Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 2

Chapter 23,736 wordsPublic domain

Door de anderen voortgedrongen, bereikten mijnheer Kahn en zijn beide collega's hun banken zonder dat zij er erg in hadden. Zij bleven doorpraten, hun lachen onderdrukkend. Mijnheer La Rouquette vertelde een nieuw praatje over de mooie Clorinde. Eens had ze den zonderlingen inval gehad haar kamer met zwarte draperiën vol zilveren tranen te laten behangen en daar haar intieme kennissen te ontvangen, terwijl ze op haar bed lag, waarvan de dekens eveneens zwart waren, en slechts het topje van haar neus zichtbaar lieten.

Mijnheer Kahn ging zitten, toen hij plotseling tot bezinning kwam.

--Die La Rouquette is idioot met zijn kletspraatjes! mompelde hij. Nu heb ik waarachtig Rougon gemist!

En tot zijn buurman op nijdigen toon:

--Zeg, Béjuin, je had me wel kunnen waarschuwen!

Rougon, die met het gebruikelijke ceremoniëel was binnengeleid, zat reeds tusschen twee staatsraden, in de bank van de regeerings-commissarissen, aan den voet van het bureau, op de plaats van de opgeheven tribune. Zijn breede schouders waren nauw omsloten door een groen lakensche uniform, waarvan de kraag en mouwen rijk met goud waren afgezet. Het gelaat naar de zaal gekeerd, met zijn zwaar grijzend haar op zijn vierkant voorhoofd geplant, hield hij zijn oogleden half gesloten; zijn groote neus, zijn dikke lippen, zijn lange wangen waarin zijn zes en veertig jaren nog geen enkelen rimpel hadden gebracht, hadden een ruwe gemeenheid, die soms een ondeelbaar oogenblik door de schoonheid van de kracht veredeld werd. Hij leunde bedaard achterover met de kin in den kraag van zijn jas gedoken, zonder dat hij iemand scheen op te merken, met een onverschillig en eenigszins vermoeid uiterlijk.

--Hij ziet er heel gewoon uit, fluisterde mijnheer Béjuin.

Op de banken bogen de afgevaardigden zich voorover om te zien welk gezicht hij zette. Bescheiden opmerkingen werden van oor tot oor gefluisterd. Maar vooral op de tribunes verwekte Rougon's binnentreden een groote opschudding. De Charbonnels staken, om een bewijs van hun tegenwoordigheid te geven, een paar verrukte gezichten vooruit, zoodat zij gevaar liepen te vallen. Mevrouw Correur had even geknikt en haalde nu een zakdoek te voorschijn, waarmee zij groetend wuifde, onder voorwendsel van hem aan haar lippen te brengen. Kolonel Jobelin had zich in een stramme houding opgericht en de mooie mevrouw Bouchard, die snel naar de eerste bank was afgedaald, maakte ietwat hijgend den strik van haar hoed weer vast, terwijl mijnheer d'Escorailles, achter haar, ontstemd bleef zwijgen. Wat de mooie Clorinde aangaat, zij geneerde zich niet. Toen zij zag dat Rougon niet opkeek, tikte zij duidelijk hoorbaar met haar kijker op het marmer van de zuil waartegen zij leunde, en toen hij nog steeds voor zich zag, zei ze tot haar moeder, zoo dat de heele zaal het hooren kon:

--Hij is dus kwaad, die dikke gluiper!

Glimlachend keken eenige afgevaardigden om. Rougon besloot eindelijk de mooie Clorinde met een blik te verwaardigen. Terwijl hij haar onmerkbaar toeknikte, klapte zij zegevierend in de handen, wierp zich lachend achterover en sprak hardop tot haar moeder, zonder zich eenigszins te bekommeren om al die mannen daar beneden, die haar zaten aan te gapen.

Voordat Rougon zijn oogleden weer liet neervallen, had hij de tribunes met éen blik verkend en mevrouw Bouchard, kolonel Jobelin, mevrouw Correur en de Charbonnels daarin samengevat. Zijn gelaat bleef nietszeggend. Hij dook weer met zijn kin in den kraag van zijn jas, sloot de oogen half en onderdrukte met moeite een gegeeuw.

--Ik moet hem toch even iets zeggen, fluisterde mijnheer Kahn zijn buurman toe.

Maar juist toen hij opstond drukte de president, na zich met een blik overtuigd te hebben dat alle afgevaardigden op hun post waren, op den knop van de schel. En eensklaps heerschte er een diepe stilte.

