Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 21
Die opmerking werd heel geestig gevonden. Men lachte er hartelijk om. Eindelijk kon mijnheer Bouchard de stukken weer meenemen. Rougon was opgestaan; hij had geen rust in zijn beenen, zei hij; dat regenweer maakte hem ongedurig. Intusschen begon de ochtend op te schieten; in de aangrenzende kamers werd druk geloopen; deuren werden open en dicht gedaan; een gedempt geluid van stemmen liet zich aan alle kanten vernemen. Verscheidene ambtenaren kwamen nog stukken ter teekening aanbieden. Het was een onophoudelijk heen en weer geloop, de administratieve machine was in volle werking, met een buitengewone verspilling van papieren, die van het eene bureau naar het andere gebracht werden. En te midden van al die bedrijvigheid, achter de deur, in de voorkamer, hoorde men de diepe berustende stilte van het twintigtal personen, die daar indommelden onder de blikken van Merle, in afwachting dat Zijne Excellentie hen wilde ontvangen. Rougon, op eens in blakenden ijver ontvlamd, gaf halfluide bevelen in een hoekje van zijn kabinet, voer plotseling heftig uit tegen den een of anderen bureauchef, deelde de werkzaamheden uit, ruimde met éen woord allerlei moeilijkheden uit den weg, onbeschaamd, met een opgeblazen nek en een gelaat, barstend van kracht. Merle trad binnen, met zijn bedaarde waardigheid die zich niet door afwijzingen liet terugschrikken.
--Mijnheer de prefect van de Somme.... begon hij.
--Alweer! riep Rougon woedend uit.
De bediende boog en wachtte tot hij aan het woord kon komen.
--Mijnheer de prefect van de Somme heeft me verzocht aan Uw Excellentie te vragen of zij hem van morgen ontvangen kon. In het tegenovergestelde geval vraagt hij of Uw Excellentie zoo goed zou willen zijn hem een uur voor morgen te bepalen.
--Ik zal hem van morgen ontvangen. Laat hij nog een beetje geduld hebben, wat duivel!
De deur van het kabinet was open blijven staan, en men kon in de voorkamer zien, een ruim vertrek, met een groote tafel in het midden en een rij van roodfluweelen fauteuils langs de muren. Alle fauteuils waren bezet; er stonden zelfs twee dames voor de tafel. De hoofden werden bescheiden omgewend, smeekende blikken gleden in het kabinet van den minister, blikken waarin de begeerte schitterde binnen te mogen treden. Dicht bij de deur zat de prefect van de Somme, een bleek mannetje, met zijn twee collega's van le Jura en le Cher te praten. En terwijl hij een beweging maakte om op te staan, in de stellige meening dat hij eindelijk binnen gelaten werd, hernam Rougon, zich weer tot Merle richtend:
--Over tien minuten, versta je. Ik kan op het oogenblik niemand ontvangen.
Maar hij had nog niet uitgesproken of hij zag mijnheer Beulin-d'Orchère door de voorkamer komen. Hij ging hem haastig tegemoet, drukte hem de hand en trok hem mee naar zijn kamer, terwijl hij uitriep:
--Kom binnen, kom binnen! Je hebt toch niet gewacht, hoop ik?.... Wat heb je voor nieuws?
De deur ging dicht voor de verslagen gezichten der wachtenden. Rougon en Beulin-d'Orchère voerden een fluisterend onderhoud voor een der vensters; de magistraat, die kort geleden tot eersten president van het hof van Parijs benoemd was, dong naar het ambt van zegelbewaarder, maar de keizer, dien men hieromtrent gepolst had, bleef ondoorgrondelijk.
--Goed, goed, zei de minister met verheffing van stem. De inlichtingen zijn uitstekend. Ik zal de noodige stappen doen, dat beloof ik je.
Hij had hem juist door zijn bijzondere vertrekken uitgelaten, toen Merle kwam aankondigen:
--Mijnheer La Rouquette.
