwoorden, dat hij beneden zou komen. En terwijl Delestang en hij hun hoeden kregen, keek hij hem met gefronste wenkbrauwen aan, met een achterdochtigen blik naar zijn opgewonden gezicht.
--Neem je in acht voor de vrouwen! herhaalde hij.
En op den drempel keek hij nog eens voor het laatst naar zijn kamer. Door de drie vensters, die open waren gebleven, kwam het volle daglicht naar binnen en wierp een schel schijnsel op de leege kartonnen doozen, de verspreide laden, de samengebonden en opgestapelde pakken op het vloerkleed. De kamer scheen heel groot, heel triestig. In den haard lieten de verbrande papieren slechts een hoopje zwarte asch achter. Terwijl hij de deur sloot, doofde de kaars, die vergeten op een hoekje van de schrijftafel stond, uit en deed de kristallen bobèche bersten, in de stilte van de ledige kamer.
II.
's Middags tegen vier uur ging Rougon soms een oogenblik bij de gravin Balbi doorbrengen. Hij ging daar te voet heen, als op een buurvisite.
De gravin bewoonde een klein hôtel, in de onmiddellijke nabijheid van de rue Marbeuf, op de avenue des Champs-Elysées. Trouwens zij was zelden thuis, en wanneer zij dit toevallig was, lag zij te bed en liet zich verontschuldigen. Dit verhinderde niet dat de trap van het kleine hôtel weergalmde van het geraas van luidruchtige bezoekers en de deuren van de salons met geweld werden dicht geslagen. Haar dochter Clorinde ontving in een galerij, een soort van schildersatelier, waarvan de groote ramen uitzicht gaven op de avenue.
Bijna drie maanden lang had Rougon, met zijn ongemanierdheid van een ingetogen man, de voorkomendheid der dames, die zich op een bal bij den minister van Buitenlandsche zaken aan hem hadden laten voorstellen, slecht beantwoord. Hij ontmoette ze overal, beiden met denzelfden uitlokkenden glimlach, de moeder altijd zwijgend, de dochter luid sprekend, hem vrijmoedig in de oogen ziende. En hij hield zich flink, hij vermeed ze, sloeg de oogen neer om ze niet te zien, weigerde de uitnoodigingen die zij hem deden toekomen. Maar toen hij tot in zijn huis achtervolgd werd, waar Clorinde opzettelijk te paard langs kwam rijden, won hij inlichtingen in, voordat hij zich bij haar aan huis waagde. Aan de Italiaansche legatie sprak men hem heel gunstig over de dames, graaf Balbi had werkelijk bestaan, de gravin onderhield nog betrekkingen met aanzienlijke kringen in Turijn, de dochter had verleden jaar nog op het punt gestaan met een Duitsch vorstje te trouwen. Maar bij de hertogin Sanquirino, bij wie hij zich later vervoegde, klonken de inlichtingen heel anders. Daar verzekerde men hem dat Clorinde twee jaren na den dood van den graaf geboren was; er deed trouwens een zeer ingewikkeld verhaal over de Balbi's de ronde: man en vrouw hadden een menigte avonturen gehad, van weerszijden een losbandig leven geleid, er was een echtscheiding in Frankrijk uitgesproken, een toenadering in Italië tot stand gekomen, zoodat zij in een soort van concubinaat leefden. Een jonge attaché, die zeer goed op de hoogte was van alles wat er aan het hof van koning Victor-Emanuel voorviel, sprak nog duidelijker; volgens hem had de gravin, indien zij in Italië nog altijd invloed bezat, dit te danken aan een oude liefdesbetrekking met een zeer hoog geplaatst persoon; en hij gaf daarbij te verstaan dat zij in Turijn zou gebleven zijn, wanneer er niet een groot schandaal had plaats gegrepen, waarover hij zich niet nader kon uitlaten. Rougon, die langzamerhand belang in dat onderzoek begon te stellen, ging zelfs naar de prefectuur van politie, waar men hem niets met juistheid kon zeggen; de dossiers van de twee vreemdelingen vermeldden alleen dat de dames op grooten voet leefden, zonder dat men wist of zij een werkelijk fortuin bezaten. Zij zeiden dat zij eigendommen in Piémont bezaten. Dit was zeker, soms kwam er op eens een gaping in haar weelderig leven, dan waren zij eensklaps verdwenen om weldra weer met nieuwen praal te verschijnen. Kortom, men wist niets, of men wilde niets weten. Zij verkeerden in de deftigste kringen, haar huis werd beschouwd als een onzijdig terrein, waar men Clorinde's excentrieke gewoonten op rekening van haar vreemdelingschap schreef. Rougon besloot de dames te gaan bezoeken.
