Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 33
--Een hoop schurken! riep hij. Heeft Théodore iemand ooit een stuiver te kort willen doen? Ze hebben een sprookje verzonnen over militaire plaatsvervangers om me onmogelijk te maken. Toen heb ik er den brui van gegeven, en ik ben weggegaan. Laten ze naar den bliksem loopen, niet waar?.... Ze zijn bang voor me, ze kennen mijn politieke opinies wel. Ik heb nooit bij de kliek van Bonaparte behoord....
Hij boog zich naar hen over en met smachtende blikken vervolgde hij zachter:
--Ik betreur daar maar één persoontje. O, een allerliefst vrouwtje, een dame uit de deftigste kringen. Ja, ja, en zoo aangenaam in den omgang.... Ze was blond. Ik heb nog een haarlok van haar gekregen.
Daarop hernam hij met donderende stem, heel dicht bij mevrouw Charbonnel en haar op den buik kloppende:
--Wel, mama, wanneer mag ik met u mee naar Plassans, om de ingemaakte vruchten, de appelen, kersen en confituren op te eten?.... 't Zit er nu beter aan, hè?
Maar de Charbonnels schenen Gilquin's vertrouwelijkheid zeer onaangenaam te vinden. De vrouw antwoordde stijfjes, terwijl zij haar lilazijden japon naar zich toe trok:
--We blijven een poosje in Parijs.... We zijn van plan elk jaar een maand of zes hier te vertoeven.
--O, Parijs! zei haar man met een diepe bewondering, Parijs is eenig!
En daar de windvlagen heviger werden en een troepje kindermeiden den tuin inliep, hernam hij, zich tot zijn vrouw wendend:
--Vrouwlief, wanneer we niet nat willen worden, moesten we nu naar huis gaan. Gelukkig zijn we maar een stapje van ons hôtel af.
Zij waren afgestapt in het hôtel du Palais-Royal, rue de Rivoli. Gilquin keek ze met een verachtelijk schouderophalen na.
--Ook al vrienden, die je in den steek laten, mompelde hij, ze zijn allemaal eender.
Plotseling bemerkte hij Rougon. Hij wiegelde heen en weer, terwijl hij zijn nadering afwachtte, en sloeg zijn pet vaster op zijn hoofd.
--Ik ben niet bij je geweest, zei hij. Je hebt het zeker niet kwalijk genomen, hè?.... Die windwijzer van een Du Poizat heeft zeker rapport over me gemaakt. Niets dan leugens, mijn waarde, daar zou ik je het bewijs van kunnen leveren.... Enfin, ik ben niet boos op je. En tot bewijs geef ik je hier mijn adres: rue du Bon-Puits 25, te la Chapelle, vijf minuten buiten de barrière. En mocht je me noodig hebben, dan sta ik altijd voor je klaar.
Hij ging met slependen tred heen. Aan het einde der laan keerde hij zich nog eens om, stak zijn vuist dreigend naar de Tuileriën uit en riep:
--Leve de republiek!
Rougon verliet den tuin en ging de Champs-Elysées op. Het verlangen was plotseling in hem ontwaakt, zijn hôtel in de rue Marbeuf terug te zien. Den volgenden dag, zoo nam hij zich voor, zou hij van het ministerie daarheen verhuizen. En met een gevoel van vermoeidheid in het hoofd, peinsde hij over de dingen, die hij eenmaal doen zou om zijn kracht te toonen. Nu en dan hief hij het hoofd op en keek naar de lucht. Het onweer scheen niet los te willen barsten. Rosachtige wolken vertoonden zich aan den gezichtseinder. In de avenue des Champs-Elysées, die als uitgestorven was, rommelde de donder, met een geraas alsof een regiment artillerie er doorheen draafde; de toppen der boomen trilden er van. De eerste regendruppels begonnen te vallen, toen hij den hoek van de rue Marbeuf omsloeg.
Een coupé stond voor de deur van zijn woning. Rougon trof er zijn vrouw aan, die de kamers opnam, de maat van de ramen nam en bevelen aan een behanger gaf. Hij keek verbaasd op, maar zij legde hem uit dat zij haar broer gesproken had, die al bekend scheen te zijn met Rougon's val; hij had haar meteen gezegd, dat hij nu wel binnenkort minister van Justitie zou worden, kortom, hij had alweer getracht oneenigheid tusschen de twee echtelieden te stichten. Mevrouw Rougon had dadelijk laten inspannen om haar nieuwe woning weer op orde te brengen. Ze had als altijd een stemmig, devoot gelaat, en met haar onverstoorbare kalmte liep zij onhoorbaar zacht door de kamers, nam zij weer bezit van dat huis dat zij rustig en stil als een klooster gemaakt had. Haar eenige zorg was als een trouw rentmeester het fortuin te beheeren, dat haar was toevertrouwd.
