Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 3

Chapter 33,870 wordsPublic domain

Dat was een slag. Een diepe stilte volgde. Clorinde, die zenuwachtig een punt van haar sjaal tusschen haar vingers rolde, zag de mooie mevrouw Bouchard achter in den tuin langzaam aan den arm van mijnheer d'Escorailles wandelen, terwijl ze haar hoofd tegen zijn schouder aan vlijde. Voor de anderen heengegaan, hadden zij van een openstaande deur gebruik gemaakt; en in die lanen, die voor ernstige overpeinzingen bestemd waren, onder het kantwerk van de jonge bladeren, wandelden zij als verliefden rond. Clorinde wenkte ze:

--De groote man trekt zich terug, zei ze tot de jonge vrouw, die glimlachte.

Mevrouw Bouchard liet plotseling, heel bleek en ernstig, den arm van haar geleider los, terwijl mijnheer Kahn, te midden van de ontstelde groep van Rougon's vrienden, bij wijze van protest zijn armen wanhopig omhoog hief, zonder een woord te kunnen uiten.

Den volgenden morgen stond het ontslag van Rougon in den Moniteur; hij trok zich terug om "gezondheidsredenen". Na het ontbijt was hij op den Raad van State gekomen, daar hij dienzelfden avond alles opgeruimd aan zijn opvolger wou overdragen. En in het groote, rood en gouden kabinet voor den president bestemd, zat hij voor het kolossale palissanderhouten bureau, de laden te ledigen en de papieren te rangschikken, die hij in pakjes met rozeroode koordjes bond.

Hij schelde. Een bode trad binnen, een man als een boom, die bij de cavalerie gediend had.

--Geef me eens een brandende kaars, vroeg Rougon.

En toen de bode een der kandelaars van den schoorsteen op het bureau had gezet, wilde hij weer heengaan. Rougon riep hem terug.

--Merle, hoor eens!.... Laat niemand binnen komen. Hoor je, niemand!

--Ja, mijnheer de president, antwoordde de bode, die de deur zachtjes achter zich dicht deed.

Rougon lachte even. Hij wendde zich naar Delestang, die aan het andere eind der kamer stond, voor een kartonnen doos, waarvan hij zorgvuldig den inhoud nazag.

--Die goede Merle heeft den Moniteur van morgen niet gelezen, mompelde hij.

Delestang schudde het hoofd, niet wetende wat hij antwoorden moest. Hij had een prachtigen kop, bijna geheel kaal, maar het was een van die vroegtijdige kaalhoofdigheden, die aan de vrouwen behagen. Zijn kale schedel, die zijn voorhoofd onmatig groot deed schijnen, gaf hem een voorkomen van groote schranderheid. Zijn blozend, ietwat vierkant baardeloos gelaat herinnerde aan die mooie, denkende koppen die schilders gaarne aan groote staatslieden geven.

--Merle is zeer aan u gehecht, zei hij eindelijk.

En hij wijdde weer al zijn aandacht aan den inhoud van de kartonnen doos.

Rougon, die een handvol papieren ineengedraaid had, stak ze aan de kaars aan en wierp ze in een wijde bronzen vaas, die op een hoek van een schrijftafel stond. Hij keek toe, hoe zij verbrandden.

--Delestang, je moet de onderste doozen laten staan, hernam hij. Daar zijn dossiers in, die ik alleen kan uitzoeken.

Beiden zetten daarop een groot kwartier hun bezigheden voort. Het was mooi weer, de zon kwam binnen door de drie groote vensters, die uitzicht gaven op de kade. Een van die vensters was halfgeopend en liet de frissche koelte van de Seine binnenstroomen, waardoor de zijden franje van de gordijnen op en neer bewoog. Verkreukte papieren die op het tapijt geworpen waren, werden met een zacht geritsel voortbewogen.

--Zie dit eens even, zei Delestang, terwijl hij Rougon een brief overreikte, dien hij daar juist gevonden had.

Rougon las den brief en verbrandde hem kalmpjes in de kaarsvlam. Het was een brief van kieschen inhoud. En zij praatten, met afgebroken zinnen, met den neus in de papieren. Rougon bedankte Delestang dat hij hem was komen helpen. Die "goede vriend" was de eenige met wien hij de minder fijne zaakjes van zijn vijfjarig presidentschap kon beredderen. Hij had hem in de Wetgevende vergadering leeren kennen, waar zij naast elkander op dezelfde bank zaten. Daar had hij een ware genegenheid voor dien knappen man opgevat, dien hij kostelijk dwaas, leeghoofdig en hoogmoedig vond. Hij placht met een zekere overtuiging te zeggen "dat die drommelsche Delestang het ver zou brengen." En hij hielp hem vooruit, maakte hem uit dankbaarheid aan zich gehecht, gebruikte hem als een meubelstuk waarin hij alles opborg wat hij zelf niet bewaren kon.

