Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 32

Chapter 323,872 wordsPublic domain

Op dit oogenblik ging mijnheer Kahn, die opgestaan was om over de hoofden heen te kijken, weer haastig zitten, terwijl hij mompelde:

--Daar is Rougon.... Niets laten merken, hoor!

Rougon ging langzaam de zaal door. Hij bleef staan, draaide aan het bord van mevrouw Bouchard, betaalde drie louis voor een roosje van mevrouw de Combelot. Toen hij aldus geofferd had, scheen hij onmiddellijk weer heen te willen gaan. Hij begaf zich reeds naar een deur, maar plotseling, nadat hij een blik in de koffiekamer had geworpen, ging hij dien kant uit, met opgeheven hoofd, kalm en trotsch. Mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette waren bij mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en den kolonel gaan zitten; ook mijnheer Bouchard had zich bij het groepje gevoegd. En al die heeren voelden, toen de minister langs hen heen ging, een lichte huivering, zoo groot en forsch gebouwd leek hij hun toe. Hij had ze uit de hoogte een vertrouwelijk knikje gegeven. Hij ging aan een naburig tafeltje zitten. Zijn breed gezicht keerde zich links en rechts, alsof hij de blikken, die hij op hem voelde rusten, wilde trotseeren.

Clorinde was naderbij gekomen, haar geel kostuum als een koningin achter zich aan slepend. Zij vroeg hem, op een vulgairen toon, waarin een zweempje spotternij klonk:

--Wat blieft mijnheer?

--Ah zoo, zei hij vroolijk. Ik drink nooit iets.... Wat hebt u?

Toen somde ze hem allerlei likeuren op: fine champagne, rum, curaçao, kirsch, chartreuse, anisette, vespetro, kummel.

--Neen, neen, geef me een glas suikerwater.

Zij ging naar het buffet en bracht het glas suikerwater, altijd met haar majestueuse houding. En zij bleef voor Rougon staan en zag toe hoe hij zijn suikerwater roerde. Hij bleef glimlachen en sprak een paar onbeteekenende woorden.

--Maakt ge het goed?.... Ik heb u in geen eeuw gezien.

--Ik was op Fontainebleau, antwoordde zij eenvoudig.

Hij keek op en wierp haar een doordringenden blik toe. Maar zij ondervroeg hem op haar beurt.

--En zijt ge tevreden? Gaat alles naar wensch?

--O, uitstekend, zei hij.

--Komaan, des te beter!

En zij draaide om hem heen, met de oplettendheden van een kellner. Zij keek hem aan met een boosaardige flikkering in haar oogen, alsof ze ieder oogenblik gereed stond om haar zegepraal uit te flappen. Eindelijk besloot zij reeds hem te verlaten, toen zij op de teenen ging staan om in de zaal te zien. Daarop tikte zij hem op den schouder.

--Ik geloof dat men u zoekt, hernam zij, met een opgewekt gezicht.

Merle kwam inderdaad eerbiedig nader, tusschen de tafels en de stoelen van het buffet door. Hij maakte drie buigingen achtereen en verzocht Zijn Excellentie hem niet kwalijk te nemen, maar men had na het vertrek van Zijn Excellentie den brief gebracht, dien Zijn Excellentie 's morgens misschien al verwacht had. En ofschoon hij daaromtrent geen opdracht had gekregen, had hij gemeend....

--Al wel, geef maar hier, viel Rougon hem in de rede.

De bode reikte hem een groote enveloppe over en ging wat in de zaal rondloopen. Rougon had met een oogopslag de hand herkend; het was een eigenhandig schrijven van den keizer, in antwoord op zijn aanvraag om ontslag. Een koud zweet brak hem uit, maar hij verbleekte niet. Hij stak den brief bedaard in den binnenzak van zijn overjas, zonder de blikken af te wenden van mijnheer Kahn en diens vrienden, aan wie Clorinde enkele woorden had toegefluisterd. De geheele bende loerde nu op hem, verloor geen enkele zijner bewegingen uit het oog, in een koortsachtige nieuwsgierigheid.

