Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 23

Chapter 233,924 wordsPublic domain

Rougon had aan Du Poizat en mijnheer Kahn geschreven dat hij van een officiëele ontvangst aan de poorten van Niort verschoond wenschte te blijven. Hij kwam op een Zaterdagavond tegen zeven uur; hij begaf zich regelrecht naar de prefectuur, met het plan daar tot den volgenden middag uit te rusten; hij was zeer vermoeid. Maar na het diner kwamen er enkele personen. Het gerucht van zijn komst had zich zeker door de stad verbreid. Men opende de deur van een klein salon naast de eetzaal en organiseerde een soiréetje. Rougon, tusschen de twee vensters staande, zag zich genoodzaakt zijn lust tot geeuwen te bedwingen en op vriendelijke wijze de welkomstgroeten te beantwoorden.

Een afgevaardigde van het departement, de procureur die de officiëele candidatuur van mijnheer Kahn geërfd had, verscheen het eerst, in lange overjas en gekleurde pantalon; hij verontschuldigde zich en verklaarde dat hij te voet van een zijner pachthoeven terugkwam, maar dat hij toch dadelijk Zijn Excellentie had willen begroeten. Daarop vertoonde zich een kort, dik mannetje in een nauwen zwarten rok, met witte handschoenen, met een plechtstatig en spijtig gelaat. Het was de eerste adjunct. Hij was door zijn dienstbode gewaarschuwd. Hij verzekerde dat mijnheer de burgemeester wanhopig zou zijn; mijnheer de burgemeester, die Zijn Excellentie eerst den volgenden dag verwachtte, bevond zich op zijn landgoed in Varades, op tien kilometers afstands. Achter den adjunct defileerden nog zes heeren; groote voeten, lompe handen, breede, vierkante gezichten; de prefect stelde ze voor als de verdienstelijkste leden van het Genootschap ter beoefening der Statistiek. Eindelijk kwam nog de directeur van het lyceum met zijn vrouw, een mooie blondine, acht en twintig jaar oud, een Parisienne wier toiletten Niort in rep en roer brachten. Ze klaagde bitter tegen Rougon over het leven in een plattelandsstadje.

Intusschen werd mijnheer Kahn, die met den minister en den prefect gedineerd had, met vragen bestormd over de plechtigheid van den volgenden dag. Men zou zich een uur gaans buiten de stad begeven, naar den ingang van een tunnel, ontworpen voor den spoorweg van Niort naar Angers; en daar zou Zijn Excellentie de minister van Binnenlandsche zaken de eerste mijn zelf doen ontbranden. Dat vond men heel treffend. Rougon nam een goedig voorkomen aan. Hij wou alleen de moeitevolle onderneming van een ouden vriend eer bewijzen. Trouwens, hij beschouwde zichzelf als den aangenomen zoon van het departement Deux-Sèvres, dat hem vroeger naar de Wetgevende vergadering had afgevaardigd. In werkelijkheid was het doel van zijn reis, levendig aangeraden door Du Poizat, zich in al zijn macht aan zijn oude kiezers te vertoonen, om volkomen zeker van zijn candidatuur te zijn, indien hij ooit deel mocht willen uitmaken van het Wetgevend lichaam.

Door de vensters van het kleine salon zag men de donkere, rustige stad. Niemand kwam meer. Men had de komst van den minister te laat vernomen. Dat was een triomf voor de volijverige lieden die gekomen waren. Ze dachten niet aan heengaan, hun borst zwol van genot dat zij de eersten waren die Zijn Excellentie en petit comité bezaten. De adjunct herhaalde luider, op een klagenden toon, waarin een jubelende vreugde doorblonk:

--Mijn hemel, wat zal mijnheer de burgemeester een spijt hebben!.... En mijnheer de president en mijnheer de procureur des keizers, en al die heeren!....

