Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 30
Intusschen haastte Clorinde zich niet. Wanneer de anderen schreeuwden en van ongeduld stampvoetten, zweeg zij en maande hen door een blik tot voorzichtigheid aan. Zij ging minder uit, verkleedde zich soms uit tijdverdrijf met haar kamenier als man. Plotseling legde zij een groote genegenheid voor haar man aan den dag, zij kuste hem in ieders bijzijn, sprak hem lispelend aan en toonde zich zeer bezorgd voor zijn gezondheid, die uitstekend was. Misschien wou zij zoo het onbeperkte gezag dat zij over hem uitoefende, verbergen. Zij was zijn leidsvrouw bij al zijn daden, zij zei hem iederen morgen zijn les voor, als een schooljongen dien men wantrouwt. Delestang was overigens de gehoorzaamheid zelf. Hij groette, glimlachte, werd boos, noemde iets wit, noemde het zwart, al naar het draadje waaraan zij trok. Zoodra het uurwerk afgeloopen was, kwam hij uit eigen beweging bij haar om zich weer op te laten winden. En hij bleef nummer éen.
Clorinde wachtte. Meneer Beulin-d'Orchère, die vermeed in den avond te komen, zag haar dikwijls overdag. Hij klaagde bitter over zijn zwager, beschuldigde hem dat hij alles deed om vreemden vooruit te helpen, en zooals dat gewoonlijk gaat, zijn bloedverwanten voorbij ging! Rougon alleen hield den keizer terug om hem tot zegelbewaarder te verheffen, uit vrees dat hij zijn invloed in den raad met hem zou moeten deelen. De jonge vrouw vuurde zijn heimelijke vijandschap aan. Daarop zinspeelde zij op de aanstaande zegepraal van haar man en gaf hem de vage hoop dat hij deel uit zou maken van de nieuwe ministeriëele combinatie. Eigenlijk bediende zij zich van hem om op de hoogte te komen van hetgeen er bij Rougon voorviel. Uit vrouwelijke boosaardigheid zou zij dezen graag ongelukkig in zijn huwelijk gezien hebben; en zij dreef den magistraat aan om zijn zuster in zijn ongenoegen tegen Rougon te doen deelen. Hij moest het probeeren, luid zijn spijt verkondigen over een huwelijk waarvan hij geen enkel voordeel trok, maar hij slaagde niet tegenover de onverstoorbare kalmte van zijn zuster. Zijn zwager, zei hij, was sinds eenigen tijd erg zenuwachtig. Hij insinueerde dat hij hem rijp achtte voor zijn val; en hij keek de jonge vrouw strak aan, vertelde haar teekenende feiten, met het beminnelijk voorkomen van een prater, die zonder eenige kwade bedoeling de lasterpraatjes van de menschen rondvertelt. Waarom handelde zij dan niet, als zij de meesteres was? Maar zij strekte zich in een nog gemakkelijker houding uit, gaf zich het uiterlijk van iemand die op een regenachtigen dag thuis blijft en gelaten het oogenblik afwacht dat de zon zal doorbreken.
Op de Tuileriën werd Clorinde's macht steeds grooter. Men sprak fluisterend over de levendige neiging die Zijne Majesteit voor haar had opgevat. Op bals en officiëele recepties, overal waar de keizer haar ontmoette, draaide hij met zijn schuinsche blikken om haar heen; hij keek haar in den hals, bracht zijn gezicht dicht bij het hare, terwijl een langzame glimlach om zijn lippen verscheen. En zij had niets toegestaan, zei men, zelfs haar vingertoppen niet laten aanroeren. Zij speelde haar oude spelletje van een meisje dat een man zoekt; ze was heel vrij en uitdagend, ze zei alles en toonde veel, maar ze bleef voortdurend op haar hoede en onttrok zich juist op het gewenschte oogenblik. Zij scheen den hartstocht van den keizer te laten rijp worden, het oogenblik af te wachten waarop hij haar niets meer zou kunnen weigeren, om het welslagen te verzekeren van een plan, dat zij lang te voren beraamd had.
