Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 26
--De anderen zijn al even onverstandig. Wanneer de kolonel en Bouchard klagen, doen zij heel verkeerd, want ik heb al te veel voor ze gedaan.... Ik doe mijn best voor al mijn vrienden. Ze wegen me zwaar genoeg op mijn schouders, dat twaalftal! Zoolang zij mij niet geheel opgeslokt hebben, zullen ze niet tevreden zijn.
Hij zweeg, toen hernam hij met een goedig lachje:
--Bah, als ze mij geheel noodig hadden, zou ik mezelf er ook bij geven.... Wanneer men ze een vinger geeft, nemen zij de heele hand. Ondanks al het kwaad dat mijn vrienden van mij zeggen, doe ik den heelen dag niets anders dan een menigte gunsten voor hen te vragen.
En terwijl hij haar op de knie tikte, om haar te noodzaken hem aan te zien:
--En u! Ik zal van ochtend een onderhoud met den keizer hebben. Hebt u niets te vragen?
--Neen, dank u, antwoordde zij droogjes.
Toen hij zijn aanbod herhaalde, werd zij boos en beschuldigde zij hem dat hij hun de enkele diensten verweet die hij haar en haar man had kunnen bewijzen. Zij zouden hem niet meer tot last zijn. Zij besloot met de woorden:
--Nu doe ik mijn boodschappen zelf. Ik ben er toch zeker wel groot genoeg voor!
Intusschen was het rijtuig het Bosch uitgereden. Het reed nu door Boulogne, terwijl een rij zware karren langs de Grande-Rue voortratelde. Tot dusver was Delestang zwijgend in een hoekje van den landauer blijven zitten. Maar nu boog hij zich tot Rougon over en riep hem te midden van al dat geraas toe:
--Denkt ge dat Zijne Majesteit ons te dejeuneeren zal houden?
Rougon haalde de schouders op.
--Er wordt op het paleis ontbeten, wanneer de raad wat lang duurt.
Delestang dook weer in zijn hoekje, waar hij zich aan een ernstig gepeins scheen over te geven. Maar kort daarop boog hij zich weer voorover, om te vragen:
--Zou er van morgen veel verhandeld worden in den raad?
--Misschien wel, antwoordde Rougon. Men kan nooit weten. Ik geloof dat verscheidene collega's rekenschap moeten geven van zekere rapporten.... Ik zal in ieder geval de kwestie over dat boek op het tapijt brengen, waarover ik in conflict ben geraakt met de commissie van colportage.
--Wat voor boek? vroeg Clorinde levendig.
--Een prul, een van die boeken die men voor boeren fabriceert. Het heet les Veillées du bonhomme Jacques. Er staat van alles in, socialisme, toovenarij, landbouw, tot zelfs een artikel om de weldaden van de coöperatie te verheerlijken.... Enfin, een gevaarlijk boek!
De jonge vrouw, wier nieuwsgierigheid niet voldaan scheen, wendde zich naar haar man als om hem te ondervragen.
--Ge zijt wel wat streng, Rougon, verklaarde Delestang. Ik heb het boek eens doorgelezen, en er heel wat goeds in ontdekt; het hoofdstuk over coöperatie is heel goed gesteld.... Het zou me verwonderen als de keizer de daarin vervatte denkbeelden afkeurde.
Rougon was op het punt om boos te worden. Hij strekte de armen reeds uit om te protesteeren. Maar plotseling werd hij kalm, alsof hij niet in een twistgesprek wou treden; hij zei niets meer, maar liet zijn blikken over het landschap, aan beide zijden van den gezichteinder, weiden. De landauer reed toen juist over de brug van Saint-Cloud; de rivier, door de zon beschenen, vertoonde zachtblauwe plekken als van een stilstaand water; terwijl de rijen boomen langs de oevers krachtige schaduwen in het water drongen. Het onmetelijke uitspansel vertoonde zich aan alle zijden wit in de heldere lentelucht, ternauwernood getint door een blauwe rimpeling.
Toen het rijtuig op het plein voor het kasteel stilhield, steeg Rougon het eerst uit en reikte Clorinde de hand. Maar deze deed alsof zij dien steun niet noodig had; zij sprong vlug op den grond. En daar hij zijn arm nog uitgestrekt hield, tikte zij hem met haar parasol op de vingers en mompelde:
--Ik heb u immers gezegd dat ik groot genoeg ben!