Een blonde heer stond in de eerste bank, een geel marmeren bank, met een wit marmeren lezenaar. In de hand hield hij een groot papier, waarop hij onder het spreken de oogen gevestigd hield.

--Ik heb de eer, zei hij op zangerigen toon, een verslag in te dienen over het wetsvoorstel om aan het ministerie van Staat een krediet toe te staan van vier honderdduizend francs, voor de onkosten van de doopplechtigheid van den kroonprins en de feesten die daarmee gepaard zullen gaan.

En hij maakte aanstalten om het rapport te gaan overleggen, toen alle afgevaardigden, als uit éen mond, riepen:

--Lezen! lezen!

De verslaggever wachtte totdat de president beslist had, dat de voorlezing plaats zou hebben. En hij begon, op bijna aandoenlijken toon:

--Mijne heeren, het wetsvoorstel dat ons wordt aangeboden is een van die voorstellen, die de gewone wijze van stemmen te langzaam doen schijnen, doordat zij de spontane geestdrift van het Wetgevend lichaam vertragen.

--Zeer goed! riepen verscheidene leden.

--In de nederigste gezinnen, ging de verslaggever voort, ieder woord met de vereischte stembuiging uitsprekend, is de geboorte van een zoon, van een erfgenaam, met alle gedachten aan over te dragen rechten, die met dien titel gepaard gaan, een oorzaak van zoo'n zoete vreugde, dat de doorgestane beproevingen vergeten worden en de hoop alleen zweeft boven de wieg van den jonggeborene. Maar hoe mogen wij dat huiselijke feest noemen, wanneer het tevens een feest is voor de gansche natie, wanneer het ook een heuchelijke gebeurtenis voor geheel Europa is!

Dat stukje welsprekendheid bracht de heele Kamer in verrukking. Rougon, die scheen te slapen, zag slechts opgetogen gezichten voor zich.

Sommige afgevaardigden toonden hun aandacht op een overdreven manier, zij hielden de hand achter het oor, om niets van dat keurige proza te verliezen. Na een korte pauze verhief de redenaar zijn stem weer.

--Hier, mijn heeren, is het inderdaad het groote Fransche gezin dat al zijn leden uitnoodigt om hun vreugde uit te drukken; en met welk een luister zou die heuchelijke gebeurtenis niet gevierd moeten worden, indien de uitingen van die vreugde overeenkomstig de grootheid van de wettige verwachtingen konden zijn!

En hij wachtte weer een oogenblik.

--Zeer goed! zeer goed! riepen dezelfde stemmen.

--Dat is keurig gezegd, merkte mijnheer Kahn op. Vind je niet, Béjuin?

Mijnheer Béjuin wiegelde met het hoofd, de oogen op de kroonlamp gericht, die onder de glazen lantaren voor het bureau hing. Hij genoot.

Op de tribune wendde de mooie Clorinde, met den kijker voor de oogen, den blik geen oogenblik van den spreker af; de Charbonnels hadden vochtige oogen; mevrouw Correur nam een oplettende houding aan; de kolonel knikte goedkeurend en de mooie mevrouw Bouchard genoot mede op de knieën van mijnheer d'Escorailles. De president, de secretarissen, tot zelfs de boden, luisterden roerloos toe.

--De wieg van den kroonprins, hernam de spreker, is voortaan een zekerheid voor de toekomst; want doordat zij de dynastie bestendigt, die wij allen met gejuich begroet hebben, verzekert zij den voorspoed en de rust van het land, en daardoor ook die van het overige Europa.

In een ander tijdsgewricht scheen een afstammeling van dit doorluchtig geslacht ook tot groote dingen geroepen, maar de tijden zijn geheel anders. De vrede is het resultaat van de wijze regeering, waarvan wij de vruchten plukken, evenals het genie van den oorlog dat episch gedicht dicteerde, dat het eerste keizerrijk vormt.

Bij zijn geboorte begroet door de kanonschoten, die van Noord tot Zuid het succès van onze wapenen verkondigden, was de koning van Rome zelfs zoo gelukkig niet zijn vaderland te kunnen dienen: dat was een les van de Voorzienigheid.

--Wat gaat hij nu aan het oprakelen? mompelde de sceptische mijnheer La Rouquette. Heel onhandig, die passage. Hij zal zijn stuk nog bederven.

