Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 20

Chapter 203,797 wordsPublic domain

--Dus dat is afgesproken, mijnheer Rougon. We zijn opzettelijk uit Plassans gekomen. We worden ongeduldig, op onzen leeftijd, dat begrijpt u! Nu kunnen we opgeruimd naar huis terugkeeren.... Men had ons gezegd dat u niets meer vermocht.

Rougon glimlachte even. Met een vastberadenheid, die de weerklank van zijn geheime gedachten scheen, sprak hij deze woorden tot afscheid:

--Een vaste wil vermag alles.... Reken op mij.

Maar toen zij heengegaan waren, gleed er toch een spijtige trek over zijn gelaat. Hij bleef in het midden van de voorkamer staan, toen hij, in een eerbiedige houding, een fatsoenlijk gekleed persoon zag staan, die een rond vilten hoedje tusschen zijn vingers draaide.

--Wat verlangt gij? vroeg hij op barschen toon.

De persoon, die groot en flink gebouwd was, mompelde met neergeslagen blik:

--Herkent mijnheer mij niet?

En daar Rougon driftig neen zeide:

--Ik ben Merle, de gewezen portier van mijnheer in den Raad van State.

Rougon werd ietwat zachter gestemd.

--O, heel goed. Je laat nu je baard staan.... Nu, wat was er van je verlangen?

Toen verklaarde Merle zijn komst, met beleefde manieren, als iemand die weet hoe het behoort. Hij had mevrouw Correur in den middag ontmoet; en zij had hem den raad gegeven zich dien zelfden avond bij mijnheer te vervoegen; anders zou hij nooit zoo vrij geweest zijn mijnheer op zoo'n tijd lastig te vallen.

--Mevrouw Correur is heel vriendelijk, hervatte hij meer dan eens.

Eindelijk kwam hij met de mededeeling dat hij zonder betrekking was. Hij liet zijn baard nu staan, omdat hij al een halfjaar lang niet meer aan den Raad van State was. En toen Rougon hem vroeg waarom hij zijn ontslag gekregen had, bekende hij niet dat men hem wegens wangedrag ontslagen had. Hij kneep de lippen opeen en antwoordde op een bescheiden toon:

--Men wist hoe gehecht ik aan mijnheer was. Sinds mijnheer is heengegaan, heb ik allerlei plagerijen moeten verduren, omdat ik mijn gevoelens nooit heb weten te verbergen.... Eens had het weinig gescheeld of ik had een kameraad een klap gegeven, omdat hij heel ongepaste dingen zei.... En toen hebben ze me weggestuurd.

Rougon keek hem strak aan.

--Dus, beste jongen, is het mijn schuld dat je zonder betrekking loopt?

Merle glimlachte even.

--En ik moet je een andere betrekking bezorgen, niet waar?

Hij glimlachte opnieuw, toen hij eenvoudig zei:

--Als mijnheer zoo goed zou willen zijn.

Een korte stilte volgde. Rougon tikte, met een werktuigelijk, zenuwachtig gebaar, met zijn eene hand op de andere. Eindelijk begon hij te lachen als iemand die een besluit genomen heeft en zich nu verlicht gevoelt. Hij had te veel schulden, hij wou alles afbetalen.

--Ik zal aan je denken, je zult je betrekking hebben, hernam hij. Je hebt er wel aan gedaan bij mij te komen, mijn jongen.

En hij zond hem weg. Ditmaal aarzelde hij niet meer. Hij trad de eetzaal binnen, waar Gilquin zijn confituren verorberde, nadat hij een stuk pastei, een kippenboutje en koude aardappelen gegeten had. Du Poizat, die zich bij hem gevoegd had, zat schrijlings op een stoel met hem te praten. Hun gesprek liep over de vrouwen, over de kunst om zich door haar te doen beminnen, in heel ongegeneerde termen. Gilquin had zijn hoed op het hoofd gehouden, en hij wiegelde achterover geleund op zijn stoel, met een tandenstoker tusschen de lippen, om zich een air van voornaamheid te geven.

--Kom, ik stap op, zei hij, zijn volle glas in een teug ledigend en met de tong klappend. Ik ga eens in de rue Montmartre kijken hoe mijn kippetjes het maken.

Maar Rougon die heel vroolijk scheen, plaagde hem er mee. Dacht hij nog altijd aan zijn samenzweerders, nu hij gegeten had? Du Poizat wendde ook de grootste ongeloovigheid voor. Hij sprak met Gilquin af tegen den volgenden dag, hij was hem nog een ontbijt schuldig, zei hij. Gilquin, met zijn rotting onder den arm, herhaalde, zoodra hij er een woord tusschen kon brengen:

--Dus gaat u niet waarschuwen....

