Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 29

Chapter 293,949 wordsPublic domain

--Wilt u nu de eigenlijke waarheid hooren?.... Rougon is een ondankbare. Heugt het u nog dat we met ons allen dag aan dag op de vlakte waren om hem in het ministerie te krijgen. Wat hebben wij ons voor hem ingespannen, hè, eten en drinken lieten we er voor staan! In dien tijd heeft hij een schuld jegens ons op zich geladen, die hij zijn leven lang niet kan aflossen. En nu valt de dankbaarheid hem te zwaar, hij laat ons in den steek. Dat was te voorzien.

--Ja, ja, hij heeft ons alles te danken! riepen de anderen. Hij beloont er ons mooi voor!

Een oogenblik verpletterden zij hem onder de opsomming van hun weldaden; wanneer de een zweeg, voerde de ander een nog bezwarender feit aan. Maar plotseling keek de kolonel ongerust de kamer rond; Auguste was er niet meer. Op dit oogenblik kwam er een vreemd geluid uit de kleedkamer, een soort van zacht, aanhoudend geplas. De kolonel ging er haastig op af. Hij vond Auguste, verdiept in de beschouwing van de badkuip, die Antonia vergeten had te ledigen. Schijfjes citroen, die Clorinde gebruikt had voor haar nagels, dreven er in rond. Auguste doopte zijn vingers in het water en berook ze, met een jongensachtigen wellust.

--Die kleine is onuitstaanbaar, zei Clorinde halfluid. Hij snuffelt overal rond.

--Mijn hemel! ging mevrouw Correur zacht voort, nadat de kolonel de kamer verlaten had, wat Rougon vooral ontbreekt is tact.... Zoo, onder ons gezegd, nu de kolonel er niet bij is, heeft Rougon er heel verkeerd aan gedaan dien jongen op het ministerie te plaatsen, en daarbij over alle formaliteiten heen te stappen. Zulke diensten moet men zijn vrienden niet bewijzen. Men verliest er de achting door.

Maar Clorinde viel haar in de rede en fluisterde:

--Ga toch eens zien wat ze daar uitvoeren, mevrouwlief.

Mijnheer Kahn glimlachte. Toen mevrouw Correur weg was, liet hij op zijn beurt de stem dalen.

--Zij is alleraardigst!.... De kolonel is door Rougon met weldaden overladen. Maar zij heeft zich waarlijk ook niet te beklagen. Rougon heeft zich voorwaar deerlijk de vingers gebrand, in die treurige zaak Martineau. Hij heeft daarbij een bewijs gegeven van weinig moraliteit. Men doodt toch zijn medemensch niet om een oude kennis aangenaam te zijn, niet waar?

Hij was opgestaan en liep met kleine stapjes het vertrek rond. Daarop ging hij naar de voorkamer om zijn sigarenkoker uit zijn jaszak te halen. De kolonel en mevrouw Correur kwamen weer binnen.

--Hé, Kahn is gevlogen, zei de kolonel.

En zonder inleiding riep hij:

--Wij kunnen Rougon doorhalen, maar ik vind dat Kahn zijn mond moet houden. Ik mag die hartelooze menschen niet.... Daar straks heb ik niets willen zeggen. Maar in het koffiehuis waar ik van middag geweest ben, werd ronduit gezegd dat Rougon in ongenade zou vallen, omdat hij zijn naam geleend had aan die groote oplichterij van den spoorweg Niort-Angers. Zoo'n gebrek aan doorzicht is onvergeeflijk. Wat een domheid van dien dikke, om mijnen te laten springen en ellenlange redevoeringen te houden, waarin hij zich zelfs veroorlooft de verantwoordelijkheid van den keizer er bij te halen!.... Ziedaar, vrienden! Kahn is eigenlijk degeen, die ons in den drek heeft geholpen. Denkt ge er ook niet zoo over, Béjuin?

