Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 22

Chapter 223,898 wordsPublic domain

Maar zij gaf een knipoogje en haalde uit haar zak een met goud geborduurd roodzijden tabakszakje voor den dag, niet veel grooter dan een beurs. Daarop rolde zij een cigarette tusschen haar dunne vingers. En daar zij niet wilden schellen, hielden zij door de heele kamer jacht op lucifers. Eindelijk vonden zij er drie op het hoekje van een buffet; zij nam ze zorgvuldig mee. En met een cigarette tusschen de lippen, languit op haar stoel uitgestrekt, begon zij met kleine teugjes haar koffie te drinken, Rougon glimlachend aanziende.

--Nu, ik ben geheel tot uw dienst, zei deze, eveneens glimlachend. Ge hadt te praten, laten we dus praten.

Zij maakte een gebaar alsof het er niet op aankwam.

--Ja. Ik heb een brief van mijn man gekregen. Hij verveelt zich in Turijn. Hij is heel blij dat hem die zending door uw toedoen opgedragen is, maar hij wil daar niet vergeten worden.... Maar daar zullen we straks over spreken. Er is geen haast bij.

Zij begon weer te rooken en hem aan te kijken met haar prikkelenden glimlach. Rougon was er langzamerhand aan gewoon geraakt haar te zien, zonder zich de vragen te stellen die vroeger zijn nieuwsgierigheid zoo gaande maakten. Zij had zich eindelijk in zijn gewoonten gedrongen, hij beschouwde haar nu als een goede bekende, wier zonderlingheden hem geen schok van verbazing meer gaven. Maar eigenlijk wist hij nog altijd niets nauwkeurigs omtrent haar, hij kende haar nog evenmin als in de eerste dagen. Zij bleef vol afwisseling, kinderlijk en diepzinnig, meestal dom, somtijds bijzonder slim, heel zachtzinnig en zeer ondeugend. Wanneer zij hem nog een enkele maal verraste door een gebaar, een woord waarvoor hij geen verklaring vond, haalde hij de schouders op en zei dat alle vrouwen zoo waren. En hij dacht daarmee een groote minachting voor de vrouwen te toonen, wat Clorinde nog scherper deed glimlachen, met een wreeden glimlach, die haar tanden tusschen de roode lippen te voorschijn deed komen.

--Waarom kijkt ge me toch zoo aan? vroeg hij eindelijk, gehinderd door die groote oogen, op hem gevestigd. Heb ik iets dat u niet aanstaat?

Een verborgen gedachte schitterde in Clorinde's oogen, terwijl twee rimpels een hardvochtige uitdrukking aan haar mond gaven. Maar zij lachte weer dadelijk allerliefst, blies dunne rookwolkjes uit en zei:

--Neen, neen, ik vind dat ge er heel goed uitziet.... Ik dacht aan iets, mijn waarde. Weet ge dat ge aardig geboft hebt?

--Hoe dat?

--Zeker.... Nu hebt ge het toppunt van uw wenschen bereikt. Iedereen heeft u een duwtje gegeven, de omstandigheden zelfs hebben meegewerkt.

Hij wou antwoorden, toen er geklopt werd. Clorinde verborg werktuigelijk haar cigarette achter haar japon. Het was een ambtenaar die Zijn Excellentie een telegram overbracht, waarbij groote haast was. Rougon las het telegram met een knorrig gezicht en duidde den ambtenaar aan hoe het antwoord moest luiden. Daarop sloot hij driftig de deur, en zei, terwijl hij weer ging zitten:

--Ja, ik heb heel veel toewijding van mijn vrienden ondervonden. Ik hoop er aan te denken. En ge hebt gelijk, ik moet zelfs de omstandigheden dankbaar zijn. Een mensch vermag dikwijls niets wanneer de omstandigheden hem niet behulpzaam zijn.