Intusschen barstte het onweer met ongehoorde hevigheid los. De donder rommelde, het water viel bij stroomen neer. Rougon, die terug wou wandelen, moest drie kwartier wachten. De Champs-Elysées waren één modderpoel; een gele, vloeibare modder vormde van den Triomfboog tot de place de la Concorde als het ware de bedding van een plotseling leeggeloopen stroom. De avenue bleef verlaten; een enkele voetganger waagde zich op het plaveisel en trad voorzichtig op de uitstekende punten der steenen; van de druipnatte boomen drupte het water in de kalme, opgefrischte lucht. Aan den hemel had de donderbui een staart van koperkleurige lappen achtergelaten, een vuile lage wolkenmassa, waaruit een schemerachtig licht neerdaalde.
Rougon hervatte zijn mijmeringen over de toekomst. Enkele druppels, die nog neervielen, maakten zijn handen vochtig. Hij voelde weer die afmatting door al zijn leden, alsof hij zich gestooten had tegen een hinderpaal die den weg versperde. Eensklaps hoorde hij achter zich een luid getrappel, een regelmatigen draf, die den grond deed dreunen. Hij keerde zich om.
Het was een stoet die op den modderigen straatweg, onder het droefgeestige licht van den koperkleurigen hemel, uit het Bosch terugkwam. Huzaren openden en sloten den stoet. In het midden rolde een met vier paarden bespannen gesloten landauer; aan beide portieren reden stalmeesters, die op hun met goud geborduurd groot tenue, van hun kaplaarzen tot aan hun platten hoed, bedaard de modderspatten van de wielen opvingen, zoodat hun uniform ten slotte met een laag vloeibare slijk bedekt was. En in de gesloten landauer vertoonden zich de tien uitgespreide vingers en de platgedrukte neus van een kind, den kroonprins, voor het portierraampje.
--Kijk, die kikvorsch! zei een straatwerker lachend, terwijl hij zijn kruiwagen voortduwde.
Rougon bleef staan, in gedachten verdiept, en oogde den stoet na, die door de plassen reed, zoodat zelfs de onderste bladeren der boomen met slijk bespat werden.
XIII.
Drie jaar later, in de maand Maart, ging het stormachtig toe in een zitting van het Wetgevend lichaam. Men voerde er de eerste discussies over het adres. Mijnheer La Rouquette en een oude afgevaardigde, mijnheer de Lamberthon, de echtgenoot van een allerliefste vrouw, zaten bedaard tegenover elkander in de koffiekamer een grogje te drinken.
--Zouden we niet naar de zaal teruggaan? vroeg mijnheer de Lamberthon, ik geloof dat het daar spant.
Nu en dan hoorde men een verwijderd geluid, een storm van stemmen, als door een windvlaag overgebracht; daarop werd alles weer doodstil. Maar mijnheer La Rouquette bleef zorgeloos voortrooken en antwoordde:
--Och neen, ik rook liever mijn sigaar op.... We zullen wel gewaarschuwd worden, wanneer men ons noodig heeft. Ik heb gezegd dat ze ons moesten waarschuwen.
Zij zaten alleen in de koffiekamer, een koket zaaltje achter in het tuintje op den hoek van de kade en de rue de Bourgogne. Licht groen geschilderd en met een bamboe traliewerk bedekt, met groote ramen die uitzicht gaven op de dichte boomgroepen van den tuin, geleek het zaaltje met zijn paneelen van spiegelglas, zijn tafeltjes, zijn roodmarmeren toonbank en zijn zitbanken van gecapitonneerde groene rips, op een serre die in een gala-koffiekamer herschapen was. Door een geopend venster stroomde de zoele lentelucht naar binnen, verfrischt door de windjes die over de Seine streken.
--De oorlog met Italië heeft hem het toppunt van zijn roem doen bereiken, hernam mijnheer La Rouquette, zijn afgebroken gesprek voortzettende. En nu toont hij de geheele kracht van zijn genie door aan het land zijn vrijheid terug te geven....