En zij scheen geen eerbied meer te voelen voor die groote vuisten van den meester, die zij als volgzame leerlinge zoo lang in haar handen had gehouden, om er een beetje kracht aan te onttrekken. Nu meende zij ze zeker genoeg verzwakt te hebben; ze toonde niet langer die aanhalige manieren. Op haar beurt tot macht gekomen, werd zij meesteres. Toen Delestang uit het rijtuig gestapt was, liet zij Rougon voorgaan om haar man in het oor te fluisteren:
--Ik hoop dat je hem niet zult beletten met zijn "Bonhomme Jacques" in den knoei te komen. Je hebt daar een mooie gelegenheid om eens in meening met hem te verschillen.
In de vestibule nam zij hem nog eens goed op, trok aan een knoop van zijn jas, die de stof wat rimpelde, en terwijl een bode haar komst aan de keizerin aankondigde, zag zij Rougon en hem met een glimlach verdwijnen. De ministerraad werd gehouden in een zaal, die aan het kabinet des keizers grensde. Een twaalftal fauteuils stonden er om een groote tafel, waarover een kleed lag. De hooge vensters zagen op het terras van het kasteel uit. Toen Rougon en Delestang binnentraden, waren al hun collega's reeds tegenwoordig, behalve de ministers van Publieke werken en van Marine en Koloniën, die toen met verlof waren. De keizer was nog niet verschenen. De heeren stonden al een tien minuten in groepjes voor de vensters of rondom de tafel te praten. Er waren er twee bij met een gemelijk gezicht, die zoo'n hekel aan elkander hadden dat zij geen woord tot elkander richtten; maar de anderen keken vriendelijk en onderhielden elkander over aangename onderwerpen, in afwachting van de ernstige zaken. Parijs hield zich toen druk bezig met de komst van een gezantschap uit het verre Oosten, met vreemde kleederdrachten en bijzondere manieren van groeten. De minister van Buitenlandsche zaken vertelde een bezoek, dat hij den vorigen dag aan het hoofd van dat gezantschap gebracht had, hij dreef er heel geestig den spot mee, ofschoon hij zeer correct bleef. Daarop kwam het gesprek op beuzelachtiger dingen, de minister van Staat verstrekte inlichtingen omtrent de gezondheid van een danseres aan de Opera, die bijna haar been gebroken had. En zelfs waar zij zich geen dwang oplegden, bleven de heeren op hun hoede, bij sommige zinnen naar geschikte woorden zoekende, halve woorden weer inslikkend, elkander bespiedend onder hun glimlachjes, plotseling weer ernstig wordend zoodra zij merkten dat men acht op ze sloeg.
--Dus het is een eenvoudige verstuiking? zei Delestang, die veel belang in danseressen stelde.
--Ja, een verstuiking, herhaalde de minister van Staat. De arme vrouw zal een paar weken haar kamer moeten houden. Ze schaamt zich erg over haar val.
Een licht gedruis deed de hoofden omwenden. Alle bogen; de keizer was binnengetreden. Hij bleef een oogenblik tegen zijn armstoel leunen. En met zijn doffe stem vroeg hij langzaam:
--Is zij al wat beter?
--Veel beter, Sire, antwoordde de minister met een nieuwe buiging. Ik heb vanmorgen bericht van haar gekregen.
Op een wenk van den keizer namen de leden van den raad hun plaatsen om de tafel in. Zij waren met hun negenen, verscheidene hunner spreidden papieren voor zich uit; anderen namen een gemakkelijke houding aan en bekeken hun nagels. Er heerschte een oogenblik stilte. De keizer scheen zich niet wel te voelen; zijn vingers draaiden zachtjes aan de punten van zijn knevel; zijn oogen stonden flets. En daar niemand sprak, scheen hij tot bezinning te komen, hij sprak eenige woorden:
--Mijne heeren, de zitting van het Wetgevend lichaam zal weldra gesloten worden....
Er was al dadelijk sprake van het budget, dat de Kamer in vijf dagen afgehandeld had. De minister van Financiën sprak over de wenschen die de rapporteur geuit had. Voor de eerste maal toonde de Kamer neiging tot kritiek. Zoo wenschte de rapporteur dat de amortisatie op normale wijze geschieden zou en dat de regeering zich tevreden zou stellen met het toegestane krediet, zonder dat zij maar steeds met aanvragen om aanvulling van krediet kwam. Anderzijds hadden sommige leden geklaagd over de geringe aandacht die de Raad van State aan hun opmerkingen schonk, wanneer zij zekere uitgaven trachtten te beperken; een hunner had zelfs voor het Wetgevend lichaam het recht gevraagd om het budget te regelen.