--Neen, neen, ik heb bezigheden, hij verveelt me! zei Rougon, terwijl hij met een driftig gebaar Merle beduidde dat hij de deur moest sluiten.
Mijnheer La Rouquette hoorde het zeer goed. Toch kwam hij met uitgestoken hand de kamer binnen en zei hij:
--Hoe maakt Uw Excellentie het? Mijn zuster heeft me naar u toe gezonden. U zag er gisteren een beetje vermoeid uit, op de Tuileriën. U weet dat men aanstaanden Maandag een charade zal spelen in de vertrekken van de koningin? Mijn zuster heeft er ook een rol in. Combelot heeft de kostuums geteekend. U komt toch immers?
En hij bleef daar een groot kwartier staan flikflooien, Rougon nu eens "Uw Excellentie", dan weer, "waarde meester" noemende. Hij vertelde een paar theater-anekdotes, sprak een aanbevelend woordje voor een danseuse, vroeg een paar regels schrift voor den directeur van de tabaksfabrieken, om goede sigaren te kunnen krijgen. En gekscherend zei hij ontzettend veel kwaad van mijnheer de Marsy.
--Hij is toch wel aardig, verklaarde Rougon, toen de jonge afgevaardigde heengegaan was. Kom, ik ga me even verfrisschen. Mijn hoofd gloeit.
Hij verdween een oogenblik achter het gordijn. Men hoorde een groot geplas van water en daartusschen zijn blazen en snuiven. Intusschen was mijnheer d'Escorailles met zijn brieven gereed gekomen; hij haalde nu uit zijn zak een vijltje met schildpadden hecht te voorschijn en begon zorgvuldig zijn nagels te bewerken. Mijnheer Béjuin en de kolonel keken naar het plafond, zoo gemakkelijk in hun fauteuils uitgestrekt, alsof zij er niet meer uit konden komen. Mijnheer Kahn zocht den stapel kranten na, die naast hem lag. Hij keerde ze om, bekeek de opschriften en wierp ze weer weg. Eindelijk stond hij op.
--Gaat ge heen? vroeg Rougon te voorschijn komende, terwijl hij met een handdoek zijn gezicht afdroogde.
--Ja, antwoordde mijnheer Kahn, ik heb de kranten gelezen, ik ga heen.
Maar hij vroeg hem even te wachten. En hem terzijde nemende, vertelde hij hem dat hij de volgende week naar Deux-Sèvres ging, om de opening van de werken van den spoorweg van Niort naar Angers bij te wonen. Hij had verscheidene motieven om daarheen te gaan. Mijnheer Kahn toonde zich zeer verheugd. Eindelijk had hij de concessie gekregen. Nu was de groote moeielijkheid echter om de aandeelen aan den man te brengen, en hij begreep dat de tegenwoordigheid van den minister een grooten luister aan de openingsplechtigheid zou bijzetten.
--Dat is dus afgesproken, ik reken op u om de eerste spade in den grond te steken, zei hij bij het heengaan.
Rougon zat weer voor zijn schrijftafel. Hij raadpleegde een lijst met namen. Achter de deur, in de voorkamer, groeide het ongeduld aan.
--Ik heb ternauwernood een kwartier, mompelde hij. Enfin, ik zal er nog zooveel ontvangen als ik kan.
Hij schelde en zei tot Merle:
--Laat mijnheer den prefect van de Somme binnenkomen.
Maar hij hernam dadelijk daarop, na een blik op de lijst:
--Wacht even! Zijn mijnheer en mevrouw Charbonnel daar? Laat ze binnenkomen.
Men hoorde Merle roepen: "Mijnheer en mevrouw Charbonnel!" En de twee burgerluidjes uit Plassans verschenen, gevolgd door de verbaasde blikken van de geheele voorkamer. Mijnheer Charbonnel was in gekleede jas, vierkant uitgesneden, met een fluweelen kraag; mevrouw Charbonnel droeg een lichtbruine zijden japon, en een hoed met gele linten. Zij zaten daar al twee uren geduldig te wachten.
