Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 31
Toen had hij er veel tegen aan te voeren. Jules had mooie vooruitzichten. Zij zouden zijn carrière verwoesten. Terwijl hij sprak, gaf de markiezin blijken van ongeduld. Zij sprak nu op haar beurt, met iets meer heftigheid:
--Mijn hemel, mijnheer Rougon, het staat niet aan ons om u te beoordeelen. Maar er zijn zekere tradities in onze familie.... Jules mag de hand niet leenen tot een afschuwelijke vervolging van de Kerk. Te Plassans verbaast men zich reeds. We zouden met den geheelen adel van het land in onaangenaamheden komen.
Hij had haar begrepen. Hij wou spreken, maar zij legde hem met een gebiedend gebaar het zwijgen op.
--Laat mij uitspreken.... Onze zoon heeft zich tegen onzen zin met de nieuwe dynastie verzoend. U weet hoe smartelijk het ons aandeed hem een onwettig bestuur te zien dienen. Ik heb zijn vader weerhouden hem te vloeken. Sedert dien tijd is ons huis in rouw gedompeld en wanneer wij vrienden ontvangen, wordt de naam van onzen zoon niet genoemd. Wij hadden gezworen ons niet meer met hem te bemoeien, maar er zijn grenzen, wij mogen niet dulden dat een d'Escorailles gemeene zaak maakt met de vijanden van onzen heiligen godsdienst. U begrijpt mij zeker wel, mijnheer Rougon?
Rougon boog. Hij dacht er niet aan te lachen om de vrome leugens van de oude dame. Hij vond den markies en de markiezin terug zooals hij ze gekend had, in den tijd dat hij honger leed in de straten van Plassans, hooghartig, trotsch en onbeschaamd. Wanneer anderen hem zoo hadden durven toespreken, zou hij ze zeker de deur gewezen hebben. Maar hij voelde zich klein; zijn armoedige jeugd kwam hem weer voor den geest; een oogenblik meende hij nog zijn scheefgeloopen laarzen aan de voeten te hebben. Hij beloofde Jules te overreden. Daarop voegde hij er bij, zinspelend op het antwoord dat hij van den keizer verwachtte:
--Trouwens, uw zoon zal u misschien van avond reeds teruggegeven worden.
Toen hij weer alleen was, voelde Rougon zich beklemd. Die oude lieden hadden zijn koelbloedigheid geschokt. Nu aarzelde hij naar die liefdadigheidsbazaar te gaan, waar iedereen zijn ontroering op zijn gelaat kon lezen. Maar weldra schaamde hij zich voor die kinderachtige vrees. En hij ging heen, zijn weg door het kabinet nemend. Hij vroeg aan Merle of er niets voor hem gekomen was.
--Neen, Excellentie, antwoordde de bode, die sedert den morgen op den loer scheen te staan, op een meewarigen toon.