--Wat een dwaasheid, al die papieren te bewaren! mompelde Rougon, terwijl hij een nieuwe, boordevolle lade openschoof.

--Dat is een dameshand, zei Delestang met een knipoogje. Rougon lachte hartelijk. Zijn breede borst schudde. Hij nam den brief en zoodra hij de eerste regels doorgezien had, riep hij:

--Dat heeft de kleine d'Escorailles hier zeker laten slingeren! Mooie prullen, zulke briefjes! Men brengt het ver, met zoo'n paar regels schrift van een vrouw.

En terwijl hij den brief verbrandde, voegde hij er bij:

--Neem je in acht voor de vrouwen, Delestang!

Delestang boog het hoofd. Hij had altijd den een of anderen hartstocht, die hem in een neteligen toestand bracht. In 1851 had hij bijna zijn politieke toekomst verspeeld; hij was toen smoorlijk verliefd op de vrouw van een socialistischen afgevaardigde, en om den man te behagen, stemde hij meestal met de oppositie tegen het Elysée. Den 2en December trof hem dan ook een zware slag. Hij sloot zich twee dagen achtereen op, ieder oogenblik vreezende dat men hem in hechtenis kwam nemen. Rougon had hem uit dien benarden toestand gered, nadat hij hem had doen beloven dat hij zich niet meer bij de verkiezingen zou vertoonen; hij nam hem nu mee naar het Elysée, waar hij een betrekking als staatsraad voor hem wist op te duiken. Delestang, de zoon van een wijnhandelaar uit Bercy, oud procureur, eigenaar van een modelhoeve bij Sainte-Menehould, bezat verscheidene millioenen en bewoonde een keurig hôtel in de rue du Colisée.

--Ja, neem je in acht voor de vrouwen, herhaalde Rougon, die bij ieder woord even stilhield, om een blik in de dossiers te werpen. Wanneer de vrouwen je geen kroon op het hoofd zetten, halen ze je een strop om den hals.... Op onzen leeftijd, zie je, moet je even goed op je hart passen als op je maag.

Op dit oogenblik vernam men een groot rumoer in de voorkamer. Men hoorde de stem van Merle, die den toegang ontzegde. En plotseling trad een mannetje binnen, met de woorden:

--Ik moet hem toch de hand drukken, wat drommel, zoo'n goeden vriend!

--Kijk, daar is Du Poizat! riep Rougon zonder op te staan.

En toen Merle zich met veel drukte verontschuldigde, beval hij hem de deur te sluiten. Toen ging hij bedaard voort:

--Ik dacht dat je in Bressuire zat.... Je laat dus je onder-prefectuur in den steek als een oud liefje?

Du Poizat, een schraal mannetje, met zeer witte, ongelijk staande tanden, haalde even de schouders op.

--Ik ben sinds vanmorgen in Parijs, voor zaken, en ik was eerst van plan je vanavond in de rue Marbeuf te komen opzoeken. Ik had je ten eten willen vragen.... Maar toen ik den Moniteur gelezen had....

Hij schoof een armstoel voor de schrijftafel en ging vlak voor Rougon zitten.

--Zeg, wat gaat hier toch om? Ik kom uit een achterhoek.... Ik heb daar ginds wel iets gemerkt, maar ik had toch heelemaal niet gedacht.... Waarom heb je me niet geschreven?

Rougon haalde op zijn beurt de schouders op. Het was duidelijk dat Du Poizat daar ginds zijn ongenade vernomen had, en dat hij nu kwam om te zien of hij zich nog ergens aan kon vastklampen. Hij keek hem doordringend aan en zei:

--Ik zou je van avond geschreven hebben.... Neem je ontslag, mijn waarde.

--Dat is alles wat ik weten wou, ik zal mijn ontslag nemen, antwoordde Du Poizat eenvoudig.

En hij stond neuriënd op. Terwijl hij de kamer rondwandelde, bemerkte hij Delestang, die midden tusschen de stapels doozen op den grond geknield zat. Hij trad op hem toe en gaf hem stilzwijgend de hand. Daarop haalde hij een sigaar te voorschijn en stak die aan de kaarsvlam aan.