--Wel zeker, antwoordde Rougon. Men zal me uitlachen, dat is alles.... Er is geen haast bij. Morgen ochtend.

De gewezen handelsreiziger hield reeds den deurknop in de hand. Hij kwam grinnekend terug.

--Je begrijpt, zei hij, voor mijn part vliegt Napoleon de lucht in! Ik zou het zelfs grappiger vinden.

--O, hernam de groote man met een overtuigd gezicht, de keizer vreest niets, zelfs al is de geschiedenis waar. Die aanslagen gelukken nooit.... Er is een Voorzienigheid.

Dat was zijn afscheidswoord. Du Poizat ging heel kameraadschappelijk met Gilquin heen. En toen Rougon een uur later, om half elf, mijnheer Bouchard en den kolonel goeden nacht wenschte, rekte hij zich geeuwend uit en zei:

--Ik ben doodmoe. Ik zal van nacht heerlijk slapen.

Den volgenden avond ontploften er drie bommen onder het rijtuig des keizers voor de Opera. Een verschrikkelijke paniek maakte zich meester van de dichte menigte in de rue Le Peletier. Meer dan vijftig personen waren getroffen. Een vrouw in een blauwzijden japon lag dood langs het trottoir. Twee soldaten lagen op straat te zieltogen. Een adjudant, in den nek getroffen, liet bloedsporen achter. En onder het schijnsel der gaslantarens, midden in den rook, salueerde de keizer, die ongedeerd uit zijn gehavend rijtuig gestegen was. Zijn hoed alleen was door een bomsplinter geraakt.

Rougon had dien dag kalm thuis doorgebracht. In den morgen was hij wel een weinig zenuwachtig; tweemaal had hij het voornemen te kennen gegeven om uit te gaan. Maar toen hij juist ontbeten had, kwam Clorinde hem bezoeken. Toen bleef hij tot den avond met haar in zijn kamer. Zij kwam zijn raad inwinnen in een ingewikkelde zaak; en zij scheen ontmoedigd, alles liep haar tegen, zei zij. Toen troostte hij haar, toonde veel hoop, en gaf te verstaan dat alles zou veranderen. Toen zij hem verliet, kuste hij haar op het voorhoofd. Na het diner gevoelde hij een onweerstaanbaren aandrang om uit te gaan. Hij sloeg den naasten weg naar de kaden in, hij had het benauwd, hij verlangde naar de frissche koelte van de rivier. De winteravond was zeer zacht; de wolken hingen laag aan den hemel en schenen in de donkere stilte op de stad te drukken. Ver weg hoorde men het wegstervende gedruis van de groote verkeerswegen. Hij liep langs de eenzame trottoirs, met een gelijkmatigen tred, recht voor zich uit, terwijl zijn jas langs de steenen borstwering streek; een eindelooze reeks lichten die in de duisternis op sterren geleken, die de grenzen van een donkeren hemel bepaalden, gaven hem een ruimer, onbegrensder voorstelling van die pleinen en straten, waarvan hij de huizen niet meer zag; en naarmate hij verder ging, vond hij Parijs grooter, naar zijn maat gemaakt, genoeg lucht aanbiedende voor zijn breede borst. Het inktkleurige, met tintelend goud geschubde water, stroomde zacht voort als de ademhaling van een slapenden reus, begeleidde zijn veel omvattende mijmering.

Toen hij tegenover het Paleis van Justitie uitkwam, sloeg het negen uur. Hij trilde, keerde zich om, luisterde scherp toe; het leek hem toe als hoorde hij boven de daken een plotselinge paniek, verwijderde geluiden van een ontploffing, kreten van afgrijzen. Parijs verscheen hem plotseling in de ontzetting, door een groote misdaad teweeg gebracht.

En hij herinnerde zich toen den Juli-namiddag, dien helderen, zegevierenden dag van den doop, toen de klokken luidden in de warme zon, de kaden opgepropt waren met een dichte menigte, al die heerlijkheid van het keizerrijk op zijn toppunt van roem, waaronder hij een oogenblik zoo gebukt had gegaan, dat hij den keizer benijdde. Op dit oogenblik genoot hij zijn revanche: een donkere hemel, de stad in sprakelooze ontzetting, de kaden ledig, terwijl een rilling daar langs streek die gasvlammen dansend deed opflikkeren, met iets verdachts dat daar in de dichte duisternis in hinderlaag lag. Hij ademde de lucht met diepe teugen in, hij had dat moordende Parijs lief, in welks schrikaanjagende schaduw hij de oppermacht verkreeg.