Omtrent dezen tijd toonde zij zich op eens heel lief tegenover mijnheer de Plouguern. Sedert eenige maanden waren zij gebrouilleerd. De senator, die bijna iederen morgen bij haar opstaan tegenwoordig was, zag zich op een goeden morgen buiten de deur gesloten, toen zij aan haar toilet bezig was. Zij kreeg plotseling een bui van maagdelijke schaamte; ze wou niet langer geplaagd en gehinderd worden, zei ze, door den grijsaard, die haar met een gele flikkering in zijn grijze oogen aankeek. Maar hij liet zich dat niet welgevallen; hij weigerde op uren te komen, waarop haar kamer vol bezoekers was. Was hij haar vader niet? Had hij haar niet als klein meisje op zijn knie laten dansen? En spottend vertelde hij van de kastijdingen die hij haar vroeger op zeker lichaamsdeel had toegediend. Zij werd voor goed boos, toen hij op zekeren dag, ondanks de kreten en de vuistslagen van Antonia, binnengedrongen was terwijl zij in het bad was. Wanneer mijnheer Kahn of kolonel Jobelin haar vroegen hoe mijnheer de Plouguern het maakte, antwoordde zij scherp:
--Hij wordt met den dag jonger, hij lijkt ternauwernood twintig.... Ik zie hem niet meer.
Toen zag men eensklaps weer niemand anders dan mijnheer de Plouguern bij haar aan huis. Ieder uur van den dag was hij daar, in de intiemste hoekjes van haar kleedkamer. Hij wist waar zij haar linnengoed borg, hij gaf haar een hemd of een paar kousen aan; men had hem zelfs eens verrast toen hij bezig was haar corset aan te rijgen. Clorinde toonde het despotisme van een jonggehuwde.
--Oompje, ga mijn nagelvijltje even halen, in de lade, weet je.... Oompje, geef me de spons eens aan....
Dat "oompje" was een liefkoozing. Hij sprak nu heel vaak over den graaf Balbi, gaf nauwkeurige bijzonderheden over de geboorte van Clorinde. Hij loog dat hij de moeder van de jonge vrouw in de derde maand van haar zwangerschap had leeren kennen. En als de gravin met haar eeuwigen glimlach op haar vervallen gelaat, in de kamer was wanneer Clorinde juist opstond, wisselde hij blikken van verstandhouding met de oude dame, vestigde met een knipoogje haar aandacht op een ontblooten schouder, of een half te voorschijn komende knie.
--Hè, Lenora, mompelde hij, sprekend uw evenbeeld!
De dochter herinnerde hem aan de moeder. Zijn beenig gelaat gloeide. Dikwijls stak hij zijn magere handen uit, vatte Clorinde, drukte haar tegen zich aan, om haar de een of andere onbetamelijkheid te zeggen. Dat bevredigde hem. Hij was Voltairiaan, hij ontkende alles en met zijn knarsenden grijnslach placht hij te zeggen:
--Wel, gansje, dat mag wel.... Als je het prettig vindt, mag het.
Niemand kwam ooit te weten, hoever de zaken tusschen hen gingen. Clorinde had toen mijnheer de Plouguern noodig; hij moest een rol spelen in het drama dat zij voorbereidde. Het gebeurde trouwens meer dat zij op die manier een vriendschap kocht, waarvan zij zich later niet meer bediende, wanneer zij van plan veranderde. 't Was in haar oog niet veel meer dan een handdruk aan den eersten den besten. Zij zelve gevoelde een diepe minachting voor de gunsten die zij schonk; zij plaatste haar fierheid elders.
