Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 27

Chapter 273,816 wordsPublic domain

En hij begon het bewuste hoofdstuk voor te lezen. Zijn stem klonk zacht en eentonig. Zijn mooie staatsmanskop nam bij enkele passages een uitdrukking van bijzonderen ernst aan. De keizer luisterde met een diepzinnig gelaat. Hij scheen vooral te genieten van de roerende gedeelten, waarin de schrijver zijn boeren op een kinderlijk eenvoudigen toon laat spreken. Wat Hunne Excellenties betreft, zij waren opgetogen. Wat een allerliefste geschiedenis! Rougon in den steek gelaten door Delestang, wien hij een portefeuille had laten geven, alleen om op hem te kunnen steunen, te midden van de geheime vijandschap van den raad! Zijn collega's verweten hem zijn onophoudelijke machtsoverschrijding, zijn behoefte om te heerschen die hem er toe bracht hen als ondergeschikte ambtenaren te beschouwen, terwijl hij zich voordeed als den intiemen raadgever, de rechterhand van Zijne Majesteit. En nu zou hij geheel alleen staan! Die Delestang was een man dien men op prijs moest stellen.

--Er staat misschien een enkel woordje in, mompelde de keizer, toen hij met lezen geëindigd had. Maar over het geheel zie ik niet in.... Nietwaar, heeren?

--Doodonschuldig, bevestigden de ministers.

Rougon haalde de schouders op. Toen kwam hij op zijn aanval terug, tegen Delestang alleen. Een paar minuten werd de discussie tusschen hen beiden voortgezet, met korte zinnetjes. De knappe man vatte vuur, werd vinnig. Toen voelde Rougon voor den eersten keer, hoe de grond onder hem begon te wankelen. Plotseling richtte hij zich op en met een heftig gebaar sprak hij den keizer aan.