En inderdaad, de afgevaardigden werden ongerust. Waartoe diende die historische herinnering, die hun ijver hinderen moest? Enkelen snoten zich den neus. Maar de spreker, die den slechten indruk van zijn laatsten volzin zeer goed bemerkte, glimlachte even. Hij verhief zijn stem en zette zijn tegenstelling voort, zeker als hij was van zijn effect.

--Maar op een van die plechtige dagen gekomen, waarop de geboorte van een enkele beschouwd moet worden als het heil van allen, schijnt het Kind van Frankrijk ons en den geslachten die na ons komen, het recht te geven om aan den ouderlijken haard te leven en te sterven. Dat is voortaan het onderpand van de goddelijke genade.

Dat was een keurige zinswending. Alle afgevaardigden begrepen dat, en een tevreden gemompel ging door de zaal. Die verzekering van een eeuwigen vrede was werkelijk aangenaam. Gerustgesteld hernamen de heeren hun behagelijke houding van politieke mannen, die zich aan een stukje letterkunde vergastten. Ze hadden rusttijd. Europa behoorde hun meester toe.

--De keizer, gebieder van Europa geworden, ging de verslaggever met nieuwen gloed voort, zou dien grootmoedigen vrede teekenen, die door de vereeniging der voortbrengende krachten der natiën, evenzeer het verbond der volkeren als dat der vorsten is, toen het God behaagde de kroon op zijn geluk zoowel als op zijn roem te plaatsen.

Is de gedachte niet gewettigd dat hij sedert dat oogenblik talrijke jaren van voorspoed voorziet, wanneer hij het oog gevestigd houdt op die wieg, waarin, zoo klein nog, de voortzetter van zijn groote staatkunde sluimert?

Weer een aardig beeld. En dat mocht ook wel gezegd worden: enkele afgevaardigden beaamden het met een goedkeurend hoofdknikje. Maar het verslag begon wat langdradig te worden. Vele leden werden weer ernstig, verscheidene zelfs keken tersluiks naar de tribune, als praktische lui die het ietwat vervelend vonden zich zoo in hun ware politieke gedaante te vertoonen. Anderen zaten met een bekommerd gezicht aan hun zaken te denken, terwijl zij op het mahoniehout van hun lessenaars trommelden; en in hun geest kwam een vage herinnering op aan zittingen lang geleden, oude uitingen van verknochtheid, die met gejubel een jonggeboren heerscher begroetten. Mijnheer La Rouquette keerde zich telkens om, teneinde op de klok te zien; toen deze kwart voor drie aanwees, maakte hij een wanhopig gebaar; hij miste een afspraakje. Mijnheer Kahn en mijnheer Béjuin bleven met over elkander geslagen armen en knippende oogleden naast elkander zitten en staarden van de groote groen fluweelen paneelen naar het wit marmeren bas-relief, waarop de jas van den president een zwarte vlek vormde. En op de diplomatieke tribune had de mooie Clorinde haar kijker weer ter hand genomen en beschouwde nu aandachtig Rougon, die in zijn bank de prachtige houding van een ingedommelden stier vertoonde.

De verslaggever haastte zich echter niet, hij las voor zijn eigen genot, met een gelijkmatige schouderbeweging.

--Laten wij dus een onwrikbaar vertrouwen hebben, en moge het Wetgevend lichaam, bij deze groote en gewichtige gebeurtenis, zich zijn oorspronkelijke gelijkheid met den keizer herinneren, waardoor het bijna een familierecht meer krijgt dan de andere staatslichamen om in de vreugde van den vorst te deelen.

Evenals hij, zoon van den vrijen volkswil, wordt dus het Wetgevend lichaam op dit oogenblik de woordvoerder der gansche natie om aan het doorluchtige Kind de hulde te betuigen van een onveranderlijken eerbied, een beproefde toewijding, en van die onbegrensde liefde die het politiek geloof tot een eeredienst maakt, welks plichten men zegent.

Nu er sprake was van hulde, eeredienst en plichten, moest de rede toch welhaast teneinde loopen. De Charbonnels waagden het elkander hun indrukken toe te fluisteren, terwijl mevrouw Correur zachtjes achter haar zakdoek kuchte. Mevrouw Bouchard ging weer stilletjes achter op de tribune van den Staatsraad naast mijnheer Jules d'Escorailles zitten.

Inderdaad, de redenaar sloeg op eens een vertrouwelijken toon aan en zei snel:

--We stellen u voor, heeren, om het wetsontwerp zooals het door den Staatsraad is ingediend, onveranderd aan te nemen.