De Oranjerie der Tuileriën waar de bazaar gehouden werd, was voor die gelegenheid weelderig ingericht. Behangsel van rood fluweel met gouden franje onttrok de muren aan het oog en herschiep de groote, kale galerij in een hooge feestzaal. Aan een der uiteinden, links, scheidde een kolossaal gordijn, eveneens van rood fluweel, een gedeelte van de galerij als een zijvertrek af; dit gordijn was opgenomen door embrasses met groote gouden kwasten, en door de wijde opening kwam men uit de groote zaal, waar de kraampjes waren opgesteld, in de kleinere ruimte, waarin het buffet geplaatst was. Men had den grond met fijn zand bestrooid. Majolica potten vormden in iederen hoek boschjes van groene planten. Op het midden van het vierkant door de kraampjes gevormd, bood een cirkelronde fluweelen pouf gemakkelijke zitplaatsen aan, terwijl zich uit het midden van den pouf een kolossale bloementuil verhief, een dikke bundel stengels, waartusschen rozen, anjelieren, verbena's, als een regen van schitterende druppels neervallend. En voor de openstaande glazen deuren op het terras aan den waterkant, bekeken de bedienden, in zwarte rokken gekleed, met een ernstig gezicht de kaarten der genoodigden. De dames-patronessen verwachtten tegen vier uur de eerste bezoekers. In de groote zaal stonden zij achter haar toonbanken de koopers af te wachten. Op de lange, met rood laken bekleede tafels lagen de koopwaren uitgestald; er waren verscheidene toonbanken met Parijsche luxe-artikelen en met Chineesche kunstvoorwerpen, twee winkels met kinderspeelgoed, een bloemenkiosk vol rozen, en eindelijk een draaibord onder een tent, als op een boerenkermis. De verkoopsters, gedecolleteerd en in avondtoillet, waren vleiend als echte koopvrouwen, glimlachten als modistes die een ouderwetschen hoed verkoopen, prezen haar artikelen aan zonder dat zij er verstand van hadden; en tot dat winkeljuffrouwtje spelen leenden zij zich met zenuwachtige lachjes, gekitteld door al die handen, die onder het koopen de hare aanraakten. Een prinses stond in een speelgoedkraam; aan de overzij verkocht een markiezin portemonnaies van vijftien stuivers, die zij niet onder twintig francs losliet, twee mededingsters, die den triomf van haar schoonheid afmeten naar de hoegrootheid van haar ontvangst; zij klampten de bezoekers aan, riepen de mannen, vroegen onbeschaamde prijzen, en na een loven en bieden als bij inhalige slagersvrouwen, gaven zij, om de lui tot groote aankoopen te decideeren, een handdrukje of een kijkje in haar wijdgeopend keurslijf op den koop toe. De liefdadigheid bleef het voorwendsel. Langzamerhand liep de zaal vol. Heeren bleven kalm stilstaan en bekeken de verkoopsters, alsof zij deel uitmaakten van de uitstalling. Voor sommige kraampjes verdrongen zich elegante jongelui; zij grinnikten en maakte guitige zinspelingen op hun inkoopen, terwijl de dames, onuitputtelijk in welwillendheid van den een naar den ander gingen en met een allerliefsten glimlach haar koopwaren aanprezen. Vier uren in zoo'n drukte door te brengen is een genot.
Er was een leven als op een veiling, daartusschen een helder gelach en het doffe kraken van het zand onder de voetstappen. De roode behangsels temperden het helle licht van de hooge vensters, verspreidden een rooden gloed, die een rose tint op de ontbloote schouders deed schitteren. En tusschen het publiek liepen zes andere dames, een barones, twee bankiersdochters en drie vrouwen van hooggeplaatste ambtenaren, met lichte mandjes om den hals gehangen, en snelden iederen nieuwen bezoeker te gemoet met sigaren en lucifers.
Mevrouw de Combelot had vooral veel succès. Zij verkocht ruikertjes in de met rozen gevulde kiosk, een met uitsnijwerk en verguldsel versierd chalet, veel gelijkende op een groote vogelkooi. Zelf geheel in het rose, een zachtrose huidtint, die haar naaktheid boven het laag uitgesneden keurslijf verder voortzette, tusschen de twee borsten niets anders dragend dan het ruikertje viooltjes, dat door alle verkoopsters gedragen werd, was zij op het denkbeeld gekomen om haar ruikertjes als een echte bloemenverkoopster voor de oogen van het publiek te maken: een roos, een knop, drie blaadjes, die zij tusschen haar vingers ineendraaide, terwijl zij het einde van den draad tusschen haar tanden vasthield, en die zij voor een tot tien louis verkocht, naar gelang van het uiterlijk der heeren. En men betwistte elkander haar ruikertjes, ze kon aan alle aanvragen niet voldoen; zij prikte zich nu en dan van de haast in den vinger en zoog dan snel de bloeddruppels op.