--Sire, het boek zal door de censuur goedgekeurd worden, omdat Uwe Majesteit in hare wijsheid denkt dat het volstrekt geen gevaar oplevert. Maar ik moet u verklaren, dat het uiterst gevaarlijk zou zijn aan Frankrijk maar de helft van de vrijheden te schenken, die de brave Jacques opeischt.... U hebt mij in zeer moeielijke tijdsomstandigheden tot het bewind geroepen. U hebt mij gezegd, dat ik niet door een misplaatste gematigdheid moest trachten hen, die beefden, gerust te stellen. Ik heb mij geducht gemaakt, volgens uw wenschen. Ik geloof dat ik overeenkomstig uw geringste aanwijzingen gehandeld en u de diensten bewezen heb, die u van mij verwachtte. Zoo iemand mij van te groote ruwheid beschuldigde, zoo men mij verweet misbruik te maken van de macht waarmee Uwe Majesteit mij bekleed heeft, zou een dergelijke blaam, Sire, ongetwijfeld alleen van een tegenstander van uw politiek kunnen komen.... Welnu! geloof het vrij, het maatschappelijk lichaam is nog diep aangetast, ik heb het helaas niet in enkele weken kunnen genezen van de kwalen, die het ondermijnen. De anarchistische hartstochten woeden nog altijd op den bodem van de daemagogie. Ik wil die wond niet blootleggen, de afschuwelijkheid er van overdrijven, maar het is mijn plicht aan het bestaan daarvan te herinneren, ten einde Uwe Majesteit te waarschuwen tegen de edelmoedige opwellingen van zijn hart. Een oogenblik kon men hopen dat de geestkracht van den vorst en de plechtig uitgedrukte wil van het land de afschuwelijke tijdvakken van algemeene verdorvenheid voor altijd in het niet hadden doen zinken. De gebeurtenissen hebben bewezen in welk een treurige dwaling men verkeerd heeft. Ik smeek u, Sire, uit naam van het gansche volk, trek uw machtige hand niet terug. Het gevaar schuilt niet in te groote praerogatieven van de macht, maar in de afwezigheid van repressieve wetten. Indien gij uw hand terugtrekt, zoudt gij het schuim der bevolking zien opbruisen, gij zoudt bestormd worden door revolutionnaire eischen, en uw energieke dienaren zouden u niet meer kunnen verdedigen. Ik neem de vrijheid hierop nadrukkelijk te wijzen, zoo verschrikkelijk zouden de rampen zijn die de dag van morgen ons brengen zou. Een onbelemmerde vrijheid is onmogelijk in een land, waar een partij bestaat, die de beginselen, waarop de regeering gegrondvest is, halsstarrig miskent. Er zullen lange jaren toe noodig zijn eer het absoluut gezag bij iedereen instemming vindt, de herinnering aan vroegeren strijd uit het geheugen wegwischt, zoo onbetwistbaar wordt dat men er over zal kunnen redetwisten. Buiten het autoritaire beginsel in al zijn gestrengheid toegepast, is er geen heil voor Frankrijk te vinden. Den dag waarop Uwe Majesteit het zijn plicht zal achten het volk de onnoozelste vrijheid toe te staan, dien dag zet zij de geheele toekomst op het spel. Eén vrijheid wordt gevolgd door een tweede, dan komt een derde, die alles wegvaagt, instellingen en dynastiën. 't Is de onverbiddelijke machine, het raderwerk dat een vingertop grijpt, de hand tot zich trekt, den arm verslindt, het lichaam vermorzelt.... En, Sire, nu ik toch de vrijheid neem mijn gevoelen onomwonden over dit onderwerp te zeggen, zal ik er dit nog bijvoegen: het parlementarisme heeft een monarchie gedood, we moeten het geen keizerrijk te dooden geven. Het Wetgevend lichaam speelt reeds een te groote rol. Dat men het nooit nauwer verbinde met de leidende politiek van den souverein; het zou een bron worden van de jammerlijkste discussies. De laatste verkiezingen hebben nog eens weer de eeuwige dankbaarheid van het land bewezen; maar toch zijn er tot zelfs vijf candidaturen geweest, wier schandelijk succès tot een waarschuwing moet strekken. Nu is het de groote kwestie de vorming van een tegenstrevende minderheid te beletten, en vooral, zoo zij zich toch vormt, haar geen wapenen in de hand te geven om het gezag met nog grooter onbeschaamdheid aan te vallen. Een zwijgend parlement is een werkend parlement.... Wat de pers betreft, Sire, zij verandert de vrijheid in bandeloosheid. Sinds mijn benoeming tot minister, lees ik aandachtig de rapporten, en iederen morgen word ik met walging vervuld. De pers is de vergaarbak van alle kwalijkriekende, gistende stoffen. Zij stookt revoluties, zij is de altijd gloeiende haard waaruit de branden voortkomen. Dan alleen kan zij nuttig worden, wanneer men haar heeft weten te temmen; dan kan de regeering haar macht als haar werktuig gebruiken. Ik spreek niet van andere vrijheden, vrijheid van vereeniging, vrijheid van vergadering, vrijheid om alles te doen. Men vraagt er heel eerbiedig om in les Veillées du bonhomme Jacques. Later zal men ze eischen. Dat is mijn schrikbeeld. Laat Uw Majesteit mij goed begrijpen, Frankrijk heeft nog langen tijd behoefte aan den druk van een ijzeren vuist....

Hij verviel in herhalingen, hij verdedigde zijn macht met stijgende drift. Gedurende bijna een uur ging hij zoo voort, beschut door zijn autoritair beginsel; hij bedekte zich er mee, hulde er zich in, als een man die het weerstandsvermogen van zijn wapenrusting ten volle gebruikt. En ondanks zijn zichtbare opgewondenheid, behield hij genoeg koelbloedigheid om zijn collega's te bespieden, om op hun gelaat de uitwerking van zijn woorden gade te slaan. Zij zaten onbewegelijk, met bleeke gezichten. Plotseling zweeg hij.

