Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 34

Chapter 343,039 wordsPublic domain

Het gelach begon weer. Een afgevaardigde had luid genoeg om door zijn buren gehoord te worden, gezegd: "Daar krijg je niets van, mannetje!" Een ander voegde grappige woorden bij iederen zin dien de redenaar sprak. Maar het meerendeel amuseerde zich door tegen den onderkant van hun lessenaars de maat te slaan met hun vouwbeenen, hetgeen een soort van tromgeroffel teweeg bracht, dat de spreker onmogelijk met zijn stem kon beheerschen. Toch streed hij onverzwakt voort. Hij had zich hoog opgericht en met een vervaarlijke stem riep hij boven het tumult uit:

--Ja, wij zijn revolutionnair, indien gij daaronder verstaat mannen van den vooruitgang, vastbesloten om de vrijheid te verkrijgen! Weiger het volk de vrijheid, en de dag zal komen waarop het volk de vrijheid met geweld herneemt.

En hij ging de tribune af, onder een oorverdoovend geschreeuw. De afgevaardigden lachten niet meer als een troep losgelaten schoolknapen; zij waren opgestaan, wendden zich naar de linkerzijde en stieten nogmaals hun kreet uit: "Tot de orde, tot de orde!" De spreker had zich naar zijn bank begeven en bleef daar in den kring van zijn vrienden staan. Er ontstond een dringen en duwen. De meerderheid scheen zich op die vijf mannen te willen werpen, wier bleeke gezichten hen uitdaagden. Maar mijnheer de Marsy werd boos en schelde driftig, met het oog op de tribunes waar de dames angstig achteruit weken.

--Mijne heeren, zei hij, 't is een schandaal....

En toen het stil was geworden, ging hij op luiden, bijtenden toon voort:

--Ik wil niet genoodzaakt worden voor de tweede maal tot de orde te roepen. Ik wil alleen zeggen dat het werkelijk schandelijk is, op deze tribune bedreigingen te uiten, die haar tot oneer strekken.

Een drievoudig salvo van toejuichingen begroette de woorden van den president. Er werd bravo geroepen en de vouwbeenen sloegen weer hun roffels, ditmaal ten teeken van instemming. De spreker van de linkerzij wou antwoorden, maar zijn vrienden weerhielden hem. Het tumult bedaarde allengs, loste zich op in het gegons der afzonderlijke gesprekken.

--Het woord is aan Zijn Excellentie, mijnheer Rougon, hernam mijnheer de Marsy op kalmer toon.

Een rilling doorliep de zaal, een zucht van voldane nieuwsgierigheid, die plaats maakte voor eerbiedige aandacht. Rougon was met opgetrokken schouders en zwaren tred de tribune opgestegen. Hij legde een bundel notities voor zich neer, schoof het glas suikerwater op zijde en bewoog zijn handen alsof hij bezit wilde nemen van het nauwe mahoniehouten kastje. Eindelijk hief hij het hoofd op. Hij was niet verouderd. Zijn vierkant voorhoofd, zijn groote welgevormde neus, zijn langwerpige wangen zonder rimpels zagen er nog blozend en frisch uit. Zijn grijzende haren alleen werden dunner aan de slapen en lieten zijn groote ooren meer zichtbaar. Door zijn halfgesloten oogleden wierp hij een blik door de zaal; een oogenblik zocht hij naar iets, hij ontmoette Clorinde's aandachtig voorovergebogen gelaat, toen begon hij, met zijn zware, lijmerige stem:

--Ook wij zijn revolutionnairen, indien men daaronder verstaat mannen van den vooruitgang, vastbesloten om aan het land een voor een alle verstandige vrijheden terug te geven....

--Zeer goed! Zeer goed!