Tegenover haar, in de linnen tent, stond mevrouw Bouchard bij het draaibord. Zij droeg een keurig blauw boerinnen-kostuum met hoog lijf en een keurslijf bij wijze van fichu, bijna een vermomming, om geheel het voorkomen te hebben van een oblie-koopvrouw. Daarbij lispelde zij allerliefst en gaf zich een alleraardigst air van onnoozelheid. Op het draaibord lagen de prijzen, afschuwelijke prullen van vijf of zes stuivers, glaswerk, porcelein of marokijnwaar; en de wijzer kraste tegen de koperen draden en het bord draaide met de prijzen rond, met een geraas als van brekend vaatwerk. Om de twee minuten, wanneer er geen spelers waren, zei mevrouw Bouchard met haar onschuldig stemmetje, alsof zij zoo pas van haar dorpje kwam:
--Twintig sous een keer, heeren.... Toe, heeren, draai ereis rond....
Het afgeschoten vertrek, waar ververschingen verkrijgbaar waren, was eveneens met zand bestrooid, in de hoeken met groene planten versierd, en van ronde tafeltjes en rieten stoelen voorzien. Men had gepoogd een echt café na te bootsen, om de zaak pikanter te maken. Achterin, aan de monumentale toonbank, zaten drie dames; zij wachtten op de bestellingen der bezoekers, en maakten intusschen een druk gebruik van haar waaiers. Likeurkaraffen, schalen met taartjes en sandwiches, bonbons, sigaren en cigaretten stonden daar uitgestald als op een publiek bal. Nu en dan stond de middelste dame, een levendige brunette, op om een glaasje in te schenken, zij kon zich niet roeren tusschen dien overvloed van karaffen en manoeuvreerde met haar bloote armen op gevaar af van alles te breken. Maar Clorinde heerschte aan het buffet. Zij bediende het publiek aan de tafeltjes. Zij leek wel Juno als kellnerin. Zij droeg een geelsatijnen japon, met zwartsatijnen biezen afgezet, verblindend, buitengewoon, als een ster waarvan de sleep op den staart van een komeet geleek. Zeer laag gedecolleteerd, liep zij in statige houding tusschen de rieten stoelen door, glazen bier op een witmetalen blad ronddragend met de kalmte van een godin. Zij streek met haar bloote ellebogen langs de schouders der heeren, bukte zich, met haar laag uitgesneden keurslijf om orders op te nemen, gaf ieder antwoord, glimlachend, zonder zich te overhaasten. Wanneer het bestelde gebruikt was, ontving zij in haar mooie hand de zilverstukjes en de stuivers, die zij met een gebaar, alsof zij met dat werk reeds vertrouwd was, in een taschje liet glijden, dat aan haar ceintuur hing. Intusschen waren mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin gaan zitten. De eerste klopte voor de grap op het zinken tafelblad en riep:
--Mevrouw, twee bier!
Zij kwam, bracht de twee glazen bier en bleef daar even staan rusten, daar er bijna geen bezoekers waren. Verstrooid veegde zij met haar kanten zakdoek haar vingers af, die nat van het bier waren. Mijnheer Kahn merkte een bijzonderen gloed in haar oogen op, een zegevierende uitdrukking op haar gelaat. Hij keek haar aan en vroeg:
--Wanneer zijt ge van Fontainebleau teruggekomen?
--Van morgen, antwoordde zij.
--En hebt ge den keizer gezien, wat weet ge voor nieuws?
Zij glimlachte even, kneep haar lippen samen met een raadselachtige uitdrukking op haar gelaat, en keek hem op haar beurt aan. Toen zag hij, dat zij een zonderling sieraad droeg, dat hij haar nooit had aan zien hebben. Om haar hals droeg zij een hondenhalsband van zwart fluweel, met gesp, ring en belletje, een gouden belletje waarin een fijne parel klingelde. Op den halsband stonden in diamanten letters twee dooreengewerkte namen. Aan den ring hing een zware gouden ketting op haar borst neer, die werd opgehouden door een gouden plaatje, aan den rechterarm bevestigd, waarop te lezen stond: Ik behoor mijn meester toe.