Intusschen bleef het gunstige oogenblik nog uit. Zij sprak in bedekte termen met mijnheer de Plouguern over een zekere gebeurtenis, die zich wat te lang liet wachten. De senator berekende met het ingespannen, nadenkend gezicht van een schaakspeler den waarschijnlijken uitslag van allerlei combinaties, maar hij schudde ten slotte moedeloos het hoofd, hij vond niets. Wat haar betreft, bij de zeldzame bezoeken die Rougon haar nog bracht, verklaarde zij zich moe en lusteloos, sprak zij er van een paar maanden in Italië te gaan doorbrengen. En dan sloot zij haar oogleden half en richtte haar glinsterende oogen onderzoekend op zijn gelaat. Een glimlach van verfijnde wreedheid plooide haar lippen. Zij had nu wel reeds kunnen beproeven om hem met haar slanke vingers te verwurgen, maar zij wou het ineens goed doen; en zij beschouwde het als een genot, geduldig af te wachten totdat haar nagels lang genoeg gegroeid waren. Rougon, wiens geest altijd met het een of ander bezig was, gaf haar verstrooide handdrukjes en bemerkte niet eens, hoe koortsachtig haar hand gloeide. Hij dacht dat zij al verstandig geworden was, wenschte haar geluk dat zij zoo volgzaam was jegens haar man.
--Nu zijt ge bijna zooals ik u wenschen zou, zei hij. Ge hebt wel gelijk, vrouwen moeten rustig thuis blijven.
En zij riep, met een schellen lach, als hij weg was:
--Mijn hemel, wat is hij dom!.... En hij vindt de vrouwen nog dom!
Eindelijk, op een Zondagavond tegen tien uur, toen de geheele troep in Clorinde's kamer bijeen was, trad mijnheer de Plouguern met een triomfantelijk gezicht binnen.
--Wel, vroeg hij, een groote verontwaardiging veinzende, hebt ge al van Rougon's nieuwe heldendaad gehoord?.... Nu is de maat toch vol.
Allen drongen zich om hem heen. Niemand wist er iets van.
--'t Is een schande! riep hij, de armen opheffende, 't Is onbegrijpelijk dat een minister zich zoo verlagen kan.
En hij vertelde het avontuur in éen adem door. De Charbonnels hadden, zoodra zij in Faverolles kwamen om de erfenis van hun neef Chevassu in ontvangst te nemen, een groote drukte gemaakt over de beweerde verdwijning van een aanzienlijke hoeveelheid zilverwerk. Zij beschuldigden de meid, een zeer godsdienstige vrouw, die het huis had moeten bewaren; op het vernemen van de beslissing van den Raad van State, zou die ongelukkige zich verstaan hebben met de zusters van de H. Familie, en alle voorwerpen van waarde die gemakkelijk te verbergen waren, naar het klooster gebracht hebben. Drie dagen daarna was er geen sprake meer van de meid; toen heette het dat de zusters zelven hun huis leeggeplunderd hadden. Dat verwekte een ontzettend schandaal. Maar de commissaris van politie weigerde een huiszoeking in het klooster te doen, waarna Rougon, op een schrijven van de Charbonnels, aan den prefect getelegrafeerd had, dat er onmiddellijk huiszoeking gedaan moest worden.
--Ja, een huiszoeking, dat stond duidelijk in het telegram, zei mijnheer de Plouguern ten slotte. Toen hebben de commissaris en twee gendarmes het klooster overhoop gehaald. Ze zijn er vijf uur gebleven. Verbeeld u, ze hebben zelfs de stroomatrassen van de zusters doorzocht.
--De stroomatrassen van de zusters, o, dat is laag! riep mevrouw Bouchard verontwaardigd.
--Men moet heelemaal zonder godsdienst zijn, verklaarde de kolonel.
--Wat zal ik u zeggen, zuchtte mevrouw Correur op haar beurt. Rougon ging nooit naar de kerk. Ik heb zoo dikwijls tevergeefs getracht hem met God te verzoenen.