De jonge vrouw had zich weer voor hem geplaatst. Rougon dronk eindelijk zijn glas suikerwater half leeg en zocht naar een vleiend gezegde.

--U ziet er vandaag bijzonder mooi uit. Als koninginnen zich tot dienstbaren maakten....

Zij viel hem midden in zijn complimentje in de rede en zei met haar gewone vrijmoedigheid:

--Leest u hem niet?

Hij deed alsof hij het geheel vergeten was. En toen, alsof hij zich plotseling herinnerde:

--O ja, die brief.... Ik zal hem lezen, als het u genoegen doet.

En met een pennemes sneed hij de enveloppe door, heel zorgvuldig. Met een enkelen blik had hij de weinige regels doorloopen. De keizer nam zijn ontslag aan. Meer dan een minuut hield hij het papier voor zijn gezicht, als om het te herlezen. Hij was bang dat hij zijn gelaat niet in bedwang zou kunnen houden. Zijn gansche kracht kwam in opstand, wilde dien val niet aannemen, een rilling ging hem door merg en been, als hij zich niet met inspanning van alle krachten daartegen verzet had, zou hij het uitgeschreeuwd, met zijn vuist op de tafel gebeukt hebben. Steeds starend op den brief, zag hij den keizer weer zooals hij hem te Saint-Cloud gezien had, met zijn weeke stem, zijn onveranderlijken glimlach, terwijl hij hem bij hernieuwing van zijn vertrouwen verzekerde, de vroeger gegeven instructies bekrachtigde. Hoe lang moest die gedachte aan zijn ongenade achter dat omsluierd gelaat gezeteld hebben, om hem zoo plotseling, in éen nacht, terneer te werpen, na hem wel twintig malen in zijn macht gehandhaafd te hebben? Eindelijk bedwong Rougon zich, met een uiterste krachtsinspanning. Hij hief zijn gelaat op, waarin geen enkele trek bewoog; met een onverschillig gebaar stak hij den brief weer in zijn zak. Maar Clorinde was met beide handen op het tafeltje komen leunen. Zij boog zich voorover en met trillende mondhoeken mompelde zij:

--Ik wist het. Ik was er van morgen nog.... Arme vriend!

En zij beklaagde hem met zulk een wreede spotternij, dat hij haar nogmaals in de oogen keek. Zij veinsde trouwens niet meer. Zij had nu dat genot, waarop zij maandenlang gewacht had, en zonder overijling, zin voor zin, smaakte zij het genoegen zich eindelijk aan hem als een onverzoenlijke, gewroken vijandin te doen kennen.

--Ik heb u niet kunnen verdedigen, ging zij voort. Ge weet zeker niet....

Zij voleindigde niet. Toen vroeg zij, op scherpen toon:

--Raad eens wie u aan Binnenlandsche Zaken vervangt?

Hij maakte een gebaar alsof het hem niet schelen kon. Maar zij bleef hem onafgewend aan zien en zei ten slotte deze twee woorden:

--Mijn man!

Rougon, wiens keel droog was, dronk nog een teug suikerwater. In die paar woorden had zij alles gelegd, haar toorn dat zij vroeger versmaad was geworden, haar wraakplannen met zooveel kunst overlegd, haar vreugde als vrouw, dat zij een man van zoo'n kracht verslagen had. Toen gaf zij zich het genoegen hem te kwellen, misbruik van haar overwinning te maken, zij legde nadruk op de kwetsende zijden van het geval. Mijn hemel, haar man was volstrekt geen hoogvlieger, dat bekende zij volmondig, zij spotte er zelfs mee; zij gaf te kennen dat de eerste de beste voldoende was geweest, dat zij evengoed den bode Merle tot minister kon laten benoemen, als zij er lust in had gehad. Ja, den bode Merle, den eerste den besten domoor, onverschillig wien: Rougon zou een waardigen opvolger gehad hebben. Dat bewees de almacht van de vrouw. En daarop sloeg zij een beschermenden, moederlijken toon aan, ze deelde goeden raad uit.

