Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 24
De receptie had plaats in het groote salon van de prefectuur. Du Poizat stelde de genoodigden voor. En de minister ontving ieder met een glimlach, als een ouden bekende. Hij wist van ieder verrassende bijzonderheden. Den procureur des keizers sprak hij met veel lof over een requisitoir dat hij onlangs in een echtscheidingszaak had uitgesproken; hij vroeg met een bewogen stem aan den directeur der directe belastingen naar den toestand van zijn vrouw, die sinds twee maanden ziek te bed lag; hij hield den kolonel een oogenblik staande, om hem te toonen dat hij bekend was met de schitterende studiën van zijn zoon te Saint-Cyr; hij praatte over schoenwerken met een raadslid, dat groote schoenmakerswerkplaatsen had, en begon met den opperhoutvester, die een hartstochtelijk liefhebber van oudheden was, een discussie over een druïdischen steen, dien men de vorige week ontdekt had. Wanneer hij weifelde, naar zijn woorden zocht, kwam Du Poizat hem met een behendig ingefluisterd woord te hulp. Trouwens, hij toonde een bijzondere kalmte en zekerheid in zijn optreden.
Toen de president van de rechtbank van koophandel buigend binnentrad, riep hij op minzamen toon:
--Is u alleen, mijnheer de president? Ik hoop toch dat mevrouw van avond op het feestmaal mee zal komen....
Hij hield zich opeens in, toen hij de verlegen gezichten om zich heen zag. Du Poizat stiet hem ongemerkt aan. Toen herinnerde hij zich dat de president van de rechtbank van koophandel van zijn vrouw gescheiden leefde, ten gevolge van eenige opzienbarende feiten. Hij had zich vergist, hij had gemeend dat hij tot den anderen president sprak. Maar daardoor liet hij zich niet uit het veld slaan. Steeds glimlachend, zonder op zijn onhandigheid terug te komen, hernam hij met een geheimzinnig gezicht:
--Ik heb u een goede tijding mee te deelen, mijnheer. Ik weet dat mijn collega, de grootzegelbewaarder, u voor een ridderorde heeft voorgedragen.... 'k Bega eigenlijk een onbescheidenheid. Vertel het niet verder.
De president van de rechtbank van koophandel kreeg een kleur als vuur. Hij stikte bijna van blijdschap. Rondom hem verdrong men zich om hem geluk te wenschen, terwijl Rougon zich voornam er zijn collega van te verwittigen dat hij die orde zoo juist van pas had weggeschonken. Hij decoreerde den bedrogen echtgenoot. Op Du Poizat's gelaat verscheen een glimlach van bewondering.
Intusschen bevonden zich nu reeds vijftig personen in het groote salon. Men wachtte steeds, met verlegen gezichten.
--De tijd nadert, we zouden kunnen vertrekken, mompelde de president.
Maar de prefect boog zich naar hem over en verklaarde hem dat de afgevaardigde, de vroegere tegenstander van mijnheer Kahn, er nog niet was. Eindelijk trad deze hijgend en zweetend binnen; zijn horloge had zeker stilgestaan, hij begreep er niets van. En toen, in aller bijzijn zijn bezoek van den vorigen dag in herinnering wenschende te brengen, begon hij:
--Zooals ik gisterenavond tot Uwe Excellentie zeide....
En hij liep naast Rougon, en vertelde hem dat hij den volgenden morgen naar Parijs zou terugkeeren. Het Paaschverlof was Dinsdag reeds om, de zitting was heropend. Maar hij had gemeend nog eenige dagen in Niort te moeten blijven, om de honneurs van zijn departement tegenover Zijn Excellentie waar te nemen.
Alle genoodigden waren naar het plein voor de prefectuur gegaan, waar een tiental rijtuigen aan weerszijden van het bordes stonden te wachten. De minister steeg met den afgevaardigde, den prefect en den burgemeester in een calèche, die zich aan het hoofd van den stoet stelde. De overige genoodigden namen zooveel mogelijk naar rangorde plaats; er waren nog twee andere calèches, drie victoria's en chars-à-bancs voor zes en acht personen. In de rue de la Préfecture werd de stoet geregeld. Men vertrok in matigen draf. De linten der dames fladderden, terwijl haar rokken over de portieren heen hingen. De zwarte hoeden der heeren glommen in de zon. Men moest een gedeelte van de stad door. In de nauwe straten rolden de rijtuigen met een rammelend geluid over de puntige straatsteenen. En voor alle vensters, aan alle deuren groetten de inwoners zonder een kreet, zoekende naar Zijn Excellentie en zeer verbaasd de burgerlijke jas van den minister naast den met goud geborduurden rok van den prefect te zien.