--Nu je toch verhuist, mag ik wel rooken, zei hij, zich weer in zijn armstoel neervlijend. Vroolijk, zoo'n verhuizing!

Rougon was geheel verdiept in de lezing van een bundel papieren. Hij sorteerde ze zorgvuldig, verbrandde er enkele, bewaarde de andere. Du Poizat lag achterover in zijn stoel en blies dunne rookstraaltjes door zijn mondhoeken, terwijl hij de bedrijvigheid van de beide mannen gadesloeg. Hij en Rougon hadden elkander een paar maanden voor de Februari-omwenteling leeren kennen. Ze woonden beiden bij mevrouw Mélanie Correur in het hôtel Vanneau, rue Vanneau. Du Poizat was daar als landgenoot; hij was evenals mevrouw Correur, geboortig uit Coulonges, een stadje in het arrondissement Niort. Zijn vader, een deurwaarder, had hem naar Parijs gezonden om in de rechten te studeeren, waar hij hem een maandgeld van vijftig francs toelegde, ofschoon hij flinke geldsommen verdiend had door geld met woekerwinst te leenen; het fortuin van den man was zoo onverklaarbaar, dat men hem beschuldigde een schat te hebben gevonden in een oude kast, waarop hij beslag had laten leggen. In de eerste tijden van de bonapartistische propaganda maakte Rougon gebruik van de diensten van dien mageren jongen, die zijn honderd francs met kwalijk verbeten woede verteerde, en zij bedisselden samen de meest kiesche zaken. Later toen Rougon in de Wetgevende vergadering wou komen, wist Du Poizat na een hevigen strijd zijn verkiezing in Deux-Sèvres door te drijven. En na den Staatsgreep werkte Rougon weer voor Du Poizat, door hem tot onder-prefect te Bressuire te doen benoemen. De jonge man, die even dertig jaar was, had willen zegevieren in zijn landstreek, op een paar uren afstand van zijn vader, wiens gierigheid hem zoo gekweld had sedert hij de school verlaten had.

--En hoe maakt papa Du Poizat het? vroeg Rougon, zonder de oogen op te heffen.

--Te goed, antwoordde de ander onomwonden. Hij heeft zijn laatste dienstbode weggejaagd, omdat zij drie pond brood opat. Nu heeft hij twee geladen geweren achter zijn deur en als ik hem wil bezoeken, ben ik genoodzaakt over den muur van de plaats met hem te onderhandelen.

Al pratende had Du Poizat zich voorover gebogen en woelde met zijn vinger in de bronzen vaas, waarin halfverbrande stukjes papier lagen.

Rougon, die dit spelletje opgemerkt had, hief snel het hoofd op. Hij was altijd eenigszins bang geweest voor zijn vroegeren helper, wiens onregelmatige witte tanden op die van een jongen wolf geleken. Toen zij nog samen werkten, had hij er altijd met de grootste zorgvuldigheid voor gewaakt, dat hij niet het geringste stukje papier in handen krijgen zou, dat hem compromitteeren kon. Toen hij nu zag dat Du Poizat de nog leesbare woorden trachtte te ontcijferen, wierp hij een handvol brandende papieren op de vaas. Du Poizat begreep zijn bedoeling. Maar hij glimlachte en sloeg een schertsenden toon aan.

--'t Is vandaag groote schoonmaak, zei hij.

En een lange schaar opnemend, gebruikte hij die als een tang. Hij stak de brieven, die uitdoofden, weer in de vlam; hij liet de al te dicht ineengefrommelde papieren boven de vlam verbranden, en hij rakelde de glimmende overblijfselen op, alsof hij in den vlammenden alkohol van een punchbowl roerde. Vonken schitterden in de vaas, een blauwachtige rook steeg op en dreef langzaam naar het geopende venster. De kaars flikkerde bij wijlen op, en brandde dan weer met een hooge, rechte vlam.

--Uw kaars lijkt wel een wijkaars! zei Du Poizat met een grijnslach. Wat een begrafenis, arme vriend, wat een dooden moeten er onder de asch gelegd worden.

Rougon wilde antwoorden, toen er opnieuw rumoer in de voorkamer gehoord werd. Merle wees weer iemand terug. En toen de stemmen luider klonken, zei hij:

--Delestang, wees zoo vriendelijk eens te kijken wat daar te doen is. Als ik me vertoon, worden we overrompeld.