Mijnheer Béjuin stemde volmondig toe. Hij had zijn instemming al betuigd met de woorden van mevrouw Correur en mijnheer Kahn. Clorinde, die nog altijd met het hoofd achterover geleund lag, vermaakte zich met in den kwast te bijten die aan haar zijden koord hing en waarmee zij over haar gezicht streek als om zich te kittelen; en de wijdgeopende oogen, waarmee zij stil naar boven lag te staren, weerspiegelden een innerlijk genot.

--Sst! fluisterde zij.

Mijnheer Kahn trad binnen, de punt van zijn sigaar afbijtend. Hij stak haar aan en blies een paar dikke rookwolken uit; men rookte in de kamer van de jonge vrouw. Daarop vervolgde hij zijn afgebroken gesprek:

--Eindelijk, als Rougon beweert zijn macht in de waagschaal gesteld te hebben om ons van dienst te zijn, verklaar ik dat wij integendeel leelijk gecompromitteerd zijn door zijn bescherming. Hij heeft een ruwe manier om de lui vooruit te helpen, waarbij ze hun neus tegen de muren stooten.... Trouwens, met zijn vuisten waarmee hij wel een os kan neervellen, ligt hij toch weer voor den grond. Dank je wel, ik heb geen lust om hem voor de tweede maal op de been te helpen. Wanneer iemand zijn krediet niet weet te bewaren, komt dat omdat hij geen helder inzicht in de zaken heeft. Hij compromitteert ons, hoort ge, hij compromitteert ons!.... Ik heb al verantwoordelijkheid genoeg, ik laat hem in den steek.

Toch weifelde hij en klonk zijn stem flauw, terwijl de kolonel en mevrouw Correur het hoofd bogen, hoogstwaarschijnlijk om niet in de noodzakelijkheid te zijn even duidelijk voor hun gevoelen uit te komen. Alles wel beschouwd, was Rougon nog altijd minister; en dan, als zij zich van hem los maakten, moesten zij toch eerst van een andere machtigen steun verzekerd zijn.

--De dikke is de eenige niet, zei Clorinde achteloos.

Zij keken haar aan, hopende op een meer formeele verklaring. Maar zij maakte enkel een gebaar, als om hen tot geduld aan te manen. Die stilzwijgende belofte van een geheel nieuwen steun, waardoor het weldaden over hen zou regenen, was eigenlijk de voorname oorzaak van hun trouwe bezoeken bij de jonge vrouw. Zij hadden de lucht van een aanstaanden triomf, in die kamer met haar sterke geuren. Nu zij meenden dat de bevrediging van hun eerste wenschen Rougon had uitgeput, wachtten zij de komst van een jeugdiger macht, die hun nieuwe wenschen zou bevredigen.

Intusschen had Clorinde zich op haar kussens opgericht. Op den arm van de causeuse geleund, boog zij zich plotseling naar Pozzo over, en met een schel lachje, alsof zij buiten zichzelve van vreugde was, blies zij hem in den hals. Als zij heel tevreden was, had zij van die kinderlijk vroolijke buien. De knappe Italiaan wiens hand op de gitaar scheen te zijn ingeslapen, boog het hoofd achterover en toonde zijn witte tanden, en hij rilde alsof hij gekitteld werd door de liefkoozing van dien adem, en de jonge vrouw lachte luider en blies harder, om hem genade te laten vragen. Nadat ze een oogenblik met hem in het Italiaansch getwist had, zei ze tot mevrouw Correur:

--Hij moet zingen, niet waar?.... Als hij zingt, zal ik hem met rust laten.... Hij heeft een heel mooi lied gemaakt.

Toen vroegen zij allen om het lied. Pozzo begon weer op zijn gitaar te tokkelen en zong met de oogen op Clorinde gericht. Het was een hartstochtelijk gemurmel, met een accompagnement van zachte akkoorden; de Italiaansche woorden kon men niet verstaan, zij werden meer gezucht dan gesproken; bij het laatste couplet, waarin waarschijnlijk liefdesmart werd uitgedrukt, zat Pozzo, die een somberen toon aansloeg, met een glimlach om den mond en een gezicht vol verrukking in zijn wanhoop. Toen hij zweeg werd hij warm toegejuicht. Waarom liet hij die mooie liederen niet uitgeven? Zijn betrekking bij de diplomatie was toch geen beletsel.