--En mijne heeren, welke regeering heeft beter dan het keizerrijk de liberale hervormingen verwezenlijkt, waarvan gij zoo even het verleidelijk programma hebt hooren schetsen? Ik zal de rede van den vorigen spreker niet weerleggen. Ik kan volstaan met het bewijs dat de vooruitziende blik en het edelmoedige hart des keizers de eischen van de hardnekkigste tegenstanders zijner regeering heeft voorkomen. Ja, mijne heeren, uit eigen beweging heeft de keizer de macht, waarmee hij in de dagen van het gevaar door de natie bekleed was, aan haar teruggegeven. Heerlijk schouwspel, eenig in de geschiedenis! Ja, wij kunnen ons de spijt voorstellen van hen, die een verstoring der orde beoogen. Zij kunnen nu nog slechts de bedoelingen aanvallen, over de hoeveelheid der geschonken vrijheden twisten.... Gij hebt het groote besluit van den 24en November begrepen. Gij hebt in de eerste paragraaf van uw adres den keizer uw diepe erkentelijkheid willen betuigen voor zijn grootmoedigheid en zijn vertrouwen in de wijsheid van het Wetgevend lichaam. De aanneming van het amendement zou een onverdiende beleediging, ja een slechte daad zijn. Onderzoekt uw geweten, heeren, vraagt uzelven af of gij u vrij gevoelt. De vrijheid is nu volkomen, daar sta ik borg voor....

Langdurige toejuichingen weerklonken. Hij was langzamerhand den rand van het spreekgestoelte genaderd; het lichaam vooroverbuigend en den rechterarm uitstrekkend, verhief hij de stem, die buitengewoon krachtig door de zaal klonk. Mijnheer de Marsy, gemakkelijk in zijn fauteuil uitgestrekt, luisterde met een half glimlachend gelaat, als een liefhebber die verbaasd staat over de meesterlijke uitvoering van den een of anderen stouten toer. In de zaal bogen de kamerleden, te midden van een daverend bravogeroep zich naar elkander over en fluisterden met een verbaasd gezicht. Clorinde liet haar armen op de roodfluweelen leuning rusten; zij luisterde ernstig toe.

Rougon ging voort:

--Heden is de dag, door ons allen met ongeduld verwacht, eindelijk aangebroken. Er is geen gevaar meer bij om van het voorspoedige Frankrijk een vrij Frankrijk te maken. De anarchistische hartstochten zijn dood. De geestkracht van den souverein en de heilige wil des volks hebben voor altijd de afschuwelijke tijden van openbaar zedebederf in het niet doen verzinken. De vrijheid is mogelijk geworden zoodra die partij overwonnen was, die de grondslagen van de regeering halsstarrig miskende.... Daarom heeft de keizer de overtollige prerogatieven van zijn macht als een nutteloozen last geweigerd, oordeelende dat zijn gezag zoo onbetwistbaar vast stond, dat hij het kon laten betwisten. En hij is niet teruggedeinsd voor de gedachte om zich ook voor de toekomst te verbinden; hij zal zijn bevrijdingswerk tot het einde volbrengen, hij zal de vrijheden een voor een verleenen, op de tijdstippen die hij in zijn hooge wijsheid bepalen zal. Voortaan is het dat programma van gestadigen vooruitgang dat wij in opdracht hebben in deze vergadering te verdedigen....

Een der vijf afgevaardigden van de linkerzijde stond verontwaardigd op en zei:

--Gij zijt de minister van de uiterste verdrukking geweest!

En een ander voegde er hartstochtelijk bij:

--De proviandmeesters van Cayenne en Lambessa hebben het recht niet in naam der vrijheid te spreken!

Een gemompel verhief zich. Vele afgevaardigden begrepen dit niet, bogen zich vragend naar hun buren over. Mijnheer de Marsy deed alsof hij niets gehoord had; hij dreigde alleen de rustverstoorders tot de orde te zullen roepen.

--Men heeft mij daar verweten.... hernam Rougon.

Maar kreten van de rechterzijde beletten hem voort te gaan.

--Niet antwoorden!

--Zulke beleedigingen kunnen u niet treffen!

Toen bracht hij de Kamer met een gebaar tot kalmte; en met de vuisten op den rand der tribune steunend, keerde hij zich naar de linkerzijde, als een wild zwijn dat in de engte gedreven is.

--Ik zal niet antwoorden, verklaarde hij bedaard.

Dat was slechts de inleiding. Ofschoon hij beloofd had de rede van den afgevaardigde der linkerzijde onbeantwoord te laten, trad hij in een uitvoerige weerlegging. Eerst somde hij de argumenten van zijn tegenstanders op; hij deed dat met een koketterie, een onpartijdigheid die een uitbundigen bijval verwierf, alsof hij al die argumenten zeer gering achtte en ze in eens kon weg blazen. Toen scheen het alsof hij vergat ze te bestrijden, hij beantwoordde alleen het zwakste, dat hij met een vloed van heftige woorden aanviel. Men juichte hem toe, hij triomfeerde. Zijn groot lichaam besloeg de geheele ruimte van het spreekgestoelte. Zijn schouderbewegingen begeleidden het rollen van zijn volzinnen. Zijn welsprekendheid was overigens zeer banaal, gemeenplaatsen en rechtskwesties werden door hem uitgegalmd. Zijn eenige superioriteit als redenaar was zijn onvermoeibare adem, die hem in staat stelde uren achtereen zijn volzinnen te wiegen, zonder zich te bekommeren om hetgeen zij inhielden.