--U had uw kaartje moeten afgeven, zei Rougon. Merle kent u.
En zonder hun den tijd te laten hun zinnetje te stamelen, waarin telkens de woorden "Uw Excellentie" voorkwamen, riep hij vroolijk:
--Victorie! De Raad van State heeft uitspraak gedaan. We hebben onzen verschrikkelijken bisschop verslagen.
--Ik wist dat goede nieuws al gisterenavond, ging de minister voort. Ik wou het u zelf meedeelen en daarom heb ik u verzocht van ochtend te komen.... Een aardig buitenkansje, hè, vijfhonderd duizend francs!
Hij had schik in hun verbijsterde gezichten. Mevrouw Charbonnel kon eindelijk met een benepen stem vragen:
--Is het heusch uit?.... Beginnen ze het proces niet nog eens over?
--Neen, neen, ge kunt gerust zijn. De erfenis is voor u.
En hij trad in bijzonderheden. De Raad van State had den zusters van de H. Familie de aanvaarding van de schenking ontzegd, omdat er natuurlijke erfgenamen bestonden, en tevens het testament ongeldig verklaard, omdat het niet aan alle vereischten van rechtsgeldigheid voldeed. Monseigneur Rochart was woedend. Rougon, die hem den vorigen avond bij zijn collega, den minister van Openbaar onderwijs, ontmoet had, moest nog lachen om zijn nijdige blikken. Zijn zegepraal over den prelaat deed hem veel genoegen.
--U ziet wel dat hij me niet opgegeten heeft, zei hij. Ik ben te dik.... O, we hebben nog niet met elkaar afgerekend. Dat heb ik wel aan zijn oogen gezien. Maar dat is mijn zaak.
De Charbonnels putten zich uit in dankbetuigingen en buigingen. Zij zeiden dat zij dien avond nog op reis gingen. Nu verontrustte hen nog één ding: het huis van hun neef Chevassu, in Faverolles, werd bewaard door een oude, vrome dienstbode, die zeer gehecht was aan de zusters van de H. Familie; misschien zou men bij het vernemen van den uitslag van het proces hun huis leegplunderen. Die geestelijke zusters waren tot alles in staat.
--Ja, vertrek van avond, hernam de minister. Als er daarginds iets aan mocht haperen, schrijf het me dan.
Hij deed hen uitgeleide. Toen de deur openging, merkte hij de verbaasde gezichten in de voorkamer op; de prefect van de Somme wisselde een glimlach met zijn collega's; de twee dames die voor de tafel stonden, trokken haar gezicht in een minachtende plooi. Toen sprak hij opzettelijk luider:
--U schrijft me, nietwaar? U weet wel hoezeer ik u genegen ben.... En wanneer u in Plassans komt, zegt dan aan mijn moeder dat ik het wel maak.
Hij ging door de voorkamer en vergezelde ze tot aan de andere deur, om hen in het oog van die menschen te verheffen; hij schaamde zich niet over hen, het streelde veeleer zijn hoogmoed dat hij uit hun stadje gekomen was en nu de macht bezat om ze zoo hoog te verheffen als hij verkoos. En de sollicitanten en de ambtenaren bogen diep voor de lichtbruine japon en de vierkante jas van de Charbonnels.
Toen hij in zijn kabinet terugkeerde, vond hij den kolonel staande.
--Tot van avond, zei deze. Het begint hier te warm te worden.
En hij fluisterde hem een paar woorden toe. Het betrof zijn zoon Auguste, die hij van het college afnam, omdat hij toch nooit door zijn candidaats-examen zou komen. Rougon had hem een plaatsje aan het ministerie beloofd, ofschoon het diploma van candidaat daar voor alle ambtenaren vereischt werd.