En hij ging zitten, te midden van een groot rumoer.

--Zeer goed, zeer goed, riep de geheele zaal.

Een bravogeroep weerklonk. Mijnheer de Combelot, wiens vriendelijke oplettendheid zich geen oogenblik verloochend had, riep zelfs een: Leve de keizer! dat in het gedruis verloren ging. En men bracht bijna een ovatie aan kolonel Jobelin, die alleen in de eerste rij banken van de tribune stond, en tegen de voorschriften in, in zijn magere handen klapte. De geheele verrukking, door de eerste volzinnen teweeg gebracht, kwam weer boven, met een nieuwe overstelping van gelukwenschen. 't Was het einde van de corvee. Met de collega's voor en achter zich wisselde men vriendelijke woorden, terwijl een drom van vrienden zich om den spreker verdrong om hem een krachtigen handdruk te geven.

Te midden van al dat rumoer klonk plotseling:

--De beraadslaging! De beraadslaging!

De president, die voor zijn bureau stond, scheen op dien uitroep gewacht te hebben. Hij schelde, en in de eerbiedige stilte die opeens ontstond, sprak hij:

--Mijne heeren, een groot aantal leden verlangt onmiddellijk tot de beraadslaging over te gaan.

--Ja, ja, riep de geheele Kamer eenstemmig.

En er was geen beraadslaging. Men stemde onmiddellijk. De twee artikelen van het wetsontwerp, achtereenvolgens in stemming gebracht, werden met zitten of opstaan aangenomen. Nauwelijks had de president het geheele artikel voorgelezen, of de geheele vergadering stond als éen man op, als door een plotselingen geestdrift opgeheven. Daarop gingen de stembussen rond, de boden liepen tusschen de banken door en zamelden de stembriefjes in. Het krediet van vierhonderdduizend francs was met een eenparigheid van twee honderd negen en dertig stemmen toegestaan.

--Alweer een nuttig werk verricht, zei mijnheer Béjuin naïef, en begon daarop te lachen, meenende dat hij een geestigheid had gezegd.

--Het is over drieën, ik maak dat ik weg kom, mompelde La Rouquette, terwijl hij mijnheer Kahn voorbij ging.

De zaal werd langzamerhand weer leeg. Zachtjes aan bereikten sommige afgevaardigden de deuren, anderen schenen in de muren te verdwijnen. Dien dag waren verder nog slechts wetten van plaatselijk belang aan de orde.

Weldra bevonden zich nog slechts enkele leden over, die waarschijnlijk dien dag geen zaken meer voor zichzelf te beredderen hadden; zij zetten hun afgebroken sluimering voort, of hervatten hun gesprek; en de zitting eindigde, zooals zij begonnen was, te midden van een kalme onverschilligheid. Zelfs het stommelend gedruis verminderde allengs, alsof het Wetgevend lichaam geheel ingeslapen was, in een vergeten hoekje van Parijs.

--Zeg eens, Béjuin, vroeg mijnheer Kahn, zie bij het heengaan iets uit Delestang los te krijgen. Hij is met Rougon meegekomen, hij zal dus waarschijnlijk wat weten.

--Hé ja, je hebt gelijk. 't Is Delestang, mompelde mijnheer Béjuin, terwijl hij naar den staatsraad keek die links naast Rougon zat. Ik kan ze nooit herkennen met die drommelsche uniformen.

--Ik ga niet weg, voordat ik onzen grooten man gesproken heb, zei mijnheer Kahn. We moeten weten, waar we aan toe zijn.

De president bracht een eindelooze reeks wetsvoorstellen in stemming; dit geschiedde door zitten of opstaan. De afgevaardigden stonden werktuigelijk op, gingen weer zitten zonder op te houden met praten, ja zelfs met slapen. Het werd zoo vervelend, dat de weinige nieuwsgierigen op de tribunes heengingen. Rougon's vrienden waren de eenigen die bleven. Zij hoopten nog dat hij zou spreken.

Plotseling stond een afgevaardigde, met de onberispelijke bakkebaarden van een kleinsteedsch procureur, op. Dat maakte op eens een einde aan de eentonige werking van de stemmachine. Een levendige verbazing deed iedereen het hoofd omwenden.

--Mijne heeren, zei de afgevaardigde, voor zijn bank staande, ik vraag verlof om mij nader te verklaren omtrent de beweegredenen, die mij er noode toe gebracht hebben af te wijken van het gevoelen der meerderheid van de commissie.

