Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 25
Gewoonlijk was Gilquin goedhartig. Bij het vervullen van zijn functies nam hij altijd de grootste hoffelijkheid in acht. Dien dag had hij zelfs een ingewikkeld plan bedacht om mevrouw Correur's broer te sterke aandoeningen te besparen. Zoo zou hij alleen binnengaan, terwijl de gendarmes met het rijtuig aan een tuindeurtje zouden wachten, in een straatje dat op het land uitkwam. Maar door het lange wachten was hij zoo ontstemd geworden, dat hij al die mooie voorzorgen vergat. Hij ging het dorp door en schelde hard aan bij den notaris, aan de voordeur. Een gendarme werd voor de deur achtergelaten; de ander begaf zich naar de achterzijde van het huis om een wakend oogje op den tuinmuur te houden. De commissaris was met den brigadier naar binnen gegaan. Tien of twaalf nieuwsgierigen keken verschrikt toe.
Op het zien van de uniformen werd de meid die open deed, zoo door schrik bevangen, dat zij hard de gang inliep en uit alle macht riep:
--Mevrouw! mevrouw! mevrouw!
Een dik vrouwtje, wier gelaat groote kalmte uitdrukte, kwam langzaam de trap af.
--Mevrouw Martineau, zonder twijfel? zei Gilquin op haastigen toon. Mijn hemel, mevrouw, ik heb een treurige opdracht te vervullen.... Ik kom uw man arresteeren.
Zij vouwde haar handen samen, terwijl haar kleurlooze lippen beefden. Maar ze slaakte geen enkelen kreet.
Zij bleef op de laatste trede, de trap met haar rokken versperrende. Ze wenschte het bevel tot inhechtenisneming te zien, vroeg verklaringen, rekte de zaak.
--Let op! de man zal ons nog door de vingers glippen, fluisterde de brigadier den commissaris in het oor.
Zij had het zeker gehoord. Zij keek ze met haar kalm gezicht aan en zei:
--Kom boven, heeren.
En zij ging ze voor naar een kamer, waar mijnheer Martineau in een kamerjapon stond. Het geschreeuw van de meid had hem uit den armstoel doen opstaan, waarin hij den heelen dag zat. Zeer lang, met uitgeteerde witte handen, een waskleurig gelaat, scheen er niets meer aan hem levend dan zijn oogen, donkere, zachte, energieke oogen. Mevrouw Martineau wees naar hem met een zwijgend gebaar.
--Ach God, mijnheer, begon Gilquin, ik heb een treurige opdracht....
Toen hij uitgesproken had, schudde de notaris zwijgend het hoofd. Een lichte rilling bewoog de kamerjapon, die om zijn magere leden geslagen was. Eindelijk zei hij, met groote beleefdheid:
--'t Is goed, heeren, ik zal u volgen.
Toen begon hij verschillende voorwerpen, die op de meubels verspreid lagen, op te bergen. Hij legde een pak boeken op een andere plaats. Hij vroeg zijn vrouw om een schoon overhemd. De rillingen werden heviger. Mevrouw Martineau, ziende dat hij wankelde, volgde hem met uitgestrekte armen, om hem op te vangen, als een kind.
--Kom, haast u wat, mijnheer, herhaalde Gilquin.
De notaris ging nog tweemaal de kamer op en neer en plotseling sloeg hij met zijn armen in de lucht, en liet hij zich neervallen in zijn armstoel, verwrongen, verstijfd door een aanval van verlamming. Zijn vrouw schreide heete tranen.
Gilquin keek op zijn horloge.
--Alle donders! riep hij uit.
Het was half zes. Er was nu geen sprake meer van, dat hij aan het feestmaal kon deelnemen. Voordat die man in een rijtuig gebracht was, zou hij minstens een half uur kwijt zijn. Hij troostte zich met de gedachte dat hij dan toch zeker aan het bal zou deelnemen; hij herinnerde zich juist dat hij de vrouw van den directeur voor den eersten wals had uitgenoodigd.