--Mijns inziens is er volstrekt geen reden om met die eischen rekening te houden, zei de minister van Financiën ten slotte. De regeering maakt zijn budgetten met de grootst mogelijke zuinigheid op; en dat is zoo waar, dat de commissie zich ondenkbare moeite heeft moeten geven om twee onnoozele millioentjes te kunnen schrappen.... In de gegeven omstandigheden acht ik het echter het verstandigst drie aanvragen om een supplementair krediet, die in voorbereiding waren, uit te stellen. Een overschrijving van fondsen zal ons de noodige sommen verschaffen, en de toestand zal later geregeld worden.
De keizer knikte goedkeurend. Hij scheen niet te luisteren, met wezenloozen blik keek hij als verblind naar het helle daglicht dat door het middelste venster tegenover hem, in de kamer viel. Er ontstond een nieuwe stilte. Alle ministers knikten goedkeurend, na den keizer. Een oogenblik lang hoorde men slechts een licht geritsel. Het was de grootzegelbewaarder die een handschrift doorbladerde, dat op de tafel lag. Hij raadpleegde zijn collega's met een blik.
--Sire, zei hij eindelijk, ik heb het ontwerp van een memorie, tot het invoeren van een nieuwen adel, meegebracht.... 't Zijn nog maar aanteekeningen; maar ik achtte het raadzaam, alvorens verder te gaan, ze in den raad te lezen, ten einde van ieders opmerkingen profijt te trekken.
--Ja, lees maar eens voor, mijnheer de zegelbewaarder, viel de keizer hem in de rede. U hebt gelijk.
En hij keerde zich half om, ten einde den minister van justitie aan te zien, terwijl hij las. Hij geraakte in vuur, een gele flikkering kwam in zijn grijze oogen.
Het hof hield zich toen zeer bezig met die kwestie van een nieuwen adel. De regeering was begonnen met een wetsontwerp aan het Wetgevend lichaam voor te leggen, waarbij aan ieder, die zich zonder recht een adellijken titel toeëigende, een geldboete en gevangenisstraf werd opgelegd. Hiermee werd beoogd een sanctie aan de oude titels en het uitzicht op het scheppen van nieuwe titels. Dit wetsontwerp had in de Kamer een stormachtige discussie uitgelokt; afgevaardigden, die zeer gehecht waren aan het keizerrijk, hadden uitgeroepen dat een adelstand geen recht van bestaan had in een democratischen staat; en bij de stemming hadden zich drie-en-twintig leden tegen het ontwerp verklaard. Toch hield de keizer aan zijn droombeeld vast. Hij zelf had den grootzegelbewaarder een uitgebreid plan aan de hand gedaan.
De memorie begon met een geschiedkundig gedeelte. Daarna werd het toekomstig systeem er breedvoerig in ontwikkeld; de titels zouden verleend worden naar categoriën van ambten, ten einde de graden van den nieuwen adel voor alle burgers toegankelijk te maken; een democratische combinatie die zeer in den smaak van den grootzegelbewaarder scheen te vallen. Eindelijk volgde een ontwerp van een decreet. Bij artikel II verhief de minister zijn stem en las langzaam voor:
--De titel van graaf zal worden verleend, nadat zij vijf jaren hun functies of waardigheden zullen hebben bekleed, of nadat zij door Ons tot grootkruis van het Legioen van Eer zijn benoemd: aan Onze ministers en aan de leden van Onzen particulieren raad; aan de kardinalen, de maarschalken, de admiraals en de senatoren; aan Onze gezanten en aan de divisie-generaals die het oppercommando hebben gevoerd.
Hij hield een oogenblik op, raadpleegde den keizer met een blik, als om te vragen of hij niemand vergeten had. Zijn Majesteit, die het hoofd op den rechterschouder had laten zinken, dacht even na en mompelde:
--Ik geloof dat u er nog bij zou kunnen voegen de presidenten van het Wetgevende lichaam en den Raad van State.
De grootzegelbewaarder knikte toestemmend en schreef haastig een kantteekening op zijn manuscript. Juist toen hij de lezing wou hervatten, werd hij in de rede gevallen door den minister van Openbaar onderwijs en eeredienst, die op een verzuim wees.
--De aartsbisschoppen.... begon hij.