--Ik heb een kapitein gekend die een opéra-comique heeft laten opvoeren, zei kolonel Jobelin. Men heeft hem er niet minder om aangezien in het regiment.

--Ja, maar in de diplomatie...., murmelde mevrouw Correur hoofdschuddend.

--Och, ik geloof dat u het mis hebt, verklaarde mijnheer Kahn. Diplomaten zijn menschen als alle andere. Verscheidenen houden zich met de schoone kunsten bezig.

Clorinde had Pozzo met haar voet een duwtje in de zijde en tegelijk een fluisterend bevel gegeven. Hij stond op en gooide de gitaar op een hoop kleeren. En toen hij vijf minuten later terugkwam, werd hij gevolgd door Antonia, die een blad droeg waarop een karaf met glazen stonden; hij zelf had een suikervaas in de hand. Men dronk nooit iets anders dan suikerwater bij de jonge vrouw en de intieme vrienden wisten wel, dat zij de gastvrouw genoegen deden, wanneer zij enkel water gebruikten.

--Wel, wat is er? zei zij, zich omwendend naar de kleedkamer, waar een deur kraakte.

Maar zich bedenkende riep zij uit:

--O, 't is mama.... Zij lag te bed.

't Was inderdaad de gravin Balbi, in een zwarte wollen huisjapon; over haar hoofd had zij een kanten doekje geknoopt, waarvan de punten om haar hals geslagen waren. Flaminio, de groote lakei met zijn langen baard en zijn bandietengezicht, ondersteunde haar, droeg haar bijna in zijn armen. Zij scheen niet verouderd; haar bleek gelaat behield haar eeuwigen glimlach van gewezen koningin der schoonheid.

--Wacht, ma! hernam Clorinde. Ik zal u mijn chaise longue geven. Ik ga wat op mijn bed liggen.... Ik voel me niet goed. Ik heb een dier naar binnen gekregen. Daar begint het me weer te bijten.

Er had een heele verhuizing plaats. Pozzo en mevrouw Correur brachten de jonge vrouw naar haar bed; daar moesten de dekens nog uitgespreid en de kussens opgeschud worden. Middelerwijl strekte mevrouw Balbi zich op de chaise longue uit. Achter haar stond Flaminio, met zijn somberen, onheilspellenden blik.

--'t Hindert u zeker niet dat ik te bed lig? herhaalde de jonge vrouw. Ik voel me veel beter als ik lig.... Maar ik zend u niet weg. Ge moet blijven.

Ze had zich uitgestrekt, met den elleboog in het kussen gedrukt. Niemand dacht aan heengaan. Mevrouw Correur sprak zachtjes met Pozzo over de volmaakte vormen van Clorinde, die zij samen ondersteund hadden. Mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin en de kolonel begroetten de gravin. Deze nijgde met een vriendelijk lachje. En zonder zich om te keeren, riep ze van tijd tot tijd heel zachtjes:

--Flaminio!

De lange lakei begreep haar dadelijk, legde het kussen wat hooger, bracht een tabouret, of haalde uit zijn zak een odeurfleschje te voorschijn.

Op dit oogenblik had Auguste een ongeluk. Hij had overal rondgesnuffeld in de drie kamers en alle kleedingstukken die daar verspreid lagen, op zijn gemak bekeken. Toen begon hij uit verveling suikerwater te drinken, het eene glas na het andere. Clorinde hield hem al een poos in het oog en keek naar de suikervaas waarvan de inhoud snel verminderde, toen hij op eens te hard ging roeren en het glas brak.

--Dat komt door de vele suiker! riep zij.

--Domoor! zei de kolonel. Kan je niet enkel water drinken?.... 's Morgens en 's avonds een groot glas. Beter is er niet. 't Voorkomt alle ziekten.