Terwijl hij deze woorden sprak, keek hij haar aan, met neergeslagen oogleden, opdat zij niet zou zien hoe aandachtig hij haar beschouwde. Waarom sprak zij van geluk? Wat wist zij met juistheid van de gunstige omstandigheden waarop zij zinspeelde? Had Du Poizat soms gebabbeld? Maar als hij haar zoo glimlachend en peinzend zag zitten, met een gelaat verteederd door de herinnering aan het een of andere zinnelijke genot, begreep hij dat haar hoofd met andere dingen vervuld was; zij wist bepaald niets. Hij zelf vergat liever, hield er niet van zich in oude herinneringen te verdiepen. Hij geloofde eindelijk dat hij zijn hooge positie inderdaad aan de toewijding zijner vrienden te danken had.

--Ik wou niets zijn, men heeft mij tegen wil en dank voortgedreven, ging hij voort. Enfin, de zaken hebben een gunstigen keer genomen. Als ik er in slaag eenig goed te doen, ben ik tevreden. Hij dronk zijn koffie uit. Clorinde rolde een tweede cigarette.

--Herinnert ge u nog, zei ze zachtjes, twee jaar geleden, toen ge uit den raad van State traadt, dat ik u naar de reden van dien plotselingen stap vroeg? Wat een geheimzinnigheid, toen! Maar nu kunt ge spreken.... Komaan, spreek nu eens eerlijk op, hadt ge toen een bepaald plan?

--Men heeft altijd een plan, antwoordde hij met een fijn lachje. Ik begreep dat ik vallen zou, en trad liever uit eigen beweging af.

--En hebt ge uw plan ten uitvoer gebracht, zijn de zaken juist zoo gegaan als ge het voorzien hadt?

--Wel neen, antwoordde hij met een vertrouwelijk knipoogje, ge weet wel dat het nooit zoo uitkomt.... Als men zijn doel maar bereikt!

En hij viel zichzelf in de rede, met de vraag:

--Curaçao of chartreuse?

Zij nam een glaasje chartreuse aan. Terwijl hij bezig was in te schenken, werd er weer geklopt. Zij verborg haar cigarette weer, met een gebaar van ongeduld. Hij stond op, met de karaf in de hand. Ditmaal was het voor een verzegelden brief. Hij las hem snel door, stak hem in den zak van zijn overjas en zei:

--'t Is goed! En nu wil ik niet meer gestoord worden, begrepen?

Clorinde doopte haar lippen in de chartreuse, met zeer kleine teugjes drinkende, terwijl zij hem met schitterende oogen tersluiks aankeek. Haar gelaat droeg weder die teedere uitdrukking van zooeven. Heel zachtjes, met de ellebogen op de tafel geleund, zei ze:

--Neen, mijn waarde, ge zult nooit beseffen wat men voor u gedaan heeft.

Hij schoof dichterbij, lei ook de ellebogen op de tafel, en riep op levendigen toon:

--Dat is waar ook, dat zou u me vertellen! Nu niets meer achterhouden, hoor! Vertel nou alles wat je gedaan hebt!

Zij stak haar kin vooruit en schudde langzaam van neen, terwijl zij haar cigarette vast tusschen haar lippen drukte.

--Is het zoo verschrikkelijk? Misschien zijt ge bang dat ik mijn schuld niet af kan betalen? Wacht laat ik eens probeeren of ik het raden kan, Ge hebt aan den paus geschreven, misschien een gewijde hostie in mijn waterpot te weeken gelegd, zonder dat ik het gemerkt heb?

Maar zij werd boos om die aardigheid. Ze dreigde heen te gaan, als hij zoo voortging.

--Spot niet met den godsdienst, zei ze. Dat zou u ongeluk aanbrengen.

Toen weer wat kalmer, met haar hand den rook verdrijvende die Rougon scheen te hinderen, hernam zij met een bijzonderen nadruk:

--Ik heb heel wat menschen gesproken, ik heb vrienden aangeworven.