--Niets dan fratsen, fluisterde de brigadier hem in het oor. Wil ik den man eens overeind zetten?
En zonder het antwoord af te wachten, trad hij op den notaris toe en maande hem aan de justitie niet te bedriegen. Met gesloten oogleden en weggetrokken lippen, lag de notaris, stijf als een doode. Langzamerhand werd de brigadier boos, hij begon uit te varen en liet zijn zware gendarme-hand op den kraag van de kamerjapon vallen. Maar mevrouw Martineau, tot dusver zoo kalm gebleven, duwde hem ruw terug, plaatste zich voor haar man, met saamgeknepen vuisten.
--Niets dan fratsen, zeg ik u! herhaalde de brigadier.
Gilquin haalde de schouders op. Hij was besloten den notaris levend of dood mee te nemen.
--Laat een van uw mannen het rijtuig aan de Lion d'or halen, beval hij. Ik heb den hotelhouder gewaarschuwd.
Toen de brigadier de kamer uit was, naderde Gilquin het venster en keek welbehagelijk in den tuin waar de abrikozenboomen in bloei stonden. En terwijl hij daar stond, tikte hem iemand op den schouder. Mevrouw Martineau stond achter hem. Met droge wangen en vaste stem vroeg zij hem:
--Dat rijtuig is zeker voor u? U kunt mijn man niet in dien toestand naar Niort sleepen.
--Ach hemel, mevrouw, zei hij voor de derde maal, het is een treurige opdracht die ik gekregen heb,...
--Maar dat is een misdaad! U zult hem dooden.... U hebt toch niet in last om hem te dooden!
--Ik heb mijn bevelen, antwoordde hij op ruwen toon; hij voorzag een tooneel van jammerkreten en smeekingen, en wou dat voorkomen.
Zij maakte een toornig gebaar. Een vreeselijke woede vertrok haar gelaat, terwijl haar blikken door de kamer gleden als zochten zij een laatste redmiddel. Maar plotseling dwong zij zich tot kalmte, zij gedroeg zich weer als een kloekmoedige vrouw, die niet op haar tranen rekende.
--God zal u straffen, mijnheer, zei zij enkel, na een korte stilte, waarin zij haar oogen niet van hem afgewend had.
En zij keerde zich om, zonder een snik, zonder smeekbede, en leunde tegen den fauteuil waarin haar man lag te zieltogen. Gilquin had geglimlacht.
Op dit oogenblik kwam de brigadier, die zelf naar de Lion d'or gegaan was, zeggen dat de herbergier volgens zijn zeggen geen enkel voertuig beschikbaar had. Het gerucht van de inhechtenisneming van den algemeen beminden notaris, had zich zeker verbreid. De herbergier hield zijn rijtuigen zeker verborgen; twee uren geleden had hij den commissaris beloofd een oude coupé gereed te houden, die hij gewoonlijk aan de reizigers verhuurde om te gaan toeren.
--Doorzoek de herberg! riep Gilquin, woedend over deze nieuwe hinderpaal; doorzoek alle huizen in het dorp!.... Houden ze ons hier voor den gek! Men wacht mij, ik heb geen tijd te verliezen.... Ik geef je een kwartier tijd, begrepen?
De brigadier verdween opnieuw, terwijl hij zijn mannen in verschillende richtingen uitzond. Drie kwartier verliepen, toen vier, toen vijf. Na verloop van anderhalf uur vertoonde zich eindelijk een gendarme met een lang gezicht: alle nasporingen waren vruchteloos gebleven. Gilquin liep in een koortsachtig ongeduld van de deur naar het venster, waar hij de schemering langzamerhand zag invallen. Nu zou het bal zonder hem beginnen; de vrouw van den directeur moest wel aan een onbeleefdheid denken; dat zou hem nadeel doen, een hinderpaal zijn voor zijn verleidingsplannen. En telkens als hij voorbij den notaris kwam, voelde hij zijn woede stijgen, nooit had een misdadiger hem zooveel last berokkend. De notaris, kouder en bleeker, bleef onbewegelijk uitgestrekt.