Nadat hij een uur zonder ophouden gesproken had, dronk hij een teug water, haalde diep adem en rangschikte zijn aanteekeningen.

--Rust wat uit! riepen verscheidene afgevaardigden.

Maar hij voelde zich niet vermoeid. Hij wou voortgaan.

--Wat vraagt men u, heeren?

--Luistert! Luistert!

Een diepe aandacht hield aller blikken wederom op hem gevestigd. Nu en dan, wanneer hij de stem verhief, kwam er een beroering door de Kamer, alsof er een groote windvlaag over streek.

--Men vraagt u mijne heeren, de afschaffing van de wet op de algemeene veiligheid. Ik zal dat eeuwig gevloekte uur, waarop die wet noodzakelijk werd, niet in herinnering brengen; het gold toen het land gerust te stellen, Frankrijk voor een nieuwe ramp te behoeden. Nu rust het wapen in de scheede. De regeering, die het altijd met de grootste voorzichtigheid, ik mag zeggen met de grootste gematigdheid gebruikt heeft....

--Dat is waar!

--De regeering bedient er zich slechts van in zeer buitengewone omstandigheden. Zij hindert niemand, behalve misschien nog een zekere partij, die de schuldige dwaasheid heeft weer tot de slechtste tijden in onze geschiedenis te willen terugkeeren. Gaat door onze steden, trekt het land door, gij zult er overal vrede en voorspoed vinden; ondervraagt de ordelievende burgers, geen hunner zal den druk gevoelen van die uitzonderingswetten, waarvan men ons zulk een heftig verwijt maakt. Ik herhaal het, in de vaderlijke handen der regeering beveiligen zij de maatschappij tegen laaghartige ondernemingen, die trouwens voortaan geen kans op welslagen zullen hebben. Brave lieden behoeven zich om het bestaan dier wetten niet te bekommeren. Wij kunnen ze rustig laten waar ze zijn, totdat het den vorst behagen zal ze uit eigen beweging te vernietigen. Wat vraagt men u nog meer, mijne heeren? Eerlijke verkiezingen, vrijheid van drukpers, alle denkbare vrijheden. Ach, laat het mij gegund zijn hier een oogenblik stil te staan bij de groote dingen die het keizerrijk reeds tot stand heeft gebracht. Rondom mij, waarheen ik ook de oogen richt, zie ik de openbare vrijheden toenemen en heerlijke vruchten opleveren. Met innerlijke ontroering sla ik het vernederde Frankrijk gade; het heft zich op en biedt de wereld het voorbeeld aan van een volk, dat zich door zijn goed gedrag de vrijheid verwerft. De dagen van beproevingen zijn voorbij. Er is geen kwestie meer van dictatuur, van een autoritaire regeering. We werken allen aan de vrijheid mede....

--Bravo! bravo!