Tegen negen uur echter zou men in den waan gekomen zijn dat de heele stad zich in de voorkamer bevond. Er werd een indrukwekkend geluid van voetstappen gehoord. Daarop kwam een dienaar zeggen dat mijnheer de commissaris zijn hulde aan Zijn Excellentie wenschte te brengen. En de binnentredende was Gilquin, Gilquin op zijn keurigst, in rok, met stroogele handschoenen en chevreauleeren bottines. Du Poizat had hem een betrekking in zijn departement bezorgd. Gilquin, die zich nu heel betamelijk voordeed, had alleen nog een ietwat gewaagde, wiegelende beweging van de schouders behouden en de gewoonte zich niet van zijn hoed te kunnen scheiden; hij hield dien tegen zijn heup, in een houding die hij op de een of andere modeplaat scheen bestudeerd te hebben. Hij maakte een buiging voor Rougon, en mompelde met overdreven nederigheid:

--Ik hoop dat Zijn Excellentie zich mijner nog herinnert. Ik heb de eer gehad hem meermalen in Parijs te ontmoeten.

Rougon glimlachte. Zij praatten een oogenblik. Daarop ging Gilquin naar de eetzaal, waar men de thee ronddiende. Hij vond er mijnheer Kahn, die op een hoekje van de tafel, de lijst van de genoodigden voor den volgenden dag nazag.

In het kleine salon sprak men over de goede regeering: Du Poizat, naast Rougon staande, prees het keizerrijk hemelhoog en beiden wisselden een saluut, alsof zij elkander gelukwenschten met een persoonlijk werk, tegenover de burgers van Niort, die hen in eerbiedige bewondering aangaapten.

--Wat een handige lui! mompelde Gilquin, die het tooneel door de open deur had gadegeslagen.

En terwijl hij een scheutje rum in zijn thee goot, stiet hij mijnheer Kahn met den elleboog aan. Du Poizat, mager en opgewonden, met zijn onregelmatige witte tanden in zijn koortsachtig kindergezicht, dat van zegepraal gloeide, deed Gilquin smakelijk lachen; hij vond hem "uitstekend".

--Zeg, hebt u hem niet in het departement zien komen? ging hij zachtjes voort. Ik was bij hem. Hij stapte met een woedend gezicht door de straten! Nu, hij schijnt heel wat tegen de lui hier gehad te hebben. Sinds hij in zijn prefectuur is, schijnt het hem een genot te zijn zich over zijn kindsheid te wreken. En de burgers die hem vroeger als een armen drommel gekend hebben, zullen het wel laten om hem te lachen, als hij voorbijgaat, dat beloof ik je!.... O, 't is een degelijke prefect, met hart en ziel bij zijn zaken. Hij gelijkt heelemaal niet op dien Langlade dien wij vervangen hebben, iemand die er allerlei minnarijtjes op nahield, blank als een meisje. We hebben portretten van zeer gedecolleteerde dames tot in de dossiers van het kabinet gevonden.

Galquin zweeg een oogenblik. Hij meende te bemerken dat de vrouw van den directeur, die in een hoekje van het salon zat, geen oog van hem afwendde. Om nu de bevalligheden van zijn bovenlijf meer te doen uitkomen, boog hij zich voorover om tot mijnheer Kahn te zeggen:

--Hebt u niet gehoord van de ontmoeting van Du Poizat met zijn vader? O, het koddigste avontuur ter wereld! U weet dat de oude vroeger deurwaarder was en dat hij een aardig kapitaaltje bijeengegaard had door bij de week te leenen; hij woont nu als een kluizenaar, in een oud vervallen huis, met geladen geweren in de voorgang.... Nu koesterde Du Poizat, dien hij wel twintigmaal de galg voorspeld had, al lang den wensch om hem te overbluffen. Dat was eigenlijk de grootste reden waarom hij hier prefect wou worden.... Op een goeden morgen dan trekt onze Du Poizat zijn mooiste uniform aan, en onder voorwendsel dat hij een inspectie gaat houden, klopt hij bij den oude aan de deur. Meer dan een kwartier lang kon hij staan schilderen. Eindelijk doet de oude open. Een bleek oud mannetje kijkt met een versuft gezicht naar de borduursels op zijn uniform. En wat denkt u dat hij zei, toen hij hoorde dat zijn zoon prefect was? "Zeg, Léopold, stuur me de belastingmannen niet meer op mijn dak!" Heelemaal geen verbazing of aandoening.... Toen Du Poizat terugkwam, kneep hij zijn lippen opeen en zag hij zoo wit als een doek. Die onverstoorbare kalmte van zijn vader maakte hem wanhopig. Dien zal hij verder wel met rust laten.