--Nu goed dan, breng hem maar mee, antwoordde hij. Ik zal ditmaal over de formaliteiten heenstappen. Ik zal er wel iets op vinden.... En ik zal hem dadelijk wat laten verdienen, omdat ge er op gesteld zijt.
Mijnheer Béjuin bleef alleen voor den haard. Hij rolde zijn fauteuil naar het midden der kamer, zonder dat hij scheen op te merken dat deze leeg werd. Hij bleef altijd het laatst; hij wachtte tot dat alle anderen heengegaan waren, in de hoop dat hem het een of andere vergeten voordeeltje zou worden aangeboden.
Merle ontving nogmaals bevel den prefect van de Somme binnen te laten. Maar in plaats van zich naar de deur te begeven, kwam hij voor de schrijftafel staan en zei hij met een vriendelijken glimlach:
--Wanneer Zijn Excellentie het me toe wil staan, wou ik me graag van een kleine opdracht kwijten.
Rougon plaatste de beide ellebogen op zijn vloeiboek om hem aan te hooren.
--Het betreft die arme mevrouw Correur.... Ik ben van morgen bij haar geweest. Ze ligt te bed, ze heeft een bloedvin op een heel lastige plaats, zoo groot als mijn halve vuist. 't Is wel niet gevaarlijk, maar heel pijnlijk, want ze heeft zoo'n fijn vel....
--En? vroeg de minister.
--Ik heb de meid geholpen om haar te verleggen. Maar ik heb mijn dienst.... Nu is ze erg ongerust, ze had bij Zijn Excellentie willen komen om antwoord te vernemen. Bij het heengaan riep ze me terug, en zei dat ze het heel vriendelijk van me zou vinden als ik haar van avond nog het antwoord kon overbrengen.... Zou Zijn Excellentie zoo vriendelijk willen zijn....?
De minister keerde zich bedaard om.
--Mijnheer d'Escorailles, geef me dat dossier uit die kast eens aan.
Het was het dossier van mevrouw Correur, een verbazend groot grijs omslag vol papieren. Daar waren brieven, ontwerpen, verzoekschriften in allerlei handschriften en spellingen; aanvragen om tabaksdépôts, aanvragen om postzegeldépôts, om bijstand, om subsidies en pensioenen. Alle losse bladen vertoonden kantteekeningen van mevrouw Correur, vijf of zes regels met een dikke, mannelijke handteekening.
Rougon doorbladerde het dossier en las onder aan de brieven de korte aanteekeningen, die hij daar eigenhandig met rood potlood geschreven had.
--Het pensioen van mevrouw Jalaguier wordt op achttienhonderd francs gebracht. Mevrouw Leturc heeft haar tabaksdépôt.... De leveringen van mevrouw Chardon zijn toegestaan.... Nog niets voor mevrouw Testanière.... O ja, zeg haar ook dat ik geslaagd ben voor juffrouw Herminie Billecoq. Ik heb over haar gesproken, een paar dames zullen de huwelijksgift bijeenbrengen om haar te laten trouwen met den officier die haar verleid heeft.
--Ik dank Zijn Excellentie duizendmaal, zei Merle met een buiging.
Hij ging de deur uit, toen een allerliefst blond kopje, met een rose hoedje op, voor hem stond.
--Mag ik binnenkomen? vroeg een lief stemmetje.
En zonder het antwoord af te wachten, trad mevrouw Bouchard binnen.
Rougon, die haar "liefkind" noemde, liet haar plaats nemen, nadat hij haar handjes een oogenblik tusschen de zijne had gehouden.
--Is het iets ernstigs? vroeg hij.
--Ja, ja, heel ernstig, antwoordde zij met een glimlach.
Toen beval hij Merle niemand binnen te laten. Mijnheer d'Escorailles, die gereed was met de verzorging van zijn nagels, was mevrouw Bouchard komen begroeten. Zij gaf hem een wenk dat hij zich even bukken zou en fluisterde hem snel iets in het oor. De jonge man knikte toestemmend. En terwijl hij zijn hoed opnam, zei hij tot Rougon:
--Ik ga ontbijten, ik geloof niet dat er iets van belang is.... Alleen die inspecteursplaats. Er moet toch iemand benoemd worden.