--Ziet ge, mijn waarde, ik heb het u dikwijls gezegd, ge handelt verkeerd, de vrouwen te minachten. Neen, de vrouwen zijn zoo dom niet als gij denkt. Dat maakte me altijd boos, als ik hoorde dat ge ons uitmaakt voor dwazen, lastige meubels, weet ik het, blokken aan het been.... En mijn man, zie daar eens naar! Ben ik soms voor hem een blok aan het been geweest?.... Kijk, dat had ik u eens willen toonen. Ik had me daarop willen vergasten, van af den dag waarop we dat gesprek hielden, weet ge nog wel? Ge hebt het nu gezien, nietwaar? Nu daarom toch even goede vrienden, hoor.... Ge zijt heel sterk, mijn waarde, maar onthoud éen ding: als een vrouw zich de moeite wil geven om zich tegen u te stellen, trekt gij altijd aan het kortste eind.

Rougon glimlachte ietwat bleek.

--Ja, ge hebt misschien gelijk, zei hij langzaam, terwijl de geheele geschiedenis hem weer voor den geest kwam. Ik had enkel mijn kracht. Gij hadt....

-- Ik had wat anders, te drommel! eindigde zij met een vrijmoedigheid die bijna grootheid werd, zoo hoog stelde zij zich in haar minachting voor de convenances.

Er kwam geen klacht over zijn lippen. Zij had hem kracht ontnomen om hem te overwinnen; zoo keerde zij de lessen, die zij als een volgzame leerling in de rue Marbeuf van hem gekregen had, als een wapen tegen hem. Dat was een ondankbaarheid, een verraad, waarvan hij als een man van ondervinding, de bitterheid zonder walging indronk. Alleen wenschte hij bij deze ontknooping te weten of hij haar nu eindelijk geheel kende. Hij herinnerde zich zijn oude pogingen om het geheime raderwerk van die prachtige en toch defecte machine te leeren kennen. De domheid van de mannen was toch werkelijk groot.

Tweemaal was Clorinde even weggegaan om een bestelling uit te voeren. Daarna hervatte zij haar plechtstatige wandeling tusschen de tafeltjes, terwijl zij veinsde zich niet meer met hem te bemoeien. Hij keek haar na; hij zag hoe zij op een heer met een grooten baard toetrad, een vreemdeling wiens buitensporige verkwistingen Parijs in opschudding brachten. Hij dronk juist zijn glaasje Malaga leeg.

--Hoeveel is het, mevrouw? vroeg hij, opstaande.

--Vijf francs, mijnheer. Alle verteringen zijn vijf francs.

Hij betaalde. En toen op denzelfden toon, met zijn vreemd accent:

--En hoeveel een kus?

--Honderdduizend francs, antwoordde zij zonder aarzelen.

Hij ging weer zitten en schreef een paar woorden op een stuk papier dat hij van een agenda scheurde. Toen drukte hij haar een stevigen zoen op de wang, betaalde haar en ging met kalmen tred de deur uit. Iedereen glimlachte, en vond dat heel aardig.

--De kwestie is maar, welken prijs men er voor vraagt, mompelde Clorinde, weer bij Rougon terugkomend.

En hij zag daarin een nieuwe toespeling. Zij had "nooit" tot hem gezegd. En die kuische man, die zonder het hoofd te buigen den nekslag van zijn ongenade had ontvangen, leed nu bij het zien van den halsband, dien zij met zooveel onbeschaamdheid droeg. Zij boog zich meer voorover, bewoog uitdagend haar hals. De fijne parel klingelde in het gouden belletje; de ketting hing, nog warm van de hand zijns meesters; de diamanten schitterden op het fluweel, waar hij gemakkelijk het geheim las, dat iedereen kende. En nog nooit had de keizer hem met zoo'n gevoel van afgunst vervuld. Hij had Clorinde liever in de armen van den koetsier gezien, van wien men fluisterend sprak. Het prikkelde zijn oude begeerten haar buiten zijn bereik te weten, als de slavin van een man die met een enkel woord de hoofden deed buigen.