Mijnheer Kahn schudde bedachtzaam het hoofd. Hij had de lijst van de uitnoodigingen weer in zijn zak gestoken, hij nam nu ook een kop thee en wierp een blik in het aangrenzende salon.

--Rougon staat te slapen, zei hij. Die domooren moesten hem maar naar bed laten gaan. Hij moet zijn krachten voor morgen bewaren.

--Ik had hem in lang niet gezien, hernam Gilquin. Hij is dik geworden.

Daarop herhaalde hij een toontje lager:

--'t Zijn toch handige lui!.... Ze hebben de een of andere slimmen zet gedaan, toen de aanslag plaats vond. Ik had ze gewaarschuwd. Den volgenden dag waren de poppen toch aan het dansen. Rougon beweert dat hij naar de prefectuur gegaan is, waar niemand hem heeft willen gelooven. Enfin, dat is zijn zaak, daar behoeft een ander zich niet mee te bemoeien.... Die vlegel van een Du Poizat had me een kostelijk déjeuner aangeboden in een café op de boulevards. Wat een dag was dat! We moeten den avond in den schouwburg doorgebracht hebben; ik herinner me er niets meer van, ik heb twee dagen achtereen geslapen.

Mijnheer Kahn scheen niet bijzonder gesteld op de vertrouwelijke mededeelingen van Gilquin. Hij verliet de eetzaal. Gilquin, alleen achtergebleven, verbeeldde zich nu stellig dat de vrouw van den directeur een oogje op hem had. Hij ging het salon weer binnen, toonde zich heel gedienstig, liet haar thee, gebakjes, tulband brengen. Hij zag er werkelijk niet kwaad uit; hij leek een net mensch wiens opvoeding ietwat verwaarloosd was, hetgeen de mooie blondine langzamerhand scheen te verteederen. Intusschen toonde de afgevaardigde de noodzakelijkheid aan van een nieuwe kerk in Niort, de adjunct vroeg om een brug, de directeur sprak over een vergrooting van de gebouwen van het lyceum, terwijl de leden van het Genootschap ter beoefening der Statistiek alles stilzwijgend goedkeurden.

--We zullen morgen zien, heeren, antwoordde Rougon met half gesloten oogleden. Ik ben hier om uw behoeften te leeren kennen en aan uw verzoekschriften recht te doen wedervaren.

Het sloeg tien uur, toen een bediende iets kwam zeggen aan den prefect, die dadelijk den minister een paar woorden toefluisterde. Deze verliet haastig de kamer. Mevrouw Correur wachtte hem in een aangrenzend vertrek. Zij had een lang, tenger meisje bij zich, met een bleek gelaat vol sproeten.

--Hoe, is u in Niort! riep Rougon.

--Eerst sedert van middag, zei mevrouw Correur. We zijn hierover afgestapt, in het hôtel de Paris.

En zij legde uit dat zij uit Coulonges kwam, waar zij twee dagen had doorgebracht. En op het lange meisje wijzende:

--Mejuffrouw Herminie Billecoq, die zoo vriendelijk geweest is mij gezelschap te houden.