Er ontstond een vrij langdurige stilte. De keizer had zijn vouwbeen weer ter hand genomen.

--Mijnheer de minister van Binnenlandsche zaken ziet den toestand van Frankrijk te donker in, zei eindelijk de minister van Staat. Niets bedreigt nog, mijns inziens, onze instellingen. De orde is volmaakt. Wij kunnen ons verlaten op de hooge wijsheid van Zijne Majesteit. 't Is zelfs een gebrek aan vertrouwen op haar, wanneer wij vrees zouden laten blijken....

--Zeker, zeker, mompelden enkele stemmen.

--Ik mag er bijvoegen, zei op zijn beurt de minister van Buitenlandsche zaken, dat Frankrijk nooit meer geëerbiedigd is door geheel Europa. Overal in het buitenland brengt men hulde aan de flinke, waardige politiek van Zijne Majesteit. In de kanselarijen heerscht de algemeene meening dat ons land voor altijd een tijdperk van vrede en grootheid is ingetreden.

Geen van de heeren had overigens lust om het politiek programma, door Rougon verdedigd, te bestrijden. De blikken richtten zich op Delestang. Deze begreep wat men van hem verwachtte. Hij vond enkele phrases. Hij vergeleek het keizerrijk bij een gebouw.

--Zeker, het beginsel van het gezag mag niet aan het wankelen gebracht worden, maar men moet niet stelselmatig de deur sluiten voor de publieke vrijheden.... Het keizerrijk is als een toevluchtsoord, een grootsch, prachtig gebouw, waarvan Zijne Majesteit eigenhandig de onverwoestbare grondslagen heeft gelegd. Nu is Zijne Majesteit nog bezig de muren op te trekken, maar er zal een dag komen, waarop zij na de voleindiging van haar taak, zal moeten denken aan de bekroning van het gebouw en dan....

--Nooit! viel Rougon hem heftig in de rede. Alles zal instorten.

De keizer hief de hand op om de discussie te doen eindigen. Hij glimlachte, het was alsof hij uit een diep gepeins ontwaakte.

--Goed, goed, zei hij. We zijn van ons onderwerp afgedwaald.... We zullen zien.

En opstaande voegde hij er bij:

--Mijne heeren, het is laat, u kunt op het kasteel ontbijten.

De zitting was geëindigd. De ministers schoven hun fauteuils terug, stonden op en groetten den keizer, die zich met kleine stapjes verwijderde. Maar Zijne Majesteit keerde zich om en mompelde:

--Mijnheer Rougon, een woordje als ik u verzoeken mag.

Terwijl de keizer Rougon naar een vensternis meenam, verdrongen Hunne Excellenties zich aan het andere einde der kamer rondom Delestang. Zij wenschten hem met knipoogjes en veelzeggende glimlachjes geluk, een gemurmel van loftuitingen verhief zich om hem heen. De minister van Staat, een schrander man van veel ervaring, toonde zich bijzonder vleiend; zijn stelregel was dat de vriendschap der domooren geluk aanbrengt. Delestang boog bescheiden en ernstig bij ieder compliment.

--Neen, kom mee, zei de keizer tot Rougon.

En hij nam hem mee naar zijn kabinet, een tamelijk klein vertrek, waar een groot aantal kranten en boeken op de meubelen verspreid lagen. Daar stak hij een cigarette aan, en toonde toen aan Rougon het verkleind model van een nieuw kanon, dat een officier had uitgevonden; het kanonnetje geleek op een stuk speelgoed. Hij nam een zeer welwillenden toon aan, als trachtte hij den minister te toonen dat hij hem nog altijd genegen was. Toch begreep Rougon, dat hij van het een en ander rekenschap zou moeten geven. Hij wou het eerste spreken.

--Sire, zei hij, ik weet met welk een heftigheid men mij bij Uwe Majesteit heeft aangevallen.