De jonge vrouw ried waarschijnlijk wat hem kwelde. Zij voegde er een wreedheid aan toe, ze wees hem met een knipoogje op mevrouw de Combelot, die in een bloemenkiosk haar rozen verkocht. En zij mompelde met haar boosaardigen glimlach:

--Die arme mevrouw de Combelot, hè? Zij wacht nog altijd.

Rougon dronk zijn glas suikerwater leeg. Hij stikte bijna. Zijn portemonnaie voor den dag halend, mompelde hij:

--Hoeveel?

--Vijf francs.

Toen zij het geldstuk in haar taschje had laten glijden, hield zij weer haar hand op en zei schertsend:

--Geeft u niets voor de kellnerin?

Hij zocht, en vond twee sous die hij in haar hand lei. Dat was zijn onbeschoftheid, de eenige wraak die zijn parvenu-ruwheid wist te bedenken. Zij kreeg een kleur, ondanks haar brutaliteit. Maar dadelijk hernam zij haar hooghartige houding. Zij ging groetend heen en liet van haar lippen vallen:

--Dank u, Excellentie.

Rougon durfde nog niet opstaan. Hij voelde een slapheid in de beenen, die hem deed vreezen dat hij zou wankelen, en hij wou heengaan zooals hij gekomen was, flink, met een kalm gelaat. Hij zag er vooral tegen op langs zijn vroegere huisvrienden te moeten gaan, aan wier gerekte halzen, gespitste ooren en opengesperde oogen geen enkele bijzonderheid van het voorgevallene was ontgaan. Hij keek nog eenige oogenblikken rond, met geveinsde onverschilligheid. Hij dacht na. Een nieuw bedrijf van zijn politiek leven was dus afgespeeld. Hij viel, ondermijnd, afgeknaagd, verslonden door zijn bende. Zijn sterke schouders kraakten onder de verantwoordelijkheden, de dwaasheden en de laagheden, die hij voor zijn rekening had genomen, uit snoeverij op zijn kracht, een behoefte om een gevreesd en edelmoedig hoofd te zijn. Zijn reuzenspieren maakten zijn val nog geweldiger, de ineenstorting van zijn kliek nog grooter. De voorwaarden zelven van zijn macht, de noodzakelijkheid om achter zich begeerten te hebben die hij voldoen moest, zich staande te houden door het misbruik van zijn invloed, dat alles had noodzakelijkerwijs zijn val tot een kwestie van tijd gemaakt. En nu herinnerde hij zich die langzame werking van zijn bende, die scherpe tanden die iederen dag een beetje van zijn kracht opaten. Zij waren om hem heen; zij klommen op zijn knieën, daarop naar zijn borst, vervolgens naar zijn keel, tot stikkens toe; zij hadden hem alles ontnomen, zijn voeten om op te stijgen, zijn handen om te stelen, zijn tanden om te bijten, zij woonden in zijn ledematen, ontleenden er hun vreugd en hun gezondheid aan, deden er zich aan te goed, zonder aan den dag van morgen te denken. Maar nu zij hem uitgeput hadden, nu zij zijn beenderen hoorden kraken, maakten zij dat zij weg kwamen, als die ratten die door hun instinct gewaarschuwd worden voor de aanstaande ineenstorting van de huizen, waarvan zij de muren verbrokkeld hebben. De heele bende blaakte van gezondheid. Ze mestte zich weer aan een ander dik lichaam vet. Mijnheer Kahn had zijn spoorweg Niort-Angers aan den graaf de Marsy verkocht. De kolonel zou de volgende week een betrekking in de keizerlijke paleizen krijgen. Mijnheer Bouchard had de bepaalde toezegging gekregen dat zijn beschermeling, de belangwekkende Georges Duchesne, tot sous-chef benoemd zou worden, zoodra Delestang aan het ministerie van Binnenlandsche zaken was. Mevrouw Correur verheugde zich over een zware ziekte van mevrouw Martineau; zij verbeeldde zich reeds dat zij in haar huis te Coulonges woonde, van haar renten levende en weldoende in die streek. Mijnheer Béjuin had de zekerheid gekregen dat de keizer zijn kristalfabriek tegen den herfst zou bezoeken. Mijnheer d'Escorailles eindelijk had zich, na een heftig vertoog van den markies en de markiezin, aan Clorinde's voeten geworpen, en had een post als sous-prefect gekregen, enkel door de bewondering, waarmee hij had toegekeken toen zij glaasjes likeur ronddiende. En Rougon, tegenover die met weldaden overladen bende, voelde zich kleiner dan vroeger, voelde zich verpletterd onder hun drukkend gewicht; hij durfde zijn stoel niet verlaten, uit vrees dat hij ze zou zien glimlachen, wanneer hij mocht struikelen.