Eerst om over zevenen verscheen de brigadier weer, met een stralend gezicht. Eindelijk had hij de oude coupé van den herbergier achter in een schuur gevonden, een kwartier buiten het dorp. De coupé was geheel ingespannen, het snuiven van het paard had hem op het spoor gebracht. Maar toen het rijtuig voor de deur stond, moest mijnheer Martineau nog aangekleed worden. Dat vergde heel wat tijd. Mevrouw Martineau trok hem langzaam en ernstig schoone kousen en een overhemd aan; daarop kleedde zij hem geheel in het zwart, jas, broek en vest. Ze wilde volstrekt niet door een gendarme geholpen worden. De notaris gaf zich willoos aan haar over. Men had een lamp aangestoken. Gilquin klopte van ongeduld in zijn handen, terwijl de brigadier in een onbewegelijke houding naast hem stond.
--Is het haast klaar? riep Gilquin ongeduldig.
Mevrouw Martineau zocht al een minuut of vijf in een kast. Zij haalde een paar handschoenen te voorschijn en stak die in den zak van mijnheer Martineau.
--Ik hoop, mijnheer, vroeg zij, dat u me mee zult laten rijden? Ik wil mijn man vergezellen.
--Dat is onmogelijk, antwoordde Gilquin lompweg.
Zij hield zich in en drong niet verder aan.
--U zult me ten minste wel toestaan u te volgen?
--De wegen zijn vrij, antwoordde hij. Maar u zult geen rijtuig kunnen vinden, daar er hier nergens een te bekomen is.
Zij haalde haar schouders op en ging de kamer uit om een bevel te geven.
Tien minuten later stond er een cabriolet voor de deur te wachten, achter de coupé. Toen moest mijnheer Martineau naar beneden gebracht worden. De twee gendarmes droegen hem. Zijn vrouw ondersteunde zijn hoofd. En bij de minste klacht door den stervende geuit, beval zij den beiden mannen op een toon van gezag om stil te houden, ondanks de woedende blikken van den commissaris. Bij iedere trede van de trap werd aldus een korte rust gehouden. De notaris was als een onberispelijk gekleed lijk, dat men wegdroeg. Men moest hem bewusteloos in het rijtuig neerzetten.
--Half negen! riep Gilquin, voor het laatst op zijn horloge ziende. Wat een verwenschte corvée! Ik kom er nooit bijtijds.
Dat was een uitgemaakte zaak. Hij mocht van geluk spreken, wanneer hij nog aankwam, wanneer het bal al half geëindigd was. Hij sprong met een vloek te paard en beval den koetsier er de zweep over te leggen. Vooraan reed de coupé, met de beide gendarmes aan weerszijden naast het portier; een paar passen verder volgden de commissaris en de brigadier, en de cabriolet waarin mevrouw Martineau zich bevond, sloot de stoet. De avond was zeer koel. Onder het dof geratel der wielen en den eentonigen draf der paarden reed de stoet te midden van de donkere velden over den eindeloozen, grijzen weg. Geen enkel woord werd gedurende den tocht gesproken. Gilquin bedacht wat hij tegen de vrouw van den directeur zou zeggen. Mevrouw Martineau richtte zich nu en dan luisterend omhoog, in de meening dat zij een doodsgereutel hoorde, maar zij kon ternauwernood de coupé voor zich uit onderscheiden.
Om half elf reed men Niort binnen. Om niet door de stad te rijden, ging de commissaris de singels langs. Aan de gevangenis moest men herhaaldelijk schellen.
Toen de portier zag dat men hem een halfdooden gevangene bracht, ging hij naar boven om den directeur te wekken. Deze was eenigszins ongesteld en kwam op zijn pantoffels naar beneden. Maar hij werd boos en weigerde ten stelligste den man in zoo'n toestand te ontvangen. Zag men de gevangenis voor een hospitaal aan?