Ze voelde een booze behoefte om hem alles te vertellen. Ze verlangde hem te doen weten op welke manier zij aan zijn geluk gewerkt had. Die bekentenis was een eerste voldoening, in haar zoo geduldig verborgen wrok. Wanneer hij aangedrongen had, zou zij hem alles nauwkeurig verteld hebben,

--Ja, ja, herhaalde zij, mannen wier opinies lijnrecht tegenover de uwe stonden, heb ik voor u moeten winnen, mijn waarde.

Rougon was doodsbleek geworden. Hij had haar begrepen.

--Zoo, zei hij eenvoudig.

Hij zocht dit onderwerp te vermijden. Maar zij richtte haar donkeren blik kalm en onbeschaamd op den zijnen, met een ingehouden lach. Toen ondervroeg hij haar.

--Mijnheer de Marsy, nietwaar?

Ze knikte bevestigend, terwijl zij een rookwolk achter haar schouders blies.

--Ridder Rusconi?

Zij antwoordde nogmaals ja.

--Mijnheer Lebeau, mijnheer de Salneuve, mijnheer Guyot-Laplanche?

Zij antwoordde weer ja. Maar bij den naam van mijnheer de Plouguern protesteerde zij. Die niet. En zij dronk langzaam haar glaasje chartreuse leeg, met een zegevierend gezicht.

Rougon was opgestaan. Hij ging naar het einde van de kamer, kwam daarna achter haar staan en fluisterde haar toe:

--Waarom dan niet met mij?

Zij keerde zich plotseling om, uit vrees dat hij een kus op haar haren zou drukken.

--Met u, dat was niet noodig! Waartoe, met u?.... Dat is ook niet snugger. Met u hoefde ik uw zaak niet te bepleiten.

En toen hij haar woedend aankeek, barstte zij in een schaterlach uit.

--Ach, hoe onnoozel is hij nog! Men kan geen schertsend woord zeggen, hij gelooft alles wat men hem vertelt!.... Kom, kom, mijn waarde, gelooft ge mij werkelijk in staat om zoo'n handel te drijven? En nog wel als een liefdedienst! Trouwens, als ik al die laagheden begaan had, zou ik ze u zeker niet vertellen!.... Neen, heusch, ge zijt vermakelijk!

Rougon keek een oogenblik uit het veld geslagen. Maar de ironische manier waarop zij zichzelf tegensprak, maakte haar nog uitdagender, en haar geheele persoon, de lach in haar keel, de flikkering in haar oogen, herhaalden haar bekentenis, zeiden toch ja. Hij strekte de armen reeds uit om haar te omvatten, toen er ten derden male geklopt werd.

--Nu bedank ik er voor, mompelde zij, ik houd mijn cigarette in den mond.

Een bode trad hijgend binnen en kondigde stamelend aan dat Zijn Excellentie de minister van Justitie Zijn Excellentie wenschte te spreken, en hij keek schuins naar de dame die daar zat te rooken.

--Zeg dat ik uit ben! riep Rougon. Ik ben voor niemand te spreken, hoort ge!

Toen de bode buigend en achteruit tredend de kamer verlaten had, maakte Rougon zich vreeselijk boos; hij beukte met zijn vuist op de meubels. Men liet hem geen oogenblik om op adem te komen; gisteren avond had men hem zelfs in zijn kleedkamer achtervolgd, terwijl hij bezig was zich te scheren. Clorinde ging vastberaden naar de deur.

--Wacht, zei ze. Nu zal men ons niet meer lastig vallen.

Ze nam den sleutel, stak dien binnen in het slot en sloot de deur af.

--Ziedaar. Nu kan men kloppen.

En ze rolde een derde cigarette, terwijl ze voor het venster stond. Hij dacht aan een toegeefelijke bui. Hij kwam dicht bij haar staan en fluisterde haar toe:

--Clorinde!

Zij bewoog zich niet en hij hernam nog zachter:

--Clorinde, waarom wil je niet?