Tien dagen later werd Rougon minister van Binnenlandsche zaken, in de plaats van mijnheer de Marsy, die tot president van het Wetgevend lichaam benoemd werd.

VIII.

Op een morgen in de maand Maart zat Rougon in zijn kamer op het ministerie van Binnenlandsche zaken, druk bezig met het opstellen van een vertrouwelijk rondschrijven dat de prefecten den volgenden dag moesten ontvangen.

Hij hield op, haalde diep adem, brak zijn pen op het papier.

--Jules, noem me eens een synoniem van autoriteit, zei hij. 't Is toch dwaas, die taal!... Ik gebruik ieder oogenblik dat woord autoriteit.

--Wel bewind, gezag, regeering, keizerrijk, antwoordde de jonge man glimlachend.

Mijnheer Jules d'Escorailles, dien hij tot zijn secretaris benoemd had, zag de ingekomen brieven na, aan een hoekje van de schrijftafel. Hij opende de enveloppen voorzichtig met een pennemes, doorliep de brieven met een oogopslag en rangschikte ze. Voor den haard, waarin een groot vuur brandde, zaten mijnheer Kahn, de kolonel en mijnheer Béjuin. Alle drie zaten ze daar op hun doode gemak, hun voeten warmende, zonder iets te zeggen. Ze waren daar thuis. Mijnheer Kahn las een krant; de beide anderen, behagelijk in hun stoelen achteroverliggend, draaiden met hun duimen en keken naar de vlammen. Rougon stond op, schonk zich een glas water in en dronk het in éen teug leeg.

--Ik weet niet wat ik gisteren gegeten heb, mompelde hij. Ik zou de Seine wel leeg kunnen drinken.

Hij ging niet dadelijk weer zitten. Hij liep het kabinet rond, slingerend met zijn groot lichaam. Zijn stap deed den vloer onder het dikke tapijt dreunen. Hij schoof de groenfluweelen gordijnen vaneen om meer licht te hebben. Daarna bleef hij midden in het ruime vertrek staan, rekte zich uit, met de handen achter in den nek gevouwen, en genoot vol verrukking van den administratieven geur, den geur van voldane eerzucht, dien hij daar opsnoof. Onwillekeurig begon hij te lachen, hij lachte in zijn eentje, alsof men hem de zijden kittelde, een lach, waaruit steeds duidelijker zijn zegepraal klonk. De kolonel en de andere heeren keerden zich verbaasd om en knikten hem zwijgend toe.

--Hè, 't is toch aangenaam, zei hij enkel.

Terwijl hij weer zijn plaats innam voor het groote palissanderhouten bureau, trad Merle binnen. De man zag er netjes uit, in zijn zwarte gekleede jas en zijn witte das. Zijn gladgeschoren gezicht stond heel waardig.

--Neemt u me niet kwalijk, Excellentie, mompelde hij, maar daar is de prefect van de Somme....

--Laat hij naar den duivel loopen, ik werk, antwoordde Rougon op ruwen toon. Het is ongeloofelijk, maar men laat mij geen oogenblik met rust.

Merle liet zich niet van zijn stuk brengen. Hij ging voort:

--Mijnheer de prefect verzekert dat Uw Excellentie hem verwacht.... Verder zijn er ook de prefecten van la Nièvre, le Cher en le Jura.

--Goed, laat ze wachten, daar zijn ze voor! hernam Rougon heel luid.

De dienaar ging heen. Mijnheer d'Escorailles had even geglimlacht. De drie anderen, die zich zaten te warmen, leunden nog wat meer achterover en hadden eveneens schik in het antwoord van den minister. Deze was zeer gevleid door hun bijval.

--'t Is waar, ik zit al een maand lang midden in de prefecten.... Het was noodig dat ik ze allemaal liet komen. Een mooie optocht! Er zijn wat botteriken bij! Maar gehoorzaam zijn ze. Ik begon er nu toch genoeg van te krijgen.... Bovendien ben ik van morgen voor hen aan het werk.