--Zeker een cadeau? mompelde mijnheer Kahn, op het kleinood wijzend.
Zij knikte van ja, de lippen tot een fijn, sensueel lachje geplooid. Zij had die lijfeigenschap gewenscht. Zij praalde er met een schaamteloosheid mee, die haar boven een gewonen misstap verhief, gevierd door de keuze van een vorst, benijd door allen. Toen zij zich vertoonde met den band om den hals, waarop de scherpziende oogen der mededingsters een doorluchtigen voornaam met den haren meenden vermengd te zien, hadden alle vrouwen het begrepen; zij wisselden oogwenkjes, alsof zij zeggen wilden: 't Is dus een feit! Sedert een maand sprak de officiëele wereld over dat avontuur, verwachtte die ontknooping. En 't was inderdaad een feit, zij zelve verkondigde het luid, ze droeg het op haar hals geschreven. Indien men geloof mocht hechten aan wat er gefluisterd werd, dan had zij op vijftienjarigen leeftijd voor de eerste maal met een koetsier in een stal op een bos stroo geslapen. Later had zij gerust in andere bedden, van bankiers, ambtenaren, ministers, steeds hooger stijgende, haar fortuin in elk dier nachten grooter makend. En van alkoof tot alkoof, van het eene nachtkwartier tot het andere, had zij bij wijze van apotheose, als een laatste uiting van trots, haar mooi verstandig hoofd op het keizerlijke hoofdkussen gelegd.
--Mevrouw, een glas bier, alsjeblieft! vroeg een dikke gedecoreerde heer, een generaal, die haar glimlachend aankeek.
En toen zij het glas bier gebracht had, werd zij door twee afgevaardigden geroepen.
--Twee glazen chartreuse, alsjeblieft!
Een stroom van bezoekers kwam binnen, van alle kanten klonken de bestellingen, grogjes, anisette, limonade, taartjes, cigaren. De mannen keken haar oplettend aan en fluisterden elkander gretig het praatje toe, dat over haar de ronde deed. En als die kellnerin, die 's morgens uit de armen van den keizer was gekomen, haar hand uitstrekte om hun geld te ontvangen, schenen zij iets van die vorstelijke liefde aan haar te zoeken. Zij keerde zonder eenige verwarring te doen blijken langzaam haar hals om, teneinde haar hondenhalsband te laten zien, waaraan de dikke gouden ketting rinkelde. Dat was nog iets pikants er bij, ieders dienstbare te zijn wanneer men voor een nacht koningin is geweest, om de tafeltjes van een nagebootst café tusschen de citroenschijfjes en de koekkruimels door, met voeten rond te wandelen, die door een doorluchtigen knevel hartstochtelijk gekust waren.
--'t Is vermakelijk, zei ze, weer bij mijnheer Kahn terugkomend. Ze houden me, op mijn woord, voor een gemeene meid! Een heeft er me zelfs geknepen, geloof ik. Ik heb maar niets gezegd. Och, waarvoor ook?.... 't Is voor de armen, nietwaar?
Mijnheer Kahn gaf haar een knipoogje dat zij zich bukken zou, en heel zacht vroeg hij:
--Dus, Rougon?....
--Sst, dadelijk, antwoordde zij eveneens fluisterend. Ik heb hem een uitnoodigingskaart met mijn naam gestuurd. Ik verwacht hem.
En toen mijnheer Kahn twijfelachtig het hoofd schudde, voegde zij er levendig bij:
--Ja, ja, ik ken hem, hij zal komen.... Trouwens, hij weet niets.
Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin begonnen toen naar Rougon uit te kijken. Ze hadden het uitzicht op de groote zaal, door de wijde opening der gordijnen. Het werd er steeds voller. Heeren, met de beenen over elkander gekruist, lagen achterover geleund tegen den cirkelronden pouf, en sloten droomerig de oogen, terwijl een onafgebroken stroom van bezoekers langs hun uitgestrekte beenen heen liep en er bijna over struikelde. De warmte werd hinderlijk. En boven het gonzend gedruis klonk het krassend geluid van het draaibord als een ratel.
Mevrouw Correur, die juist aankwam, ging langzaam de kraampjes langs; zij droeg een wit en mauve gestreept zwartzijden kostuum, waaronder haar armen en schouders rosachtige vetkussentjes leken. Zij keek bedachtzaam rond, als een klant die een voordeelig koopje hoopt te doen. Gewoonlijk zei zij dat men er uitmuntende koopjes vond, op die liefdadigheidsbazaars, die arme dames hadden zoo weinig verstand van haar koopwaren. Maar zij kocht nooit bij haar kennissen onder de verkoopsters; die "pekelden" hun vrienden te veel. Toen zij de zaal om geweest was, alles opnemende, besnuffelende en weer neerleggende, kwam zij terug voor een kraampje van marokijnwerk, waarvoor zij meer dan tien minuten staan bleef, om met een besluiteloos gezicht de heele etalage te monsteren. Eindelijk nam zij achteloos een juchtleeren portefeuille in haar hand, waarop zij al langer dan een kwartier het oog gehad had.
--Hoeveel? vroeg zij.
De verkoopster, een lange jonge blondine, die met twee heeren stond te schertsen, keerde zich ternauwernood om en antwoordde:
--Vijftien francs.
De portefeuille was er minstens twintig waard. De dames, die onder elkander wijdijverden om de heeren buitensporige prijzen te laten betalen, verkochten gewoonlijk uit een soort van vrijmetselarij aan vrouwen tegen inkoopsprijs. Maar mevrouw Correur legde de portefeuille met een verschrikt gezicht op de toonbank neer en mompelde:
--O, dat is te duur. 't Is maar voor een cadeautje. Ik geef er tien francs voor, meer niet. Hebt u niet iets liefs voor tien francs?
En zij haalde opnieuw de etalage onderste boven. Niets beviel haar. Och hemel! was die portefeuille nu maar zoo duur niet! Zij nam ze weer ter hand, stak haar neus in de zakjes. De verkoopster werd ongeduldig en was bereid ze haar voor veertien, toen voor twaalf francs te laten. Neen, neen, dat was nog te duur. En zij kreeg ze voor elf francs, na een vreeselijk geknibbel. De lange blondine zei:
--Ik verkoop graag.... Alle vrouwen bieden, er is er niet een die koopt.... O, als we de heeren niet hadden!
Mevrouw Correur vond tot haar groote blijdschap in de portefeuille een etiketje, waarop de prijs, vijf en twintig francs, genoteerd stond. Ze snuffelde nog wat rond en ging ten slotte achter het draaibord staan, naast mevrouw Bouchard. Zij noemde haar "liefje", en streek de lokjes op haar voorhoofd terecht.
--Kijk, daar is de kolonel! zei mijnheer Kahn, die nog steeds, aan zijn tafeltje gezeten, de binnenkomende bezoekers bespiedde.
De kolonel kwam omdat hij niet anders kon. Hij hoopte er met een louis af te komen, en dat ging hem al genoeg aan het hart. Aan de deur werd hij reeds bestormd door drie of vier dames, die als om strijd riepen:
--Mijnheer, koopt u een sigaar van mij.... Mijnheer, een doosje lucifers....