Buiten de stad reed men over een breeden weg, met prachtige boomen beplant. Het was zacht weer; een mooie, zonnige April-dag, met een blauwe lucht. De rechte, effen weg was omzoomd door tuinen vol bloeiende seringen en abrikozenboomen. Daarachter uitgestrekte akkers, hier en daar door een groepje boomen afgewisseld. In de rijtuigen werden drukke gesprekken gevoerd.
--Dit is een spinnerij, nietwaar? zei Rougon, aan wiens oor de prefect iets toefluisterde.
Hij wendde zich tot den burgemeester, wees hem op het gebouw van rooden baksteen, dat aan den waterkant stond, en zei:
--Die spinnerij behoort u toe, naar ik meen..... Men heeft mij over uw nieuw systeem van wolkaarden gesproken. Ik zal een oogenblik trachten te vinden om al die wonderen te aanschouwen.
Hij vroeg hoe het met de beweegkracht der rivier gesteld was. Volgens hem hadden hydraulische motors ontzaglijke voordeelen. En hij bracht den burgemeester door zijn technische kennis in verbazing. De andere rijtuigen volgden ietwat wanordelijk. Gesprekken, met cijfers doorspekt, kwamen tot hen, te midden van het dof getrappel der paarden. Een heldere lach weerklonk, die iedereen deed omkijken, het was de vrouw van den directeur, wier parasol op een hoop steenen gewaaid was.
--U bezit ergens een hoeve, hernam Rougon glimlachend tot den afgevaardigde. Ze staat daar op die helling, als ik mij niet vergis.... Prachtige weilanden! Ik weet trouwens dat u veel aan fokkerij doet en dat uw koeien bekroond zijn op de laatste landbouwtentoonstelling.
Toen spraken zij over het vee. De weiden, badend in het zonlicht, vertoonden een zachtheid van groen fluweel, waarop een veld van bloemen ontlookt. Rijen populieren lieten hier en daar het uitzicht vrij op allerliefste landschapjes. Een oude vrouw, die een ezel voortleidde, moest het dier aan den kant van den weg stil laten staan om den stoet voorbij te laten gaan. En de ezel, verschrikt door dien optocht van glimmende rijtuigen, begon te balken. De dames in groot toilet en de heeren met handschoenen aan, hielden zich ernstig.
Men reed links een lichte helling op en daarna weer af. Men was op de plaats van bestemming aangekomen. Het was als een blinde steeg in een nauwe vallei, een soort van gat tusschen drie heuvels ingesloten. Wanneer men omhoog keek, zag men tegen den helderen hemel slechts de afgebrokkelde geraamten van twee vervallen molens.
Daar, op het midden van een vierkant grasveld, was een tent opgeslagen, van grijs linnen met een breeden rooden zoom, met vlaggentropeeën aan de vier zijden. Een duizendtal nieuwsgierigen, die daarheen gewandeld waren, burgers, boeren, dames, hadden zich aan de schaduwzijde amphitheatersgewijze op een der heuvels opgesteld. Voor de tent stond een detachement van het 78e linieregiment onder de wapenen, tegenover de pompiers van Niort; terwijl aan den zoom van het grasveld een ploeg arbeiders in nieuwe kielen stonden, met de ingenieurs aan het hoofd. Zoodra de rijtuigen zich vertoonden begon het philharmonisch gezelschap van de stad, uit dilettanten bestaande, de ouverture van de Dame blanche te spelen.
--Leve Zijn Excellentie! riepen eenige stemmen, doch hun geroep ging verloren in het geraas der koperen instrumenten.
Rougon steeg uit het rijtuig. Hij keek om zich heen, ontstemd over die belemmering van het uitzicht, waardoor de plechtigheid in zijn oog een minder grootsch aanzien kreeg. Hij bleef een oogenblik op het grasveld staan, wachtende op een woord van verwelkoming. Eindelijk kwam mijnheer Kahn toeloopen. Hij had dadelijk na het ontbijt de prefectuur verlaten, maar hij had voorzichtigheidshalve de mijn onderzocht, die Zijn Excellentie moest doen ontbranden. Hij geleidde den minister naar de tent. De genoodigden volgden. Er ontstond eenige verwarring. Rougon vroeg naar enkele bijzonderheden.