Langzamerhand werd zijn hoofd echter vrijer, voelde hij zich flinker; hij stond op. Hij schoof het tafeltje terzijde om voorbij te gaan, toen Delestang en de Marsy gearmd de zaal binnenkwamen. Er liepen zonderlinge geruchten over dezen laatste. Wanneer men mocht gelooven wat er gefluisterd werd, dan had hij de vorige week een ontmoeting met Clorinde op het kasteel van Fontainebleau gehad, met het eenige doel om de samenkomsten van den keizer met de jonge vrouw gemakkelijk te maken. Hij had in opdracht de keizerin te amuseeren. Trouwens, dat scheen pikant, anders niets; zulke diensten worden meer onder mannen bewezen. Maar Rougon zag er een weerwraak van den graaf in, die de medeplichtigheid van Clorinde aanwendde om hem ten val te brengen, op die wijze tegen zijn opvolger aan het ministerie dezelfde wapenen gebruikende, waarmee hij eenige maanden vroeger te Compiègne verslagen was. Sedert zijn terugkeer uit Fontainebleau was mijnheer de Marsy de onafscheidelijke metgezel van Delestang.

Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin, de kolonel, de heele bende wierp zich in de armen van den nieuwen minister. Diens benoeming zou eerst den volgenden dag in de Moniteur verschijnen, vlak achter het ontslag van Rougon; maar het besluit was geteekend, men was zeker van zijn zegepraal. Zij gaven hem met een lachend gezicht een stevigen handdruk, fluisterden hem iets toe, en toonden een geestdrift die zich ternauwernood door de tegenwoordigheid van al de bezoekers liet bedwingen. 't Was de langzame inbezitneming der trawanten, die de voeten en de handen kussen voordat zij zich van de vier ledematen meester maken. En hij behoorde hun reeds toe; een hield hem bij den rechterarm, een ander bij den linkerarm; een derde had een knoop van zijn jas gegrepen, terwijl een vierde zich achter zijn rug op de teenen verhief om hem iets toe te fluisteren. Hij hief zijn knappen kop omhoog, met een minzame waardigheid, een van die indrukwekkende, correcte, domme gezichten, die men op platen ziet afgebeeld, waarop de dames van de onder-prefecturen ruikers aanbieden aan een souverein op reis. Rougon, die met een bloedend hart naar die verheerlijking van de middelmatigheid keek, kon toch een glimlach niet bedwingen. Hij herinnerde zich zijn eigen voorspellingen.

--Ik heb altijd voorspeld dat Delestang het ver zou brengen, zei hij met een fijn lachje tot den graaf de Marsy, die met uitgestrekte hand op hem toe gekomen was.