Hij glimlachte en maakte zich met een beleefd woordje van ze af. Vervolgens ging hij eens poolshoogte nemen, en daar hij hoe eer hoe liever zijn schuld betalen wou, hield hij stil bij een kraampje, waarin een dame stond, die zeer gezien was aan het hof; daar vroeg hij naar een zeer leelijken sigarenkoker. Vijf en zeventig francs! Hij kon een gebaar van schrik niet weerhouden; hij wierp den koker weg en maakte dat hij wegkwam; terwijl de dame gekrenkt het hoofd omwendde, alsof hij haar persoonlijk iets onbehoorlijks had gedaan. Toen ging hij, om onaangename aanmerkingen te voorkomen, naar de kiosk waar mevrouw de Combelot nog steeds haar ruikertjes ineendraaide. Die ruikertjes zouden zeker niet duur zijn. Uit voorzichtigheid wou hij zelfs geen ruiker nemen, begrijpende dat de bloemenverkoopster een te hoogen prijs voor haar werk zou vragen. Hij koos uit den stapel rozen den dunsten en de minst ontloken knop, en zijn portemonnaie voor den dag halend, vroeg hij hoffelijk:
--Mevrouw, hoeveel kost die bloem?
--Honderd francs, mijnheer, antwoordde de dame, die zijn manier van doen had opgemerkt.
Hij stotterde, zijn handen beefden. Maar ditmaal was het onmogelijk terug te treden. Er stonden menschen om hem heen, men keek naar hem. Hij betaalde en zijn toevlucht naar de koffiekamer nemende, ging hij aan het tafeltje van mijnheer Kahn zitten, en mompelde:
--'t Is een afzetterij, een afpersing....
--Hebt ge Rougon niet in de zaal gezien? vroeg mijnheer Kahn.
De kolonel antwoordde niet. Hij wierp van verre woedende blikken op de verkoopsters. En toen mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette vroolijk lachend voor een kraampje stonden, mompelde hij binnensmonds:
--Dat dank je de drommel, die jongelui hebben pret.... Zij krijgen altijd waar van hun geld.
Mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette amuseerden zich inderdaad uitstekend. De dames betwistten ze aan elkander. Zoodra zij binnentraden, werden de armen naar hen uitgestoken, rechts en links, overal klonken hun namen.
--Mijnheer d'Escorailles, u weet wat u me beloofd hebt.... Kom mijnheer La Rouquette, koop een stokpaardje bij me. Niet? Dan een pop. Ja, ja, een pop, die moet u hebben!
Zij gaven elkaar een arm, om elkaar te beschermen, zeiden zij lachend. Zij gingen door de zaal, stralend, opgetogen, te midden van die bestorming van rokken, de warme liefkoozing van de lieve stemmen. Nu en dan verdwenen zij, verzwolgen onder de naakte boezems, waartegen zij zich met uitroepen van afgrijzen trachtten te verdedigen. En bij ieder kraampje lieten zij zich zoo'n lief geweld aandoen. Daarop hielden zij zich gierig, en gaven op een komische wijze lucht aan hun ontzetting. Een pop van een stuiver voor een louis, dat konden zij zich niet permitteeren! Drie potlooden van twee louis, men wou ze dus doodarm maken! 't Was allergrappigst. De dames maakten een zacht kirrend geluid, als de tonen een fluit. Ze werden begeerig, vroegen het drie-, viervoudige van den prijs. Zij gaven de heeren aan elkander over en hier en daar klonk het: "Ik zal die twee eens beetnemen.... Dat zijn een paar goede om af te zetten....", wat de heeren heel goed hoorden en waarop ze met grappige buigingen antwoordden. Achter hun rug pochten de dames op hun succès; maar de meest benijde was een achttienjarig juffertje, dat een pijp zegellak voor drie louis verkocht had. Aan het einde der zaal, waar een verkoopster hem met alle geweld een doos zeep in den zak wou steken, riep mijnheer d'Escorailles:
--Ik heb geen cent meer. Wil ik een wissel voor u teekenen?
Hij keerde zijn geopende portemonnaie om, en de dame vergat zich in haar ijver zoozeer dat zij de portemonnaie uit zijn hand nam en ze doorzocht. En zij keek den jongen man aan, ze scheen op het punt hem zijn horlogeketting te vragen.