Mijnheer Bouchard en mijnheer Béjuin schudden het hoofd en keken daarbij, alsof zij daar van een ramp gehoord hadden, die hen deed twijfelen aan het menschelijk verstand. Mijnheer Kahn streek over zijn ringbaard en vroeg:
--En natuurlijk is er niets bij de zusters gevonden?
--Volstrekt niets, antwoordde mijnheer Plouguern.
En met groote radheid voegde hij er bij:
--Een zilveren braadpan, geloof ik, twee bekers, een oliestel, kleinigheden, geschenken van den overledene, een vroom grijsaard, aan de zusters, om ze te beloonen voor haar goede verzorging gedurende zijn lange ziekte.
--Ja, dat is duidelijk, mompelden de anderen.
De senator ging niet verder hierop door. Maar op langzamen toon en met een bijzonderen nadruk op iederen zin, hernam hij:
--Dat is de kwestie ook niet. Het betreft hier den eerbied aan een klooster verschuldigd, aan een dier heilige huizen, waarin de deugden die uit onze goddelooze maatschappij verdreven zijn, haar toevlucht genomen hebben. Hoe kan men verlangen dat de groote massa godsdienstig zij, wanneer hooggeplaatste personen den godsdienst aanvallen? Rougon heeft zich schuldig gemaakt aan niets minder dan heiligschennis, en hij zal daarvan rekenschap moeten geven.... De brave burgers van Faverolles zijn dan ook diep verontwaardigd. Monseigneur Rochart, de eminente prelaat, die den geestelijken zusters altijd bijzonder genegen is geweest, is onmiddellijk naar Parijs vertrokken, waar hij recht komt vragen. En in den Senaat was men vandaag zeer ontstemd, er was sprake van een onmiddellijk onderzoek, na de weinige bijzonderheden die ik heb kunnen meedeelen. En de keizerin....
Allen rekten den hals uit.
--Ja, de keizerin heeft deze treurige geschiedenis van mevrouw de Lorentz vernomen, die het wist van onzen vriend La Rouquette, aan wien ik het verteld had. Hare Majesteit moet uitgeroepen hebben: "Mijnheer Rougon is niet meer waard uit naam van Frankrijk het woord te voeren."
--Heel juist! zeiden allen.
Dien Zondag was er tot éen uur in den nacht van niets anders sprake. Clorinde had den mond niet geopend. Bij de eerste woorden van mijnheer de Plouguern had zij zich op haar chaise longue uitgestrekt, ietwat bleek, met samengeknepen lippen. Daarop maakte zij snel, zonder dat iemand het zag, driemaal het teeken des kruises, alsof zij den hemel dankte dat haar lang begeerde wensch eindelijk in vervulling was gegaan. Haar handen vouwden zich telkens weer, bij het verhaal van de huiszoeking. Langzamerhand hadden haar wangen zich rood gekleurd. Strak voor zich uitziende, verzonk zij in een ernstige overpeinzing.
Terwijl de anderen druk praatten, naderde mijnheer de Plouguern haar, en liet zijn hand in haar keurslijf glijden, om haar vertrouwelijk in de borst te knijpen. En met zijn sceptischen grijnslach, op den vrijen toon van een groot heer, die in allerlei omgevingen geleefd heeft, fluisterde hij de jonge vrouw in het oor:
--Hij heeft onzen lieven Heer aangeraakt, hij is een verloren man!
XII.