De minister schudde besluiteloos het hoofd.
--Ja, er moet iemand benoemd worden.... Men heeft me allerlei lui voorgedragen, maar ik benoem niet graag menschen, die ik niet ken.
En hij keek om zich heen, de kamer rond, alsof hij daar iemand zou vinden. Plotseling viel zijn oog op mijnheer Béjuin, die welbehagelijk voor het haardvuur lag uitgestrekt.
--Mijnheer Béjuin, riep hij.
Deze opende zachtjes de oogen, zonder zich te verroeren.
--Wilt u inspecteur worden? Zesduizend francs, en niets te doen; u kunt die betrekking heel goed waarnemen tegelijk met uw functie van afgevaardigde.
Mijnheer Béjuin wiegelde met het hoofd. Ja, ja, hij nam het aan. En toen de zaak in orde was, bleef hij nog een oogenblik de lucht opsnuiven, maar hij begreep zeker dat er dien morgen niets meer te halen viel, want hij ging met een slependen tred achter mijnheer d'Escorailles de kamer uit.
--Nu zijn we alleen.... Wat is er nu, lief kind? vroeg Rougon aan de mooie mevrouw Bouchard.
Hij had een fauteuil bijgeschoven, en had tegenover haar plaats genomen, midden in de kamer. Toen merkte hij op dat zij een zachtrose japon droeg van cachemire de l'Inde, een zachte stof die haar als een peignoir zat. Ze was gekleed en toch niet gekleed. Over haar armen en haar borst scheen de soepele stof te leven, terwijl breede plooien de ronding van haar beenen aangaven. Het was een welberekende naaktheid, een verleiding waarvan het fijn overleg bleek uit de ietwat hoog geplaatste taille, die haar heupen beter deed uitkomen. En geen stukje onderrok vertoonde zich, ze scheen geen onderkleederen te dragen en toch was ze keurig gekleed.
--Komaan, wat is er? herhaalde Rougon.
Zij glimlachte, maar sprak nog niet. Zij boog zich achterover en liet haar vochtige, witte tanden zien. Haar gezichtje vertoonde een vleiende overgave, een vurige, onderworpen smeekbede.
--Ik had u iets te vragen, mompelde zij eindelijk.
Daarop ging ze levendig voort:
--Zeg me eerst dat u het toe zult staan?
Maar hij beloofde niets, hij wou eerst weten wat. Hij vertrouwde de dames niet. En toen zij zich dicht naar hem overboog, ondervroeg hij haar.
--Is het dan zoo erg, dat u het niet noemen durft? Ik moet u de biecht afnemen, niet waar?.... Laten we ordelijk te werk gaan. Is het voor uw man?
Ze knikte van neen, zonder op te houden met glimlachen.
--Drommels!.... Voor mijnheer d'Escorailles dus? U was zooeven bezig met het een of ander te beramen.
Ze knikte alweer van neen. Ze vertrok haar gezicht even, alsof ze wou zeggen dat mijnheer d'Escorailles er niet bij mocht zijn. En terwijl Rougon eenigszins verrast, verder zocht, schoof zij haar fauteuil nog dichterbij, zoodat ze vlak tegen hem aanzat.
--Luister.... U zult toch niet op me knorren? U houdt toch een beetje van me?.... 't Is voor een jong mensch. U kent hem niet; ik zal u zoo straks zijn naam zeggen, als u hem de betrekking gegeven hebt. O, niets van beteekenis. U behoeft maar een woord te spreken, en we zullen u heel erkentelijk zijn.
--Een van uw bloedverwanten misschien? vroeg hij opnieuw.