Herminie Bellecoq maakte een plechtstatige buiging. Mevrouw Correur ging voort:

--Ik heb u niet over die reis gesproken, omdat u het me misschien had afgeraden; maar het was me te machtig, ik moest mijn broer zien. Toen ik van uw reis naar Niort hoorde, ben ik dadelijk hier heen gekomen. We hadden u de prefectuur zien binnengaan, maar we vonden het verkieselijker ons wat laat te vertoonen. Men is zoo kwaadsprekend in die kleine steden!

Rougon knikte toestemmend. De dikke mevrouw Correur, met haar beschilderde wangen en geel kostuum, leek hem ook wel wat opzichtig toe voor een provinciestadje.

--En hebt u uw broer gezien? vroeg hij.

--Ja, ja, mompelde zij, met opeengeklemde tanden. Mevrouw Martineau heeft me de deur niet durven wijzen. Die arme broer! Ik wist wel dat hij ziek was, maar het trof me toch toen ik hem zoo vermagerd zag. Hij heeft me beloofd dat hij me niet zou onterven; dat zou tegen zijn principes zijn. Het testament is gemaakt, het geld moet tusschen mij en mevrouw Martineau verdeeld worden.... Niet waar, Herminie?

--Het geld moet verdeeld worden, bevestigde het lange meisje. Hij zei het toen u binnenkwam en hij herhaalde het toen hij u de deur wees. O, stellig, ik heb het goed gehoord.

Intusschen wenschte Rougon de dames haar afscheid te geven. Hij zei:--Goed, dat doet me genoegen! Nu kunt u gerust zijn. Mijn hemel, die familietwisten worden altijd weer bijgelegd.... Nu, goeden avond. Ik ga naar bed.

Maar mevrouw Correur hield hem tegen. Zij had haar zakdoek te voorschijn gehaald en drukte die in een plotselinge bui van wanhoop tegen haar oogen.

--Die arme Martineau!.... Hij is zoo goed geweest, hij heeft me zoo zonder veel omhaal vergiffenis geschonken!.... Als u eens wist, mijn vriend.... Ik kom eigenlijk hier voor hem, ik wou u iets te zijnen gunste verzoeken.

Tranen verstikten haar stem. Ze snikte. Rougon, die er niets van begreep, keek de beide vrouwen verbaasd aan. Juffrouw Herminie Billecoq huilde ook, maar in stilte; zij was gevoelig van aard, droefheid werkte aanstekelijk op haar. Zij stamelde het eerst:

--Mijnheer Martineau heeft zich in de politiek gecompromitteerd.

Toen begon mevrouw Correur met een groote radheid van tong te spreken.

--Misschien heugt het u nog, dat ik u onlangs al eens mijn vrees te kennen gaf. Ik had er een voorgevoel van.... Martineau werd republikeinsch. Bij de laatste verkiezingen heeft hij zich verbazend ingespannen voor den candidaat van de oppositie. Ik kende bijzonderheden die ik niet wil zeggen. Enfin, dat kon niet goed afloopen.... Zoodra ik in Coulonges in de Lion d'or afstapte, heb ik de lui uitgehoord en nog heel wat meer bijzonderheden vernomen. Martineau heeft allerlei dwaasheden begaan. Het zou niemand verwonderen als hij gearresteerd werd. Men verwacht iederen dag de gendarmes om hem mee te nemen. U begrijpt wat een schok dat voor mij zou zijn! En nu heb ik aan u gedacht, mijn vriend....

Opnieuw werd haar stem door snikken verstikt. Rougon trachtte haar gerust te stellen. Hij zou er over spreken met Du Poizat, hij zou de vervolging stuiten, als zij reeds begonnen was. Hij liet zich zelfs ontvallen:

--Ik ben de baas, ga gerust slapen.