't Was een grap. Mijnheer d'Escorailles nam altijd voor de aardigheid een leege portemonnaie op zulke bazaars mee.
--Kom mee, zei hij, mijnheer La Rouquette meetroonend, ik word het beu, hè? Wij zullen trachten weer wat op ons verhaal te komen.
En toen zij voorbij het draaibord gingen, riep mevrouw Bouchard:
--Twintig sous per keer, heeren.... Draai ereis rond!
Zij traden naderbij en deden alsof zij haar niet verstaan hadden.
--Hoeveel kost een keer, koopvrouw?
--Twintig sous, heeren.
Daar begon het gelach opnieuw. Maar mevrouw Bouchard, in haar blauw boerinnenpakje, bleef onschuldig kijken, en zette een gezicht alsof zij de heeren volstrekt niet kende. Toen bleef het bord een kwartier lang ronddraaien, zonder rustpoos. Zij losten elkander af. Mijnheer d'Escorailles won twee dozijn eierdopjes, drie zakspiegeltjes, zeven biscuitbeeldjes, vijf cigarettenkokers. Mijnheer La Rouquette kreeg voor zijn aandeel twee pakjes kant, een porceleinen vaasje op een verguld zinken voet, glazen, een blaker, een toiletdoos. Mevrouw Bouchard riep met een benepen gezicht:
--Neen maar, u is al te gelukkig! Ik speel niet meer.... Hier, neem uw prijzen mee.
Ze had ze op een tafel gelegd, in twee stapels. Mijnheer La Rouquette stond er versteld van. Hij vroeg of hij zijn stapel mocht ruilen voor het ruikertje viooltjes, dat zij in haar kapsel droeg. Maar zij weigerde.
--Neen, neen, u hebt het gewonnen, niet waar? Nu, dan moet ge het ook meenemen.
--Mevrouw heeft gelijk, zei mijnheer d'Escorailles ernstig.
Men moet de fortuin den rug niet toedraaien, en de drommel haal me als ik éen eierdopje laat staan!....
Hij had zijn zakdoek uitgespreid en pakte er alles netjes in. Er ontstond een nieuwe uitbarsting van vroolijkheid. De verlegenheid van mijnheer La Rouquette was al even vermakelijk. Toen kwam mevrouw Correur, die tot dusverre als een waardige matrone zich glimlachend op den achtergrond had gehouden, met haar dik, blozend gelaat voor den dag. Zij wou wel ruilen, zei ze.
--Neen, ik wil niets, haastte de jonge afgevaardigde zich te zeggen. Neem alles, ik geef u alles.
Maar zij gingen niet heen, ze bleven nog een oogenblik. Nu richtten zij zachtjes aardigheden van een twijfelachtig allooi tot mevrouw Bouchard. Als men haar zag, geraakten de hoofden nog meer aan het draaien dan haar draaibord. Wat won men bij haar aardig spel? Dat was wel zoo amusant als alle vogels vliegen; en ze wilden voor dat spelletje allerlei aardige inzetten geven. Mevrouw Bouchard sloeg de oogen neer en lachte als een onnoozel gansje, zij wiegelde zachtjes op haar heupen, als een boerinnetje dat door heeren in de maling wordt genomen, terwijl mevrouw Correur er opgetogen bij stond en met het verrukte gezicht van een kenster uitriep:
--Wat is ze toch snoezig!
Maar mevrouw Bouchard gaf mijnheer d'Escorailles tenslotte een tikje op de handen, toen hij het mechaniek van het draaibord wou onderzoeken, onder voorwendsel dat zij valsch speelde. Wilden de heeren haar wel eens met rust laten! En toen zij ze weggezonden had, hernam zij weer op lokkenden toon:
--Komaan, heeren, twintig sous per keer. Een keer maar, heeren!