--Men vraagt eerlijke verkiezingen. Is dan algemeen stemrecht, in zijn ruimsten omvang toegepast, niet een levensvoorwaarde voor het keizerrijk? Zeker, de regeering beveelt haar candidaten aan. Maar steunt de revolutionnaire partij de hare ook niet met een onbeschaamde stoutmoedigheid? Men valt ons aan, wij verdedigen ons, niets is billijker. Men zou ons de handen willen binden, ons den mond willen snoeren, maar dat zullen wij nooit toelaten. Uit liefde voor het land zullen wij altijd op onzen post staan om het te raden, het zijn ware belangen te wijzen. Het blijft trouwens altijd meester van zijn lot. Het stemt, en wij buigen het hoofd. De leden der oppositie die deel uitmaken van deze vergadering, waarin zij volkomen vrijheid van spreken hebben, zijn een bewijs van onzen eerbied voor den uitslag van de algemeene stemming. De revolutionnairen moeten het hun landgenooten zelf wijten, indien het keizerrijk met een verpletterende meerderheid toegejuicht wordt. In het parlement is nu alles, wat de vrije kritiek belemmerde, opgeheven. De souverein heeft den grooten staatslichamen een meer direct aandeel in zijn politiek en een schitterend getuigenis van zijn vertrouwen willen geven. Gij kunt voortaan discussiëeren over de daden der regeering, gij hebt het recht van amendement, gij kunt uw gemotiveerde wenschen kenbaar maken. Ieder jaar zal het adres als het ware een gedachtenwisseling zijn tusschen den keizer en de volksvertegenwoordigers, waarbij deze laatsten vrij hun meening kunnen zeggen. Uit de openbare beraadslagingen worden de groote staten geboren. De tribune is weer hersteld, die tribune waar zooveel redenaars hun naam voor altijd beroemd gemaakt hebben. Een parlement, waar wrijving van gedachten is, is een parlement dat werkt. En zal ik u geheel zeggen hoe ik er over denk? Ik ben werkelijk verheugd een groep van de oppositie in ons midden te zien. Er zullen onder ons steeds tegenstanders zijn, die zullen trachten onze gebreken te ontdekken, en die aldus onze eerlijke bedoelingen in het helderste daglicht zullen stellen. Wij eischen voor hen de onbeperktste vrijheden. Wij vreezen noch den hartstocht, noch het schandaal, noch het misbruik van de vrijheid van spreken, hoe gevaarlijk dit alles ook moge wezen. En wat de drukpers aangaat, mijne heeren, zij heeft nog nooit zoo'n groote vrijheid genoten onder een regeering, die besloten heeft zich te doen eerbiedigen. Alle groote kwesties, alle ernstige belangen hebben hun organen. De regeering bestrijdt alleen de verbreiding van gevaarlijke leerstellingen, de verspreiding van vergift. Maar, begrijpt mij wel, wij hebben de grootste achting voor de eerlijke pers, die de stem der publieke opinie is. Zij helpt ons bij onze taak; dat de regeering er beslag op heeft gelegd, geschiedde alleen om haar niet in de handen van onze vijanden te laten vallen.

Goedkeurende lachjes werden gehoord. Rougon naderde intusschen het slot van zijn rede. Hij hield den rand der tribune krampachtig omklemd, boog zijn lichaam naar voren en zwaaide zijn rechterarm door de ruimte. Plotseling scheen hij doldriftig te worden. Zijn uitgestoken vuist bedreigde een onzichtbaren vijand. Dat was het roode spook. In een paar dramatische volzinnen schilderde hij het roode spook, dat met zijn bebloed vaandel wuifde, zijn brandfakkel zwaaide, stroomen bloeds achter zich liet. De alarmklok uit de dagen van oproer klonk in zijn stem; men hoorde de kogels fluiten, men zag de brandkasten der Bank openbreken, het geld der burgers rooven en verdeelen. De afgevaardigden op de banken verbleekten. Daarop kwam Rougon weer tot kalmte en met loftuitingen, die klonken als het zwaaien van wierookvaten, zei hij ten slotte van den keizer:

--Goddank, wij zijn onder de hoede van dien vorst, dien de Voorzienigheid heeft uitverkoren om ons te redden. Wij kunnen ons gerust op zijn wijze inzichten verlaten. Hij heeft ons bij de hand gevat en hij brengt ons midden door de gevaren naar een veilige haven.

Donderende toejuichingen barstten los. De vergadering werd bijna tien minuten geschorst. Een aantal afgevaardigden snelden op den minister toe, die hijgend en bezweet naar zijn bank terugkeerde. Mijnheer La Rouquette, mijnheer Combelot, honderd anderen wenschten hem geluk, staken hun arm uit om een handdruk van hem op te vangen. Het was een geestdrift die zich aan de gansche zaal meedeelde. Zelfs op de galerijen werd druk gesproken en gegesticuleerd. Mijnheer de Marsy en Clorinde hadden elkander toegeknikt; zij moesten bekennen dat de groote man een overwinning behaald had. Rougon had door zijn redevoering den grond gelegd tot dat groote aanzien waartoe hij zou geraken.