--Wat moet ik met hem beginnen? Hij is nu eenmaal in hechtenis genomen, vroeg Gilquin, door dien nieuwen tegenspoed buiten zich zelven van drift.
--Wat u verkiest, mijnheer de commissaris, antwoordde de directeur. Ik zeg u nogmaals dat hij hier niet binnen komt. Ik neem zoo'n verantwoordelijkheid niet op mij.
Mevrouw Martineau had zich die discussie ten nutte gemaakt om in de coupé te stappen, bij haar man. Zij stelde voor hem naar het hôtel te brengen.
--Ja, naar het hôtel, naar den drommel, waar u maar wilt! riep Gilquin. Ik heb er nu genoeg van! Neem hem maar mee!
Toch betrachtte hij zijn plicht in zooverre, dat hij den notaris naar het hôtel de Paris begeleidde, dat mevrouw Martineau zelf had aangewezen. Het plein voor de prefectuur begon ledig te worden; enkele jongens huppelden nog op de trottoirs, terwijl de burgerpaartjes langzaam aftrokken in de schaduw van de naburige straten. Maar het schitterende schijnsel der zes vensters van het groote salon verlichtte nog altijd het plein, alsof het volle dag was; het orkest liet zijn blaasinstrumenten nog luider weerklinken; de dames, wier ontbloote schouders men door de openingen der gordijnen zag voorbijgaan, wiegelden met haar kapsels, die naar de Parijsche mode gefriseerd waren. Juist toen men den notaris naar een kamer van de eerste verdieping bracht, keek Gilquin op en bemerkte mevrouw Correur en juffrouw Herminie Billecoq, die nog altijd aan het venster stonden. Mevrouw Correur had haar broer zeker zien aankomen, want zij boog zich zoover voorover, dat zij gevaar liep te vallen. Zij wenkte Gilquin bij haar boven te komen.
Later, tegen middernacht, bereikte het bal op de prefectuur zijn grootsten luister. Men had de deuren van de eetzaal geopend, waar een koud souper gereed stond. De dames, zeer verhit, wuifden zich koelte toe, aten staande, nu en dan lachend. Anderen bleven voortdansen, zij wilden geen quadrille verzuimen, en stelden zich tevreden met de glazen limonade die de heeren haar brachten. Een glanzig stof dwarrelde rond, als afgevlogen van de kapsels, de rokken en de met goud omvatte armen, die de lucht doorkliefden. Er was te veel goud, te veel muziek en te veel warmte. Rougon, die naar adem hijgde, haastte zich op een geheimen wenk van Du Poizat naar buiten.
Naast het groote salon, in dezelfde kamer waar hij ze reeds den vorigen avond gezien had, wachtten hem mevrouw Correur en juffrouw Herminie Billecoq, beiden hartstochtelijk bedroefd.
--Mijn arme broer, mijn arme Martineau! stamelde mevrouw Correur, haar tranen in haar zakdoek smorend. Och, ik voel het wel, u kon hem niet redden. Ach hemel! waarom hebt u hem niet gered?
Hij wou spreken, maar zij liet hem den tijd niet.
--Hij is vandaag in hechtenis genomen. Ik heb hem zooeven gezien. Ach God, ach God!
--Wees niet zoo wanhopig. Zijn zaak zal onderzocht worden. Ik hoop dat men hem zal vrijlaten.
Mevrouw Correur nam haar zakdoek van haar oogen. Zij keek hem aan en riep met haar natuurlijke stem:
--Maar hij is dood!
En zij sloeg dadelijk weer haar zielsbedroefden toon aan, en begroef haar gelaat weer in haar zakdoek.
--Ach God, ach God, mijn arme Martineau!
Dood! Rougon voelde een lichte huivering over zijn leden gaan. Hij kon geen woord uitbrengen. Voor de eerste maal werd hij zich bewust dat hij voor een duistere diepte stond, waar men hem langzamerhand in dreef. Nu was die man gestorven! Dat was zijn bedoeling niet geweest. De zaken gingen te ver.