Hij sprak van den keizer. Hij was al een poosje bezig om met de grootste ingenomenheid over de besluiten van November te spreken, namelijk de meer directe deelneming der groote staatslichamen aan de politiek van den souverein, de benoeming van ministers zonder portefeuille, belast met de vertegenwoordiging van de regeering in Kamers. Het was de terugkeer tot het constitutionneele stelsel, in al wat daarin heilzaam en billijk was. Een nieuw tijdvak begon, het liberale keizerrijk. En opgetogen schudde hij de asch van zijn sigaar.
Mijnheer de Lamberthon schudde het hoofd.
--Hij is er wel wat vlug mee geweest, mompelde hij. Men had nog kunnen wachten, er was geen haast hij.
--Ja, zeker wel, er moest iets gedaan worden, zei de jonge afgevaardigde met overtuiging. Dat was juist het geniale....
Hij liet de stem dalen en trad in een verklaring van den politieken toestand.
De mandementen der bisschoppen betreffende het wereldlijk gezag, dat door Turijn bedreigd werd, verontrustten den keizer zeer. En daarbij kwam, dat er een oppositiegeest in het land ontwaakte. Het oogenblik was aangebroken om de verzoening der partijen te beproeven, de politieke ontevredenen tot zich te trekken door hun eenige concessies te doen. Nu vond hij dat het autoritair keizerrijk te veel gebreken aankleefden, en herschiep hij het liberale keizerrijk in een apotheose, waardoor geheel Europa zou verlicht worden.
Intusschen had mijnheer de Lamberthon onrustig omgekeken. Eindelijk vroeg hij:
--Rougon moet antwoorden, niet waar?
--Ja, ik geloof het wel, antwoordde mijnheer La Rouquette, met een geheimzinnig gezicht.
--Hij had zich erg gecompromitteerd, mompelde de oude afgevaardigde. De keizer heeft een zonderlinge keus gedaan, toen hij hem tot minister zonder portefeuille benoemde en hem de taak opdroeg zijn nieuwe politiek te verdedigen.
Mijnheer La Rouquette gaf niet dadelijk zijn oordeel te kennen. Hij streek langzaam over zijn blonden knevel en zei eindelijk:
--De keizer kent Rougon.
Daarop riep hij op een geheel anderen toon:
--Zeg, die grogjes waren niet veel bijzonders. Ik heb een verduivelden dorst, ik zal een glas limonade nemen.
Hij bestelde een glas limonade. Mijnheer de Lamberthon weifelde, en nam ten slotte een glas madera. En zij spraken over mevrouw de Lamberthon; de man verweet zijn jongen collega dat hij zoo zelden kwam. Deze leunde achterover op de gecapitonneerde bank en wierp van tijd tot tijd een zijdelingschen blik in de spiegels; hij genoot van het zachtgroen der muren, van dat kokette zaaltje, à la Pompadour, dat er uitzag alsof het op een kruispunt in een vorstelijk bosch thuis behoorde, als een plaats van bijeenkomst voor verliefden.
Daar kwam een bode hijgend aanloopen.
--Mijnheer La Rouquette, men heeft gevraagd of u dadelijk wil komen.
En daar de jonge afgevaardigde er niet veel lust in toonde, fluisterde de bode hem in dat hij door mijnheer de Marsy, den president der Kamer, gezonden was. En luider voegde hij er bij:
--Niemand kan gemist worden, komt u maar gauw.
Mijnheer de Lamberthon was al op weg naar de vergaderzaal. Mijnheer La Rouquette volgde hem reeds, toen hij zich onderweg bedacht. Hij kwam op den inval de afgevaardigden, die hier en daar rondliepen, naar de zaal mee te troonen. Hij ging allereerst naar de "salle des Conférences", een mooie zaal, door een lantaarn in het plafond verlicht, waarin een reusachtig groote, groen marmeren schoorsteen, versierd met twee wit marmeren, liggende vrouwenbeelden. Ondanks het zachte weer brandde er een houtvuur. Om de kolossale tafel zaten drie afgevaardigden met open oogen te dutten; zij keken naar de schilderijen aan de muren en de fameuse pendule, die maar eens in het jaar opgewonden werd; een vierde stond zich te warmen voor den schoorsteen en keek aangedaan naar een pleisterbeeldje van Henri IV, dat aan het andere einde der zaal voor een tropee van vaandels stond, die te Marengo, Austerlitz en Jena veroverd waren. Toen hun collega ze een voor een toeriep "gauw, naar de zitting!" schrikten de heeren op en verdwenen achtereenvolgens.