Bij het derde bezoek, was de nieuwsgierigheid van den grooten man nog toegenomen. Het duurde lang eer hij zich zijne indrukken bewust werd. Wat hem eerst in Clorinde aantrok, was dat geheimzinnige onbekende, een geheel verleden, een idée fixe van een toekomst, die hij in haar mooie, groote oogen meende te lezen. Men had hem wel afschuwelijke bijzonderheden verteld, een eerste zwakheid voor een koetsier, en later een koop met een bankier gesloten, die de voorgewende maagdelijkheid van de jonge dame met het huis in de Champs-Elysées betaald zou hebben. Maar op sommige tijden scheen zij hem zoo kinderlijk toe, dat hij twijfelde en zich voornam om haar te ondervragen; en hij keerde terug om de oplossing van dat levende raadsel te vinden, dat zijn gedachten ten slotte evenzeer bezig hield als een netelig vraagstuk van de hoogere politiek. Tot dusverre had hij de vrouwen met een zekere minachting gemeden, en de eerste die zich aan zijn aandacht opdrong, was ongetwijfeld het meest ingewikkelde samenstel dat men zich voorstellen kon.
Daags nadat Clorinde hem op haar huurpaard als een bewijs van haar deelneming een handdruk was komen brengen aan de deur van het raadsgebouw, bracht Rougon haar een tegenbezoek, waarop zij dan ook ernstig had aangedrongen. Ze moest hem iets laten zien, zei ze, dat hem uit zijn droefgeestige stemming zou brengen. Hij noemde haar lachend "zijn ondeugd"; hij vertoefde gaarne bij haar, daar zij hem amuseerde, maar overigens kende hij haar nog even weinig als den eersten dag. Terwijl hij den hoek van de rue Marbeuf omsloeg, wierp hij een blik in de rue Marbeuf, op het huis van Delestang, dien hij al meer dan eens achter de halfgeopende zonneblinden van zijn werkkamer had meenen zien staan, om de vensters van Clorinde, aan de overzijde der avenue, te bespieden; maar de blinden waren gesloten. Delestang was zeker in den vroegen morgen naar zijn modelhoeve vertrokken.
De deur van het hôtel Balbi stond altijd wijd open. Onder aan de trap ontmoette hij een donker uitziend vrouwtje, met een slordig kapsel, en een japon waarvan de flarden haar nasleepten; ze beet in een sinaasappel alsof het een appel was.
--Antonia, is uw meesteres thuis? vroeg hij haar.
Zij antwoordde niet, maar lachte met vollen mond, het hoofd heftig heen en weer bewegend. Haar lippen waren nat van het sap van den sinaasappel, zij kneep haar oogjes half toe, zoodat zij twee druppels inkt op haar bruine huid geleken.
Rougon ging de trap op, gewoon als hij reeds was aan de onwelvoegelijke manieren van het dienstpersoneel. Midden op de trap ontmoette hij een langen knecht, die er met zijn langen zwarten baard als een bandiet uitzag. De vlegel keek hem onbeschaamd aan, zonder de trapleuning voor hem vrij te laten. Op het portaal van de eerste verdieping stond hij voor drie geopende deuren. De linkerdeur was die van Clorinde's kamer. Hij keek nieuwsgierig naar binnen. Ofschoon het vier uur was, was de kamer nog niet gedaan; een tochtscherm voor het bed verborg niet geheel de afhangende dekens; over het scherm hingen rokken, met slijkranden van den vorigen dag, te drogen. Voor het raam stond de waschkom vol zeepwater op den grond, terwijl de grijze huiskat, in een hoop kleeren ineengerold, lag te slapen.
Clorinde hield haar verblijf gewoonlijk op de tweede verdieping, in de galerij waarvan zij achtereenvolgens een atelier, een rookkamer, een broeikas en een salon had gemaakt. Naarmate Rougon hooger kwam, hoorde hij duidelijker het geluid van stemmen, een schel gelach, en stoelen die omvergeworpen werden. En toen hij voor de deur stond, onderscheidde hij een ontstemde piano, die het rumoer begeleidde, terwijl er een stem bij zong. Hij klopte tweemaal, zonder antwoord te krijgen. Toen besloot hij maar binnen te gaan.
--Ha, bravo, bravo, daar is hij! riep Clorinde, in de handen klappend.
Ofschoon hij gewoonlijk niet zoo spoedig van zijn stuk te brengen was, bleef hij nu toch een oogenblik verlegen op den drempel staan. Voor de oude piano, waarop hij als een razende sloeg, om er minder schrille tonen uit te halen, zat ridder Rusconi, de Italiaansche gezant, een knappe donkere man, die op zijn tijd ook een deftige diplomaat kon zijn. Midden in de kamer walste de afgevaardigde La Rouquette met een stoel, waarvan hij de leuning teeder in zijn armen drukte; hij danste met zoo'n toomeloozen ijver, dat de omgeworpen stoelen op den grond verspreid lagen. En in het schelle licht van een der vensters, tegenover een jongen man die op een wit doek een houtskoolteekening van haar maakte, poseerde Clorinde boven op een tafel, als Diana, de godin der jacht, met bloote dijen, bloote armen, bloote borst, heel kalm in al haar naaktheid. Op een sofa zaten drie ernstige heeren te rooken; met de beenen over elkander gekruist, zaten zij haar aan te kijken, zonder een woord te spreken.