De keizer glimlachte zonder te antwoorden. Het hof was inderdaad opnieuw tegen hem gekant. Men beschuldigde hem nu, dat hij misbruik maakte van zijn gezag, en het keizerrijk door zijn ruw optreden compromitteerde. De zonderlingste histories deden over hem de ronde, de gangen van het paleis waren vol anecdotes en klachten, waarvan de echo iederen morgen in het keizerlijke kabinet doordrong.

--Ga zitten, mijnheer Rougon, ga zitten, zei de keizer vriendelijk.

En zelf ook plaats nemende, ging hij voort:

--Men praat mij de ooren doof over allerlei zaken. Ik spreek er liever met u zelf over. Wat is dat toch met dien notaris te Niort, die tengevolge van een arrestatie gestorven is? Een zekere mijnheer Martineau, geloof ik?

Rougon gaf bedaard eenige inlichtingen. Die Martineau had zich een leelijke reputatie bezorgd, 't was een republikein wiens invloed zeer gevaarlijk in het departement had kunnen worden. Men had hem gearresteerd. Hij was gestorven.

--Ja juist, hij is gestorven, dat is het onaangename van de zaak, hernam de keizer. De oppositie-bladen hebben zich van die gebeurtenis meester gemaakt, zij vertellen ze op een geheimzinnige manier, met halve toespelingen die een betreurenswaardige uitwerking hebben.... Dat alles doet mij zeer leed, mijnheer Rougon.

Hij ging niet verder op de zaak in. Eenige seconden bleef hij zwijgend zitten, met de cigarette tusschen de lippen gedrukt.

--U is onlangs naar Deux-Sèvres gegaan en u hebt daar een feestelijkheid bijgewoond.... Is u wel zeker van de finantieële soliditeit van mijnheer Kahn?

--O, volkomen zeker! riep Rougon uit.

En hij gaf weder inlichtingen. Mijnheer Kahn werd gesteund door een schatrijke Engelsche maatschappij, de spoorwegaandeelen Niort-Angers stonden hoog genoteerd op de Beurs; het was de mooiste operatie die men bedenken kon. De keizer geloofde er blijkbaar niet veel van.

--Men heeft zijn vrees tegenover mij te kennen gegeven, mompelde hij. U begrijpt hoe ongelukkig het zou zijn indien uw naam betrokken zou zijn bij een catastrophe.... Enfin, daar u mij van het tegendeel verzekert....

Hij liet dat tweede punt varen om tot een derde over te gaan.

--Daar hebt u den prefect van Deux-Sèvres, men is zeer ontevreden over hem, naar men verzekert. Hij moet daar alles onderste boven geworpen hebben. Hij moet bovendien de zoon van een gewezen deurwaarder zijn, die door zijn zonderlinge gedragingen het heele departement van zich doet spreken.... Mijnheer Du Poizat is uw vriend, niet waar?

--Een mijner beste vrienden, Sire.

En daar de keizer opgestaan was, stond Rougon insgelijks op.

De eerste ging naar een venster, en kwam toen weer terug, lichte rookwolkjes uitblazend.

--U hebt veel vrienden, mijnheer Rougon, zei hij met een fijn lachje.

--Ja Sire, heel veel! antwoordde de minister ronduit.

Tot dusver had de keizer klaarblijkelijk de babbelpraatjes van het kasteel, de beschuldigingen van zijn omgeving overgebracht. Maar hij kende ongetwijfeld andere histories, feiten die het hof niet kende, waarvan zijn particuliere agenten hem onderricht hadden, en waaraan hij een veel grooter gewicht hechtte; hij dweepte met het bespiedingsstelsel van de geheime politie. Een oogenblik keek hij Rougon met een vagen glimlach aan; daarop sprak hij vertrouwelijk, als iemand die zich amuseert:

--O, ik heb meer gehoord dan mij lief was.... Nog een ander feit. U hebt op uw bureau een jongmensch aangenomen, den zoon van een kolonel, ofschoon hij het vereischte diploma niet heeft kunnen overleggen. Dat is niet van zooveel beteekenis, dat weet ik wel. Maar als u eens wist wat een drukte er over die dingen gemaakt wordt!.... Men ergert de menschen door zulke dwaasheden. 't Is een zeer slechte politiek.