Dat vertrouwelijke "je" liet haar kalm. Zij knikte van neen, maar zwakjes, alsof ze hem wou aanmoedigen, tot het uiterste drijven. Hij durfde haar niet aanraken, in een plotselinge beschroomdheid. Maar eindelijk zoende hij haar toch in den nek, onder haar opgestoken haar. Toen keerde zij zich om en riep op verachtelijken toon:

--Krijg je het weer te pakken, mijn waarde? Ik dacht dat je het al te boven was. Wat een vreemde man ben je toch! Je kust de vrouwen na anderhalf jaar bedenktijd!

Hij wierp zich op haar en haar hand grijpend, overdekte hij die met kussen.

Zij liet hem begaan en bleef hem bespotten, zonder zich boos te maken.

--Als je me maar niet in mijn vingers bijt, dat is al wat ik van je verlang.... Dat had ik toch niet van je gedacht! Je was zoo verstandig geworden toen ik je in de rue Marbeuf kwam bezoeken. En nu begint die dwaasheid weer, omdat ik je gemeene dingen vertel, die Goddank nooit bij me opgekomen zijn! 't Is wat moois, hoor!.... Ik ben zoo lang niet verliefd. Dat is al oude kost. Je hebt mij niet willen hebben, ik wil jou niet meer.

--Luister eens, al wat je wil kan je van me gedaan krijgen, fluisterde hij.

Maar zij zei weer neen, strafte hem in zijn vleeschelijke begeerten voor zijn vroegere versmading, genoot daardoor een eerste wraakneming. Ze had verlangd dat hij oppermachtig zou zijn om hem te kunnen weigeren, zijn mannelijken trots te wonden.

--Nooit, nooit! herhaalde zij telkens.... Weet je het dan niet meer? Nooit!

Toen verlaagde Rougon zich zoozeer, dat hij haar te voet viel. Hij greep haar rokken en zoende haar knieën door de zijden stof heen. Het was de zachte japon van mevrouw Bouchard niet, de stof was hinderlijk dik, en toch bedwelmde ze hem door haar geur. Zij haalde haar schouders op en gunde hem haar rokken. Maar hij werd stoutmoediger, zijn handen grepen naar haar voeten aan den rand van haar strook.

--Pas op! zei ze kalmpjes.

En toen hij zijn handen verder uitstak, drukte zij hem het brandende einde van haar cigarette op het voorhoofd. Hij deinsde met een schreeuw terug, wou zich weer op haar werpen. Maar zij was hem te vlug af, met een sprong stond zij tegen den muur naast den haard en hield zij het schelkoord in de hand.

--Ik schel, zei ze, en ik zeg dat gij me hier opgesloten hebt!

Hij trilde op zijn voeten, en met de vuisten tegen het bonzende hoofd gedrukt, bleef hij een paar seconden onbewegelijk staan. Met een geweldige krachtsinspanning dwong hij zich weer tot kalmte, ofschoon zijn ooren nog suisden en zijn oogen een rooden gloed zagen.

--Ik ben een domkop, mompelde hij. 't Is zoo dwaas mogelijk.

Clorinde lachte zegevierend en las hem de les. Hij deed er verkeerd aan de vrouwen te minachten; later zou hij moeten erkennen dat er ook flinke vrouwen waren. Toen sloeg ze weer een goedigen toon aan.

--We zijn toch niet boos op elkander, hè?.... Zie je, je moet me nooit zoo iets vragen. Ik wil het niet, ik heb er geen lust in.

Rougon liep beschaamd heen en weer. Zij liet het schelkoord los en ging weer voor de tafel zitten, waar zij zich een glas suikerwater gereed maakte.

--Ik heb dan een brief van mijn man gekregen, hernam ze bedaard. Ik had vanmorgen zooveel te doen, dat ik mijn belofte om bij je te komen ontbijten niet gehouden zou hebben, als ik niet verlangend geweest was hem je te laten zien. Hier is hij. Hij herinnert je aan je beloften.