Ze zuchtte en keek hem kwijnend aan; zij liet haar handen afglijden opdat hij ze in de zijne zou nemen. En zachtjes zei ze:
--Neen, een vriend.--Ach hemel, ik ben zoo ongelukkig!
Zij gaf zich door die bekentenis aan hem over. 't Was een meesterlijk overlegde aanval op zijn zinnelijkheid, om zijn laatste bezwaren weg te nemen. Een oogenblik zelfs dacht hij, dat zij dat sprookje bedacht als een verfijnde kunstgreep, om zich begeerlijker te maken, bij de gedachte dat zij zoo pas uit de armen van een ander was gekomen.
--Maar dat is heel slecht! riep hij uit.
Toen lei zij met een vlugge, vertrouwelijke beweging, haar ontbloote hand op den mond. Ze had zich in haar volle lengte tegen hem aangevleid. Haar oogen sloten zich, als viel zij in onmacht. Met een harer knieën hief zij haar soepele japon omhoog, die haar ternauwernood bedekte met het fijne weefsel van een lang nachthemd. De gespannen stof van haar keurslijf deelde in het zwoegen van haar borst. Enkele seconden lang voelde hij haar als naakt in zijn armen. En hij greep haar ruw om haar middel, en zette haar midden in het kabinet neer, razende en tierende.
--Alle donders! wees dan toch verstandig!
Zij bleef met bleeke lippen en neergeslagen oogen voor hem staan.
--Ja, 't is heel slecht, 't is gemeen! Mijnheer Bouchard is een beste man. Hij aanbidt u, hij stelt een blind vertrouwen in u.... Neen, zeker niet, ik zal u niet behulpzaam zijn om hem te bedriegen. Ik weiger, hoor u, ik weiger het stellig! En ik zeg u ronduit hoe ik er over denk, ik weeg mijn woorden niet, mijn lieve kind. Men kan toegevend zijn. Zoo, bijvoorbeeld, laat ik nog daar....
Hij zweeg op eens, hij had zich bijna laten ontvallen dat hij mijnheer d'Escorailles nog daar liet. Langzamerhand kwam hij tot kalmte; en nu nam hij een zeer waardige houding aan. Hij liet haar zitten, toen hij zag dat zij begon te beven; en hij bleef staan, en begon haar duchtig de les te lezen. Het was een preek in optima forma, met heel mooie woorden. Zij overtrad alle goddelijke en menschelijke wetten, ze liep boven een afgrond, ze onteerde den huiselijken haard, ze bereidde zich een ouderdom vol wroeging; en toen hij een glimlachje om haar mondhoeken meende te bespeuren, hing hij zelfs een tafereel op van dien ouderdom, wanneer de schoonheid verwoest, het hart voor altijd ledig zou zijn, wanneer de blos der schaamte onder het grijze haar zou verschijnen. Daarop beschouwde hij haar misstappen uit een maatschappelijk oogpunt; en daarin vooral toonde hij zich gestreng, want al had zij een verontschuldiging in haar gevoelige natuur, het kwade voorbeeld dat zij gaf was onvergeeflijk; en zoo kwam hij er toe om uit te varen tegen de moderne schaamteloosheid, de afschuwelijke uitspattingen van den laatsten tijd. Eindelijk kwam hij op hemzelf terug. Hij was de houder der wetten. Hij mocht zijn gezag niet misbruiken om de ondeugd aan te moedigen. Zonder de deugd scheen een regeering hem een onmogelijkheid. En hij besloot met zijn tegenstanders te tarten, in zijn bestuur een enkele daad van nepotisme, een gunstbewijs door intrige verkregen, aan te wijzen.
De mooie mevrouw Bouchard hoorde hem met gebogen hoofd aan, haar blanke hals vertoonde zich onder het lint van haar rose hoedje. Toen hij zijn hart lucht gegeven had, stond zij op en begaf zich zwijgend naar de deur. Maar toen zij den kruk al in de hand had, hief ze het hoofd op en mompelde glimlachend:
--Hij heet George Duchesne. Hij is hoofdkommies in de afdeeling van mijn man, en wil sous-chef worden.
