Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 28
Het was voor de jonge vrouw een tijdvak van overheersching. Haar kleedkamer, waar slecht afgedroogde waschkommen slingerden, was het centrum der politiek van alle Europeesche hoven. Langs kanalen die onbekend bleven, ontving zij nog vóor de gezanten allerlei tijdingen, uitgewerkte rapporten, waarin de minste polsslagen in het leven der gouvernementen vooruit werden aangekondigd. Zij hield dan ook een hof, bankiers, diplomaten, intieme kennissen, die kwamen om iets van haar te weten te komen. De bankiers vooral toonden zich echte hovelingen. Een hunner had zij in éen dag honderd millioen francs laten winnen, enkel door de vertrouwelijke mededeeling dat er een verandering van ministerie in een naburigen staat op til was. Zij versmaadde al dat handel drijven van de lagere politiek; zij liet alles los wat zij wist, de babbelpraatjes van de diplomatie, de internationale beuzelingen uit de hoofdsteden, alleen om te kunnen praten en om te toonen dat zij op alle steden tegelijk het oog hield, op Turijn, Weenen, Madrid, Londen, tot zelfs op Berlijn en St. Petersburg; dan vloeide er een onuitputtelijke stroom van inlichtingen over de gezondheid der koningen, hun liefdesbetrekkingen, hun gewoonten, over het politieke personeel van ieder land, over de chronique scandaleuse van het kleinste Duitsche hertogdom. Zij beoordeelde de staatslieden met een enkel woord, sprong zonder overgang van het Noorden op het Zuiden, roerde achteloos met haar vingertoppen de koninkrijken aan, leefde er in alsof zij thuis was, alsof de uitgestrekte aarde met haar steden en haar volkeren in een speelgoeddoos geborgen was, waarin zij naar willekeur de bordpapieren huisjes en houten mannetjes verschikte. En als zij, van al dat gebabbel vermoeid, zweeg, klapte zij met haar duim tegen haar middelvinger, een gebaar dat haar eigen was, en waarmee zij te kennen wilde geven dat dit alles geen zier waard was.
Voor het oogenblik werd haar aandacht, te midden van haar menigvuldige bezigheden, hoofdzakelijk geboeid door een hoogstgewichtige zaak, waarover zij haar best deed niet te spreken, zonder zich echter het genoegen te kunnen ontzeggen er nu en dan op te zinspelen. Zij wilde Venetië veroveren. Wanneer zij van den grooten Italiaanschen minister sprak, zei zij heel gemeenzaam "Cavour". Dan heette het "Cavour wou niet, maar ik wou wel, en hij heeft toegegeven". Zij sloot zich ochtend en avond met ridder Rusconi in de legatie op. Trouwens, "de zaak" marcheerde nu heel goed. En kalm, haar smal godinnenvoorhoofd achterover werpend, in een soort van somnabulisme sprekend, liet zij zich woorden zonder verband, halve bekentenissen ontvallen: een geheime samenkomst van den keizer met een buitenlandsch staatsman, het ontwerp van een alliantie-tractaat waarvan enkele artikelen nog besproken moesten worden, een oorlog tegen het volgende voorjaar. Op andere dagen weer was zij woedend; zij schopte tegen de stoelen in haar kamer en zette de waschkommen zoo hardhandig neer, dat zij bijna braken; het leek de toorn eener koningin, die door domme ministers verraden wordt en haar koninkrijk van kwaad tot erger ziet vervallen. Op zulke dagen strekte zij tragisch haar prachtigen blooten arm met gesloten vuist, naar den kant van Italië uit, met den uitroep: O, als ik daarginds was, zouden ze zooveel domheden niet uithalen!
De beslommeringen van de hoogere politiek beletten Clorinde niet allerlei bezigheden tegelijk te verrichten, waarin zij ten slotte zelf geen weg meer wist te vinden. Men vond haar menigmaal op haar bed zitten, met den inhoud van haar groote brieventasch op de dekens uitgespreid, tot aan de ellebogen in dien stapel papieren begraven, radeloos van kwaadheid; zij kon niet wijs worden uit dien berg van losse papieren, of ze zocht naar een weggeraakt dossier, dat zij eindelijk achter een kast, onder haar oude schoenen of tusschen haar vuil linnengoed terugvond. Wanneer zij uitging om een zaak af te handelen, wikkelde zij zich onderweg in twee of drie nieuwe avonturen. Zij leefde in een voortdurende opwinding, in een warnet van de ingewikkeldste, onbegrijpelijkste intriges. Wanneer zij 's avonds, na den heelen dag door Parijs gedwaald te hebben, met knieën stijf van het trappen klimmen, thuiskwam en tusschen de plooien van haar rokken de moeielijk te omschrijven geuren uit de omgevingen waarin zij verkeerd had, meebracht, had niemand ook maar voor de helft kunnen vermoeden, hoeveel zaken zij in alle hoeken van de stad gedreven had; en als men er haar naar vroeg, begon zij te lachen, wist zij het zelf niet.