--Helaas ja, de arme goede man, hij is dood, vertelde diep zuchtend juffrouw Herminie Billecoq. Het schijnt dat men hem niet wou opnemen in de gevangenis. Toen wij hem in zoo'n treurigen toestand naar het hôtel hebben zien brengen, is mevrouw naar beneden gegaan; ze heeft de deur met geweld open gedaan terwijl zij uitriep, dat zij zijn zuster was. Een zuster, niet waar, heeft toch wel het recht den laatsten snik van haar broer op te vangen. Dat zei ik nog tegen die feeks, mevrouw Martineau, die er nog van sprak ons weg te jagen. Ze heeft ons toch een plaatsje voor het bed moeten laten.--Ach, hemel, 't was gauw afgeloopen. Hij heeft niet langer dan een uur gereuteld. Hij lag op het bed, heelemaal in het zwart gekleed; 't leek net een notaris die naar een huwelijksplechtigheid ging. En hij is als een nachtpitje uitgegaan, met een heel kleine stuiptrekking. Hij moet niet veel geleden hebben.
--En mevrouw Martineau heeft daarna nog twist met me gezocht! vertelde mevrouw Correur op haar beurt. Ik weet niet wat ze mompelde; ze sprak van de erfenis, ze beschuldigde mij dat ik mijn broer den dood had aangedaan. Ik heb haar geantwoord: "Ik, mevrouw, had het nooit toegestaan dat ze hem weghaalden, ik had me liever in stukken laten houwen!" En ik had het er op aan laten komen, zoowaar ik hier voor u sta.... Nietwaar, Herminie?
--Ja, ja, antwoordde het lange meisje.
--Enfin, 't is nu zoo, mijn tranen zullen hem niet levend meer maken, maar men huilt omdat men behoefte voelt om te huilen.... Mijn arme Martineau!
Rougon voelde zich niet op zijn gemak. Hij trok zijn handen terug, die mevrouw Correur gegrepen had. En hij wist nog altijd niet wat hij zeggen zou; hij vond de bijzonderheden van dien afschuwelijken dood stuitend om aan te hooren.
--Kijk, riep Herminie, die voor het venster stond, men kan de kamer hier zien, het derde venster op de eerste verdieping.... Het licht schijnt door de gordijnen.
Toen zond hij ze heen, terwijl mevrouw Correur haar verontschuldiging maakte, hem haar vriend noemde, en verklaarde dat zij aan haar eerste opwelling gehoor gegeven had om hem de noodlottige tijding te melden.
--'t Is een onaangename geschiedenis, fluisterde hij Du Poizat toe, toen hij met een bleek gelaat in de balzaal kwam.
--'t Is die ezelachtige Gilquin! antwoordde de prefect, de schouders ophalend.
Het bal was in volle glorie. In de eetzaal, waarin men door de wijdgeopende deur een blik kon werpen, overlaadde de eerste adjunct de drie dochters van den opperhoutvester met lekkernijen; terwijl de kolonel van het 78e linieregiment punch dronk en aandachtig luisterde naar de ondeugende opmerkingen van den hoofdingenieur der bruggen en wegen, die op pralines knabbelde. Mijnheer Kahn, die bij de deur stond, herhaalde op luiden toon voor den president van de burgerlijke rechtbank zijn rede van dien middag, over de zegeningen van den nieuwen spoorweg, te midden van een dichte groep ernstige mannen, den directeur der directe belastingen, de twee kantonrechters en de afgevaardigden van het Genootschap ter bevordering der Statistiek, die met open mond toeluisterden. In het groote salon, onder de vijf kroonlampen, wiegde een wals dien het orkest met trompetgeschal speelde, enkele paren, den zoon van den ontvanger en de zuster van den burgemeester, een der substituten en een jonge dame in het blauw, den anderen substituut en een jonge dame in het rose. Maar één paar vooral verwekte een gemompel van bewondering, de commissaris en de vrouw van den directeur, die elkander teeder omvat hielden en langzaam walsten; hij had zich gehaast een onberispelijk toilet te maken, zwarten rok, verlakte schoenen en witte handschoenen; en de mooie blondine had hem zijn late komst vergeven, smachtend tegen zijn schouder leunend, met oogen kwijnend van teederheid. Gilquin deed zijn heupbewegingen nog meer uitkomen; hij boog zijn bovenlijf, als een mooie danser van publieke bals, achterover, iets zeer ordinairs waarvan het smaakvolle de omstanders in verrukking bracht. Rougon, die door het paar bijna omver geduwd was, moest tegen den muur gaan staan om ze voorbij te laten gaan, in een stroom van tarlatan met gouden sterren.