De stem klonk zoo scherp, zoo vreemd, dat de mooie Clorinde haar lachen achter haar hand moest verbergen. Maar onder de heeren in de zaal nam de verbazing nog toe. Wat beteekent dat, waarom sprak hij?

Toen kwam men door vragen te weten dat de president de beraadslaging geopend had over een wetsvoorstel om het departement Pyrénées-Orientales te machtigen tot eene leening van twee honderd vijftig duizend francs, voor den bouw van een Paleis van Justitie te Perpignan. De spreker pleitte tegen het wetsvoorstel. Dat scheen belangwekkend. Men luisterde.

De afgevaardigde met de onberispelijke bakkebaarden ging intusschen uiterst voorzichtig te werk. Hij sprak vaak met halve woorden, en die liet hij vergezeld gaan van allerlei beleefdheidsbetuigingen aan alle denkbare autoriteiten. Maar het departement zat op zware lasten, en hij hing een tafereel op van den finantiëelen toestand van de Pyrénées-Orientales. Daarbij kwam, dat hij de noodzakelijkheid van een nieuw Paleis van Justitie niet inzag. Zoo sprak hij bijna een kwartier lang. Toen hij ging zitten, was hij zeer aangedaan. Rougon, die zijn oogleden had opgeslagen, liet ze weer langzaam neervallen.

Toen kwam de beurt aan den rapporteur, een bewegelijk oud mannetje, die kort en zakelijk sprak, als een man die zeker is van zijn zaak. Hij begon met een beleefd woord voor zijn geacht medelid, met wien hij het tot zijn leedwezen niet eens was. Het departement Pyrénées-Orientales was niet zoo met schulden bezwaard als men beweerde; en met andere cijfers hing hij weer een geheel ander tafereel op van den finantiëelen toestand van het departement. Bovendien kon de noodzakelijkheid van een nieuw Paleis van Justitie niet ontkend worden. Hij trad in bijzonderheden. Het oude gerechtsgebouw lag in een zoo volkrijke buurt, dat het leven op straat de rechters verhinderde naar de advokaten te luisteren. Daarenboven was het te klein: wanneer er bijvoorbeeld veel getuigen bij een gerechtszitting waren, moesten zij zich met een staanplaats op een trapportaal behelpen, waar zij bloot stonden aan gevaarlijken overlast. De rapporteur besloot met het onwederlegbaar argument, dat de zegelbewaarder zelf de aanbieding van het wetsvoorstel had uitgelokt.

Rougon zat onbewegelijk, met de handen op de dijen en den nek tegen de mahoniehouten bank geleund. Sedert de discussie begonnen was, scheen hij nog logger, nog zwaarder. En toen de eerste spreker aanstalten maakte om te antwoorden, hief hij langzaam zijn groot lichaam op, zonder geheel op te staan en sprak hij op lijmerigen toon dezen enkelen volzin:

--Mijnheer de rapporteur heeft er vergeten bij te voegen dat de ministers van Binnenlandsche zaken en Financiën het wetsontwerp hebben goedgekeurd.

Hij liet zich weer neervallen, nam weer zijn houding van ingedommelden stier aan. Een lichte huivering had de afgevaardigden doortrild. De spreker ging weer zitten, terwijl hij een buiging maakte. En de wet werd goedgekeurd. De enkele leden, die het debat nieuwsgierig gevolgd hadden, zetten weer een onverschillig gezicht.

Rougon had gesproken. Van uit zijn tribune wisselde kolonel Jobelin blikken van verstandhouding met het echtpaar Charbonnel, terwijl mevrouw Correur zich gereed maakte de tribune te verlaten, zooals men een schouwburgloge verlaat voor het vallen van het gordijn, wanneer de held van het stuk zijn laatste tirade uitgegalmd heeft. Mijnheer d'Escorailles en mevrouw Bouchard waren al heen. Clorinde, die voor de fluweelen balustrade stond, zoodat haar prachtige taille in de geheele zaal zichtbaar was, hulde zich langzaam in een kanten sjaal, terwijl zij haar blikken rondom den halven cirkel liet gaan. De regen kletterde niet meer tegen het glazen dak, maar de hemel bleef nog bewolkt en donker. Onder den valen tint van het licht scheen het mahoniehout van de lessenaars zwart; een donkere schaduw steeg langs de opgaande banken, waarin alleen de kale kruinen van enkele afgevaardigden een witte vlek vormden; en op het marmer van den ondermuur, onder de vage bleekheid van de allegorische figuren, vertoonden zich de schaduwen van den president, de secretarissen en de boden, op één lijn geschaard, als chineesche schimmen. De vergadering werd weggewischt in die snel invallende schemering.