--Wacht, verroer je niet! riep ridder Rusconi Clorinde toe, die van de tafel wou springen. Ik zal de heeren wel aan elkaar voorstellen.
En door Rougon gevolgd, zei hij schertsend, terwijl hij langs mijnheer La Rouquette ging, die hijgend op een fauteuil was neergevallen:
--Mijnheer La Rouquette, dien u wel zult kennen. Een toekomstig minister.
Vervolgens op den schilder wijzende, zei hij:
--Mijnheer Luigi Pozzo, mijn secretaris. Diplomaat, schilder, musicus en verliefde.
Hij vergat de drie heeren op de sofa. Maar toen hij zich omkeerde, bemerkte hij zijn verzuim; hij liet zijn spottenden toon varen, maakte een buiging naar hen toe en mompelde op ceremoniëelen toon:
--Mijnheer Brambilla, mijnheer Staderino, mijnheer Viscardi, alle drie politieke uitgewekenen.
De drie Venetianen groetten, zonder hun sigaren uit den mond te nemen. Ridder Rusconi keerde naar de piano terug, toen Clorinde hem terugriep en hem heftig verweet dat hij een slecht ceremoniemeester was. En op haar beurt stelde zij Rougon voor, met een bijzonderen, vleienden klank in haar stem:
--Mijnheer Eugène Rougon.
Men groette elkander nogmaals. Rougon, die een oogenblik voor de een of andere compromitteerende aardigheid gevreesd had, stond verbaasd over de plotselinge tact en waardigheid van dat halfnaakte meisje in haar gazen kostuum. Hij ging zitten en vroeg naar gravin Balbi, zooals hij iederen keer deed; bij ieder bezoek deed hij zelfs alsof hij voor de moeder kwam, dat vond hij betamelijker.
--Het zou mij een groot genoegen geweest zijn haar mijn complimenten te kunnen maken, voegde hij er bij.
--Wel, ma is daar! zei Clorinde, met haar vergulden boog naar een hoek van de kamer wijzend.
Daar lag de gravin inderdaad in een grooten leuningstoel, half verscholen achter eenige meubelen. Dat gaf een algemeene verbazing. De drie uitgewekenen wisten zeker ook niet, dat zij zich daar bevond; ze stonden op en bogen. Rougon ging haar de hand drukken. Hij stond, terwijl zij, in haar stoel liggend, zijn vragen met ja en neen beantwoordde, met dien onveranderlijken glimlach op haar gelaat, die haar zelfs in haar ongesteldheid niet scheen te verlaten. Daarop verviel zij weer in haar stilzwijgen, en keek afgetrokken naar de rijtuigen, die onophoudelijk langs de avenue reden. Ze was daar zeker gaan zitten om de voorbijgangers te zien. Rougon verliet haar.
Intusschen was de ridder Rusconi weer voor de piano gaan zitten. Hij sloeg zachtjes enkele akkoorden aan en neuriede daarbij een Italiaansch liedje. Mijnheer La Rouquette wuifde zich met zijn zakdoek wat koelte toe. Clorinde had heel ernstig haar vroegeren stand hernomen. En in de stilte die plotseling ontstaan was, liep Rougon langzaam heen en weer en keek naar de muren. De galerij was opgepropt met een verbazende hoeveelheid voorwerpen; allerlei meubelen, een secretaire, een bahut, verscheidene tafels, naar het midden geschoven, vormden een doolhof van nauwe paden; in een hoek stonden een aantal kasplanten dicht opeengedrongen te verkwijnen, de groene, door roest verteerde bladeren hingen slap neer; in een anderen hoek lag een groote hoop kleiaarde, waarin men nog de afgebrokkelde armen en beenen van een beeld herkende, dat Clorinde had begonnen te boetseeren, toen zij op een goeden dag opeens den lust in zich voelde om een artiste te zijn. Ofschoon zeer ruim, had de galerij slechts een beperkt plekje vrij voor een der vensters, een soort van ledig vierkant, dat met behulp van twee sofa's en drie ongelijksoortige fauteuils in een salonnetje was herschapen.
--U kunt rooken, zei Clorinde tot Rougon.
Hij bedankte; hij rookte nooit. Zonder zich om te keeren, riep zij toen:
--Mijnheer Rusconi, rol eens een cigarette voor me. De tabak ligt op de piano.
En terwijl ridder Rusconi de cigarette rolde, ontstond er een nieuwe stilte. Rougon, spijtig dat hij al die menschen daar ontmoette, wilde zijn hoed nemen. Toch kwam hij nog even bij Clorinde staan om haar glimlachend te vragen:
--Hebt u me niet verzocht even aan te komen om me iets te laten zien?
Zij antwoordde eerst niet, geheel verdiept in haar pose. Hij moest zijn vraag herhalen:
--Wat is dat dan, dat u me wou toonen?
--Mijzelf, zei ze.