X.
Rougon had eindelijk voor Delestang de portefeuille van landbouw en handel verkregen. Op een morgen in de eerste dagen van Mei ging hij naar de rue Colisée om zijn nieuwen collega af te halen. Er zou ministerraad te Saint-Cloud gehouden worden, waar het hof juist zijn intrek genomen had.
--Zoo, gaat u met ons mee? zei hij verbaasd, toen Clorinde in de landauer stapte, die voor de stoep gereed stond.
--Ja, ik ga ook naar den raad, antwoordde zij lachend.
Toen voegde zij er op ernstigen toon bij, nadat zij de strooken van haar bleek-kersroode sleepjapon tusschen de zitplaatsen had terecht geschikt:
--Ik heb een afspraak met de keizerin. Ik ben penningmeesteres van een stichting voor jonge arbeidsters, waarin zij heel veel belang stelt.
De twee mannen stegen nu ook in. Delestang zette zich naast zijn vrouw; hij had een gemslederen advokaten-portefeuille bij zich, die hij op zijn schoot hield. Rougon had niets bij zich; hij zat tegenover Clorinde. Het was bijna halftien en de raad zou om tien uur beginnen. De koetsier kreeg bevel om flink door te rijden. Om den naasten weg te nemen, reed hij door de rue Marbeuf de wijk Chaillot in, waar het sloopingswerk reeds begonnen was. Het waren stille straten, omzoomd met tuinen en houten gebouwtjes, steile dwarspaden die kronkelend in elkander liepen, kleinsteedsche pleintjes met magere boomen beplant, een hoekje, dat men in een groote stad niet verwacht zou hebben, met landhuisjes en winkeltjes zonder eenige orde op een heuvelhelling gebouwd, zich koesterend in de morgenzon.
--Wat is het hier leelijk! zei Clorinde, achterover geleund.
Half naar haar man gekeerd, sloeg zij hem een oogenblik oplettend gade; en onwillekeurig begon zij te glimlachen. Delestang, onberispelijk gekleed in zijn nauwsluitende jas, zat deftig en waardig rechtop. Zijn mooi denkend gezicht, zijn vroegtijdige kaalhoofdigheid die zijn voorhoofd hooger deed schijnen, deden de voorbijgangers omkijken. De jonge vrouw merkte op dat niemand op Rougon lette, wiens dik gezicht er slaperig uitzag. Toen trok zij met moederlijke zorg de linkermanchet van haar man wat meer naar beneden.
--Wat hebt ge vannacht toch uitgevoerd? vroeg zij den grooten man, die een gegeeuw achter zijn hand verborg.
--Ik heb laat gewerkt, ik ben doodmoe, antwoordde hij. Een hoop onbeduidende zaken!
En het gesprek hield weer op. Nu was de beurt aan hem om door haar bestudeerd te worden. Hij liet zich door de lichte schokken van het rijtuig heen en weer schommelen; zijn jas was uit haar fatsoen door zijn breede schouders, zijn hoed was slecht afgeborsteld en vertoonde nog de sporen van vroegere regendruppels. Zij herinnerde zich dat zij de vorige maand een paard gekocht had van een paardenkoopman, die veel op hem leek. Haar glimlach verscheen weer, met een zweem van minachting.