--Dus moet de tunnel hier beginnen?
--Juist, antwoordde mijnheer Kahn. De eerste mijn is gegraven in die roodachtige rots, waar Uw Excellentie een vlag ziet.
De gedeeltelijk uitgegraven heuvel aan de voorzijde vertoonde de rots. Ontwortelde struiken hingen tusschen de uitgegraven aarde. Men had den bodem van de opening met bladeren bestrooid. Mijnheer Kahn wees de richting aan, die de spoorweg zou volgen; zij was aangeduid door een dubbele rij bakenstokken met richtvaantjes, midden door de paden, struiken en grasvelden. Het was een vreedzaam hoekje natuur, dat daar vaneengereten zou worden.
Intusschen hadden de autoriteiten een onderkomen in de tent gevonden. De toeschouwers rekten hun halzen uit om tusschen de zeilen door te zien. Het philharmonisch gezelschap had de ouverture van de Dame blanche uitgespeeld.
--Mijnheer de minister, zei eensklaps een schelle stem, die trilde in de stilte, ik reken het mij tot een eer Uw Excellentie het eerst te kunnen bedanken voor de welwillendheid waarmee U de uitnoodiging hebt aangenomen, die wij zoo vrij waren U te doen. Het departement Deux-Sèvres zal eeuwig de herinnering bewaren.
Het was Du Poizat, die het eerst het woord voerde. Hij stond op drie passen afstands van Rougon, die eveneens stond, en bij het einde van sommige zinnen maakten zij een lichte hoofdbuiging tegen elkander. Hij sprak bijna een kwartier lang; hij herinnerde den minister aan de schitterende wijze waarop hij het departement in de Wetgevende vergadering vertegenwoordigd had; de stad Niort had zijn naam in haar annalen geschreven als dien van een weldoener; zij brandde van begeerte om hem bij iedere gelegenheid haar erkentelijkheid te toonen. Du Poizat had het politieke en praktische gedeelte op zich genomen. Nu en dan ging zijn stem in de open lucht verloren. Dan zag men niets dan zijn gebaren, een regelmatige beweging van zijn rechterarm; en de duizend nieuwsgierigen die op de helling stonden, keken vol belangstelling naar het borduursel van zijn mouw, waarvan het goud in de zon schitterde.
Vervolgens trad mijnheer Kahn naar voren. Hij had een zeer harde stem. Hij blafte sommige woorden uit. De wand van de vallei vormde een echo en weerkaatste de slotwoorden van iederen zin, waarop hij al te veel nadruk legde. Hij sprak van zijn lange inspanningen, de studiën, de stappen die hij bijna vier jaar lang had moeten doen, om het land een nieuwen spoorweg te geven. Nu zouden de voordeden als een regen over het departement neerdalen; de akkers zouden vruchtbaar gemaakt worden, de fabrieken zouden haar productie verdubbelen, handel en bedrijf zouden tot in de kleinste dorpjes doordringen, en wanneer men hem zoo hoorde, scheen het of Deux-Sèvres onder zijn uitgebreide armen een luilekkerland zou worden, met beken van melk en tooverboschjes, waar tafels met heerlijke spijzen beladen den voorbijgangers wachtten. Daarop sloeg hij plotseling een overdreven nederigen toon aan. Hij had volstrekt geen aanspraak op hun dankbaarheid, hij zou nooit in staat geweest zijn zoo'n grootsch plan te verwezenlijken zonder de hooge bescherming waarop hij trotsch was. En zich tot Rougon wendend, noemde hij hem "de voortreffelijke minister, de verdediger van alle edele en nuttige denkbeelden." Ten slotte gewaagde hij met veel ophef van de finantieële voordeelen der zaak. Op de Beurs vocht men om de aandeelen. Gelukkig de renteniers, die hun geld hadden kunnen steken in een onderneming, waaraan Zijn Excellentie de minister van Binnenlandsche zaken zijn naam wou verbinden!
--Zeer goed gezegd! mompelden eenige genoodigden.