Mevrouw Correur schudde het hoofd en rolde haar zakdoek ineen; haar tranen waren gedroogd. Ze hernam nog halfluid:

--Neen, neen, u weet niet alles. 't Is ernstiger dan u denkt.... Hij brengt mevrouw Martineau naar de mis en blijft er zelf buiten; hij heeft verklaard dat hij geen voet meer in de kerk zal zetten, wat iederen Zondag een groot schandaal geeft. Hij gaat druk om met een gewezen advokaat, een man van 48, met wien men hem urenlang over allerlei verschrikkelijke dingen hoort praten. Herhaaldelijk sluipen er mannen met een verdacht uiterlijk 's nachts in zijn tuin, zeker om naar zijn bevelen te komen vernemen.

Bij iedere bijzonderheid die zij opnoemde, haalde Rougon de schouders op, maar juffrouw Herminie Billecoq voegde er snel bij, als verstoord over zoo'n toegevendheid:

--En de brieven met roode lakken, die hij uit alle landen ontvangt, de postbode heeft het ons verteld. Hij wou eerst niet spreken, hij zag doodsbleek. We hebben hem twintig sous moeten geven.... En dan zijn laatste reis een maand geleden. Hij is acht dagen weg geweest, zonder dat iemand weet waar hij heen gegaan is. De juffrouw van de Lion d'or heeft ons verzekerd dat hij zelfs geen koffer heeft meegenomen.

--Herminie, ik bid je! zei mevrouw Correur ongerust. Martineau is er al slecht genoeg aan toe. Wij behoeven zijn schuld niet nog te verzwaren.

Rougon luisterde nu toe, beurtelings de beide vrouwen aanziende. Hij werd heel ernstig.

--Als hij zich zoo gecompromitteerd heeft, mompelde hij.

Hij meende een korte flikkering in mevrouw Correur's oogen te zien. Hij ging voort:

--Ik zal mijn best doen, maar ik beloof niets.

--Ach, hij is verloren, hij is nu voor goed verloren! riep mevrouw Correur. Ik voel het, ziet u.... We willen niets zeggen. Als wij u alles zeiden....

Zij zweeg en beet in haar zakdoek.

--En ik had hem in geen twintig jaar gezien! En nu vind ik hem terug om hem misschien nooit meer terug te zien! Hij is zoo goed geweest, o zoo goed!

Herminie haalde even haar schouders op. Zij gaf Rougon een wenk, als om hem te kennen te geven, dat hij de wanhoop van een zuster vergeven moest, maar dat de notaris de grootste schelm was.

--In uw plaats, hernam zij, zou ik alles vertellen. Dat zou beter zijn.

Toen scheen mevrouw Correur een groot besluit te nemen. Ze sprak nog zachter.

--U herinnert u het Te Deum dat men overal gezongen heeft, toen de keizer zoo wonderbaarlijk aan den dood ontsnapt is, voor de Opera.... Nu, den dag waarop men het Te Deum in Coulonges gezongen heeft, vroeg een buurman aan Martineau of hij niet naar de kerk ging, en de ongelukkige antwoordde: --Waartoe, naar de kerk? Ik lach wat om den keizer!

--Ik lach wat om den keizer! herhaalde juffrouw Herminie Billecoq met een ontsteld gelaat.

--Begrijpt u nu mijn vrees, ging mevrouw Correur voort. Ik heb het u al gezegd, het zou niemand in het land verwonderen als men hem arresteerde.

Terwijl zij deze woorden sprak, keek zij Rougon strak aan. Deze sprak niet dadelijk. Hij scheen een laatsten ondervragenden blik te werpen op dat dikke, zachte vleesch, waarin fletse oogen knipten onder de weinige blonde haren van de wenkbrauwen. Zijn blik bleef een oogenblik op den vollen, blanken hals rusten.

Daarop strekte hij de armen uit en riep:

--Ik vermag niets, dat verzeker ik u. Ik ben de baas niet.