Gelukkig trad mijnheer Bouchard binnen. Hij kwam wat laat, over tienen, omdat hij buitenshuis had moeten dineeren. En hij scheen verbaasd zijn vrouw daar niet te vinden.

--Mijnheer d'Escorailles had op zich genomen haar te brengen, zei hij, en ik had beloofd haar af te komen halen.

Een halfuur later verscheen inderdaad mevrouw Bouchard, in gezelschap van mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette. Nadat hij een jaar met haar gebrouilleerd was geweest, had de jonge markies zich weer met de mooie blondine verzoend; nu begon hun verhouding een gewoonte te worden, zij bleven nu en dan voor enkele dagen bij elkander en konden niet nalaten elkaar bij een ontmoeting achter een deur te knijpen en te omhelzen. Dat ging zoo van zelf, als een heel natuurlijke zaak. Toen zij in een open rijtuig bij de Delestangs kwamen, hadden zij mijnheer La Rouquette ontmoet. En met hun drieën waren ze naar het Bosch gereden, onder een vroolijk gelach en gewaagde aardigheden; mijnheer d'Escorailles had zelfs een oogenblik de hand van den afgevaardigde achter de taille van mevrouw Bouchard meenen te ontmoeten. Toen zij binnenkwamen, brachten zij een geest van vroolijkheid mee, de koelte van de donkere paden van het Bosch, het geheimzinnige van het ingeslapen gebladerte, waaronder hun guitig gelach wegstierf.

--Ja, we komen van het meer terug, zei mijnheer La Rouquette. Zij hebben me verleid, op mijn woord!.... Ik ging bedaard naar huis om te werken.

Hij werd op eens weer ernstig. Tijdens de laatste zitting had hij een redevoering in de Kamer gehouden over een kwestie van amortisatie nadat hij een maand lang daarvan een bijzondere studie had gemaakt; en sedert dien tijd nam hij de bedaarde manieren van een getrouwd man aan, alsof hij zijn vrijgezellenleven in de vergaderzaal begraven had. Kahn nam hem mee naar een hoekje van de kamer, terwijl hij mompelde:

--A propos, gij staat nog al op goeden voet met Marsy.

Hun stemmen werden onhoorbaar, zij fluisterden zachtjes. Intusschen was de mooie mevrouw Bouchard voor het bed gaan zitten en Clorinde's hand in de hare houdend, beklaagde zij haar innig. Mijnheer Bouchard riep op eens:

--Heb ik het u nog niet verteld?.... Hij is wel aardig, die dikke!

En voordat hij aan de eigenlijke zaak begon, liet hij zich evenals de anderen op bitteren toon over Rougon uit. Men kon hem niets meer vragen, hij was zelfs niet beleefd meer, en mijnheer Bouchard was bovenal op beleefdheid gesteld. Toen men hem vroeg wat Rougon hem gedaan had, antwoordde hij eindelijk:

--Ik ben een vijand van onrechtvaardigheid. 't Is voor een ambtenaar van mijn afdeeling, George Duchesne; u kent hem, u hebt hem wel eens bij mij aangetroffen. 't Is een zeer verdienstelijk jongmensch! We ontvangen hem in ons huis als een kind. Mijn vrouw houdt veel van hem, omdat hij uit haar streek afkomstig is. Nu hadden we laatst een plannetje gemaakt om Duchesne tot sous-chef te laten benoemen. Het idee was van mij, maar jij vond het toch goed, niet waar Adèle?

Mevrouw Bouchard boog zich, ietwat verlegen, nog meer naar Clorinde over, om de blikken van mijnheer d'Escorailles te ontwijken, die zij op zich gevestigd voelde.