Rougon antwoordde niets. Zijn Majesteit had nog niet uitgesproken. Hij opende zijn mond, zocht naar een geschikte inkleeding; het scheen alsof hij verlegen was met hetgeen hij nu te zeggen had. Eindelijk kwam het, hortend en stootend.

--Ik wil u niet spreken over dien bode, een van uw beschermelingen, een zekere Merle, niet waar? Hij is vaak dronken, hij is onbeschoft, het publiek en de ambtenaren klagen over hem.... Dat alles is zeer onaangenaam, zeer onaangenaam.

Daarop de stem verheffende, zei hij plotseling:

--U hebt te veel vrienden, mijnheer Rougon. Al die lieden doen u nadeel. U zoudt uzelven een dienst bewijzen, als u met ze brak.... Kom, beloof mij dat u mijnheer Du Poizat zult ontslaan en dat u de anderen laat loopen.

Rougon was onverstoorbaar kalm gebleven. Hij boog en zei op gevoelvollen toon:

--Sire, ik vraag integendeel aan Uwe Majesteit het ordeteeken van officier voor den prefect van Deux-Sèvres.... Ik heb bovendien nog verscheidene gunsten te vragen....

Hij haalde een agenda te voorschijn en vervolgde:

--Mijnheer Béjuin smeekt Uwe Majesteit als een gunstbewijs op Uwer Majesteits reis naar Bourges zijn fabriek van kristalwerken te Saint-Florent te willen bezoeken.... Kolonel Jobelin verzoekt een betrekking in de keizerlijke paleizen....

De bode Merle herinnert er aan dat hij de militaire médaille draagt, hij vraagt om een tabaksdépôt voor een van zijn zusters....

--Is dat alles? vroeg de keizer, die weer glimlachte. U is een heldhaftig beschermer. Uw vrienden moeten u op de handen dragen.

--Neen Sire, zij ondersteunen mij, zei Rougon met zijn ruwe openhartigheid.

Dat gezegde scheen den keizer te treffen. Rougon had daar het heele geheim van zijn trouw geopenbaard; zoodra hij zijn invloed ongebruikt liet, zou zijn invloed verdwenen zijn; en ondanks de ontevredenheid en het verraad van zijn aanhangers, zag hij zich genoodzaakt, wilde hij zelf gezond blijven, ook hun gezondheid te onderhouden. Hoe meer hij voor zijn vrienden verkreeg, hoe grooter en onverdiender de gunstbewijzen schenen, hoe sterker hij was. Eerbiedig, maar met een bijzonderen nadruk voegde hij er bij:

--Ik wensch van harte dat Uwe Majesteit, voor de grootheid van zijn rijk, lang in het bezit moge blijven van de verknochte dienaren die hem geholpen hebben het keizerrijk te herstellen.

De keizer glimlachte niet meer. Peinzend en met terneergeslagen blik liep hij eenige schreden op en neer; hij scheen op eens bleek en huiverig geworden. In die mystieke natuur drongen de voorgevoelens zich met buitengewone kracht op. Hij maakte een einde aan het gesprek, om niet genoodzaakt te zijn een besluit te nemen, de vervulling van zijn verlangen tot later uitstellende. Op nieuw toonde hij zich zeer minzaam. Hij kwam zelfs terug op de discussie die in de raadsvergadering had plaats gehad; hij scheen Rougon gelijk te geven, nu hij kon spreken zonder zich te veel te verbinden. Het land was zeker niet rijp voor de vrijheid. Lang nog zou er een energieke hand noodig zijn om aan de zaken een flinken gang, zonder zwakheid, te verleenen. En hij eindigde met den minister de hernieuwde verzekering van zijn vertrouwen te geven; hij liet hem volle vrijheid van handelen, en bekrachtigde al zijn vroegere instructiën. Intusschen meende Rougon te moeten aanhouden.