En hij gaf redenen op. Hij was te angstvallig, zei hij, om in dergelijke zaken tusschenbeide te komen. Indien de justitie er al in gemengd was, moesten de zaken haar loop hebben. Hij had liever gehad dat hij mevrouw Correur niet kende, want zijn vriendschap voor haar bond hem de handen; hij had zich plechtig voorgenomen zekere diensten nooit aan zijn vrienden te bewijzen. Enfin, hij zou inlichtingen inwinnen. En hij trachtte haar reeds te troosten, alsof haar broer al naar de een of andere strafkolonie onder weg was. Zij boog het hoofd; een hikkend geluid schudde den zwaren blonden haarbos, die in haar nek afhing. Maar zij kwam toch eindelijk tot kalmte. Toen zij afscheid nam, duwde zij Herminie voor zich uit en zei:

--Mejuffrouw Herminie Billecoq.... Ik heb u haar al voorgesteld, geloof ik. Mijn hoofd is zoo ziek!.... 't Is die juffrouw, voor wie we eindelijk een huwelijksgift gevonden hebben. De officier, haar verleider, heeft haar nog niet kunnen huwen, door de eindelooze formaliteiten.... Bedank Zijn Excellentie, liefste.

Het lange meisje kreeg een kleur en zette een gezicht als een onschuldig kind, in wier tegenwoordigheid men een onbetamelijk gezegde uit. Mevrouw Correur liet haar voorgaan; en daarop met een hartelijken handdruk van Rougon afscheid nemende, voegde zij er bij:

--Ik reken op u, Eugène.

Toen de minister in het kleine salon terugkeerde, vond hij dit ledig. Du Poizat was er in geslaagd den afgevaardigde, den eersten adjunct en de zes leden van het Genootschap ter beoefening der Statistiek weg te zenden. Mijnheer Kahn zelf was vertrokken, nadat hij met de anderen tegen tien uur in den volgenden dag had afgesproken. De eenigen die zich nog in de eetzaal bevonden, waren de vrouw van den directeur en Gilquin, die taartjes aten en over Parijs praatten; Gilquin keek smachtend, sprak over de wedrennen, de schilderijen-tentoonstelling, een eerste voorstelling van de Comédie française, met de gemakkelijkheid van een man, die gewoon is zich in alle kringen te bewegen. In dien tusschentijd gaf de directeur den prefect fluisterend eenige inlichtingen omtrent een leeraar van het vierde jaar, die onder verdenking stond republikeinsch gezind te zijn. Het was elf uur. Men stond op en groette Zijn Excellentie; en Gilquin trok zich juist terug met den directeur en zijn vrouw, welke laatste hij zijn arm aanbood, toen Rougon hem terug hield.

--Mijnheer de commissaris, een woordje alsjeblieft.

Toen zij alleen waren, richtte hij zich tegelijk tot den commissaris en den prefect.

--Wat is dat toch met die zaak Martineau?.... Heeft die man zich werkelijk zoo gecompromitteerd?

Op Gilquin's gelaat verscheen een glimlach. Du Poizat verstrekte eenige inlichtingen.

--Mijn hemel, ik dacht niet aan hem. Men heeft hem aangeklaagd. Ik heb brieven ontvangen. Het is zeker dat hij zich met de politiek bemoeit. Maar er hebben al vier arrestaties in het departement plaats gehad. Ik had liever, om het vijftal bijeen te krijgen, een leeraar van het vierde leerjaar in de doos willen stoppen; die leest zijn leerlingen revolutionnaire boeken voor.

--Ik heb zeer ernstige feiten vernomen, zei Rougon gestreng. De tranen van zijn zuster moeten dien Martineau niet redden, als hij werkelijk zoo gevaarlijk is. Dat is een kwestie waarbij het algemeen belang betrokken is.

En zich tot Gilquin wendend:

--Wat denkt gij er van?

--Ik zal morgen tot de arrestatie overgaan, antwoordde deze. Ik ken de heele zaak. Ik heb mevrouw Correur in het hôtel de Paris gesproken, waar ik gewoonlijk dineer.