Delestang opende voorzichtig de deur, die hij achter zich dicht sloot. Maar hij stak onmiddellijk zijn hoofd weer in de kamer en mompelde:

--Kahn is er.

--Goed, laat hem binnenkomen, zei Rougon. Hij alleen, hoor je!

En hij riep Merle om hem nog eens zijn orders in te scherpen.

--Neem me niet kwalijk, beste vriend, hernam hij, zich tot mijnheer Kahn wendend, toen de bode de kamer verlaten had. Maar ik heb het zoo druk.... Ga daar naast Du Poizat zitten en houd je heel rustig, anders wijs ik je allebei de deur.

De afgevaardigde scheen zich niets aan te trekken van die lompe ontvangst. Hij was aan Rougon's manieren gewoon geraakt. Hij nam een armstoel, ging naast Du Poizat zitten, die een tweede sigaar opstak. Nadat hij even uitgeblazen had, zei hij:

--Het is al aardig warm.... Ik kom uit de rue Marbeuf, ik dacht je nog thuis te treffen.

Rougon gaf geen antwoord. Hij frommelde papieren ineen en wierp ze in een mand, die hij naast zich gezet had.

--Ik wou je spreken, zei mijnheer Kahn.

--Spreek maar, zei Rougon. Ik luister.

Maar de afgevaardigde scheen opeens de wanorde op te merken, die in de kamer heerschte.

--Wat voer je toch uit? vroeg hij, met een goed gespeelde verbazing. Verhuis je naar een andere kamer?

Zijn toon klonk zoo echt, dat Delestang zich de moeite gaf mijnheer Kahn een Moniteur onder de oogen te houden.

--Ach God! riep deze uit, zoodra hij het blad ingezien had. Ik dacht dat de zaak gisterenavond geschikt was. Dat treft me als een donderslag.... Mijn beste vriend....

Hij stond op en drukte Rougon de handen. Deze keek hem zwijgend aan, twee spottende rimpels groefden zich om zijn mondhoeken. En daar Du Poizat een onverschillige houding aannam, verdacht hij ze allebei, dat zij elkaar 's morgens al gezien hadden, te meer daar mijnheer Kahn vergeten had verbaasdheid te veinzen bij het zien van den onder-prefect. De een was zeker naar den staatsraad gegaan, terwijl de ander naar de rue Marbeuf was geloopen. Op die wijze moesten ze hem wel aantreffen.

--Dus wou je me spreken? hernam Rougon, rustig.

--Laten we daarover niet meer spreken, riep de afgevaardigde uit. Je hebt genoeg beslommeringen. Ik zal je toch waarachtig op zoo'n dag niet met mijn eigen misères lastig vallen.

--Neen, geneer je niet, kom er maar mee voor den dag.

--Nu dan, 't is voor die verwenschte concessie, je weet wel. Ik ben zelfs blij dat Du Poizat er is. Hij zal ons zekere inlichtingen kunnen geven.

En breedvoerig legde hij uit hoe het met zijn zaak stond. Het betrof den aanleg van een spoorlijn van Niort naar Angers, waarvan hij het plan al drie jaar met zich omdroeg. De waarheid was, dat die lijn langs Bressuire liep, waar hij hoogovens bezat, wier waarde daardoor minstens tienmaal zoo groot zou worden; tot dusver kwijnde de onderneming, daar de middelen van vervoer ontbraken. Daarbij hoopte hij, wanneer er aandeelen uitgegeven zouden worden, allervoordeeligst in troebel water te kunnen visschen. Mijnheer Kahn ontwikkelde dan ook een buitengewonen ijver om de concessie te verkrijgen. Rougon steunde hem krachtig, en de concessie zou juist toegestaan worden, toen mijnheer de Marsy, minister van Binnenlandsche zaken, ontstemd dat hij buiten de zaak gehouden was, waarin hij begreep dat heel wat te schacheren viel, en verlangend Rougon onaangenaam te zijn, zijn hoogen invloed aangewend had om het plan te doen mislukken. Hij had zelfs, met de stoutmoedigheid die hem zoo geducht maakte, de concessie door den minister van Openbare werken aan den directeur van de Compagnie de l'Ouest doen aanbieden, en hij verspreidde het gerucht dat die maatschappij alleen in staat was een zijlijn van zooveel belang behoorlijk aan te leggen en te exploiteeren. Mijnheer Kahn zou een groot verlies lijden. Rougon's val zou zijn ondergang voltooien.