Intusschen ging mijnheer La Rouquette, eenmaal op dreef, naar de bibliotheek, maar keek eerst even in de toiletkamer. Daar stond mynheer de Combelot, hij had zijn handen in een groote waschkom gestoken en wreef ze langzaam, glimlachend over haar blankheid. Hij maakte zich niet druk, hij zou wel dadelijk naar zijn plaats terugkeeren. En hij nam er nog den tijd af zijn handen langzaam met een warmen handdoek af te vegen, dien hij vervolgens op de badstoof met koperen deuren te drogen hing. Hij ging zelfs op zijn gemak voor een hoogen spiegel staan om zijn mooien zwarten baard met een zakkammetje uit te kammen.
De bibliotheek was leeg. De boeken rustten in de eikenhouten vakken; de twee groote tafels, met groen laken bedekt, waren geheel ledig; de stoelen stonden ordelijk in een rij en op de lezenaars, die aan de armen bevestigd waren, lag een dikke laag stof. En in die rustige ruimte, waar een duffe papierlucht heersehte, zei mijnheer La Rouquette hardop, terwijl hij de deur dichtsloeg:
--Daar is nooit iemand in!
Toen ging hij de gangen en zalen door. Eerst door de "salle de distribution" met Pyreneesch marmer bevloerd, waar zijn stap weerklonk als onder een kerkgewelf. Hij had van een bode gehoord dat een afgevaardigde dien hij kende, mijnheer La Villardière, het gebouw aan een heer en een dame liet bezichtigen, en nu trachtte hij ook hem op te sporen. Hij ging naar de zaal van generaal Foy, die indrukwekkende vestibule, waarin de vier standbeelden, Mirabeau, generaal Foy, Bailly en Casimir Périer de eerbiedige bewondering der buitenlui opwekken. Daarnaast, in de troonzaal, bemerkte hij eindelijk mijnheer de La Villardière tusschen een dikke dame en een dikken heer, een notaris uit Dijon.
--Er is naar u gevraagd, zei mijnheer La Rouquette. Vlug op uw post, hoor!
--Ja, dadelijk, antwoordde de afgevaardigde.
Maar hij kon niet wegkomen. De dikke heer had uit eerbied voor de weelde die hem hier tegenblonk, den hoed afgenomen, en hij vroeg "zijn waarden afgevaardigde" allerlei inlichtingen betreffende de schilderstukken van Delacroix. Zijn vrouw keek intusschen vol aandacht naar den troon, een fauteuil die zich van de andere alleen onderscheidde door een gering verschil in hoogte. Zij bleef op een afstand staan, vol dwepende vereering. Eindelijk verstoutte zij zich naderbij te treden; ze lichtte heimelijk de hoes op, betastte het vergulde hout en het rood fluweel.
Intusschen was mijnheer La Rouquette in den rechtervleugel van het gebouw door eindelooze gangen en kamers gegaan. Hij kwam terug door de zaal met de vier zuilen, waar jonge afgevaardigden tegenover de standbeelden van Brutus, Solon en Lycurgus van redenaarsroem droomen; hij ging de zaal "des Pas perdus" dwars door, liep vlug langs de halfcirkelvormige galerij, een laag gewelf dat dag en nacht door gas verlicht werd, en buiten adem, met het troepje afgevaardigden dat hij onderweg had opgepikt, achter zich aan, deed hij een breede mahoniehouten deur open. Mijnheer de Combelot volgde hem, met zijn blanke handen en zijn goed verzorgden baard. Mijnheer La Villardière, die zich van zijn gasten had weten te bevrijden, kwam daarna. Allen stormden de zaal in, waar de afgevaardigden met woedende gebaren een redenaar stonden te dreigen, terwijl het van alle kanten klonk:
--Tot de orde! Tot de orde!
--Tot de orde! Tot de orde! riepen mijnheer La Rouquette en zijn vrienden nog luider, ofschoon zij niet wisten wat er gaande was.
Het was een vreeselijk geweld. Men trapte als razenden met de voeten, een donderend geraas werd verkregen door het klepperen met de plankjes der lessenaars. Schrille, krijschende stemmen klonken als de tonen eener dwarsfluit tusschen het basgeluid van andere stemmen, dat als het accompagnement van een orgel daarbij klonk. Nu en dan scheen er een gaping in het tumult te komen, en dan hoorde men boven het wegstervende geraas woorden als:
--'t Is schandelijk! 't Is onverdragelijk!