--Nu, ging de afdeelingschef voort, u raadt nooit hoe de dikke mijn verzoek ontvangen heeft?.... Hij keek me een oogenblik stilzwijgend aan, op zijn kwetsende manier, u weet wel. Toen heeft hij mij ronduit de benoeming geweigerd. En toen ik er nog eens op terugkwam, zei hij glimlachend: "Mijnheer Bouchard, dring niet verder aan, het spijt me voor u, maar er zijn ernstige redenen".... Het was me onmogelijk iets meer uit hem te halen. Hij zag wel dat ik woedend was, want hij vroeg of ik zijn groeten aan mijn vrouw wou overbrengen.... Niet waar, Adèle?

Mevrouw Bouchard had juist dien avond een woordenwisseling met mijnheer d'Escorailles over dien Georges Duchesne gehad. Zij vond het dus geraden op misnoegden toon te zeggen:

--Och, laat mijnheer Duchesne nog wat wachten.... Zoo interessant is hij niet!

Maar mijnheer bleef op zijn stuk staan.

--Neen, neen, hij verdient sous-chef te zijn, hij zal sous-chef worden!.... Ik wil rechtvaardigheid!

Men moest hem tot kalmte brengen. Clorinde deed al dien tijd haar best om naar het gesprek van mijnheer La Rouquette te luisteren. De eerste legde in bedekte termen zijn toestand bloot. Met zijn groote onderneming, den spoorweg Niort-Angers, was het heelemaal mis geloopen. De aandeelen hadden aanvankelijk tachtig francs boven pari gestaan voordat er een spade in den grond was gestoken. Achter zijn fameuze Engelsche maatschappij verscholen, had mijnheer Kahn zich aan de onbeschaamdste speculaties gewaagd. En nu was een failliet onvermijdelijk, wanneer een machtige hand zich niet uitstrekte om hem te redden.

--Vroeger, mompelde hij, had Marsy mij aangeboden de zaak aan de compagnie de l'Ouest te verkoopen. Ik ben volkomen bereid om de onderhandelingen weer op te vatten. Er is maar een wet voor noodig....

Clorinde wenkte ze stil. En met hun beiden over haar bed gebogen, praatten ze geruimen tijd. Marsy was niet haatdragend. Ze zou met hem spreken. Ze zou hem het millioen bieden, dat hij verleden jaar voor zijn steun vroeg. Door zijn positie als president van het Wetgevend lichaam zou het hem zeer gemakkelijk vallen de vereischte wet te verkrijgen.

--Marsy is de man om zulke soort zaken te doen slagen, zei ze glimlachend. Wanneer men buiten hem om zoo iets op touw zet, is men al gauw genoodzaakt hem er bij te roepen en hem te smeeken den boel weer op dreef te helpen.

In de kamer sprak nu iedereen tegelijk, op luiden toon. Mevrouw Correur maakte mevrouw Bouchard deelgenoot van haar liefste wenschen: zij wou haar laatste levensdagen in Coulonges slijten, in het huis van haar familie; en zij sprak vol teederheid over haar geboorteplaats, ze zou mevrouw Martineau wel noodzaken haar dat huis af te staan, zoo vol herinneringen uit haar kindsheid. De gasten kwamen intusschen onvermijdelijk op Rougon terug. Mijnheer d'Escorailles vertelde hoe boos zijn ouders geweest waren; zij hadden hem geschreven dat hij weer aan den Raad van State moest zien te komen, dat hij met den minister moest breken, daar deze zoo'n misbruik van zijn macht maakte. De kolonel vertelde hoe de dikke stellig geweigerd had aan den keizer een betrekking voor hem in de keizerlijke paleizen te vragen. Mijnheer Béjuin zelfs klaagde dat Zijne Majesteit zijn kristalfabriek te Saint-Florent niet bezocht had, bij gelegenheid van zijn laatste reis naar Bourges, ofschoon Rougon hem stellig beloofd had dat hij die gunst voor hem zou aanvragen. En midden tusschen dien stortvloed van woorden, lag gravin Balbi glimlachend op haar chaise longue, bekeek haar nog altijd mollige handen en riep zachtjes:

--Flaminio!