--Ik heb gisteren gehoord, zei hij, dat een ingenieur van de maatschappij de opdracht had gekregen om een nieuwe lijn te ontwerpen.... Heb jij iets daarvan gemerkt, Du Poizat?

--Zeker, antwoordde de onder-prefect. Het onderzoek is al begonnen.... Men tracht de bocht te vermijden die jij gemaakt hebt om langs Bressuire te gaan. De lijn zou regelrecht over Parthenay en Thouars loopen.

De afgevaardigde maakte een moedeloos gebaar.

--Dat is plagerij, mompelde hij. Wat hindert het hun of zij voorbij mijn ovens loopen? Maar ik zal protesteeren, ik zal een memorie tegen hun lijn indienen.... Ik ga met je mee terug naar Bressuire.

--Neen, wacht maar niet op me, zei Du Poizat glimlachend. Het schijnt dat ik mijn ontslag moet indienen.

Mijnheer Kahn liet zich in zijn armstoel neervallen, als trof hem een laatste ramp. Hij streek met beide handen over zijn ringbaard en keek Rougon smeekend aan. Deze had zijn dossiers in den steek gelaten. Met de ellebogen op zijn schrijftafel geleund, luisterde hij toe.

--Ge vraagt me om raad, niet waar? zei hij eindelijk op barschen toon. Nu, houdt je doodstil, laat de zaken zooals ze zijn, en wacht totdat wij weer de baas zijn.... Du Poizat dient zijn ontslag in, omdat hij het anders binnen veertien dagen krijgen zou. En jij, Kahn, jij schrijft aan den keizer, jij verhindert door alle mogelijke middelen dat de concessie aan de Compagnie de l'Ouest gegeven wordt. Jij krijgt ze natuurlijk ook niet, maar zoolang niemand ze heeft, heb je altijd kans dat je ze later krijgt.

En daar beiden het hoofd schudden, hernam hij nog barscher:

--Dat is alles wat ik voor je kan doen. Ik ben gevallen, laat me den tijd om weer op te staan.... Zie ik er neerslachtig uit? Neen, niet waar? Welnu, doe me het genoegen en zet niet meer zoo'n doodbiddersgezicht.... Ik voor mij ben er niet rouwig om dat ik me in het privaat leven kan terugtrekken. Nu kan ik tenminste eens uitrusten!

Hij haalde diep adem, kruiste de armen en wiegde zijn groot lichaam. En mijnheer Kahn sprak niet meer over zijn zaak. Hij nam een even ongedwongen houding aan als Du Poizat. Delestang had een andere doos onder handen genomen; hij maakte zoo weinig leven achter de fauteuils, dat men soms zou meenen een troepje muizen door de papieren te hooren ritselen. De zon, die langzaam over het roode vloerkleed voortschreed, wierp een blank licht op een hoek van de schrijftafel, waarin de kaars bleef branden, met een verbleekend schijnsel.

Intusschen had zich een vertrouwelijk gesprek ontsponnen. Rougon, die weer pakjes bond, verzekerde dat de politiek niet van zijn gading was. Hij glimlachte goedig, terwijl zijn oogleden, als vermoeid, den gloed van zijn oogen bedekten. Hij zou gaarne uitgestrekte landerijen willen hebben, met akkers die hij naar goedvinden kon graven, met dierenkudden, paarden, runderen, schapen, honden, waarover hij een onbeperkte heerschappij kon voeren. En hij vertelde dat hij vroeger in Plassans, toen hij nog maar een kleinsteedsch advokaatje was, er het grootste genoegen in vond in een kiel op de jacht te gaan, dagen achtereen in de bergengten van la Seille, waar hij arenden schoot. Hij noemde zich een boer, zijn grootvader was landbouwer geweest. Toen deed hij het voorkomen alsof hij van dat leven in de groote wereld walgde. Het verveelde hem machtig te zijn. Hij ging den zomer op het land doorbrengen. Hij had zich nog nooit zoo luchthartig gevoeld als sinds dien morgen; en hij haalde zijn breede schouders met zoo'n krachtigen ruk omhoog, alsof hij een zwaren last had afgewenteld.

--Wat had je hier als voorzitter, tachtigduizend francs? vroeg mijnheer Kahn.

Hij gaf een toestemmend knikje.

--En je houdt nog maar je dertig duizend francs als senaatslid over.