--Hij moet dat woord terugtrekken!
--Ja, ja, trek dat woord terug!
Maar de kreet, die zonder tusschenpoos terugkeerde, als op de maat van het voetgetrappel, dat was het geroep: "Tot de orde! tot de orde! tot de orde!", dat zich eindelijk met een heesch geluid aan de droge kelen ontwrong.
Op de tribune stond de redenaar met de armen op de borst gekruist. Hij keek onvervaard naar de woedende Kamer, die brullende kelen, die dreigende vuisten. Tweemaal achtereen had hij den mond geopend om zijn rede te hervatten, maar telkens brak de storm met verdubbelde woede los. De zaal daverde.
Mijnheer de Marsy, voor zijn presidentszetel staande, hield den knop van de schel in de hand en schelde aanhoudend, als een alarmgeklep te midden van een orkaan. Zijn hooge gestalte drukte een volmaakte kalmte uit. Hij liet de schel een oogenblik los, schoof zijn manchetten een beetje terug, en begon toen weer zijn carillon. Om zijn dunne lippen speelde zijn gewone sceptische glimlach. Toen men uitgeput raakte, riep hij:
--Heeren, met uw verlof....
Eindelijk verkreeg hij een betrekkelijke stilte.
--Ik verzoek den geachten spreker, zei hij, om een nadere verklaring van het woord dat hij zooeven uitsprak.
De redenaar boog zich over den rand van de tribune en herhaalde zijn volzin.
--Ik heb gezegd dat de 2e December een misdaad was....
Hij kon niet verder spreken. De storm brak weer los. Een afgevaardigde met een vuurrood gezicht maakte hem uit voor moordenaar; een ander wierp hem zoo'n gemeen scheldwoord naar het hoofd, dat de stenografen glimlachten, doch zich wel wachtten het woord op te schrijven. Allerlei uitroepen kruisten zich, verdoofden elkander. Toch onderscheidde men duidelijk de hooge stem van mijnheer La Rouquette, die herhaalde:
--Hij beleedigt den keizer, hij beleedigt Frankrijk!
Mijnheer de Marsy maakte een waardig gebaar. Hij nam weer plaats, terwijl hij zeide:
--Ik roep den geachten spreker tot de orde.
Een langdurige opgewondenheid volgde op deze woorden. Het was niet meer het half ingedommelde Wetgevend lichaam van vijf jaar geleden, dat een krediet van vierhonderd duizend francs voor de doopplechtigheid van den kroonprins had toegestaan. Op een bank ter linkerzijde juichten vier afgevaardigden de woorden van den redenaar toe. Zij waren nu met hun vijven om het keizerrijk aan te vallen. Zij brachten het door hun volhardende pogingen aan het wankelen, zij wilden het niet erkennen, weigerden het hun stem, met een stijfhoofdig protest, dat zijn uitwerking in het geheele land zou doen gevoelen. Die afgevaardigden stonden als een nietig groepje tusschen een verpletterende meerderheid; en zij beantwoordden de bedreigingen, de uitgestoken vuisten, de luidruchtige pressie van de Kamer, zonder zich te laten ontmoedigen, onbewegelijk en volijverig in hun revanche.
De zaal zelve scheen veranderd, trillend, galmend van opgewondenheid. Men had de tribune weer aan den voet van het bureau hersteld. Het koude marmer werd warm door den vurigen gloed der sprekers. Op de trappen, langs de roodfluweelen zitbanken, scheen het licht dat loodrecht uit het dakraam neerviel, alles in lichte laaie te zetten, in de groote, stormachtige vergaderingen. Het monumentale bureau, met zijn indrukwekkende paneelen, werd verlevendigd door de ironische onbeschaamdheden van mijnheer de Marsy, wiens nauwsluitende jas en smal, uitgeput lichaam slechts een dunne streep wierp op de antieke beelden van het bas-relief achter zijn rug. De allegorische beelden, de "Publieke orde" en de "Vrijheid", ieder tusschen een paar zuilen, behielden alleen hun ziellooze uitdrukking van steenen godheden. Maar wat vooral bezieling gaf, dat was het talrijke publiek, dat over den rand der tribunes heengebogen, in hartstochtelijke spanning de debatten volgde. De tweede rij tribunes was weer op haar vroegere plaats hersteld. De verslaggevers der dagbladen hadden een afzonderlijke tribune. Heel in de hoogte, aan den rand van de rijk vergulde kroonlijst, staken hoofden naar voren, verdrong zich een dichte menigte, die de afgevaardigden somtijds ongerust deed opkijken, alsof zij meenden dat er plotseling een oproer was uitgebarsten.