De burgemeester en verscheidene autoriteiten drukten mijnheer Kahn de hand: hij toonde zich zeer aangedaan. Buiten weerklonken toejuichingen. Het philharmonisch gezelschap achtte het oogenblik geschikt om krachtig in te zetten, maar de eerste adjunct zond in allerijl een pompier om de muziek te doen zwijgen. In dien tusschentijd stond de hoofdingenieur der bruggen en wegen in twijfel of hij wel zou spreken; hij had zich niet voorbereid, zei hij. Maar de prefect overwon zijn weifeling. Mijnheer Kahn fluisterde laatstgenoemde in het oor:
--Had het maar niet gedaan. Hij heeft gemeene streken.
De hoofdingenieur was een lange, magere man, die zich er veel op liet voorstaan dat hij bijzonder ironisch kon zijn. Hij sprak langzaam, en zijn mondhoeken vertrokken zich, telkens wanneer hij een bijtend gezegde uitte. Hij begon met mijnheer Kahn onder loftuitingen te begraven. Daarop kwamen de kwaadaardige toespelingen. Hij veroordeelde met een paar woorden het ontwerp van den spoorweg, met de bekende minachting van gouvernements-ingenieurs voor de werken van civiele ingenieurs. Hij herinnerde aan het tegen-ontwerp van de compagnie de l'Ouest, dat langs Thouars zou gaan, en schijnbaar zonder kwaad opzet, legde hij nadruk op den kromming in den weg van mijnheer Kahn, ten gerieve van de hoogovens van Bressuire. Alles zonder eenige lompheid, doorspekt met vriendelijke volzinnetjes, vol speldeprikken, die alleen de ingewijden begrepen. Het slot van zijn rede was nog hartelijker. Hij scheen het te betreuren dat de "voortreffelijke minister" zich kwam compromitteeren in een zaak, waarvan de finantiëele zijde alle mannen van ervaring tot bezorgdheid stemde. Er zouden ontzaglijke geldsommen noodig zijn; de grootste eerlijkheid, de grootste belangeloosheid zouden noodzakelijk zijn. En met zijn verwrongen mond sprak hij dit slotwoord uit:
--Die bezorgdheid is denkbeeldig, wij zijn volkomen gerustgesteld nu wij aan het hoofd der onderneming een man zien staan, wiens schoone finantiëele positie en onkreukbare eerlijkheid zoo goed bekend zijn in het departement.
Een goedkeurend gemompel werd gehoord. Enkele personen slechts keken mijnheer Kahn aan, die zijn bleeke lippen tot een glimlach drong. Rougon had met halfgesloten oogen toegeluisterd, alsof het licht hem hinderde. Toen hij ze weer opende, waren zijn fletse oogen donker geworden. Hij had eerst een kort woord willen spreken, maar hij had nu een der zijnen te verdedigen. Hij deed een paar stappen vooruit, tot aan den ingang der tent; en daar, met een gebaar dat voor geheel Frankrijk bestemd scheen, begon hij:
--Mijne heeren, staat mij toe in gedachte deze heuvels te bestijgen, het heele keizerrijk met een enkelen blik te omvatten, en aldus de plechtigheid, die ons hier samenbrengt, uit te breiden, om ze tot een feest van handel en nijverheid te maken. Op het oogenblik dat ik tot u spreek, is men van het Noorden tot het Zuiden bezig met het graven van kanalen, het aanleggen van spoorwegen, het doorboren van gebergten, het bouwen van bruggen....
Een diepe stilte was ontstaan. Tusschen de zinnen hoorde men windzuchtjes door de takken ritselen, en verder weg het geluid van een sluis. De pompiers, die in keurige houding met de soldaten wedijverden, onder de brandende zon, wierpen schuinsche blikken naar den minister, om hem te zien spreken. Op den heuvel hadden de toeschouwers zich op hun gemak neergevlijd, de dames nadat zij haar zakdoeken hadden uitgespreid; twee heeren die in de zon stonden, hadden de parasols van hun vrouwen opgestoken. En Rougon's stem klonk allengs luider. Het scheen wel alsof de vallei niet ruim genoeg was voor zijn gebaren. Met zijn handen, die hij plotseling vooruitstak, scheen hij al wat hem in het rond het vrije uitzicht op den horizon belemmerde weg te willen vagen. Tot tweemaal toe zocht hij de ruimte; maar hij zag boven zich, aan den rand van den hemel, slechts de molens waarvan de afgebrokkelde geraamten in de zon kraakten.