--Goede hemel, 't is hier om dood te gaan, zei Clorinde, terwijl ze haar moeder de tribune uitduwde.

En zij deed de slaperige boden op het portaal opschrikken door de zonderlinge manier waarop zij haar sjaal om haar middel gerold had.

Beneden in de vestibule ontmoetten de dames kolonel Jobelin en mevrouw Correur.

--We wachten op hem, zei de kolonel; misschien komt hij door dezen uitgang.... In elk geval heb ik Kahn en Béjuin een wenk gegeven, dat ze mij bericht zouden zenden.

Mevrouw Correur was gravin Balbi genaderd en zonder nadere toelichting zei ze op spijtigen toon:

--Ach, wat zou dat een ongeluk zijn!

De kolonel hief de oogen ten hemel.

--Mannen als Rougon zijn onmisbaar voor hun land, verklaarde hij na een korte stilte. De keizer zou een misslag begaan.

En het werd weer stil. Clorinde wou een blik in de zaal "des Pas perdus" werpen, maar een bode sloot plotseling de deur. Toen voegde ze zich weer bij haar moeder, die daar zwijgend bij stond. Ze mompelde:

--Dat wachten is vervelend!

Er kwamen soldaten aan. De kolonel verklaarde dat de zitting geëindigd was. En inderdaad, de Charbonnels verschenen boven aan de trap; met de hand aan de leuning kwamen zij voorzichtig naar beneden. Toen mijnheer Charbonnel den kolonel bemerkte, riep hij:

--Hij heeft niet veel gezegd, maar hij heeft ze netjes den mond gesnoerd!

--De gelegenheden ontbreken hem, fluisterde de kolonel den braven man in het oor, toen deze naast hem stond, anders zoudt u hem eens hooren! Maar hij moet in vuur geraken!

Intusschen hadden de soldaten zich in dubbel gelid opgesteld, van de vergaderzaal tot aan de galerij van het presidentschap. Er verscheen een stoet, terwijl de tamboers den veldmarsch sloegen. Voorop liepen twee boden, in het zwart gekleed, den klaphoed onder den arm, de keten om den hals, den degen met stalen gevest op zijde. Daarop kwam de president, door twee officieren geëscorteerd. Achteraan kwamen de secretarissen van het bureau en de secretaris-generaal van het presidentschap. Toen de president voorbij de schoone Clorinde ging, lachte hij haar als man van de wereld toe, ondanks de statigheid van den optocht.

--Zoo, vind ik u hier, zei mijnheer Kahn, die in de grootste ontsteltenis kwam aanloopen.

En ofschoon de zaal "des Pas perdus" destijds voor het publiek gesloten was, liet hij ze allen binnenkomen en voerde ze naar een der groote openslaande tuindeuren. Hij scheen woedend te zijn.

--Ik ben hem weer misgeloopen! hernam hij. Hij is de rue de Bourgogne ingegaan, terwijl ik in de zaal van generaal Foy op hem wachtte. Maar dat is niets, we zullen het toch wel te weten komen. Ik heb Béjuin op Delestang afgestuurd.

En weer moesten zij ruim tien minuten wachten. De afgevaardigden kwamen met een nonchalant uiterlijk de zaal uit. Sommigen bleven staan om een sigaar aan te steken. Anderen bleven in groepjes bijeen, lachten en wisselden handdrukken. Intusschen was mevrouw Correur de groep van Laocoon gaan beschouwen. En terwijl de Charbonnels hun hals uitrekten om naar een meeuw te zien, die op de lijst van een fresco was geschilderd, alsof ze van het schilderij was afgevlogen, keek de mooie Clorinde naar de reusachtige armen en borst van de groote bronzen Minerva. In de vensternis voerden kolonel Jobelin en mijnheer Kahn op zachten toon een levendig gesprek.

--Ha, daar is Béjuin! riep laatstgenoemde uit.

Allen kwamen in de grootste spanning naderbij. Mijnheer Béjuin haalde diep adem.

--Nu? vroeg men hem.

--Nu, het ontslag is aangenomen. Rougon trekt zich terug.