Hij nam den brief en las hem onder het heen en weer loopen. Toen wierp hij hem met een verdrietig gebaar voor haar neer.

--Welnu? vroeg zij.

Maar hij sprak niet dadelijk. Hij zette een hoogen rug en geeuwde even.

--Hij is dwaas, zei hij eindelijk.

Zij was zeer geraakt. Sedert eenigen tijd duldde zij niet meer dat men aan de bekwaamheden van haar man scheen te twijfelen. Zij boog een oogenblik het hoofd, de trilling van verontwaardiging in haar handen bedwingende. Langzamerhand maakte zij zich vrij van haar onderdanigheid als leerling, scheen zij kracht genoeg aan Rougon ontleend te hebben om zich als een geduchte tegenstandster tegenover hem te stellen.

--Als wij dien brief lieten zien, zou hij een verloren man zijn, zei de minister, die een neiging voelde om den tegenstand van de vrouw op den man te wreken. Het zal zoo gemakkelijk niet gaan den goeden man een betrekking te bezorgen.

--Ge overdrijft, mijn waarde, hernam zij na een kort stilzwijgen. Vroeger heette het dat hij een prachtige toekomst had. Hij bezit hoedanigheden, die hem tot een ernstig, degelijk mensch maken. Kom, kom, het zijn niet altijd de flinkste koppen die het meest vooruitkomen!

Rougon zette zijn wandeling voort. Hij haalde de schouders op.

--Het is uw belang dat hij aan het ministerie komt. Ge zult een vriend meer aan hem hebben. Wanneer de minister van landbouw en handel werkelijk zijn ontslag neemt, zooals men zegt, dan is het een prachtige gelegenheid. Mijn man is daartoe bevoegd en zijn zending naar Italië vestigt de aandacht van den keizer op hem. Ge weet dat de keizer bijzonder op hem gesteld is; ze kunnen heel goed met elkander overweg; ze hebben dezelfde ideeën. Het behoeft u maar éen woord te kosten en de zaak krijgt haar beslag.

Hij liep nog een paar malen zwijgend de kamer rond. Toen bleef hij voor haar stilstaan en zei:

--Mij goed dan.... Er zijn er wel dommer.... Maar ik doe het uitsluitend voor u. Ik wil u ontwapenen. Want ik geloof niet dat ge zoo gemakkelijk zijt. Ge vergeeft niet licht, is het wel?

Hij schertste. Zij begon ook te lachen, en zei:

--Juist zoo. Ik vergeef en ik vergeet niet licht.

Toen zij hem verliet, hield hij haar nog even staande. Tot tweemaal toe drukten zij elkander krachtig de hand, zonder er een woord bij te voegen.

Zoodra Rougon alleen was, keerde hij naar zijn kabinet terug. De groote kamer was ledig. Hij ging voor zijn schrijftafel zitten, met de ellebogen op den rand van het vloeiboek, diep ademhalend. Zijn oogleden vielen dicht, als versuft zat hij daar bijna tien minuten in dezelfde houding. Maar op eens sprong hij op en rekte zich de armen uit. Hij schelde en Merle verscheen.

--Mijnheer de prefect van de Somme wacht nog altijd, niet waar?.... Laat hem binnenkomen.

De prefect van de Somme trad binnen, bleek en glimlachend, zijn kleine gestalte zoo hoog mogelijk oprichtend. Hij maakte heel correct zijn compliment voor den minister. Rougon verzocht hem plaats te nemen.

--Ik zal u zeggen, mijnheer de prefect, waarom ik u ontboden heb. Er zijn instructies die men slechts mondeling kan geven.... U zult wel weten dat de revolutionnaire partij het hoofd opsteekt. We zijn slechts een haarbreed van een ontzettenden ramp af geweest. Kortom, het land wil gerustgesteld worden, de krachtige bescherming der regeering boven zich voelen. Van zijn kant is Zijn Majesteit de keizer besloten voorbeelden te stellen, want tot dusverre heeft men een schandelijk misbruik van zijn goedheid gemaakt....