De redenaar had het thema van mijnheer Kahn weer opgevat en vergroot. Het was niet alleen het departement Deux-Sèvres, dat een verbazenden voorspoed tegemoet ging, maar geheel Frankrijk, dank zij dien zijtak van Niort naar Angers. Tien minuten lang somde hij de tallooze weldaden op, waarmee de bevolking overladen zou worden.
Hij ging zelfs zoover, van Gods bestierende hand te spreken. Daarop antwoordde hij den hoofdingenieur; hij trad niet in discussie, maakte geen enkele zinspeling; hij zei alleen het tegengestelde van hetgeen de ander gezegd had, hij lei nadruk op de toewijding van mijnheer Kahn, stelde hem voor als bescheiden, belangeloos, grootsch. De finantiëele zijde van de onderneming liet hem volkomen kalm. Hij glimlachte en stapelde met een snel gebaar bergen van goud op. Toen werden zijn woorden door luide bravo's overstemd.
--Nog een enkel woordje, mijne heeren, zei hij, zijn lippen met zijn zakdoek afdrogende.
Dat enkele woordje duurde een kwartier. Hij wond zich op, hij liet zich verder voeren dan zijn plan geweest was. Bij de slotrede zelfs, toen hij aan de grootheid der regeering kwam en het groote vernuft van den keizer prees, liet hij doorschemeren dat Zijne Majesteit den zijtak van Mort naar Angers in zijn bijzondere bescherming nam. De onderneming werd een staatszaak.
Drie salvo's van toejuichingen braken los. Een vlucht kraaien, hoog in de lucht, verschrikte en liet een langgerekt gekras hooren. Bij den slotzin van de rede was het philharmonisch gezelschap begonnen te spelen, op een signaal dat van uit de tent gegeven werd, terwijl de dames, haar japonnen bijeenhoudend, haastig opstonden om niets van het schouwspel te verliezen. Intusschen stonden de genoodigden rondom Rougon met een verrukt gezicht te glimlachen. De burgemeester, de procureur des keizers, de kolonel van het 78e linieregiment, schudden goedkeurend het hoofd, terwijl zij luisterden naar de halfluide bewonderende woorden van den afgevaardigde, die zijn best deed om door den minister verstaan te worden. Maar de meeste geestdrift toonde zeker wel de hoofdingenieur der bruggen en wegen; hij toonde een buitengewone gedienstigheid, en met zijn scheven mond scheen hij als verplet door de prachtige woorden van den grooten man.
--Wanneer Zijn Excellentie mij gelieft te volgen, zei mijnheer Kahn, wiens dik gelaat van vreugde glom.
Dat was het einde. Zijn Excellentie zou de eerste mijn doen springen. Er werden bevelen uitgedeeld aan de ploeg werklieden in nieuwe kielen. Deze mannen gingen den minister en mijnheer Kahn in de gemaakte schacht vooraf, en schaarden zich in twee rijen. Een opzichter hield een brandend stuk touw in de hand, dat hij Rougon aanbood. De autoriteiten, die onder de tent gebleven waren, rekten den hals uit. Het publiek wachtte vol spanning. Het philharmonisch gezelschap speelde steeds door.
--Zou het veel leven maken? vroeg de vrouw van den directeur aan een der substituten.
--Dat hangt af van de gesteldheid der rots, antwoordde de president van de rechtbank van koophandel, die in mineralogische uitleggingen begon te treden.
--Ik stop mijn ooren toe, mompelde de oudste der drie dochters van den opperhoutvester.
Rougon gevoelde zich belachelijk, te midden van al die menschen, met zijn brandend eind touw in de hand. Op den top van den heuvel kraakten de geraamten van de molens harder. Toen haastte hij zich en stak de lont aan, waarvan de opzichter hem het uiteinde tusschen twee steenen aanwees. Dadelijk blies een werkman op een trompet. De geheele ploeg trok af. Mijnheer Kahn had Zijn Excellentie snel in de tent teruggebracht, terwijl hij een angstige bezorgdheid toonde.
--Hoe nu, gaat het niet af? stamelde de hypotheekbewaarder, die van angst met de oogen knipte, en een onweerstaanbaren lust voelde om zijn ooren toe te stoppen, evenals de dames.
De ontploffing had eerst na een paar minuten plaats. Uit voorzichtigheid had men de lont zeer lang genomen. De spanning der toeschouwers veranderde in angst; aller oogen waren op de roode rots gevestigd en meenden haar te zien bewegen. Eindelijk hoorde men een dof gerommel, de rots spleet vaneen, terwijl een aantal stukken steen, zoo groot als een paar vuisten, in den rook omhoog geworpen werden. Iedereen ging nu heen; van alle kanten hoorde men vragen:
--Ruik je den kruitdamp?