En hij begon weer aan zijn rondschrijven. Men hoorde niets meer, in de warme lucht van het vertrek, dan het gekras van zijn veeren pen en het geritsel van de enveloppen die door mijnheer d'Escorailles geopend werden. Mijnheer Kahn had een andere krant opgenomen; de kolonel en mijnheer Béjuin waren half ingedommeld. Het beangste Frankrijk, daar buiten, zweeg. De keizer had Rougon tot het bewind teruggeroepen, om voorbeelden te laten stellen. Hij kende zijn ijzeren vuist; daags na den aanslag, had hij, in zijn drift van gered man, tot hem gezegd: "Geen toegeefelijkheid, men moet u vreezen!" En hij had hem gewapend met die verschrikkelijke wet voor de algemeene veiligheid, volgens welke het vrij stond iederen politieken misdadiger naar Algiers te verbannen of uit het keizerrijk te verdrijven. Ofschoon geen enkele Franschman de hand gehad had in de misdaad van de rue Le Peletier, zouden de republikeinen het nu moeten ontgelden; de tienduizend verdachte personen, die men den 2en December vergeten had, konden nu meteen opgeruimd worden. Er was sprake van een beweging, door de revolutionnaire partij op het touw gezet; men had, naar het gerucht liep, wapenen en papieren in beslag genomen. Tegen het midden van Maart werden er driehonderd tachtig gevangenen te Toulon ingescheept met bestemming naar Algiers. Iedere week vertrok een dergelijke bezending. Het land beefde onder den schrik, die uitging van het groenfluweelen kabinet, waar Rougon in zijn eentje lachte, terwijl hij zich de armen uitrekte. Nog nooit had de groote man zulke tevreden oogenblikken gehad. Hij voelde zich gezond, hij werd dikker; met de macht had hij de gezondheid herkregen. Wanneer hij liep, drukte zijn voet zwaar op het tapijt, opdat men in de vier hoeken van Frankrijk zijn zwaren tred zou hooren. Hij wenschte nog slechts dat hij zijn leeg glas niet op de console zou kunnen zetten, zijn pen neergooien, een beweging maken, zonder dat het land er een schok door kreeg. Hij vond het een genot een schrikbeeld te zijn, een volk neer te vellen met zijn parvenu-vuisten. In een rondschrijven had hij verzekerd: "De goedgezinden kunnen gerust zijn, de kwaadgezinden alleen zullen beven". En hij speelde de rol van een God, de eenen verdoemend, de anderen reddend, met een ijverzuchtige hand. Een ontzettende hoogmoed maakte zich van hem meester, de blinde ingenomenheid met zijn kracht en zijn verstand veranderde in een geregelden eeredienst. Hij onthaalde zichzelf op bovenmenschelijke genietingen.

Onder de mannen, die zich onder het tweede keizerrijk omhoog gewerkt hadden, stond Rougon sinds lang bekend om zijn autoritaire gevoelens. Zijn naam was gelijkluidend met onverbiddelijke onderdrukking, ontzegging van alle vrijheden, onbeperkte heerschappij. Er was dan ook niemand, die zich illusies maakte toen hij minister werd. Aan zijn vertrouwde vrienden deed hij echter bekentenissen; hij had eerder behoeften dan opinies; hij vond de macht te begeerlijk, te noodzakelijk voor zijn behoefte aan heerschappij, om haar niet te aanvaarden, onder welken vorm zij zich ook aanbood. Heerschen, de menigte zijn voet op den nek te zetten, dat was zijn eerste verlangen, de rest bood alleen bijzonderheden van ondergeschikten aard, waarin hij zich altijd wel kon schikken. Hij had maar éen hartstocht, de eerste te zijn. De omstandigheden waaronder hij echter ditmaal weer aan het bewind kwam, verdubbelden voor hem de vreugde over zijn succès: hij had van den keizer volkomen vrijheid van handelen verkregen, hij verwezenlijkte zijn oude begeerte, de menschen met zweepslagen voort te drijven als een kudde dieren. Niets deed hem meer genoegen dan zich verfoeid te zien. Soms, als men hem den naam tyran naar het hoofd wierp, glimlachte hij en sprak deze diepzinnige woorden:

--Wanneer ik op een goeden dag liberaal word, zullen ze zeggen dat ik veranderd ben.