--Sire, zei hij, ik kan de speelbal niet zijn van een kwaadwillige, ik heb behoefte aan een vasten grond onder mij om de zware taak te volvoeren, waarvoor ik verantwoordelijk word gesteld.

--Mijnheer Rougon, antwoordde de keizer, ga zonder vrees voort, ik ben met u.

En het onderhoud afbrekende, wendde hij zich naar de deur van het kabinet, gevolgd door den minister. Zij gingen verscheidene kamers door om de eetzaal te bereiken. Maar toen hij op het punt stond daar binnen te gaan, keerde de keizer zich om en voerde Rougon in een hoekje van de galerij.

--Dus, vroeg hij halfluid, stemt u met het stelsel van mijnheer den grootzegelbewaarder niet in? Ik had gaarne gewenscht dat u dat ontwerp gunstig gezind waart geweest. Bestudeer de kwestie nog eens.

Daarop, zonder antwoord af te wachten, voegde hij er met zijn kalme stijfhoofdigheid bij:

--Er is geen haast bij. Ik zal wachten. Desnoods over tien jaar.

Na het ontbijt, dat ternauwernood een half uur duurde, gingen de ministers naar een klein salon, waar de koffie rondgediend werd. Zij bleven daar nog een oogenblik rondom den keizer staan praten. Clorinde, die ook bij de keizerin ontbeten had, kwam haar man halen, met de onbeschroomde manieren van een vrouw die zich veel in politieke kringen beweegt. Zij reikte enkelen heeren de hand. Allen verdrongen zich om haar, en begonnen over andere onderwerpen te spreken. Maar Zijne Majesteit toonde zich zoo galant voor de jonge vrouw, hij kwam zoo dicht bij haar staan, met uitgerekten hals en schuinschen blik, dat Hunne Excellenties zich uit bescheidenheid een eindweegs verwijderden. Vier, en daarna nog drie, begaven zich door een openstaande deur naar het terras van het kasteel. Welstaanshalve bleven er twee in het salon.

De minister van Staat met een minzame uitdrukking op zijn aristocratisch gelaat, had Delestang meegetroond; en op het terras staande wees hij hem Parijs, in de verte. Rougon verdiepte zich ook in de beschouwing van de groote stad, die als een afbrokkeling van blauwachtige wolken zich aan gene zijde van het onmetelijke groene veld van het bois de Boulogne aan den horizon vertoonde.

Clorinde was dien morgen zeer mooi. Even achteloos als altijd gekleed, met haar bleeke kersroode sleepjapon, leek het of zij haar kleeren in de haast had vastgemaakt, onder den prikkel van de een of andere begeerte. Haar armen hingen langs haar zijde; zij lachte, scheen zich aan te bieden. Op een bal bij den minister van Marine had zij als "Dame de Coeur," met diamanten om haar hals, haar polsen en haar knieën, het hart van den keizer veroverd; sedert dien avond scheen zij zijn vriendin te blijven, eenvoudig gekscherende wanneer Zijn Majesteit zich verwaardigde haar mooi te vinden.

--Zie eens, mijnheer Delestang, zei de minister van Staat tot zijn collega, daar aan uw linkerhand, hoe mooi zachtblauw de koepel van het Pantheon zich vertoont.