Om dezen tijd kreeg zij den zonderlingen inval haar intrek in een "cabinet particulier" van een der grootste restauraties op den boulevard te nemen. Het hôtel van de rue du Colisée, zei ze, was overal even ver vandaan; ze had liever een optrekje in het centrum der stad, en zij richtte het cabinet particulier tot haar kantoor in. Daar ontving zij twee maanden lang de hoogste personnages. Ambtenaren, gezanten, ministers meldden zich daar aan. Zij, volkomen thuis, verzocht hen plaats te nemen op de sofa, die nog de indrukken vertoonde van de dames, die er bij het laatste carnaval gesoupeerd hadden. Zelf bleef zij voor de altijd gedekte tafel staan, vol broodkruimels en papieren. Zij kampeerde er als een generaal. Op een avond, toen zij zich ongesteld voelde, was zij rustig te bed gaan liggen in de zolderkamer van den oberkellner, die haar bediende, een flinken jongen man, door wien zij zich liet zoenen. Tegen middernacht ging zij eerst naar huis.
Met dat al was Delestang een gelukkig man. Hij scheen de zonderlinge gewoonten van zijn vrouw niet op te merken. Zij had hem nu geheel in haar macht, zij beschikte over hem naar willekeur, zonder dat hij aan een tegenwerping dacht. Zijn geaardheid maakte hem voor dat juk voorbeschikt. Hij bevond zich te goed bij die overgave van zijn eigen wil, dan dat hij ooit zou trachten zich te verzetten. Op de dagen waarop zij hem bij zich toegelaten had, bewees hij allerlei kleine diensten bij het opstaan; hij zocht overal onder de meubels naar haar laarsjes van verschillende paren, haalde het linnengoed in een kast overhoop om een hemd zonder gaten te vinden. Het was hem voldoende indien hij zich voor de wereld met een glimlach op het gelaat kon vertoonen. Men kreeg bijna respect voor hem, wanneer hij met een opgeruimd gezicht vol liefdevolle bescherming over zijn vrouw sprak. Clorinde, oppermachtige heerscheres geworden, was op het denkbeeld gekomen om haar moeder uit Turijn terug te laten komen; zij wenschte dat de gravin de Balbi voortaan zes maanden van het jaar bij haar zou doorbrengen. 't Was een plotselinge losbarsting van kinderlijke teederheid. Ze haalde een heele verdieping van het hôtel overhoop om de oude dame zoo dicht mogelijk bij haar eigen vertrekken te huisvesten. Zij kwam zelfs op het idee van een verbindingsdeur, waardoor zij uit haar kleedkamer in het slaapvertrek van haar moeder kon komen. Vooral tegenover Rougon stalde zij haar genegenheid uit met een Italiaansche overdrevenheid van liefkoozende termen. Hoe had ze ooit kunnen goedvinden zoo lang van de gravin gescheiden te blijven, zij die haar voor haar huwelijk nooit een uur alleen gelaten had? Zij beschuldigde zich van hardvochtigheid. Maar zij kon het niet helpen, ze was gezwicht voor raadgevingen, voor een beweerde noodzakelijkheid, die zij nu nog niet inzag. Rougon bleef volkomen bedaard. Hij hield geen zedepreeken meer, trachtte ook niet meer haar tot een der gedistingeerdste dames van Parijs te maken. Vroeger had zij de ledigheid van zijn bestaan aangevuld, toen zijn bloed door het nietsdoen in gisting geraakte, de zinnelijke begeerten in zijn rustende worstelaarsleden opgewekt werden. Nu in den strijd des levens, dacht hij niet meer aan die dingen; zijn beetje zinnelijkheid ging op in zijn veertienurige dagtaak. Hij bleef vriendelijk met haar omgaan, met dat zweempje minachting dat hij tegenover vrouwen placht te toonen. Toch kwam hij haar van tijd tot tijd bezoeken, met een flikkering van den ouden, nooit voldanen hartstocht in de oogen. Zij bleef zijn ondeugd, de eenige vrouw die hem zijn kalmte kon benemen. Sedert Rougon het ministerie bewoonde, waar zijn vrienden tot hun spijt geen gezellige samenkomsten met hem konden houden, was Clorinde op het denkbeeld gekomen om den troep bij zich aan huis te ontvangen. Langzamerhand werd het een gewoonte. En om beter te doen uitkomen, dat haar soirées die van de rue Marbeuf vervingen, koos zij eveneens den Zondag en den Donderdag. Maar in de rue du Colisée bleef men tot één uur in den nacht bijeen. Zij ontving in haar boudoir, daar Delestang altijd, uit vrees voor vetvlekken, de sleutels van het groote salon onder zijn berusting hield. Daar het boudoir zeer klein was, liet zij haar slaapkamer en haar kleedkamer open, zoodat men meestal in de kamer zat, midden tusschen de prullen die overal rondslingerden.