Wat kon hem dat schelen! Hij had geen behoeften, geen ondeugden. Dat was waar. Hij verkwistte geen geld aan het spel, noch aan liefde, noch aan lekker eten en drinken. Zijn ideaal was meester te zijn in zijn eigen huis, dat was alles. En hij kwam van zelf weer terug op zijn denkbeeld van een hoeve, waarop alle dieren hem zouden gehoorzamen. Dat was zijn ideaal, met de zweep in de hand bevelen, de meerdere, knappere en sterkere zijn. Gaandeweg wond hij zich op, hij sprak over de dieren zooals hij over de menschen zou gesproken hebben; hij zei dat de groote menigte met den stok moest geregeerd worden, dat de herders hun kudden met steenworpen voortdrijven. Hij was geheel veranderd, zijn dikke lippen zwollen van verachting, zijn geheele gelaat drukte kracht uit. In zijn gesloten vuist zwaaide hij met een dossier, dat hij naar het hoofd van de heeren Kahn en Du Poizat scheen te willen slingeren, die zich geen van beiden op hun gemak voelden tegenover die plotselinge opwelling van drift.

--De keizer heeft heel verkeerd gehandeld, mompelde du Poizat.

Toen kwam Rougon plotseling tot kalmte. Zijn gelaat werd weer grauw, zijn lichaam werd weer log en traag als dat van een zwaarlijvig man. Hij begon een lofrede op de keizer te houden: hij bezat een buitengewone scherpzinnigheid, een diep doordringend verstand. Du Poizat en mijnheer Kahn keken elkaar eens aan. Maar Rougon ging nog verder, hij sprak van zijn toewijding en zei met groote nederigheid dat hij er altijd trotsch op geweest was een eenvoudig werktuig in de handen van Napoleon te zijn. Hij maakte eindelijk Du Poizat ongeduldig, die wat kort aangebonden was. En een twist was er het gevolg van. Du Poizat sprak met bitterheid over alles wat Rougon en hij voor het keizerrijk gedaan hadden, van 1848 tot 1851, toen zij bij mevrouw Mélanie Correur honger leden. Hij vertelde van die vreeselijke dagen, in het eerste jaar vooral, toen zij van den morgen tot den avond door het slijk van Parijs waadden, om aanhangers te werven. Later hadden zij wel twintig maal hun leven gewaagd. Had Rougon zich niet op den morgen van den 2en December van het Palais Bourbon meester gemaakt, aan het hoofd van een linieregiment? Bij zoo'n spel waagde men zijn hoofd. En nu werd hij het offer van een hofintrige. Maar Rougon protesteerde, hij was geen slachtoffer; hij trok zich om persoonlijke redenen terug. En toen Du Poizat, vuur vattende, de lui van de Tuileriën "zwijnen" noemde, legde hij hem met een geweldigen vuistslag op het palissanderhouten bureau het zwijgen op.

--Dat is zottepraat! zei hij eenvoudig.

--Je gaat wel wat ver, mompelde mijnheer Kahn.

Delestang was uit zijn gebukte houding achter de fauteuils opgerezen. Doodsbleek opende hij de deur om te zien of iemand luisterde. Maar hij bemerkte in de voorkamer slechts de hooge figuur van Merle, wiens naar de deur gekeerde rug een groot vertoon van bescheidenheid maakte. Rougon's opmerking had Du Poizat doen blozen; met een ontevreden gezicht kauwde hij op zijn sigaar.

--De keizer bevindt zich in een slechte omgeving, hernam Rougon na eenig stilzwijgen. Ik heb de vrijheid genomen hem dat te zeggen, en hij glimlachte. Hij verwaardigde zich zelfs me in scherts te zeggen, dat mijn omgeving al evenmin deugde als de zijne.

Du Poizat en mijnheer Kahn lachten gedwongen. Ze vonden het een geestigen zet.

--Maar ik herhaal het nogmaals, verklaarde Rougon, ik trek me vrijwillig terug. Als men je uitvraagt, die ik toch mijn vrienden noemen mag, zegt dan maar gerust dat ik gisteren avond nog vrij was om mijn ontslagaanvraag in te trekken.... Spreek dan meteen de kletspraatjes tegen, die de ronde doen over die zaak Rodriguez, waarvan men naar het schijnt een heelen roman maakt. Het mag waar zijn dat ik over die zaak van meening verschilde met de meerderheid van den staatsraad, en er zijn zeker gevoeligheden gekrenkt, die mijn ontslag verhaast hebben, maar ik had toch ernstiger redenen, en ook van ouderen datum. Ik had al lang besloten de hooge positie, die ik aan de welwillendheid des keizers te danken had, vaarwel te zeggen.