Maar Rougon's grootste genot was nog voor zijn bende te triomfeeren. Hij vergat Frankrijk, de ambtenaren aan zijn voeten, de menigte sollicitanten die zijn deur belegerden, om in de onafgebroken bewondering van de tien of vijftien getrouwen van zijn omgeving te leven. Zijn werkkamer stond te allen tijde voor hen open, hij liet ze daar heerschen op de fauteuils, aan zijn bureau zelfs; hij achtte zich gelukkig dat hij ze voortdurend om zich heen had, als trouwe huisdieren. De minister, dat was hij niet alleen, dat waren zij allen, de aanhangsels van zijn persoon. Door zijn zegepraal werden de banden weer nauwer toegehaald; hij begon van ze te houden met een jaloersche vriendschap, hij voelde zich krachtiger door dat samenzijn, zijn borst als verruimd door hun eerzuchtige begeerten. Hij vergat zijn heimelijke minachting, begon ze heel vernuftig, heel sterk, naar zijn eigen beeld, te vinden. Hij wenschte bovenal dat men hem in hen zou eerbiedigen, hij verdedigde ze met vuur zooals hij de tien vingers van zijn handen zou verdedigd hebben. Hun veeten maakte hij tot de zijne. Hij verbeeldde zich ten laatste dat hij veel aan hen te danken had, terwijl hij glimlachte om hun ijverige propaganda. En zelf zonder behoeften, liet hij de bende mooie stukken van den buit; door haar volop te doen genieten, smaakte hij voor zichzelf de voldoening dat de luister van zijn fortuin een steeds helderder weerglans op zijn omgeving wierp.

Intusschen bleef het stil in de groote kamer. Mijnheer d'Escorailles bekeek aandachtig het adres van een der brieven die hij opende, en reikte dien daarop ongeopend aan Rougon toe.

--Een brief van mijn vader, zei hij.

Met overdreven nederigheid bedankte de markies den minister dat hij Jules tot zijn secretaris benoemd had. Rougon las langzaam het fijne handschrift, dat twee bladzijden besloeg. Hij vouwde den brief dicht en stak hem in zijn zak. Daarop vroeg hij:

--Heeft Du Poizat niet geschreven?

--Ja, mijnheer, antwoordde de secretaris, terwijl hij een brief uit het hoopje nam. Hij begon al thuis te raken in zijn prefectuur. Hij schreef dat Deux-Sèvres, en voornamelijk de stad Niort, behoefte hadden aan een vaste hand.

Rougon liep den brief even door. Toen hij hem gelezen had, mompelde hij:

--Natuurlijk, hij zal de volmacht hebben die hij vraagt.... Schrijf hem maar niet, dat is niet noodig. Hij krijgt mijn rondschrijven toch in handen.

Hij nam zijn pen weer ter hand en zocht naar de laatste zinnen. Du Poizat had in zijn landstreek, in Niort, prefect willen zijn; en de minister dacht bij ieder ernstig besluit vooral aan Deux-Sèvres, Frankrijk regeerende volgens de inzichten en behoeften van zijn ouden metgezel in de armoede. Hij had eindelijk zijn vertrouwelijken brief aan de prefecten voltooid, toen mijnheer Kahn opeens begon uit te varen.

--Maar dat is toch schandelijk! riep hij.

En terwijl hij op de krant sloeg die hij in de hand hield, wendde hij zich tot Rougon:

--Hebt ge dat gelezen?.... In het hoofdartikel wordt een beroep gedaan op de gemeenste hartstochten. Luister maar eens: "De hand, die straft, moet onfeilbaar zijn, want indien de justitie zich vergist, wordt de band die de maatschappij bijeenhoudt, verbroken." Begrijpt ge?.... En onder het gemengde nieuws! Daar vind ik het verhaal van een gravin die door den zoon van een graankooper geschaakt is. Zulke nieuwtjes moest men niet opnemen. Dat ondermijnt den eerbied van het volk voor de hoogere klassen.

Mijnheer d'Escorailles kwam hem helpen.

--Het feuilleton is nog schandelijker. Daar wordt een aanzienlijke dame door haar man bedrogen. De romanschrijver laat hem niet eens berouw krijgen.

Rougon maakte een driftig gebaar.

--Ja, ja, men heeft me al dat nummer gewezen, zei hij. U kunt zien dat ik die gedeelten met rood potlood aangestreept heb.... Nogal een blad van onze partij! Ik moet het dagelijks regel voor regel napluizen. Ach, de beste onder hen deugt nog niet, men moest ze allemaal den nek omdraaien! Maar ik heb den directeur ontboden. Ik verwacht hem.

De kolonel had het blad in handen genomen. Hij werd verontwaardigd en reikte het aan mijnheer Béjuin toe, die op zijn beurt walgde. Rougon zat peinzend, met halfgesloten oogleden, voor zijn schrijftafel.

--A propos, zei hij eensklaps tot zijn secretaris, die arme Huguenin is gisteren gestorven. Nu komt er een inspecteursplaats vacant. Er zal iemand benoemd moeten worden.