Du Poizat maakte geen enkele tegenwerping. Hij haalde een zakboekje voor den dag, schrapte daarin een naam door om er een anderen boven te schrijven, terwijl hij den commissaris op het hart drukte in ieder geval een oogje op den bewusten leeraar te houden. Rougon vergezelde Gilquin tot aan de deur. Hij hernam:

--Die Martineau is ongesteld, geloof ik. Ga persoonlijk naar Coulonges. Ga zoo zacht mogelijk te werk.

Maar Gilquin nam een beleedigde houding aan. Hij verloor allen eerbied uit het oog, hij tutoyeerde Zijn Excellentie.

--Zie je me voor een gemeenen verklikker aan! riep hij. Vraag aan Du Poizat die historie van een apotheker, dien ik eergisteren nacht uit zijn bed gelicht heb. De vrouw van een deurwaarder lag bij hem. Niemand heeft er iets van geweten. Ik ga altijd als een man van de wereld te werk.

Rougon sliep negen uur achtereen. Toen hij den volgenden morgen tegen half negen ontwaakte, liet hij Du Poizat roepen, die heel opgewekt binnentrad, met een sigaar in den mond. Zij praatten en schertsten als eertijds, toen zij bij mevrouw Mélanie woonden en elkander 's morgens met een paar klappen op de bloote dijen wekten. Terwijl hij zich waschte en kamde, vroeg de minister den prefect naar de bijzonderheden van het land, de aangelegenheden van de ambtenaren, de behoeften van de eenen, de ijdelheden van de anderen. Hij wenschte ieder een vriendelijk woord toe te kunnen voegen.

--Wees maar gerust, ik zal uw souffleur zijn! zei Du Poizat glimlachend.

En in enkele woorden bracht hij hem op de hoogte, hij lichtte hem in over de personen met wie hij in aanraking zou komen. Rougon liet hem soms een feit herhalen om het beter in zijn geheugen te prenten. Om tien uur kwam mijnheer Kahn. Zij ontbeten met hun drieën en stelden middelerwijl de laatste bijzonderheden van de plechtigheid vast. De prefect zou een rede houden, mijnheer Kahn ook. Rougon zou het laatst het woord voeren. Maar het zou misschien goed zijn nog een vierde redevoering uit te lokken. Een oogenblik dachten zij aan den burgemeester, maar Du Poizat vond hem te dom, en hij ried aan den hoofdingenieur van bruggen en wegen te kiezen, die daartoe ook de aangewezen persoon was, maar mijnheer Kahn was ietwat bang voor zijn bedilzucht. Toen men van tafel opstond, nam mijnheer Kahn den minister terzijde om hem de punten aan te wijzen, waarop hij hem gaarne een bijzonderen nadruk zou zien leggen. Men zou om halfelf op de prefectuur samenkomen. De burgemeester kwam met zijn eersten adjunct; de burgemeester stamelde, het had hem zoo gespeten dat hij den vorigen dag niet in Niort was geweest, terwijl de eerste adjunct met veel vertoon vroeg of Zijn Excellentie een goeden nacht had doorgebracht, of zij al van de vermoeienis bekomen was. Eindelijk verschenen de president van de rechtbank, de procureur des keizers met zijn twee substituten, de hoofdingenieur van de wegen en bruggen, waarop in een rij volgden de ontvanger, de directeur der directe belastingen en de bewaarder der hypotheken. Verscheidene van die heeren waren met hun dames. De vrouw van den directeur, de mooie blondine, in een zeer opvallend hemelsblauw toilet, veroorzaakte een groote emotie; zij verzocht Zijn Excellentie haar man te verontschuldigen, die den vorigen avond een aanval van jicht gekregen had. Intusschen kwamen er nog andere autoriteiten: de kolonel van het 78e linie-regiment, de president van de rechtbank van koophandel, de twee kantonrechters, de opperhoutvester vergezeld van zijn drie dochters, leden van den gemeenteraad, afgevaardigden van het Genootschap ter beoefening der Statistiek en van den raad van scheidsrechters.