Hij sprak langzaam, achterover geleund in zijn armstoel en spelend met een groot stempel met agaten hecht. De prefect knikte goedkeurend bij ieder zinsdeel.

--Uw departement, ging de minister voort, is een van de minst goedgezinde. De republikeinsche kanker....

--Ik doe alle pogingen.... wilde de prefect zeggen.

--Laat me uitspreken.... moet dus met opzienbarende gestrengheid onderdrukt worden. Ik heb u hier laten komen om mij hieromtrent met u te verstaan.... We hebben hier een lijst samengesteld....

En hij zocht onder zijn papieren. Hij nam een dossier ter hand, en doorbladerde het.

--Het aantal arrestaties, die noodig geoordeeld zijn, heeft men over geheel Frankrijk moeten verdeelen. Het totaal voor ieder departement is evenredig aan den indruk dien men teweeg wil brengen. Begrijp onze bedoelingen goed. Hier bijvoorbeeld, in Haute-Marne, waar de republikeinen een zeer geringe minderheid vormen, slechts drie arrestaties. La Meuse daarentegen, vijftien.... Wat uw departement aangaat, de Somme nietwaar? we zeggen de Somme....

Hij sloeg de bladen om en knipte met zijn dikke oogleden. Eindelijk hief hij het hoofd op en keek den ambtenaar strak aan.

--Mijnheer de prefect, u zorgt dat er twaalf arrestaties plaats vinden.

Het bleeke mannetje boog en herhaalde:

--Twaalf arrestaties.... Ik heb Zijn Excellentie volkomen begrepen.

Maar hij bleef onthutst. Nadat hij nog enkele minuten met den minister gesproken had en deze hem een teeken gaf dat hij kon heengaan, vermande hij zich en vroeg:

--Zou Zijn Excellentie mij de personen kunnen aanwijzen?....

--O, arresteer wien ge wilt!.... Ik kan me met al die bijzonderheden niet inlaten, ik zou het al te druk krijgen. En ga van avond nog op reis, dan kunt u morgen met de arrestaties beginnen.... Maar één ding raad ik u, begin van boven af. U hebt daar wel advokaten, kooplieden, apothekers, die zich met de politiek bemoeien. Stop al die lui in de doos. Dat maakt meer effect.

De prefect streek bezorgd over zijn voorhoofd, hij raadpleegde zijn geheugen om advokaten, kooplieden en apothekers te vinden. Hij knikte intusschen nog steeds goedkeurend. Maar Rougon was zeker niet voldaan met zijn weifelende houding.

--Ik wil u niet verhelen, hernam hij, dat Zijn Majesteit op het oogenblik zeer ontevreden is over het administratieve personeel. Het kon wel zijn, dat er spoedig groote mutatiën zullen plaats vinden. We hebben mannen vol ijver en toewijding noodig, in deze ernstige tijdsomstandigheden.

Dat werkte als een zweepslag.

--Zijn Excellentie kan op mij rekenen, riep de prefect. Ik heb mijn mannen al; een apotheker in Péronne, een lakenkoopman en een papierfabrikant in Doullens; en wat de advokaten aangaat, die zijn er genoeg.... O, ik verzeker Zijn Excellentie dat ik de twaalf bijeen krijg.... Ik ben een oud dienaar van het keizerrijk.

Hij zei nog iets van het land redden en ging met een diepe buiging heen.

De minister wierp hem een twijfelenden blik achterna, hij had niet veel vertrouwen in kleine menschen. Zonder te gaan zitten, streepte hij de Somme op de lijst door. Meer dan twee-derden van de departementen waren al doorgestreept.

Toen hij Merle nogmaals schelde, zag hij tot zijn ergernis dat de voorkamer nog altijd vol was. Hij meende zelfs de dames voor de tafel te herkennen.

--Ik had je gezegd dat je iedereen weg zou sturen, riep hij. Ik ga uit, ik kan niet ontvangen.