De graaf antwoordde met een spottend lachje. Sedert hij vriendschap met Delestang had aangeknoopt, nadat hij zijn vrouw diensten had bewezen, amuseerde hij zich kostelijk. Hij knoopte een gesprek met Rougon aan, steeds uiterst hoffelijk. Voortdurend met elkander in botsing, groetten die twee mannen elkander na afloop van ieder tweegevecht, als tegenstanders van gelijke kracht, die zich telkens voornemen het een volgenden keer te winnen. Rougon had Marsy gekwetst, Marsy had op zijn beurt Rougon gekwetst, dat zou zoo voortgaan totdat een van hen niet meer zou opstaan. Misschien verlangden zij eigenlijk niet eens naar elkanders volkomen nederlaag, amuseerde hen die strijd, was die onafgebroken ijverzucht een onmisbaar deel van hun bestaan; bovendien, voelden zij zich de twee tegenwichten die noodig waren om het keizerrijk in evenwicht te houden, de ruige vuist die neervelt, de fijne geganteerde hand die verworgt.

Intusschen was Delestang in de grootste verlegenheid. Hij had Rougon opgemerkt en hij wist niet of hij hem de hand zou reiken. Hij keek besluiteloos naar Clorinde, die druk bezig was met een onverschillig uiterlijk sandwiches, tulbanden en koekjes naar alle kanten van de koffiekamer te brengen. Een enkele blik dien hij opving, nam zijn besluiteloosheid weg; hij kwam naderbij, nog ietwat, verlegen, zijn verontschuldiging stamelend.

--Beste vriend, ge neemt het me toch niet kwalijk?.... Ik heb het geweigerd, maar ik ben er toe genoodzaakt.... Er zijn dingen, waaraan men zich niet kan onttrekken, nietwaar?

Rougon viel hem in de rede; de keizer had in zijn hooge wijsheid gehandeld, het land zou in uitmuntende handen zijn. Toen vatte Delestang weer moed.

--O, ik heb u verdedigd, we hebben u alle verdedigd. Maar kijk, onder ons gezegd, ge waart wel wat ver gegaan.... die zaak met de Charbonnels, ge weet wel, die arme zusters....

Mijnheer de Marsy onderdrukte een glimlach. Rougon antwoordde op zijn jovialen toon van vroeger:

--Ja, ja, de huiszoeking bij de geestelijke zusters. Mijn hemel, onder al de dwaasheden die mijn vrienden mij hebben laten begaan, is dat misschien de eenige verstandige en rechtvaardige zaak in de vijf maanden van mijn gezag.

En hij ging heen, toen hij Du Poizat zag binnentreden en zich van Delestang meester maken. De prefect hield zich alsof hij hem niet bemerkte. Sedert drie dagen lag hij te Parijs in hinderlaag. Hij had zeker een overplaatsing als prefect gekregen, want hij putte zich uit in dankbetuigingen. Toen de nieuwe minister zich omkeerde, kreeg hij den bode Merle, die door mevrouw Correur voortgeduwd werd, bijna tegen het lijf; de bode sloeg de oogen neer als een verlegen meisje, terwijl mevrouw Correur hem warm aanbeval.

--Men houdt niet van hem aan het ministerie, mompelde zij, omdat hij door zijn stilzwijgen tegen de misbruiken protesteerde. Hij heeft rare dingen onder mijnheer Rougon bijgewoond!

--Ja, vreemde dingen, zei Merle. Daar zou ik een boekje van open kunnen doen!.... Mijnheer Rougon zal niet betreurd worden. Ik heb allerminst reden om gesteld op hem te zijn. Hij had me bijna weggejaagd.