De lange bediende haalde uit zijn vestzakje een schildpadden doosje, vol pepermuntjes. De gravin knabbelde ze op met de manieren van een oude, snoeplustige kat. Tegen twaalf uur kwam Delestang thuis. Toen men hem de portière van het boudoir zag oplichten, ontstond er een diepe stilte, allen rekten den hals uit. Maar de portière was weer neergevallen, niemand kwam achter hem. Toen klonk het van alle kanten:

--Is u alleen?

--Hebt u hem niet meegebracht?

--Is u den dikke onderweg kwijt geraakt?

Dat gaf een verlichting. Delestang verklaarde dat Rougon zich vermoeid gevoeld en op den hoek van de rue Marbeuf afscheid genomen had.

--Heel verstandig, zei Clorinde, die nu languit op bed ging liggen. Hij is zoo saai!

Dat was het teeken voor een nieuwe ontketening van klachten en beschuldigingen. Delestang protesteerde en riep telkens: Met uw verlof! Met uw verlof! Hij deed zich gewoonlijk voor als Rougon's verdediger. Toen men hem het woord liet, zei hij op afgemeten toon:

--Ongetwijfeld had hij beter kunnen handelen jegens enkelen van zijn vrienden. Maar dat neemt niet weg dat hij toch een verbazend knappe kop is.... Wat mij betreft, ik zal hem eeuwig dankbaar zijn....

--Waarvoor dankbaar? riep mijnheer Kahn toornig uit.

--Wel, voor alles wat hij voor mij gedaan heeft....

Men viel hem heftig in de rede. Rougon had nooit iets voor hem gedaan. Waar haalde hij dat vandaan, dat Rougon iets gedaan had?

--U is een wonderlijk mensch! zei de kolonel. Men drijft de bescheidenheid toch niet zoover!.... Mijn beste vriend, ge hadt niemand noodig. Wat drommel, wat ge zijt hebt ge aan uw eigen verdiensten te danken.

Toen werden Delestang's verdiensten opgehemeld. Zijn modelhoeve was een weergalooze schepping, waardoor hij reeds lang zijn geschiktheid geopenbaard had als bewindvoerder en als werkelijk begaafd Staatsman. Hij had een snellen blik, een helder verstand, een krachtige hand die vrij van ruwheid was. Had de keizer hem niet al den eersten dag den besten met onderscheiding behandeld? Hij stemde in bijna alle punten met Zijne Majesteit overeen.

--Kom, kom, verklaarde mijnheer Kahn eindelijk, gij houdt Rougon eigenlijk nog staande. Indien gij zijn vriend niet waart, indien gij hem niet in den raad steunde, zou hij al veertien dagen geleden gevallen zijn.

Toch protesteerde Delestang nog. Zeker, hij was niet de eerste de beste, maar men moest aan ieders goede eigenschappen recht laten wedervaren. Zoo had Rougon dien eigen avond bij den grootzegelbewaarder, in een zeer ingewikkelde kwestie een buitengewoon helder inzicht getoond.

--O, de handigheid van een sluw advokaat, mompelde mijnheer La Rouquette op minachtenden toon.

Clorinde had de lippen nog niet geopend. Men richtte den blik op haar, als verwachtte men van haar het beslissende woord. Zij streek met haar hoofd over de kussens, alsof haar nek jeukte. Eindelijk zei ze, doelende op haar man:

--Ja, beknor hem vrij.... Men zal hem nog met geweld op zijn ware plaats moeten zetten.

--De positie van den minister van Landbouw en Handel is er slechts een van den tweeden rang, merkte mijnheer Kahn op, om de zaken te bespoedigen.

Hier raakte hij de wondeplek aan. Clorinde vond het zeer onaangenaam dat haar man niet verder zou kunnen komen dan wat zij "een klein ministerie" noemde. Ze ging plotseling overeind zitten en sprak eindelijk het langverwachte woord:

--Wel, hij komt aan Binnenlandsche zaken wanneer we dat willen.