Intusschen stond er weer een andere spreker op de tribune. Hij had een waskleurig, gladgeschoren gezicht, met lange gele haren, die in enkele krullen op zijn schouders afhingen. In een stijve houding, zonder een enkel gebaar te maken, begon hij de groote vellen papier voor te lezen, die hij voor zich had uitgespreid. De boden riepen:

--Stilte, heeren! Stilte, alsjeblieft!

De spreker wenschte de regeering eenige inlichtingen te vragen. Hij toonde zich zeer geërgerd over de afwachtende houding van Frankrijk tegenover den heiligen Stoel, die door Italië bedreigd werd. De wereldlijke macht was de heilige arke des verbonds, en het adres moest een stellig uitgedrukten wensch, een gebiedend verlangen zelfs, bevatten naar haar onverminderde handhaving. De redenaar verdiepte zich in historische herinneringen, hij toonde aan dat het christelijk recht, verscheidene eeuwen voor de verdragen van 1815, de politieke orde in Europa gevestigd had.

Daarop verklaarde de spreker dat hij met ontzetting waarnam hoe de oude Europeesche maatschappij zich langzamerhand oploste in de beroeringen der volkeren. Bij zekere al te directe zinspelingen op den koning van Italië ontstond er een rumoer in de zaal. Maar de dichte groep der clericalen, bijna honderd leden sterk, luisterde aandachtig toe, gaf bij iederen volzin teekenen van instemming en knikte devoot met het hoofd zoo dikwijls hun collega den naam van den paus uitsprak.

De spreker eindigde met een gezegde, dat een luid bravogeroep uitlokte.

--Het wekt mijn misnoegen, zei hij, dat het trotsche Venetië, de koningin der Adriatische zee, de nederige vazal van Turijn is geworden.

Rougon, wiens nek nog met zweet bedekt was, die schor en uitgeput van het spreken was, wou toch dadelijk antwoorden. Het was een mooi schouwspel. Hij stelde zijn vermoeidheid ten toon, sleepte zich naar de tribune, waar hij aanvankelijk slechts stamelende geluiden uitbracht. Hij uitte bittere klachten dat hij onder de tegenstanders der regeering mannen van aanzien vond, die tot dusver trouw gebleven waren aan de instellingen van het keizerrijk. Er heerschte zeker een misverstand; zij wilden toch niet de rijen der revolutionnairen versterken, een gezag aan het wankelen brengen, dat voortdurend de zegepraal van den godsdienst beoogde. En zich naar de rechterzijde wendend, sprak hij die aan met pathetische gebaren en een geveinsde nederigheid, als sprak hij tot machtige vijanden, de eenige die in staat waren hem te doen beven.

Maar langzamerhand had zijn stem al haar nadruk hernomen. De geheele zaal weerklonk van zijn bulderend geluid, hij sloeg zich met zijn vuisten op de borst.

--Men heeft ons van ongodsdienstigheid beschuldigd. Men heeft gelogen! Wij zijn vol eerbied voor de Kerk en wij zijn zoo gelukkig te gelooven.... Ja, mijne heeren, het geloof is onze gids en onze steun bij die dikwijls zoo moeielijke regeeringstaak. Wat zou er van ons worden, indien wij ons niet aan de hand der Voorzienigheid overgaven? Wij beweren slechts de nederige uitvoerder van haar plannen, het gehoorzame werktuig van Gods wil te zijn. En die overtuiging geeft ons het recht onze stem luid te doen hooren en een weinig goed te doen.... Mijne heeren, ik verblijd mij over de gelegenheid die mij hier geschonken is om hier met al den gloed van mijn katholiek hart voor den priestervorst neer te knielen, voor dien verheven grijsaard, waarvan Frankrijk steeds de waakzame, verknochte dochter zal blijven.

De toejuichingen barstten reeds voor het einde zijner rede los. De triomf werd een apotheose. De zaal daverde.

Bij het heengaan wachtte Clorinde Rougon op. In drie jaren hadden zij geen woord met elkander gewisseld. Toen hij verscheen, als verjongd, met veerkrachtiger tred, nadat hij in éen uur tijds zijn geheele politieke leven verloochend had, om onder den schijn van het parlementarisme zijn onstuimige begeerte naar macht te bevredigen, gaf zij aan een plotselinge opwelling gehoor, en met uitgestrekte hand en vochtigwarmen blik sprak zij:

--Ge zijt toch een kranige kerel!

EINDE.

End of Project Gutenberg's Zijn Excellentie Eugène Rougon, by Emile Zola