In de groote zaal, die Rougon met langzame schreden doorwandelde, was men bijna uitverkocht. Om de keizerin genoegen te doen, hadden de bezoekers de kraampjes letterlijk geplunderd. De verkoopsters waren in de wolken; ze opperden het plan om 's avonds met een nieuwen voorraad de bazaar te heropenen. En zij telden haar geld op de tafeltjes uit. Groote bedragen werden met een zegevierend gelach aangekondigd: de eene had drieduizend francs gebeurd, een andere vierduizend vijfhonderd, een derde zevenduizend, een vierde tienduizend. Deze laatste straalde van verrukking. Ze was een vrouw van tienduizend francs.

Maar mevrouw de Combelot was wanhopig. Zij had haar laatste roos verkocht, en de koopers bestormden nog steeds haar kiosk. Zij ging de zaal in om mevrouw Bouchard te vragen of zij niets te koop had, het kwam er niet op aan wat. Maar het draaibord was ook leeg; een dame nam juist den laatsten prijs mee, een poppen-waschkom. Eindelijk, na lang zoeken, vonden zij een pakje tandenstokers op den grond. Mevrouw de Combelot nam het in zegepraal mee naar haar kiosk, gevolgd door mevrouw Bouchard.

--Heeren! Heeren! riep eerstgenoemde vrijmoedig, met haar bloote armen de mannen om zich heen lokkend. Dat is alles wat wij overhebben, een pakje tandenstokers. Er zijn er vijf-en-twintig.... Ik breng ze in veiling.

De mannen verdrongen zich lachend om haar heen. De inval van mevrouw Combelot vond een uitbundigen bijval.

--Een tandenstoker! riep zij. Er is een kooper voor vijf francs!.... Komaan, heeren, vijf francs!

--Tien francs! zei een stem.

--Twaalf francs!

--Vijftien francs!

Maar mijnheer d'Escorailles bood op eens vijf en twintig francs en mevrouw Bouchard haastte zich om met haar lieve stem te roepen:

--Toegewezen voor vijf en twintig francs!

De andere tandenstokers gingen nog veel hooger. Mijnheer La Rouquette betaalde voor den zijnen drie en veertig francs; ridder Rusconi, die juist aankwam, bood zelfs twee en zeventig francs; de laatste tandenstoker eindelijk, die door mevrouw de Combelot als gespleten werd aangekondigd, daar zij haar menschen niet wou bedriegen, zei ze, werd toegewezen voor de somma van honderd zeventien francs aan een ouden heer, die vuur vatte door de opwinding der jonge vrouw, wier keurslijf bij iedere hartstochtelijke beweging half openging.

--Hij is gespleten, heeren, maar hij kan nog dienst doen.... We zeggen honderd acht!.... honderd tien, daar!.... honderd elf! honderd twaalf! honderd dertien! honderd veertien!.... Komaan, honderd veertien! Hij is meer waard.... Honderd zeventien! honderd zeventien! Niemand meer? Toegewezen voor honderd zeventien francs.

En door die cijfers achtervolgd, verliet Rougon de zaal. Op het terras aan den waterkant vertraagde hij zijn tred. Een onweer kwam op aan den horizon. Het vuilgroene Seinewater stroomde zwaar tusschen de bleeke kaden, waarop de stofwolken omhoog dwarrelden. In den tuin lieten de boomen, waartusschen nu en dan een heete luchtstroom streek, hun takken machteloos hangen. Rougon zocht de groote kastanjeboomen op; het was er bijna geheel donker en vochtig warm als onder een keldergewelf. Hij kwam uit in de groote laan, toen hij de Charbonnels op een bankje zag zitten, keurig gekleed, alsof zij een gedaanteverwisseling ondergaan hadden; de man in lichte pantalon en getailleerde overjas, de vrouw met een hoed met roode bloemen gegarneerd en een licht manteltje op een lilazijden japon. Naast hen, schrijlings op een hoekje van de bank, zat een haveloos individu, met een oud jachtvest aan, druk te gesticuleeren, terwijl hij hoe langer hoe nader bij hen schoof. Het was Gilquin. Hij sloeg telkens tegen zijn linnen pet, die dreigde af te waaien.