Terwijl de echtgenoot opgetogen keek, trachtte de minister door de open terrasdeur een blik in het kleine salon te werpen. De keizer sprak, ietwat voorover gebogen over het gelaat van de jonge vrouw, die zich met een welluidenden lach achterover boog als om hem te ontsnappen. Er viel niets te onderscheiden dan het profiel van Zijne Majesteit, een lang oor, een groote roode neus, een dikke mond, die verloren ging onder den trillenden knevel; in het half zichtbare gedeelte van wang en ooghoek schitterde een vlam van begeerte, de zinnelijke lust van een man die door den geur eener vrouw bedwelmd wordt. Clorinde, prikkelend en verleidend, weigerde met een onmerkbaar hoofdschudden, terwijl zij bij elk van haar lachjes de begeerte, die zij met zooveel overleg had opgewekt, door haar adem aanblies.

Toen Hunne Excellenties in het salon terugkeerden, zei de jonge vrouw, opstaande, zonder dat men kon weten waarop haar antwoord doelde:

--O Sire, vertrouw daar niet op, ik ben zoo koppig als een ezel.

Rougon ging, ondanks zijn oneenigheid, met Delestang en Clorinde naar Parijs terug. Zij scheen het weer goed bij hem te willen maken. Ze toonde niet meer dat zenuwachtige ongeduld, dat haar tot onaangename opmerkingen had gedreven; nu en dan keek zij hem zelfs met een soort van vriendelijke meewarigheid aan. Toen de landauer in het zonnige bosch langzaam langs den vijver reed, strekte zij zich gemakkelijk uit en fluisterde met een zucht van genot:

--Wat een mooie dag, hè!

Nadat ze een poosje in gedachten had gezeten, vroeg zij haar man:

--Zeg, is je zuster, mevrouw de Combelot, nog altijd op den keizer verliefd?

--Henriëtte is gek! zei Delestang, de schouders ophalend.

Rougon gaf enkele inlichtingen.

--Ja, nog altijd, zei hij. Men zegt dat zij den keizer op een avond te voet is gevallen.... Hij heeft haar opgericht, haar aangeraden te wachten....

--Ja, laat haar maar wachten, riep Clorinde vroolijk uit. Er zullen haar anderen voor zijn.

XI.

Clorinde's macht begon zich op dit tijdstip met haar zonderlinge manieren te ontwikkelen. Zij bleef het excentrieke meisje, dat Parijs op een huurpaard doortrok om een echtgenoot te zoeken, maar het groote meisje was nu vrouw geworden, met een breede buste en stevige heupen, die op de kalmste wijze voortging de buitengewoonste dingen te doen, die haar lang gekoesterden wensch om iets te beteekenen, verwezenlijkt had. Haar eindelooze tochten naar afgelegen wijken, haar briefwisseling die de vier hoeken van Frankrijk en Italië met brieven overstroomde, de voeling die zij voortdurend onderhield met politieke personen in wier vertrouwen zij zich drong, al die schijnbaar stelsellooze bedrijvigheid was eindelijk uitgeloopen op een werkelijken, onbetwistbaren invloed. Zij liet nog wel eens dwaze plannen, buitensporige verwachtingen hooren, wanneer zij ernstig aan het spreken was; zij droeg nog overal haar groote, gebarsten portefeuille als een pop in haar armen mee, met zoo'n overtuiging, dat de voorbijgangers moesten glimlachen, wanneer zij haar zoo met lange, morsige rokken zagen voorbijgaan. Toch raadpleegde men haar, men vreesde haar zelfs. Niemand had met juistheid kunnen zeggen waaraan zij haar macht ontleende; de bronnen waren zoo menigvuldig, zoo verwijderd, zoo onzichtbaar, dat het moeielijk viel ze te ontdekken. Men wist hoogstens enkele anekdotes, stukjes en brokjes van allerhande geschiedenissen, die men elkander toefluisterde. Het geheel van deze zonderlinge figuur loste zich op in een verwarde verbeelding, een gezond verstand dat aangehoord en gehoorzaamd werd, een heerlijk gevormd lichaam, waarin misschien het eenige geheim van haar macht school. Trouwens, wat kwam het er op aan waarop Clorinde's macht berustte? Het was voldoende dat zij heerschte, en men boog voor haar.