Dien avond gaf de prefect een diner, waaraan de autoriteiten deelnamen. Hij had vijfhonderd uitnoodigingen rondgezonden voor het bal, dat daarna gegeven werd. Dat bal was schitterend. Het groote salon was versierd met groene planten, en in de vier hoeken had men kleine kroonlampen aangebracht, waarvan de bougies, gevoegd bij die van de middelste lamp, een glansrijk licht verspreidden. Niort had nog nooit zoo'n luister gezien. De helle gloed van de zes vensters verlichtte het plein voor de prefectuur, waar meer dan tweeduizend nieuwsgierigen zich verdrongen om met de oogen omhoog iets van het dansen te zien. Het orkest was zoo duidelijk hoorbaar, dat de jongens beneden op de straat op de maat der muziek over de trottoirs galoppeerden. Om negen uur begonnen de dames haar waaiers in beweging te brengen, ververschingen werden rondgediend, de quadrilles volgden op de polka's en de walsen. Aan de deur stond Du Poizat en verwelkomde de nakomers heel ceremoniëel met een glimlachje.
--Danst Uw Excellentie niet? vroeg de vrouw van den directeur vrijpostig aan Rougon.
Rougon verontschuldigde zich glimlachend. Hij stond voor een venster, te midden van een dichten kring. En terwijl hij aan een gesprek deelnam over de herziening van het kadaster, wierp hij snelle blikken naar buiten. Aan de overzijde van het plein, in den helderen glans dien de schitterende verlichting op de gevels wierp, had hij aan een der vensters van het hôtel de Paris, mevrouw Correur en juffrouw Herminie Billecoq gezien. Zij stonden daar tegen de steunroede geleund, alsof zij zich in een loge bevonden. Haar gezichten straalden, haar ontbloote halzen zwollen van een zacht gegiechel, bij enkele buien van vroolijkheid, die van het feest tot haar overwoeien.
Intusschen wandelde de vrouw van den directeur verstrooid het groote salon door; zij bleef ongevoelig voor de bewondering die haar slepende japon onder de jongelieden opwekte. Ze keek naar iemand uit, zonder dat de glimlach van haar smachtend gelaat verdween.
--Is mijnheer de commissaris niet gekomen? vroeg zij eindelijk aan Du Poizat, die nu vroeg hoe haar man het maakte. Ik had hem een wals beloofd.
--Ik had hem al lang verwacht, antwoordde de prefect.... Hij had een bijzondere opdracht te vervullen, maar hij had me toch beloofd om zes uur terug te zullen zijn.
Tegen den middag had Gilquin Niort te paard verlaten, om notaris Martineau te arresteeren. Coulonges lag op vijf uren afstands. Hij berekende dat hij er om twee uur kon zijn en uiterlijk tegen vier uur weer zou kunnen vertrekken; op die manier kon hij nog deelnemen aan het feestmaal, waarop hij genoodigd was. Hij zette zijn paard dan ook niet tot spoed aan, en terwijl hij op het zadel heen en weer schommelde, nam hij zich voor dien avond op het bal zeer ondernemend te zijn tegenover dat blondinetje, dat hij alleen maar wat mager vond. Gilquin hield van dikke vrouwen. Te Coulonges stapte hij af aan het hôtel du Lion d'or, waar een brigadier met twee gendarmes op hem zouden wachten. Op die manier zou zijn komst de aandacht niet trekken; men zou een rijtuig huren, en den notaris "inpikken" zonder dat een der buren aan zijn deur verscheen. Maar de gendarmes waren niet op de afgesproken plaats. Gilquin wachtte tot vijf uur, vloekende, grogjes drinkende, ieder kwartier op zijn horloge ziende. Hij zou onmogelijk voor het diner in Niort kunnen zijn. Hij liet zijn paard al zadelen, toen de brigadier eindelijk met twee man verscheen. Het was een misverstand.
--Goed, goed, verontschuldig je maar niet, wij hebben geen tijd, riep de commissaris woedend. Het is al kwart voor vijven.... Laten we onzen man oppakken, en zoo gauw mogelijk ook! Over tien minuten moeten we er zijn.