--Pardon, zei de minister van justitie droogjes, de aartsbisschoppen kunnen slechts baron worden. Laat mij het heele besluit eerst voorlezen.
En hij kon niet meer wijs worden uit zijn losse velletjes; hij zocht geruimen tijd naar een blad dat tusschen de andere geraakt was. Rougon, die daar met zijn breeden nek tusschen zijn vierkante boerenschouders zat, glimlachte fijntjes; en toen hij zich omkeerde, zag hij zijn buurman, den minister van Staat, den laatsten vertegenwoordiger van een oud normandisch geslacht, ook verachtelijk glimlachen. Beiden knikten elkander toe. De parvenu en de edelman hadden elkander begrepen.
--Ha, hier is het, hernam eindelijk de grootzegelbewaarder. "Artikel III. De titel van baron zal worden verleend: 1o. aan de leden van het Wetgevend lichaam, die driemaal door hun medeburgers met een mandaat vereerd zijn geworden; 2o. aan de leden van den Raad van State, na acht jaren hun ambt te hebben uitgeoefend; 3o. aan den eersten president en aan den procureur-generaal van het hof van cassatie, aan de divisie-generaals en de vice-admiraals, aan de aartsbisschoppen en de gevolmachtigde ministers, nadat zij vijf jaren hun functie bekleed hebben, of indien zij den rang van kommandeur van het Legioen van Eer verkregen hebben...."
En zoo ging hij voort. De eerste presidenten en de procureurs-generaals der gerechtshoven, de brigade-generaals en de schouten-bij-nacht, de bisschoppen, tot zelfs de burgemeesters der hoofdsteden van de prefecturen der eerste klasse zouden baron worden; maar van hen werd tien jaren dienst gevergd.
--Iedereen baron dus! mompelde Rougon halfluid.
Zijn collega's, die het air aannamen alsof zij hem als een onopgevoed man beschouwden, zetten ernstige gezichten, om hem te doen begrijpen dat zij die grap misplaatst vonden. De keizer scheen het niet gehoord te hebben. Toen de lezing geëindigd was, vroeg hij:
--Wat dunkt u van het ontwerp, heeren?
Er was eenige aarzeling. Men verwachtte een meer directe ondervraging.
--Mijnheer Rougon, hernam Zijn Majesteit, hoe denkt u over dit ontwerp?
--Mijn hemel, Sire, antwoordde de minister van Binnenlandsche zaken met zijn kalmen glimlach, ik denk er niet veel goeds van. Het staat aan het grootste gevaar bloot, namelijk aan bespotting. Ja, ik zou vreezen dat al die baronnen den lachlust zouden opwekken.... Ik spreek niet van de ernstige redenen, het gevoel van gelijkheid dat tegenwoordig heerscht, de ijdelheid die door zulk een systeem zou opgewekt worden....
Maar hij werd in de rede gevallen door den grootzegelbewaarder, die zeer scherp, zeer beleedigd, zich verdedigde alsof men een aanval op hem persoonlijk had gericht. Hij zei dat hij een burger was, de zoon van een burger, niet in staat om de gelijkheidsprincipes van de moderne maatschappij aan te randen. De nieuwe adel zou een democratische adel zijn; en dat woord "democratische adel" gaf zeker zoo goed zijn gedachte terug, dat hij het herhaaldelijk gebruikte. Rougon antwoordde, steeds glimlachend, zonder boos te worden. De grootzegelbewaarder, een mager, donker mannetje, begon eindelijk met persoonlijke hatelijkheden. De keizer deed alsof hij niets van den twist hoorde; hij keek weer, langzaam met de schouders wiegelend, naar het volle witte licht dat door het venster tegenover hem binnen drong. Toen de stemmen al luider werden en hinderlijk voor zijn waardigheid, mompelde hij:
--Mijne heeren, mijne heeren....
Toen na een korte stilte:
--Mijnheer Rougon heeft misschien gelijk.... De kwestie is nog niet rijp. Ze zal nog eens op andere grondslagen bestudeerd worden. We zullen later nog eens zien.