Acht dagen lang hoorde Rougon reeds de misnoegdheid om hem heen zich in steeds luider bewoordingen uiten. Men zou hem alles vergeven hebben, zijn machtsoverschrijding, de onverzadelijke begeerten van zijn trawanten, den zwaren druk van zijn ijzeren vuist, maar gendarmes uit te zenden om de stroomatrassen der zusters te doorzoeken, dat was een misdaad, zoo monsterachtig, dat de dames aan het hof rilden, als hij voorbij ging. Monseigneur Rochart bracht de geheele officiëele wereld in beweging; hij was zelfs bij de keizerin geweest, zei men. Trouwens, het schandaal werd levendig gehouden door een troepje handige lieden; dezelfde geruchten verhieven zich van alle kanten tegelijk. Te midden van die verwoede aanvallen bleef Rougon eerst kalm en glimlachend. Hij haalde zijn stevige schouders op, noemde het zaakje "een dwaasheid". Hij maakte er zelfs een grapje van. Op een soirée bij den grootzegelbewaarder, liet hij zich ontvallen: "Ik heb toch niet verteld dat ze een pastoor in een stroozak gevonden hebben", en toen dat gezegde bekend werd, kwam er een nieuwe uitbarsting van toorn, dat was de goddeloosheid, de heiligschennis ten top gedreven! Toen begon hij zich langzamerhand op te winden. Het begon hem eindelijk te vervelen! De zusters waren dieveggen, men had immers de zilveren braadpannen en de bekers bij haar gevonden. En hij wou de zaak nog verder drijven, hij sprak er van dat hij de heele geestelijkheid van Faverolles voor de rechtbank beschaamd zou doen staan.
Op een morgen, heel in de vroegte, meldden de Charbonnels zich bij hem aan. Hij keek verbaasd op, hij wist niet dat zij in Parijs waren. Zoodra hij ze zag, riep hij hun toe dat de zaken goed vorderden; den vorigen avond had hij nog instructies aan den prefect gezonden om het parket te noodzaken de zaak aan te pakken. Maar mijnheer Charbonnel scheen zeer ontsteld en mevrouw Charbonnel riep uit:
--Neen, neen, dat niet.... U is te ver gegaan, mijnheer Rougon. U hebt ons verkeerd begrepen.
En beiden begonnen een lofrede op de zusters der H. Familie te houden. Zij waren heiligen. Een oogenblik hadden zij misschien aan ze getwijfeld; maar nooit waren zij zoover gegaan om ze van leelijke dingen te beschuldigen. Geheel Faverolles zou hun trouwens de oogen geopend hebben, zoo hoog stonden de zusters daar in de algemeene achting aangeschreven.
--U zou ons het grootste nadeel toebrengen, mijnheer Rougon, zei mevrouw Charbonnel, als u voortging zoo verbitterd tegen den godsdienst te werk te gaan. Wij zijn gekomen om u vriendelijk te verzoeken de zaken te laten rusten.... Daarginds, ziet u, wist men dat zoo niet! Zij dachten dat wij u aanzetten, ze zouden ons nog gesteenigd hebben.... We hebben het klooster een ivoren crucifix geschonken, dat boven het voeteneind van onze armen neef hing.
--Enfin, besloot mijnheer Charbonnel, u is gewaarschuwd, u moet het verder zelf weten.... Wij bemoeien er ons niet meer mee.
Rougon liet ze praten. Zij schenen heel ontevreden op hem te zijn, ze werden ten laatste zelfs heftig. Hij kreeg op eens een koud gevoel in den nek. Hij keek ze aan, door een plotseling matheid bevangen, alsof hem wederom iets van zijn kracht ontnomen was. Maar hij begon geen woordentwist met hen. Hij zond ze heen, met de belofte dat hij de zaak zou laten rusten. En inderdaad, zij ging in den doofpot.