's Zondags en Donderdags, was Clorinde er altijd op bedacht vroeg genoeg thuis te komen om haastig te dineeren en de honneurs waar te nemen. Maar ofschoon zij er altijd aan trachtte te denken, had zij toch twee keeren haar gasten geheel vergeten, zoodat zij uiterst verbaasd was zooveel menschen om haar bed te zien, toen zij na middernacht thuis kwam. Op een Donderdag, in de laatste dagen van Mei, kwam zij bij uitzondering tegen vijf uur thuis; zij was te voet uitgegaan en van af de place de la Concorde was zij onder een stortbui voortgeloopen, zonder het van zich te kunnen verkrijgen dertig sous voor een rijtuig uit te geven om haar de Champs-Elysées over te brengen. Druipnat ging zij onmiddellijk naar haar kleedkamer, waar haar kamenier Antonia, de lippen geheel met confituren besmeerd, haar uitkleedde, terwijl zij hartelijk lachte om die natte kleeren, waaruit het water op den vloer afdroop.
--Er is een heer voor u, zei Antonia eindelijk, toen zij op den grond was gaan zitten om Clorinde's laarsjes uit te trekken. Hij wacht al een uur lang.
Clorinde vroeg haar hoe de heer er uitzag. De heer was dik, bleek en zag er deftig uit, verklaarde de kamenier, die met haar slordig kapsel en vette japon nog steeds op den grond zat.
--O, jawel, mijnheer de Reuthlinguer, de bankier, riep de jonge vrouw uit. Dat is zoo, hij zou om vier uur komen. Nu, laat hem wachten.... Maak een bad voor me klaar, wil je?
En zij strekte zich bedaard in de badkuip uit, achter een gordijn in een hoek van de kamer. Daar las zij de brieven die in haar afwezigheid bezorgd waren. Na een groot half uur verscheen Antonia weer en mompelde:
--Die mijnheer heeft mevrouw zien thuis komen. Hij wou haar graag spreken.
--Hé ja, ik had den baron al vergeten! zei Clorinde, die in de badkuip overeind ging staan. Kleed me maar vlug aan.
Maar zij was dien avond moeielijk te voldoen met haar toilet. Ofschoon zij haar uiterlijk meestal veronachtzaamde, had zij soms buien, waarin zij haar lichaam als het ware verafgoodde. Dan vond zij, naakt voor haar spiegel staande, allerlei verfijningen uit, zij liet zich de ledematen met zalfjes wrijven, met balsems, aromatische oliën, die zij alleen kende; zij had ze te Konstantinopel gekocht, bij den parfumeur van het serail, zei ze, door bemiddeling van een Italiaanschen diplomaat dien zij kende. En terwijl Antonia haar inwreef, nam zij de houding van een standbeeld aan. Dat zou haar huid blank, zacht en duurzaam als marmer maken; een zekere olie, waarvan zij zelf de druppels op een lapje flanel uittelde, had de wonderbaarlijke eigenschap de kleinste rimpels weg te nemen. Daarop verdiepte zij zich in een nauwkeurig onderzoek van haar handen en voeten. Ze had zoo een dag lang kunnen doorbrengen in zelfaanbidding.
Maar na verloop van drie kwartier, toen Antonia haar een hemd en een onderrok had aangedaan, kwam zij plotseling tot bezinning.
--O ja, de baron!.... Och, laat hem maar binnenkomen! Hij weet wel hoe een vrouw er uitziet.