De raad onderzocht vervolgens verscheidene zaken van minder belang. Men sprak vooral over het dagblad le Siècle, waarin een artikel gestaan had dat groote ergernis aan het hof gegeven had. Er ging geen week voorbij of de keizer ontving een verzoek van zijn omgeving, om de uitgaaf van dat blad te doen staken, het eenige republikeinsche orgaan dat nog bestond. Maar Zijn Majesteit had persoonlijk een groote toegevendheid voor de pers; hij amuseerde zich dikwijls, wanneer hij alleen op zijn kamer zat, met het schrijven van lange artikelen in antwoord op de aanvallen tegen zijn regeering; zijn illusie was een eigen krant te hebben, waarin hij manifesten kon bekend maken en polemiek voeren. Ditmaal besliste de keizer echter, dat er een waarschuwing aan de Siècle zou gezonden worden.
Hunne Excellenties dachten dat de raad geëindigd was. Dat was merkbaar aan de manier waarop de heeren op den rand van hun stoelen zaten. De minister van Oorlog, een generaal die zich klaarblijkelijk had zitten vervelen en gedurende de heele zitting geen woord gesproken had, haalde reeds zijn handschoenen te voorschijn, toen Rougon zich recht voor de tafel plaatste.
--Sire, zei hij, ik wenschte den raad te onderhouden over een geschil dat tusschen de commissie van colportage en mij gerezen is, naar aanleiding van een werk dat onlangs ter afstempeling werd aangeboden.
Zijn collega's schoven weer dieper in hun armstoelen. De keizer keerde zich half om, met een licht hoofdknikken, om den minister te machtigen verder te spreken.
Toen trad Rougon in de inleidende bijzonderheden. Hij glimlachte niet meer, keek ook niet goedig meer. Over den rand der tafel gebogen, terwijl zijn rechterarm zich regelmatig over het tafelkleed bewoog, vertelde hij dat hij zelf een der laatste zittingen van de commissie had willen presideeren, om den ijver der leden te prikkelen.
--Ik heb hun de inzichten der regeering medegedeeld over de verbeteringen die aangebracht konden worden in de belangrijke diensten, die van hen verwacht worden.... Het colporteeren zou ernstige gevaren kunnen bieden, indien het een wapen werd in de handen der revolutionnairen. Het is dus de taak der commissie alle werken te verwerpen, die hartstochten opwekken welke niet meer in onzen tijd passen. Zij moet daarentegen die boeken goedkeuren, waarvan de deugdzame strekking de vreeze Gods, liefde tot het vaderland, dankbaarheid jegens den keizer inboezemt.
De ministers, die zeer uit hun humeur waren, meenden toch dien laatsten zin met een hoofdknikje te moeten begroeten.
--Het aantal slechte boeken vermeerdert met den dag, ging hij voort. Het is een wassende vloed, waartegen men het land niet genoeg kan beschermen. Van de twaalf boeken die uitkomen, zijn er elf en een half goed om in het vuur geworpen te worden.... Nooit zijn de misdadige gevoelens, de zedenbedervende theoriën, de anti-sociale monsterachtigheden zoo druk bezongen.... Ik ben somstijds genoodzaakt zekere werken te lezen. Welnu, ik verzeker u....
De minister van Openbaar onderwijs waagde het een woord in het midden te brengen.
--De romans,.... zei hij.
--Ik lees nooit romans, verklaarde Rougon droogjes.
Zijn collega maakte een gebaar, alsof hij tegen de verdenking protesteeren wou dat hij romans las. Hij verklaarde zich nader.
--Ik wou enkel dit zeggen: vooral de romans zijn een vergiftig voedsel dat aan de ongezonde nieuwsgierigheid van de groote massa wordt toegediend.
--Zonder twijfel, hernam de minister van Binnenlandsche zaken. Maar er zijn werken die even gevaarlijk zijn; ik bedoel de populair-wetenschappelijke, waarin de schrijvers binnen het bereik van boeren en werklieden een heelen omhaal van sociale en economische wetenschap trachten te brengen; het eenige resultaat dat zij bereiken is, dat de zwakke hoofden nog meer in de war gebracht worden.... Nu is er juist een dergelijk boek, les Veillées du bonhomme Jacques, in handen van de commissie ter onderzoek. Het handelt over een sergeant die in zijn dorp teruggekeerd is en iederen Zondagavond met den schoolmeester, in tegenwoordigheid van een twintigtal landbouwers, een gesprek voert; ieder gesprek loopt over een bijzonder onderwerp, de nieuwe methode van landbouw, de werkliedenvereenigingen, de gewichtige rol die de producent in de maatschappij speelt. Ik heb dat werk gelezen, nadat mijn aandacht er op gevestigd was; ik vond het te gevaarlijker, omdat het verderfelijke theoriën verbergt onder een geveinsde bewondering voor de keizerlijke instellingen. Men kan er zich onmogelijk in vergissen, het is het werk van een volksleider. Ik was dan ook zeer verbaasd toen ik er verscheidene commissieleden met lof over hoorde spreken. Ik heb verscheidene passages met hen besproken, maar ze niet kunnen overtuigen. De schrijver zou zelfs, naar zij mij verzekerden, Zijn Majesteit een exemplaar van zijn werk hebben toegezonden.... Toen heb ik, alvorens eenige pressie uit te oefenen, gemeend eerst uw oordeel en dat van den raad in te moeten winnen.