--Welnu? vroeg hij, ongeduldig door dat onderzoek.
--Nu, ik kijk naar u! antwoordde zij. Is dat niet geoorloofd?.... Zijt ge dan bang dat ik u zal opeten?
Zij zei dit op een uitdagenden toon, terwijl zij haar witte tanden vertoonde. Maar hij zei schertsend:
--Ik ben te dik, het zou er niet door gaan.
--O, als ik grooten trek had! zei ze ernstig, nadat zij haar eetlust scheen geraadpleegd te hebben.
De landauer kwam eindelijk aan de poort de la Muette. Het was een plotselinge overgang van de nauwe straatjes van Chaillot tot het zachte groen van het bosch. De ochtend was heerlijk; grasvelden in de verte baadden in een blond schijnsel, een lauw zuchtje deed de jonge blaadjes trillen. Zij lieten het hertenpark rechts liggen en sloegen den weg naar Saint-Cloud in. Nu reed het rijtuig over de zandige laan, zonder schokken, zacht en licht als een slede, die over de sneeuw glijdt.
--Wat zijn die straatsteenen toch onaangenaam, niet waar? hernam Clorinde. Men herademt hier, men kan spreken.... Hebt ge nieuws van onzen vriend Du Poizat?
--Ja, zei Rougon. Hij maakt het goed.
--En is hij nog altijd tevreden over zijn departement?
Hij maakte een nietszeggend gebaar, scheen liever niet te antwoorden. De jonge vrouw scheen bekend te zijn met zekere onaangenaamheden, die de prefect van Deux-Sèvres hem door zijn ruw optreden bezorgde. Zij drong niet verder aan, maar sprak over mijnheer Kahn en mevrouw Correur; ze vroeg hem naar bijzonderheden van zijn reis, met een ondeugende nieuwsgierigheid. Toen riep ze plotseling uit:
--A propos, ik heb gisteren kolonel Jobelin met zijn neef Bouchard ontmoet. We hebben over u gesproken.... Ja, we hebben over u gesproken.
Hij haalde de schouders op en bleef nog steeds zwijgen. Toen kwam zij met oude herinneringen.
--Weet ge nog wel hoe gezellig we 's avonds bijeen waren? Nu hebt ge het te druk, en kunt ge ons niet meer velen. Uw vrienden beklagen zich; zij beweren dat gij ze vergeet.... Ge weet, ik zeg alles. Welnu, ze zeggen dat ge uw vrienden in den steek laat.
Op dit oogenblik, terwijl het rijtuig tusschen de twee vijvers doorging, reed hun een coupé voorbij, die naar Parijs terug ging. Men zag iemand zich snel in de coupé terugwerpen, zeker opdat hij niet zou behoeven te groeten.
--Maar dat is uw schoonbroer! riep Clorinde.
--Ja, hij is ongesteld, antwoordde Rougon glimlachend. Zijn dokter heeft hem aangeraden veel van de morgenlucht te genieten.
En plotseling mededeelzaam geworden, ging hij voort:
--Wat zal ik u zeggen, ik kan hun toch de maan niet geven!.... Daar hebt u bijvoorbeeld Beulin-d'Orchère, die heeft zich in het hoofd gezet grootzegelbewaarder te willen worden. Ik heb het onmogelijke gedaan, ik heb den keizer gepolst zonder er wijzer door te worden. De keizer is, geloof ik, bang voor hem. Dat kan ik toch niet helpen?.... Beulin-d'Orchère is eerste president. Daar moest hij voorloopig tevreden mee zijn, wat drommel! En hij ontwijkt mijn groet! Hij is gek.
Clorinde zat onbewegelijk, met neergeslagen oogen, terwijl haar vingers met de kwast van haar parasol speelden. Zij liet hem voortpraten, maar geen enkel woord ontging haar.