Mijnheer de Reuthlinguer had al meer dan twee uren geduldig zitten wachten. De bleeke, koude, streng zedelijke bankier, die een der grootste fortuinen van Europa bezat, wachtte aldus, sedert eenigen tijd, een paar malen per week bij Clorinde. Hij ontving haar zelfs bij zich aan huis, in die kiesche, strenge omgeving, waar het dienstbodenpersoneel ontzet stond over het onwelvoegelijke van Clorinde's kleeding en manieren.
--Bonjour, baron! riep zij. Ik word gekapt, kijk u maar niet naar mij.
Zij zat half naakt, haar hemd was van de schouders gegleden. De baron lachte toegevend met zijn bleeke lippen; en hij stond naast haar, met koele, heldere oogen, uiterst beleefd buigend.
--U komt om het nieuws, niet waar?.... Ik weet juist iets.
Zij stond op en zond Antonia heen, die de kam in haar haren liet zitten. Zij was zeker nog bang dat men haar hooren zou, want zij legde de hand op den schouder van den bankier, ging op haar teenen staan en fluisterde hem iets toe. De bankier had, terwijl hij luisterde, de oogen op haar boezem gevestigd, maar scheen er niet op te letten, hij knikte levendig met het hoofd.
--Ziedaar, besloot zij hardop. Nu kunt ge uw gang gaan.
Hij vatte haar weer bij haar arm, trok haar naar zich toe om haar nog enkele uitleggingen te vragen. Tegenover een zijner klerken had hij zich niet meer op zijn gemak kunnen voelen. Toen hij haar verliet, vroeg hij haar tegen den volgenden dag ten eten; zijn vrouw vond het zoo vervelend dat hij haar niet zag. Zij vergezelde hem tot aan de deur. Maar plotseling kruiste zij haar armen over haar borst en riep blozend uit:
--Dat is ook wat, ik ga maar zoo met u mee!
Toen voer zij uit tegen Antonia. Dat meisje was zoo langzaam. En zij gunde haar nauwelijks den tijd om haar te kappen; ze zei dat ze niet graag zooveel tijd aan haar toilet besteedde. Ondanks het seizoen wou zij een lange zwartfluweelen japon aantrekken, een losse blouse met een rood zijden koord om de taille gesloten. Tweemaal had men mevrouw al komen waarschuwen dat het diner gereed was. Maar terwijl zij haar kamer doorging, vond zij er drie heeren, van wier aanwezigheid niemand iets scheen te weten. Het waren de drie politieke uitgewekenen de heeren Brambilla, Staderino en Viscardi. Zij liet volstrekt geen verbazing blijken toen zij ze daar zag.
--Wacht u mij al lang? vroeg zij.
--Ja, ja, antwoordden zij, langzaam met het hoofd wiegelend.
Zij waren al vóor den bankier gekomen. Naast elkander op dezelfde sofa gezeten, kauwden zij groote uitgedoofde sigaren, alle drie in dezelfde houding. Nu echter stonden zij op en omringden Clorinde. Zachtjes werd er nu een haastig gesprek in het Italiaansch gevoerd. Zij scheen hun instructies te geven. Een hunner maakte aanteekeningen in cijferschrift in een zakboekje, terwijl de anderen, blijkbaar zeer opgewonden door hetgeen zij hoorden, lichte kreten onder hun gehandschoende vingers smoorden. Toen gingen zij achtereenvolgens met een ondoorgrondelijk gezicht de kamer uit.
Dien Donderdag zou er 's avonds een conferentie tusschen verscheidene ministers plaats hebben over een belangrijke zaak. Delestang beloofde Rougon mee te brengen, maar zij trok een ontstemd gezicht, als om hem te kennen te geven dat zij er volstrekt niet op gesteld was hem te zien. Er was nog geen bepaalde breuk, maar zij hield zich hoe langer hoe koeler tegenover Rougon.
Tegen negen uur kwamen mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin het eerst, kort daarop gevolgd door mevrouw Correur. Zij vonden Clorinde in haar kamer, op een chaise longue uitgestrekt. Zij klaagde over een van die onbekende, buitengewone kwalen, die haar soms plotseling overvielen, ditmaal had zij bepaald een vlieg ingeslikt; ze voelde het insekt in haar maag rondvliegen. In haar ruime zwartfluweelen blouse tegen drie kussens geleund, met haar bleek gelaat en haar ontbloote armen was zij als een van die liggende figuren, die in peinzende houding tegen de monumenten aanleunen. Aan haar voeten tokkelde Luigi Pozzo zachtjes op een gitaar; hij had de schilderkunst in den steek gelaten voor de muziek.