Delestang wou spreken, maar allen kwamen zich met uitroepen van blijdschap om hem verdringen. Toen scheen hij zich gewonnen te geven. Een rose gloed kleurde zijn wangen, zijn knap gelaat straalde van genot. Mevrouw Correur en mevrouw Bouchard fluisterden elkaar toe dat zij hem mooi vonden; de tweede vooral bewonderde zijn kalen schedel. Mijnheer Kahn, de kolonel en de anderen wisselden knipoogjes, gaven elkander teekens om de groote waarde te kennen te geven die zij aan zijn macht toekenden. Die meester zou ten minste volgzaam zijn, hij zou hen niet compromitteeren. Zij konden hem ongestraft als een god vereeren, zonder dat zij zijn toorn behoefden te vreezen.

--Gij vermoeit hem, merkte de mooie mevrouw Bouchard teeder op.

Men vermoeide hem! Dat gaf een algemeen beklag. Inderdaad, hij was een beetje bleek, zijn oogen vielen toe. Denk eens aan, wanneer men sedert den morgen vijf uur werkt! Niets mat zoo af als hoofdarbeid. En met zachten drang eischte men dat hij naar bed zou gaan. Hij gehoorzaamde gewillig; hij ging heen, nadat hij zijn vrouw een kus op het voorhoofd had gedrukt.

--Flaminio! mompelde de gravin.

Zij wenschte ook naar bed te gaan. Aan den arm van den knecht ging zij de kamer door, ieder in het bijzonder met de hand toewuivende. In de kleedkamer hoorde men Flaminio vloeken omdat de lamp uitgegaan was.

Het was één uur. Men wilde aanstalten maken om heen te gaan, maar Clorinde verzekerde dat zij geen slaap had, dat men gerust nog wat blijven kon. Toch ging niemand meer zitten. De lamp in het boudoir was ook uitgegaan, een onaangename olielucht verspreidde zich. Men had groote moeite allerlei kleine voorwerpen, een waaier, den wandelstok van den kolonel, den hoed van mevrouw Bouchard terug te vinden. Clorinde, die rustig bleef liggen, wou volstrekt niet dat mevrouw Correur Antonia zou bellen; de kamenier ging om elf uur naar bed. Eindelijk nam men afscheid, toen de kolonel bemerkte dat hij Auguste vergat; het jongmensch sliep op de sofa in het boudoir, zijn hoofd rustte op een ineengerolde japon; men beknorde hem dat hij de lamp niet had opgedraaid. Op de halfduistere trap, waar slechts een klein gaslichtje brandde, gaf mevrouw Bouchard een gilletje, zij zei dat haar voet uitgleed. En terwijl al die luidjes voorzichtig langs de leuning de trap afgingen, klonk er een luid gelach uit Clorinde's kamer, waar Pozzo nog wat talmde; ze blies hem zeker in den hals.

Iederen Donderdag en iederen Zondag gingen de avonden op dezelfde manier voorbij. Daarbuiten liep het gerucht dat mevrouw Delestang er een politiek salon op nahield. Er heerschte daar een zeer liberale geest, men brak er het autoritair gezag van Rougon af. De geheele troep droomde nu van een humaan keizerrijk, dat allengs meer en meer vrijheden aan het volk zou schenken. De kolonel stelde in zijn snipperuren statuten op voor werkliedenvereenigingen; mijnheer Béjuin opperde het denkbeeld een stad te stichten rondom zijn kristalfabriek te Saint-Florent; mijnheer Kahn onderhield Delestang uren lang over de democratische rol der Bonapartes in de moderne maatschappij. En bij iedere nieuwe daad van Rougon waren er uitingen van verontwaardiging en van vaderlandslievende vrees, dat Frankrijk onder het bestuur van zoo'n man te gronde zou gaan. Op zekeren dag hield Delestang staande dat de keizer de eenige republikein van dat tijdperk was. Het troepje nam de houding van een godsdienstige heilaanbrengende secte aan. Het spande nu openlijk samen om den dikke ten val te brengen, tot welzijn van het vaderland.