De spreker wachtte intusschen het oogenblik af, dat hij aan het woord kon komen. Te midden van het wegstervend gerommel, begon hij:
--Mijne heeren, ik hervat....
Maar hij hield even op, om zijn stem boven het geraas uit te doen klinken:
--Indien de Kamer weigert naar mij te luisteren, protesteer ik en verlaat ik de tribune.
--Spreek, spreek! klonk het van verscheidene banken.
En een heesche stem riep:
--Spreek, men zal u weten te antwoorden.
Plotseling heerschte er stilte. In de banken en op de tribunes rekte men den hals uit om Rougon te zien, die daar gesproken had. Hij zat in de eerste bank, met de ellebogen op het marmeren blad geleund. Nu en dan zag men zijn dikken gebogen rug bewegen; dan haalde hij even de schouders op. Zijn gezicht hield hij achter zijn breede handen verborgen. Hij luisterde. Men was er nieuwsgierig naar hoe hij debuteeren zou; want sedert zijn benoeming tot minister zonder portefeuille had hij het woord nog niet gevoerd. Hij was zich zeker bewust dat aller blikken op hem gevestigd waren. Hij keerde het hoofd om en keek de zaal rond. Tegenover hem, op de ministerstribune, leunde Clorinde in een paars kostuum, tegen de roodfluweelen balustrade; zij keek hem met haar kalme vrijmoedigheid vlak in het gelaat. Zoo keken zij elkander twee seconden aan, zonder te glimlachen, als vreemden. Daarop hernam Rougon zijn vroegere houding; hij luisterde weer met de handen voor het gelaat.
--Mijne heeren, ik herhaal nog eens, zei de redenaar. Het besluit van 24 November verleent zuiver denkbeeldige vrijheden. We zijn nog ver van de beginselen van 89, die met zooveel vertoon aan het hoofd van de keizerlijke constitutie geschreven staan. Indien het gouvernement gewapend blijft met uitzonderingswetten, indien het voortgaat zijn candidaten aan het land op te dringen, wanneer het de drukpers niet vrij laat, kortom, wanneer Frankrijk aan zijn genade of ongenade blijft overgeleverd, zijn al de schijnbare concessies die het doet, leugenachtig en bedriegelijk....
De president viel hem in de rede.
--Ik mag den geachten spreker niet toestaan dergelijke termen te gebruiken.
--Zeer goed, zeer goed! riep men rechts.
De redenaar verzachtte zijn uitdrukking eenigszins. Hij spande zich nu in om heel gematigd te zijn, hij sprak mooie afgeronde zinnen, in een gekuischten stijl. Maar mijnheer de Marsy bestreed hardnekkig alles wat hij zeide. Toen namen zijn gedachten op eens zoo'n hooge vlucht, gebruikte hij zulke vage bewoordingen, dat de president hem moest laten begaan. Toen kwam hij plotseling op zijn uitgangspunt terug.
--Ik herhaal nogmaals, mijn vrienden en ik zullen niet stemmen voor de eerste paragraaf van het adres in antwoord op de troonrede....
--Dan zal men het zonder u moeten doen, zei een stem.
Groote hilariteit onder de afgevaardigden.
--Wij zullen niet stemmen voor de eerste paragraaf van het adres, hernam de redenaar rustig, wanneer ons amendement niet wordt aangenomen. Wij kunnen ons niet aansluiten bij die overdreven dankbetuigingen, wanneer de denkbeelden van het Hoofd van den Staat ons vol restricties toeschijnen. De vrijheid is ondeelbaar; wij kunnen haar niet in stukken snijden en als een aalmoes bij porties uitdeelen.
Hier verhieven zich van alle kanten uitroepen.
--Uw vrijheid is losbandigheid!
--Spreek niet van aalmoezen, gij bedelt om de volksgunst!
--En gij, gij snijdt de hoofden af!
--Ons amendement, ging hij voort alsof hij niets gehoord had, eischt afschaffing van de wet op de algemeene veiligheid, vrijheid van drukpers, eerlijkheid van de verkiezingen....