En daar de drie vrienden opeens vol aandacht het hoofd ophieven, ging hij voort:

--O, een onbeduidende betrekking. Zes duizend francs. Er valt zoo goed als niets voor te doen, dat is waar.

Hier werd hij gestoord. De deur van een aangrenzende kamer werd geopend.

--Kom binnen, kom binnen, mijnheer Bouchard! riep hij. Ik wou u juist laten roepen.

Mijnheer Bouchard, sinds acht dagen afdeelingschef, bracht een rapport over de burgemeesters en de prefecten, die in aanmerking wenschten te komen voor een ridder- of een officierskruis. Rougon kon vijfentwintig kruisen onder de verdienstelijksten verdeelen. Hij nam het rapport aan, doorliep de lijst der namen, bladerde in de dossiers. Intusschen was de afdeelingschef het haardvuur genaderd en had den heeren de hand gedrukt. Hij ging voor het vuur staan en tilde de panden van zijn jas omhoog, om zijn dijen te verwarmen.

--Wat een nare regen, hè, mompelde hij. We zullen een late lente krijgen.

--Een verwenschte regen! zei de kolonel. Ik heb den heelen nacht steken in mijn linkervoet gevoeld.

--En mevrouw? vroeg mijnheer Kahn na een korte stilte.

--Dank u, die maakt het goed, antwoordde mijnheer Bouchard. Ze zou van morgen terug komen, geloof ik.

Er ontstond een nieuwe stilte. Rougon doorbladerde nog steeds de papieren. Bij een naam dien hij aantrof, vroeg hij:

--Isidore Gaudibert.... Heeft die geen verzen gemaakt?

--Juist zoo, zei mijnheer Bouchard. Sinds 1852 is hij burgemeester van Barbeville. Bij iedere heuchelijke gebeurtenis, bij het huwelijk van den keizer, de bevalling der keizerin, den doop van den kroonprins, heeft hij aan Hunne Majesteiten smaakvolle gedichten gezonden.

De minister trok een minachtend gezicht. Maar de kolonel verzekerde dat hij de gedichten gelezen had; hij ten minste vond ze geestig. Hij haalde er een aan, waarin de keizer bij een vuurwerk vergeleken werd. En zonder eenige aanleiding begonnen de heeren om strijd den keizer te roemen.

Nu was de geheele bende met hart en ziel bonapartistisch gezind. De twee neven hadden zich met elkander verzoend, ze wierpen elkander de prinsen van Orleans en den graaf de Chambord niet meer naar het hoofd, maar zij wedijverden nu wie voortaan het best de loftrompet over den keizer zou steken.

--Neen, die niet! riep Rougon op eens. Die Jusselin is een trawant van Marsy. Ik hoef de vrienden van mijn voorganger niet te beloonen.

En met een kras, die het papier openreet, haalde hij den naam door.

--Maar nu moeten we iemand in zijn plaats hebben.... 't Is een officierskruis.

De heeren verroerden zich niet. Mijnheer d'Escorailles had, ondanks zijn jeugdigen leeftijd, het ridderkruis pas acht dagen geleden gekregen; mijnheer Kahn en mijnheer Bouchard waren al officier; de kolonel was eindelijk tot kommandeur benoemd.

--Komaan, het is een officierskruis, zeg ik, herhaalde Rougon, terwijl hij opnieuw de dossiers doorsnuffelde.

Maar plotseling viel hem iets in.

--Is u niet ergens burgemeester, mijnheer Béjuin? vroeg hij.

Mijnheer Béjuin vergenoegde zich met een paar hoofdknikjes. Mijnheer Kahn voerde voor hem het woord.

--Zeker, hij is burgemeester van Saint-Florent, de kleine gemeente waarin zijn fabriek van kristalwerken staat.

--Dan is de zaak in orde, zei de minister, blij dat hij weer een van de zijnen vooruit kon helpen. Hij is toevallig maar ridder. Mijnheer Béjuin, u vraagt nooit iets. Ik moet altijd het eerste aan u denken.

Mijnheer Béjuin bedankte glimlachend. Hij vroeg inderdaad nooit iets. Maar hij zat altijd stilzwijgend en bescheiden op de kruimpjes te wachten, en hij raapte alles op.

--Léon Béjuin, niet waar, in de plaats van Pierre-François Jusselin, hernam Rougon, meteen den naam veranderend.

--Béjuin, Jusselin, dat rijmt, merkte de kolonel op.