En hij keek den keizer vlak in het gelaat. Deze zag weifelend rond en liet ten slotte zijn blik op een vouwbeen, dat voor hem lag, rusten. De vorst nam het in de hand, draaide het tusschen de vingers en mompelde:
--Ja, ja, les Veillées du bonhomme Jacques....
En zonder zijn oordeel uit te spreken, keek hij schuins naar rechts en links van de tafel.
--U hebt het boek misschien doorgelezen, heeren, ik zou gaarne willen weten....
Hij voltooide den zin niet, sprak de rest binnensmonds. De ministers keken elkander vragend aan; ieder verwachtte dat zijn buurman zou spreken om zijn meening te kennen te geven. De stilte werd hinderlijk. Klaarblijkelijk wisten zij geen van allen dat het werk bestond. Eindelijk maakte de minister van Oorlog voor al zijn collega's een gebaar van onwetendheid. De keizer draaide zijn knevel op, hij haastte zich niet.
--En u, mijnheer Delestang? vroeg hij.
Delestang schoof onrustig heen en weer, alsof hij aan een inwendigen strijd ten prooi was. Die rechtstreeksche vraag dwong hem tot een besluit. Maar alvorens te spreken, keek hij onwillekeurig in de richting van Rougon.
--Ik heb het boek in handen gehad, sire.
Hij zweeg, toen hij Rougon's groote grijze oogen op zich gevestigd voelde. Intusschen, tegenover de zichtbare voldoening des keizers, hernam hij met ietwat trillende lippen:
--Tot mijn leedwezen moet ik in meening verschillen met mijn vriend en collega den minister van Binnenlandsche zaken.... Zeker, het werk kon met meer voorbehoud spreken en meer nadruk leggen op de bedachtzame langzaamheid, waarmee iedere waarlijk nuttige, vooruitstrevende beweging moet geschieden. Maar les Veillées du bonhomme Jacques schijnt mij desniettemin een werk toe, dat met uitmuntende bedoelingen geschreven is. De wenschen die daarin voor de toekomst geuit worden, zijn in geen enkel opzicht kwetsend voor de keizerlijke instellingen. Ze zijn er integendeel de ontluiking van, die men rechtmatig verwachten mocht....
Hij zweeg wederom. Ondanks de zorg waarmee hij zich naar den keizer wendde, voelde hij aan den anderen kant der tafel, het logge lichaam van Rougon, op de ellebogen leunend, het gelaat bleek van verbazing. Gewoonlijk deelde Delestang in alles de meening van den grooten man. Deze hoopte dan ook met een enkel woord zijn weerspannigen leerling tot rede te brengen.
--Komaan, ge moet een voorbeeld noemen, riep hij, zijn handen ineenknijpend zoodat zij kraakten. Het spijt me dat ik het werk niet meegebracht heb.... Wacht, éen hoofdstuk herinner ik mij goed. De "bonhomme Jacques" spreekt over twee bedelaars, die het dorp van deur tot deur rondgaan; en op een vraag van den schoolmeester verklaart hij dat hij den boeren het middel zal leeren om nooit een enkelen arme in hun midden te hebben. Dan volgt er een ingewikkeld systeem over de uitroeiing der armoede. Men is daar midden in de communistische theorie.... Mijnheer de minister van Landbouw en handel zou aan dit hoofdstuk zijn goedkeuring waarlijk niet hechten.
Delestang, plotseling moedig geworden, durfde Rougon in het gelaat zien.
--O, midden in de communistische theorie, zei hij, nu gaat u wel wat ver! Ik heb er niets anders in gezien dan een vernuftige uiteenzetting van de grondbeginselen der associatie.
Terwijl hij dat zei, zocht hij in zijn portefeuille.
--Ik heb juist het werk, verklaarde hij eindelijk.