Sedert eenige dagen was hij onder den indruk van een nieuw schandaal, waarbij zijn naam genoemd werd. Een afgrijselijk drama was in Coulonges afgespeeld. Du Poizat, die het zijn vader lastig wou maken, was op een morgen aan de deur van den gierigaard komen aankloppen. Vijf minuten later hoorden de buren geweerschoten in het huis, gevolgd door een vreeselijk gejammer. Toen men binnentrad, vond men den grijsaard met gespleten hoofd onder aan de trap liggen; twee afgeschoten geweren lagen midden in het voorhuis. Du Poizat vertelde doodsbleek dat zijn vader, toen hij de trap op wou gaan, plotseling als een waanzinnige "houd den dief" geroepen en tweemaal op hem gevuurd had; hij toonde zelfs het gat van een kogel in zijn hoed. Daarop, altijd volgens hem, was zijn vader achterover gevallen en had zich tegen de punt van de eerste trede het hoofd te pletter gestooten. Die tragische dood, dat geheimzinnige drama zonder getuigen, had in het heele departement aanleiding tot de zonderlingste praatjes gegeven. De dokters constateerden wel een plotselingen aanval van beroerte, maar de vijanden van den prefect beweerden niettemin dat hij den ouden man een duw gegeven had: en het aantal van zijn vijanden wies met den dag, dank zij zijn ruw bestuur, waaronder Niort als onder een schrikbewind gebukt ging. Du Poizat klemde zijn tanden opeen en balde zijn magere vuisten; wanneer hij voorbijging, was éen enkele blik uit zijn grijze oogen voldoende om den babbelaars aan de deuren den mond te snoeren. Maar er kwam een tweede ongeluk bij; hij zag zich genoodzaakt Gilquin te ontslaan, die zich aan een leelijke zaak had schuldig gemaakt; voor honderd francs nam Gilquin op zich den boerenzoons vrijstelling van militairen dienst te bezorgen; en al wat men doen kon, was hem voor een correctioneele straf te vrijwaren en hem zijn ontslag te geven. Intusschen had Du Poizat krachtig op Rougon gesteund, wiens verantwoordelijkheid hij bij iedere nieuwe ramp grooter maakte. Hij had zeker een voorgevoel van Rougon's val, want hij kwam in Parijs zonder hem te waarschuwen. Hij dacht er aan een overplaatsing als prefect te vragen, ten einde een zeker ontslag te ontkomen. Na den dood van zijn vader en de schelmenstreken van Gilquin werd Niort voor hem onhoudbaar.
--Ik heb mijnheer Du Poizat op de faubourg Saint-Honoré ontmoet, hier vlak bij, zei Clorinde uit boosaardigheid tot den minister. Zijt ge dan niet meer met elkander bevriend?.... Hij schijnt nijdig op u te zijn.
Rougon ontweek een antwoord. Daar hij zich genoodzaakt gezien had verscheidene gunsten aan den prefect te weigeren, was er langzamerhand een groote verkoeling tusschen hen ontstaan, en onderhielden zij alleen nog officiëele relatiën. Trouwens, de afval was algemeen. Zelfs mevrouw Correur liet hem in den steek. Op enkele avonden kreeg hij weer die gewaarwording van eenzaamheid, waaronder hij al vroeger geleden had, in de rue Marbeuf, toen zijn aanhang aan hem twijfelde. Na zijn drukke dagen, waarbij zijn salon altijd vol bezoekers was, vond hij zich alleen. Hij miste zijn huisvrienden. Hij kreeg weer behoefte aan de bewondering van den kolonel en mijnheer Bouchard, aan de levenswarmte die van zijn kleine hofhouding uitging; tot zelfs de stille aanwezigheid van mijnheer Béjuin betreurde hij nu.
Toen trachtte hij zijn volkje nog eens tot zich te trekken; hij toonde zich vriendelijk, schreef brieven, waagde bezoeken. Maar de banden waren verbroken; hij kon er niet in slagen ze allen weer om zich heen te krijgen; wanneer hij het eind had vastgeknoopt, brak de draad weer aan het andere eind. Eindelijk kwam er niet een meer. Dat was de doodsstrijd van zijn macht. Hij, de sterke, was aan die onbeduidende wezens gebonden door de langdurige werking van hun gemeenschappelijke fortuin. Bij het heengaan namen zij ieder iets van hem mee. Bij die vermindering van zijn gewichtigheid was het als werkten zijn krachten niets uit; zijn groote vuisten sloegen in het ledig. Toen zijn schaduw zich slechts alleen in de zon vertoonde, toen hij zich niet vetter kon maken door het misbruiken van zijn invloed, scheen het hem toe alsof zijn plaats op aarde kleiner was geworden; hij droomde nu van een wederopstanding als een Jupiter Tonans, zonder trawanten aan zijn voeten, de wet stellende enkel door de kracht van zijn woord.