--Neen, neen! riep Rougon.
Toen ging ze heen, hem in een langen, verachtelijken blik van een versmade vrouw hullende. Ze draalde nog even, liet haar japon langzaam achter zich slepen, alsof zij een spijtig verlangen naar haar bezit achter wou laten. De minister keerde met een vermoeid uiterlijk in zijn kabinet terug. Merle, dien hij een wenk gegeven had, volgde hem. De deur was op een kier gebleven.
--Mijnheer de directeur van de Voeu national, dien Zijn Excellentie heeft ontboden, is zooeven gekomen, zei de bode halfluid.
--Heel goed, antwoordde Rougon. Maar ik zal eerst de ambtenaren ontvangen, die al zoo lang wachten.
Op dit oogenblik verscheen een bediende aan de deur die naar Rougon's particuliere vertrekken leidde. Hij kwam aankondigen dat het ontbijt gereed was en dat mevrouw Delestang in het salon op Zijn Excellentie zat te wachten. De minister trad snel op hem toe.
--Zeg dat men op kan dienen! Ik kan er niets aan doen, ik zal later wel ontvangen. Ik verga van honger.
Hij wierp een blik in de wachtkamer, zij was nog altijd vol. Geen enkele ambtenaar of sollicitant was heengegaan. De drie prefecten stonden in een hoekje te praten, de twee dames leunden vermoeid met haar vingertoppen op de tafel; dezelfde hoofden op dezelfde plaatsen bleven strak en onbewegelijk langs de muren tegen de roodfluweelen rugleuningen. Toen verliet hij zijn kabinet, en gaf Merle bevel den prefect van de Somme en den directeur van de Voeu national te laten blijven.
Mevrouw Rougon, die zich ongesteld voelde, was den vorigen dag naar het Zuiden vertrokken, waar zij een maand zou blijven; ze had een oom in den omtrek van Pau. Delestang, met een gewichtige zending belast over een landbouwkundige kwestie, bevond zich sedert zes weken in Italië. En zoo had de minister, met wie Clorinde eens op haar gemak wou praten, haar uitgenoodigd om op het ministerie te komen ontbijten, als vrijgezellen.
Ze wachtte geduldig op hem, terwijl ze een verhandeling over administratief recht doorbladerde, die op een tafel lag te slingeren.
--Ge zult wel trek gekregen hebben, zei hij vroolijk. Ik had het vreeselijk volhandig, vanmorgen.
En haar den arm aanbiedende, geleidde hij haar naar de eetzaal, een kolossaal vertrek, waarin de twee couverts, die op een tafeltje voor het venster neergezet waren, ternauwernood opgemerkt werden. Twee groote lakeien bedienden. Rougon en Clorinde, beiden zeer matig, aten haastig: enkele radijsjes, een moot koude zalm, coteletten à la purée en een beetje kaas. Zij raakten den wijn niet aan. Rougon dronk 's morgens niets dan water. Zij wisselden ternauwernood enkele woorden. Toen de lakeien, de tafel opgeruimd en koffie en likeuren gebracht hadden, trok de jonge vrouw even haar wenkbrauwen op, welk gebaar hij zeer goed begreep.
--'t Is goed, zei hij, laat ons alleen. Ik zal wel schellen.
De lakeien gingen heen. Toen stond zij op en sloeg de kruimeltjes van haar rok. Zij droeg een zwartzijden, te wijde japon, overladen met strooken; zij zat haar als een zak, zoodat men niet kon onderscheiden waar zich haar heupen of haar borst bevonden.
--Wat een hal! mompelde zij, tot achter in de kamer gaande. 't Is een echte bruiloftszaal, die eetzaal!
En terugkeerende voegde zij er bij.
--Ik zou wel een cigarette willen rooken!
--Drommels, zei Rougon, ik heb hier geen tabak. Ik rook nooit.