--Mijnheer de directeur van de Voeu national is er, mompelde de bode.

Rougon had hem vergeten. Hij vouwde de handen op zijn rug en gaf bevel hem binnen te laten. Het was een man van omtrent veertig jaren, keurig gekleed, met een dik gezicht.

--Zoo, is u daar, mijnheer, zei de minister op ruwen toon. Zoo kan het onmogelijk voortgaan, dat waarschuw ik u vooruit!

En hij wandelde op en neer, terwijl hij de pers met scheldwoorden overlaadde. Zij bracht de heele maatschappij uit haar verband, ze oefende een demoraliseerenden invloed uit, zij spoorde tot allerlei ongeregeldheden aan. Journalisten telde hij nog minder dan straatroover; van een dolksteek kan men opkomen, terwijl pennesteken vergiftig zijn; en hij vond nog andere, liefelijke vergelijkingen. Langzamerhand wond hij zichzelf op, hij maakte woedende gebaren, zijn stem klonk als het rommelen van den donder. De directeur boog het hoofd onder den storm. Met een verschrikt, deemoedig gezicht vroeg hij:

--Als Zijn Excellentie mij zou willen uitleggen, ik begrijp niet goed waarom.

--Wat, waarom? schreeuwde Rougon nijdig.

Hij greep een krant, vouwde die open op zijn schrijftafel en toonde hem de kolommen, die hij met rood potlood had aangestreept.

--Er staan geen tien regels in waarop niets aan te merken valt! In uw hoofdartikel schijnt u de onfeilbaarheid der regeering ten opzichte van haar repressieve maatregelen te betwijfelen. In dit entrefilet op de tweede bladzijde lijkt het wel of u op mijn persoon zinspeelt, wanneer u spreekt van parvenu's die onbeschaamd zegevieren. In uw gemengd nieuws vind ik allerlei vieze histories en domme uitvallen tegen de hoogere standen.

De directeur vouwde vertwijfeld de handen en trachtte iets in het midden te brengen.

--Ik verzeker Zijn Excellentie op mijn eerewoord.... Ik ben wanhopig dat Zijn Excellentie ook maar een oogenblik heeft kunnen onderstellen.... Ik, die voor zijn Excellentie zoo'n bewondering koester....

Maar Rougon luisterde niet naar hem.

--En het ergste, mijnheer, is dat iedereen weet door welke banden gij aan de regeering verbonden zijt. Hoe kunnen de andere bladen ons eerbiedigen?.... Al mijn vrienden wezen mij vanmorgen op die schandelijke artikelen.

Toen schreeuwde de directeur met Rougon mee. Die artikelen waren hem niet onder de oogen gekomen. Maar hij zou al de redacteurs wegjagen. Als Zijn Excellentie het goed vond, zou hij Zijn Excellentie iederen morgen een proefnummer toezenden. Rougon, opgelucht, weigerde; hij had geen tijd. En hij dreef den directeur naar de deur, toen hij zich bedacht.

--Ik vergat nog wat. Uw feuilleton is afschuwelijk. Die deftige dame die haar man bedriegt, is een verfoeielijk argument tegen een goede opvoeding. Men moet niet laten zeggen dat een welopgevoede dame een misstap kan begaan.

--Het feuilleton maakt veel opgang, mompelde de directeur, die weer ongerust werd. Ik heb het gelezen, ik vond het heel boeiend.

--Zoo, hebt u het gelezen. Nu, krijgt die ongelukkige vrouw ten slotte gewetenswroeging?

De directeur bracht onthutst de hand aan het voorhoofd, en zocht zich te herinneren.

--Gewetenswroeging! Neen, dat geloof ik niet.

Rougon had de deur geopend. Hij deed ze achter hem dicht, terwijl hij hem nariep:

--Ze moet bepaald wroeging krijgen!.... Eisch van den schrijver dat hij haar wroeging geeft!

IX.