--U wilt zeker wel gaan zitten, mompelde ze. U zult me, hoop ik, verontschuldigen. Ik heb op de een of andere manier een dier naar binnen gekregen.
Pozzo ging voort op zijn gitaar te tokkelen, terwijl hij met een verrukt gezicht, als verzonken in een aanschouwing, zachtjes daarbij zong. Mevrouw Correur schoof een stoel naast de jonge vrouw. Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin vonden na eenig zoeken een paar onbezette stoelen. Het was niet gemakkelijk een plaats te vinden, want de vijf of zes stoelen in de kamer waren bijna onzichtbaar onder de stapels rokken. Toen kolonel Jobelin en zijn zoon Auguste zich vijf minuten later aanmeldden, moesten zij blijven staan.
--Kleine, zei Clorinde tot Auguste, dien zij nog altijd, ondanks zijn zeventien jaren, tutoyeerde, ga jij eens twee stoelen uit de kleedkamer halen.
Het waren rieten stoelen, waarvan de leuningen geheel dof waren door de natte doeken die er altijd op gelegd werden. Een enkele lamp, waarover een rose papieren kap, verlichtte de kamer; een andere stond in de kleedkamer en een derde in het boudoir; door de halfgeopende deuren zag men schemerachtige hoekjes, duistere plekjes waar nachtlichtjes schenen te branden. De kamer zelve, waarvan het behangsel vroeger zacht mauvekleurig was, maar nu vuil grijs geworden was, zag er uit alsof zij vol damp was; men onderscheidde ternauwernood de afgescheurde hoekjes aan de fauteuils, de stof die op de meubelen lag, een groote inktvlek midden op het tapijt, inktspatten tegen het houtwerk; de gordijnen van het bed achterin waren dicht geschoven, opdat men de wanorde der dekens niet zien zou. En in dat halfduister steeg er een geur omhoog, alsof alle reukfleschjes van de kleedkamer ongekurkt waren blijven staan. Clorinde wou volstrekt niet, zelfs niet in het warmste weer, dat de ramen geopend werden.
--'t Ruikt hier verbazend lekker, zei mevrouw Correur om haar iets vriendelijks te zeggen.
--Dat ben ik zelf, antwoordde de jonge vrouw naïef.
En zij sprak over de essences, die zij van den parfumeur der sultanes ontving. Zij hield haar blooten arm onder den neus van mevrouw Correur. Haar zwart fluweelen blouse was wat afgegleden; haar voeten, in roode pantoffeltjes gestoken, waren zichtbaar. Pozzo, half bedwelmd door de sterke geuren die uit haar opstegen, tokkelde zachtjes met den duim op zijn instrument.
Na weinige minuten kwam het gesprek intusschen op Rougon, zooals dat iederen Donderdag en Zondag het geval was. Het troepje kwam uitsluitend bijeen om dat eeuwigdurend onderwerp uit te putten, een geheime, steeds aangroeiende wrok, een behoefte om hun gemoed lucht te geven in eindelooze beschuldigingen. Clorinde gaf zich zelfs de moeite niet meer om ze aan te hitsen; zij brachten steeds nieuwe grieven te berde, ontevreden, jaloersch en verbitterd als zij waren door al wat Rougon voor hen gedaan had. Een koorts van ondankbaarheid woelde in hen.
--Hebt u den dikke vandaag gezien? vroeg de kolonel.
Nu was Rougon niet meer "de groote man".
-- Neen, antwoordde Clorinde. We zullen hem van avond misschien zien. Mijn man wil hem met alle geweld meebrengen.
--Ik ben vanmiddag in een koffiehuis geweest waar men een heel scherp oordeel over hem uitsprak, hernam de kolonel na een korte stilte. Men verzekerde dat hij niet vast meer stond, dat hij het geen twee maanden meer zou uithouden.
Mijnheer Kahn maakte een gebaar van minachting en zei:
--En ik geef hem geen drie weken meer. Rougon is geen man om te regeeren zie je, hij is te veel belust op macht, hij raakt er door bedwelmd en dan slaat hij er links en rechts op los: hij regeert met stokslagen, met een weerzinwekkende ruwheid. Kortom, sedert vijf maanden heeft hij schandelijke dingen bedreven....
--Ja, ja, viel de kolonel hem in de rede, allerlei machtsmisbruiken, onrechtvaardigheden, dwaasheden.... Hij maakt wezenlijk misbruik.
Mevrouw Correur zei niets, maar maakte een gebaar alsof zij zeggen wou dat zijn hoofd niet al te sterk was.