Toch geloofde Rougon nog niet ernstig aan zijn val. Hij gevoelde niets dan minachting voor die beten in zijn hielen. Hij zou heerschen, alleen en onbemind. Daarbij vertrouwde hij nog geheel op den keizer. Zijn lichtgeloovigheid was zijn eenige zwakheid. Telkens als hij Zijne Majesteit zag, vond hij hem welwillend, vriendelijk, met zijn ondoorgrondelijken glimlach; en hij hernieuwde hem de betuiging van zijn vertrouwen, hij herhaalde de instructies die hij hem reeds vroeger gegeven had. Dat was hem voldoende. De keizer kon er niet aan denken hem op te offeren. Die zekerheid bracht hem tot een groot waagstuk. Om zijn vijanden het zwijgen op te leggen en zijn macht voor goed te bevestigen, kwam hij op de gedachte zijn ontslag in te dienen. Hij deed dit in zeer waardige termen; hij sprak van de klachten die over hem in omloop waren, hij zei dat hij de wenschen van den keizer stipt nagekomen was en dat hij nu behoefte gevoelde aan Zijner Majesteits hooge goedkeuring, voor dat hij zijn werk tot heil van den Staat voortzette. Het hof bevond zich in Fontainebleau. Toen zijn aanvraag om ontslag ingediend was, wachtte Rougon met de koelbloedigheid van een goed speler. De laatste schandalen, het drama van Coulonges, de huiszoeking bij de zusters der H. Familie, dat alles zou in het vergeetboek geschreven worden. Mocht hij daarentegen vallen, dan wou hij vallen op het toppunt van zijn macht, in al zijn kracht.
Juist op den dag waarop het lot van den minister beslist zou worden, was er in de Oranjerie van de Tuileriën een fancy-fair gehouden, ten voordeele van een bewaarschool, waarvan de keizerin beschermvrouw was. Alle gewone bezoekers van het paleis, de geheele officiëele wereld zou er zeker komen, om de keizerin welgevallig te zijn. Rougon besloot er heen te gaan en zich kalm te toonen. Hij zou ze trotseeren, ze vlak in het gelaat zien, die lui die hem schuins zouden aankijken, hij zou zijn verachting stellen tegenover hun fluisterende opmerkingen. Tegen drie uur gaf hij een laatste bevel aan den chef van het personeel, toen zijn kamerdienaar hem kwam zeggen dat een heer en dame hem dringend wenschten te spreken. Het kaartje droeg de namen van den markies en de markiezin d'Escorailles.
De twee oudjes die de knecht, misleid door hun hoogst eenvoudige kleeding, in de eetzaal had gelaten, stonden plechtstatig op. Rougon haastte zich hen naar het salon te leiden, ietwat ongerust door hun aanwezigheid. Hij drukte zijn verbazing uit over hun plotselinge reis naar Parijs, wou zich heel vriendelijk toonen. Maar zij bleven effen en keken onvriendelijk.
--Mijnheer, zei eindelijk de markies, u zult ons, hoop ik, den stap niet kwalijk nemen dien wij ons genoodzaakt zien te doen.... Het betreft onzen zoon Jules. Wij wenschten dat hij de administratie verliet, dat u hem niet langer bij u hieldt.
En daar de minister hen met de uiterste verbazing aankeek, ging hij voort:
--Jongelui zijn lichtzinnig. Wij hebben Jules tweemaal geschreven om hem onze redenen uiteen te zetten, waarom wij wenschten dat hij zijn ontslag zou nemen.... En daar hij niet gehoorzaamde, zijn wij maar zelf gekomen. 't Is de tweede keer, mijnheer, in dertig jaar, dat wij de reis naar Parijs ondernemen.