--Dat is het, hernam mijnheer Kahn, haar gebaar opmerkend. Hij is wat zwak van hoofd, hè?
En daar men hem aankeek, meende mijnheer Béjuin ook een woordje te moeten meespreken.
--O, Rougon is niet sterk, heelemaal niet sterk!
Clorinde, met het hoofd achterover op de kussens geleund, keek naar den lichtenden kring van de lamp tegen het plafond, en liet ze begaan. Toen zij zwegen, zei zij op haar beurt, om ze aan te hitsen:
--Hij heeft zonder twijfel misbruik gemaakt, maar hij beweert al wat men hem verwijt, gedaan te hebben met het eenige doel om zijn vrienden te verplichten.... Ik sprak er laatst nog met hem over. De diensten die hij u bewezen heeft....
--Ons, ons! riepen zij alle vier woedend.
Zij spraken allen dooreen, maar mijnheer Kahn schreeuwde het hardst.
--De diensten die hij mij bewezen heeft! Wat een dwaasheid!.... Ik heb bijna twee jaar op mijn concessie moeten wachten. Dat heeft me geruïneerd. De zaak, die prachtig was, is zeer bezwarend geworden.... Als hij zooveel van mij houdt, waarom komt hij me dan niet te hulp! Ik heb hem verzocht aan den keizer een wet te vragen, waarbij ik mijn maatschappij met die van den Wester-spoorweg zou kunnen samensmelten; hij heeft me geantwoord dat ik moest wachten.... De diensten van Rougon, die zou ik eens willen zien! Hij heeft nooit iets gedaan, en hij kan niets meer doen!
--En ik, en ik, hernam de kolonel, met een gebaar het woord van mevrouw Correur afsnijdend, en ik, denkt u soms dat ik hem iets te danken heb? Hij spreekt toch niet over het commandeurskruis, dat mij al sedert vijf jaar beloofd is?.... Hij heeft Auguste op het ministerie geplaatst, dat is waar; maar daar heb ik spijt genoeg van gehad. Als ik Auguste in den handel gedaan had, zou hij nu al het dubbele verdienen.... Die ezel van een Rougon heeft me gisteren verklaard dat Auguste in de eerste anderhalf jaar geen opslag kan krijgen. Als hij op die manier zijn krediet ruïneert om zijn vrienden te helpen!
Mevrouw Correur kon eindelijk ook eens haar gemoed lucht geven. Zij had zich naar Clorinde overgebogen.
--Zeg eens, mevrouw, hij heeft mij toch niet opgenoemd? Ik heb niet zóoveel van hem ontvangen. Ik moet de kleur van zijn weldaden nog zien. Dat kan hij niet eens zeggen, en als ik spreken wou.... Ik heb voor verscheidene dames onder mijn kennissen moeite gedaan, dat wil ik niet ontkennen; ik bewijs iemand graag een dienst. Nu, één opmerking heb ik gemaakt: al wat hij toestaat, loopt verkeerd uit, zijn gunsten schijnen ongeluk aan te brengen. Daar hebt u bij voorbeeld Herminie Billecoq, een oud-leerlinge van Saint-Denis, die door een officier verleid is, en voor wie hij dan een bruidschat gevonden had; daar is ze mij van morgen een ramp komen vertellen; het huwelijk is afgesprongen, de officier is er van door gegaan, nadat hij het geld had ingepalmd.... Hoort u wel, altijd voor anderen, nooit voor mijzelve. Onlangs, toen ik met mijn erfenis uit Coulonges ben gekomen, ben ik bij hem geweest om hem de kunstgrepen van mevrouw Martineau te vertellen. Bij de deeling wenschte ik het huis te hebben waarin ik geboren ben, en die vrouw heeft het zoo weten te plooien dat zij het houdt.... Weet u wat zijn eenig antwoord was? Hij heeft mij tot driemaal toe herhaald dat hij zich met die leelijke zaak niet meer wou inlaten.
Intusschen schoof mijnheer Béjuin ook al onrustig op zijn stoel. Hij stotterde:
--Met mij is het evenzoo.... Ik heb hem nooit wat gevraagd, nooit! Al wat hij heeft kunnen doen, was zonder mijn willen of weten. Hij maakt er gebruik van dat men niets zegt om u in te palmen, ja dat is het rechte woord, in te palmen....
Zijn stem stierf weg in een onduidelijk gemompel. En alle vier bleven zij elkander hoofdschuddend aankijken. Toen begon mijnheer Kahn weer op een plechtstatigen toon: