Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 19

Chapter 194,054 wordsPublic domain

--Ik ging juist naar u toe. Stap toch in! Ik zal u thuis brengen, onderweg kunnen we praten.

Rougon stapte in. Hij zat ternauwernood, of de gewezen afgevaardigde barstte in een vloed van heftige woorden uit.

--Och, beste vriend, men heeft me daar een voorstel gedaan.... Ge raadt het nooit. Ik ben er warm van.

En terwijl hij het portierraampje liet zakken:

--U hebt er niets op tegen, hè?

Rougon ging in een hoekje leunen, terwijl hij door het open raampje den grijzen muur van den tuin der Tuileriën voorbij zag glijden. Mijnheer Kahn ging met levendige gebaren voort:

--U weet, ik heb uw raad gevolgd.... Sedert twee jaar voer ik hardnekkig strijd. Ik heb den keizer driemaal gezien, ik schrijf al mijn vierde memorie over die kwestie. Al heb ik de concessie van mijn spoorweg niet gekregen, ik heb toch altijd belet dat Marsy haar aan de compagnie de l'Ouest kon geven.... Enfin, ik heb gewacht tot we de sterksten zouden zijn, zooals ge me gezegd hadt.

Hij zweeg een oogenblik, zijn stem ging verloren in het afschuwelijk geraas van een met ijzer beladen wagen, die langs de kade reed. Toen de vigelante den wagen voorbij was, ging hij voort:

--Nu, zoo even is er een heer, die me geheel onbekend is, op mijn kantoor verschenen om mij uit naam van de Marsy en den directeur der compagnie de l'Ouest de concessie aan te bieden, wanneer ik den heeren een millioen in aandeelen wou afstaan.... Wat zegt gij daarvan?

--Dat is wel wat duur, mompelde Rougon glimlachend.

Mijnheer Kahn schudde het hoofd.

--Neen, maar, ge kunt u geen denkbeeld maken van de brutaliteit waarmee die lui optraden! Ik zou u mijn heele gesprek met den onbekende moeten mededeelen. Marsy verbindt zich voor dat millioen om mij te steunen en te zorgen, dat ik binnen een maand de vereischte vergunning krijg. Hij eischt zijn aandeel, meer niet.... En toen ik van den keizer sprak, begon de man te lachen. Hij heeft me heel netjes aan het verstand gebracht, dat als ik den keizer voor me had, mijn zaak reddeloos verloren was.

De vigelante reed de place de la Concorde op. Rougon kwam uit zijn hoekje, alsof hij het daar warm gehad had, met een roode kleur op de wangen.

--En hebt ge dien mijnheer de deur gewezen? vroeg hij.

De gewezen afgevaardigde keek hem een oogenblik met sprakelooze verbazing aan. Zijn boosheid was plotseling gezakt. Hij dook op zijn beurt in een hoekje van het rijtuig weg, en zich zachtjes aan de schokken van het rijtuig overgevende, mompelde hij:

--Welneen, men wijst den lui zoo maar niet de deur, zonder nadenken.... Ik wou trouwens eerst uw raad inwinnen. Ik voor mij heb grooten lust het aan te nemen.

--Nooit, Kahn! riep Rougon woedend. Nooit!

En de discussies begonnen. Mijnheer Kahn noemde cijfers; een millioen was buiten kijf verbazend veel om iemand om te koopen, maar hij bewees dat men door zekere operaties dat gaatje wel kon stoppen. Rougon luisterde niet, hij wou er niet van hooren. Hij bekommerde zich niet om geld. Maar hij wou niet dat Marsy een millioen in zijn zak zou steken, omdat in het geven van dat millioen een bekentenis van zijn onmacht opgesloten lag, en tevens een bewijs dat hij den invloed van zijn tegenstander buitensporig hoog schatte.

--Ge ziet wel dat hij het moe wordt. Hij legt de duimschroeven aan.... Wacht maar, we krijgen de concessie voor niets.

En bijna dreigend ging hij voort:

--We zouden in onmin geraken, ik waarschuw u. Ik kan niet toestaan dat een mijner vrienden zoo afgezet wordt.

Een stilte volgde. De vigelante reed de Champs-Elysées op. Beiden schenen diep in gedachten, de boomen langs den weg te tellen. Mijnheer Kahn verbrak het eerst het stilzwijgen door de halfluide opmerking:

--Hoor eens, ik zou niets liever willen, ik wil u niet in den steek laten, maar ge moet zelf toestemmen dat ik nu al bijna twee jaar....

Hij hield even op, om met een andere zinswending te vervolgen:

--Enfin, 't is uw schuld niet, uw handen zijn op het oogenblik gebonden. We moesten het millioen maar geven, heusch!

--Nooit! herhaalde Rougon stellig. Binnen veertien dagen hebt ge uw concessie, hoort ge!

De vigelante was stilgehouden voor het kleine hôtel in de rue Marbeuf. Toen bleven zij, zonder uit te stappen, met gesloten portier, nog een oogenblik praten, heel op hun gemak, alsof zij in hun kamer zaten. Rougon kreeg dien avond mijnheer Bouchard en kolonel Jobelin ten eten, en hij wou mijnheer Kahn ook houden, maar deze moest tot zijn spijt weigeren, daar hij al een andere uitnoodiging had aangenomen. Nu was de groote man op eens vol ijver voor de concessie. Toen hij uitgestapt was, sloot hij vriendelijk het portier en wisselde hij een laatste knikje met den oud-afgevaardigde.

--Tot morgen, Donderdag, niet waar? riep deze, terwijl hij onder het wegrijden zijn hoofd uit het portierraampje stak.

Rougon kwam opgewonden in huis. Hij kon zelfs de avondbladen niet lezen. Ofschoon het pas vijf uur was, ging hij naar het salon en bleef daar op en neer loopen, wachtende op zijn gasten. De eerste zonnige dag in het jaar, die bleeke Januari-zon, had hem een begin van hoofdpijn bezorgd. Zijn ontmoetingen op dien middag hadden een levendigen indruk by hem achtergelaten. De geheele bende,--de vrienden die hij verdroeg, die welke hij vreesde en die voor welke hij werkelijk genegenheid had opgevat,--dreef hem tot een onmiddellijke ontknooping. En dat mishaagde hem niet; hij gaf hun gelijk dat ze ongeduldig werden, hij voelde een toorn in zich opkomen, die zoo groot was als van hen allen gezamenlijk. 't Was alsof men langzamerhand de ruimte voor hem vernauwd had. Het oogenblik was nabij, waarop hij een vreeselijken sprong zou moeten wagen.

Op eens dacht hij aan Gilquin, dien hij geheel vergeten had. Hij schelde om te vragen of "de heer met de groene jas" in zijn afwezigheid teruggekomen was. De knecht had niemand gezien. Toen beval hij hem in zijn kamer te laten, wanneer hij in den loop van den avond komen mocht.

--En dan moet ge me dadelijk waarschuwen, ging hij voort, zelfs al zitten we nog aan tafel.

Toen haalde hij uit nieuwsgierigheid Gilquin's kaartje weer voor den dag. Hij las en herlas: "Er is haast bij, een grappige geschiedenis" zonder er wijzer door te worden. Toen mijnheer Bouchard en de kolonel kwamen, liet hij het kaartje in zijn zak glijden, voortdurend denkend aan dien zin, die hem ontstemde.

Het diner was zeer eenvoudig. Mijnheer Bouchard leefde al een paar dagen als vrijgezel, daar zijn vrouw naar een zieke tante had moeten gaan, van wier bestaan hij nu eerst hoorde. De kolonel, die altijd een welkome gast bij de Rougons was, had dien avond zijn zoon Auguste meegebracht. Mevrouw Rougon nam de honneurs aan tafel waar, met haar stille minzaamheid. De bediening geschiedde onder haar nauwlettend toezicht, zonder dat men het minste gerinkel hoorde. Het gesprek liep over de studiën op de lycées. De chef de bureau haalde versregels van Horatius aan, sprak over de prijzen die hij in 1813 hy de algemeene wedstrijden behaald had. De kolonel had meer militaire tucht verlangd; en hij vertelde waarom Auguste voor het candidaatsexamen was afgewezen: de jongen was zoo vlug van begrip, dat hij altijd meer wist dan de professoren vroegen, en dat konden die heeren niet verdragen. Terwijl zijn vader die uitlegging aan zijn niet-slagen gaf, at Auguste met een geniepig lachje een stukje gevogelte.

Bij het dessert scheen Rougon, die tot dusver verstrooid had toegeluisterd, op te schrikken door een luid gebel. Hij dacht dat het Gilquin was, en naar de deur kijkende vouwde hij werktuigelijk zijn servet op, in afwachting dat hij geroepen zou worden. Maar het was Du Poizat die binnentrad. De gewezen onder-prefect ging op twee passen afstands van de tafel zitten, als een goede bekende. Hij kwam dikwijls, vroeg in den avond, dadelijk na het eten, dat hij in een klein pension op de faubourg Saint-Honoré gebruikte.

--Ik ben doodmoe, mompelde hij, zonder eenige nadere verklaring te geven over zijn drukke bezigheden in den middag. Ik zou naar bed gegaan zijn, als ik niet even de kranten had willen inzien. Ze liggen zeker in uw kamer, niet waar Rougon?

Toch bleef hij zitten en gebruikte een peer met een drupje wijn. Het gesprek liep nu over de duurte der levensmiddelen; alles was in twintig jaar tijds tweemaal zoo duur geworden. Het heugde mijnheer Bouchard nog dat hij een paar duiven voor vijftien sous had zien verkoopen. Intusschen trok mevrouw Rougon, zoodra de koffie en de likeuren rondgediend waren, zich bescheiden terug. Men keerde zonder haar naar het salon terug en richtte het daar heel huiselijk in. De kolonel en de chef de bureau brachten zelf de speeltafel voor den haard; en terwijl zij de kaarten schudden, verdiepten zij zich reeds in allerlei combinaties. Auguste bladerde in een geïllustreerd tijdschrift, dat op een hoektafeltje lag. Du Poizat was verdwenen.

--Zie eens wat een spel, zei de kolonel op eens. Zeldzaam, hè?

Rougon kwam naderbij en knikte. Toen hij vervolgens de tang ter hand wou nemen om de houtblokken wat op te rakelen, kwam de knecht, die zachtjes binnengetreden was, hem aan het oor fluisteren:

--Die mijnheer van van morgen is er.

Hij kreeg op eens een schok. Hij had de bel niet hooren overgaan. In zijn kamer vond hij Gilquin met een rotting onder den arm, als een kenner met half dichtgeknepen oogen een slechte gravure bekijkende, die Napoleon op St. Helena voorstelde. Zijn groene jas was tot aan de kin dichtgeknoopt; op het hoofd, half op het eene oor droeg hij een bijna nieuwen zijden hoed.

--Welnu? vroeg Rougon levendig.

Maar Gilquin haastte zich niet. Hij schudde het hoofd en zei met het oog op de gravure:

--Toch goed getroffen!.... Hij staat er net op of hij vreeselijk het land heeft.

De kamer werd verlicht door een enkele lamp, op den hoek der schrijftafel. Toen Rougon binnentrad, vernam hij een licht gekraak, als van papier, dat uit een fauteuil met een breeden rug, die voor den haard geplaatst was, scheen te komen. Maar toen daarop een diepe stilte volgde, meende hij het geknetter van een half uitgedoofd houtblok gehoord te hebben. Rougon noodigde Gilquin uit plaats te nemen, maar deze weigerde, en de beide mannen bleven bij de deur staan, in de schaduw van een boekenkast.

--Welnu? herhaalde Rougon.

En hij vertelde dat hij dien middag de rue Guisarde was doorgegaan. Toen sprak de ander over zijn portierster, een uitstekende vrouw, die een borstkwaal opgedaan had in dat vochtige benedenhuis.

--Maar die zaak daar haast bij is.... Wat is dat toch?

--Wacht even! Daar ben ik juist voor hier, we komen er zoo dadelijk op. En ben je boven geweest, heb je de poes gehoord? Verbeeld je, die is langs de goten op mijn kamer gekomen. Op een nacht had ik het raam open gelaten, en 's morgens lag ze naast me op bed. Ze likte me den baard. Dat vond ik zoo grappig, dat ik haar gehouden heb.

Eindelijk kwam hij met de zaak voor den dag. Maar het was een lange geschiedenis. Hij begon met zijn liefdesbetrekking te vertellen met een strijkster, die op een avond bij het uitgaan van de Ambigu verliefd op hem was geworden. Die arme Eulalie had zich genoodzaakt gezien haar meubels aan haar huisheer te laten, omdat een minnaar haar verlaten had juist toen zij vijf termijnen schuldig was. Toen woonde zij sinds een dag of tien in een logement in de rue Montmartre, dicht bij haar atelier; en nu had hij de heele week bij haar geslapen, op de tweede verdieping, in een klein kamertje dat op de plaats uitzag.

Rougon hoorde hem geduldig aan.

--Drie dagen geleden, ging Gilquin voort, had ik een koek en een flesch wijn meegebracht.... We hebben dat in bed verorberd. We gaan vroeg naar bed, weet je.... Eulalie is even voor twaalven opgestaan, om de kruimels van de dekens te schudden. En dadelijk daarop lag ze weer in diepen slaap. Die kan slapen, hoor!.... Maar ik sliep niet. Ik had de kaars uitgeblazen en ik lag voor me uit te kijken naar de lucht, toen er plotseling twist ontstond in de kamer daarnaast. Ik moet er bij vertellen, dat de twee kamers vroeger ineenliepen, maar de deur is nu dichtgespijkerd. De stemmen klonken weer zachter; de vrede scheen hersteld; maar ik hoorde zulke vreemde geluiden, dat ik, ronduit gezegd, eens door een reet van de deur ging kijken.... Neen, je raadt nooit wat ik zag....

Hij zweeg even, met groote oogen, genietende van de uitwerking die zijn woorden zouden hebben.

--Nu dan, ze waren met hun beiden, een jonge man van vijf en twintig, tamelijk knap, en een oude van over de vijftig, klein, mager en ziekelijk.... Die snaken stonden pistolen te bekijken, dolken, degens, allerlei wapenen die blonken van nieuwheid. Ze spraken een taaltje, dat ik eerst niet begreep. Maar aan sommige woorden begreep ik dat het Italiaansch was. Je weet, ik heb in Italië gereisd. Toen heb ik eens goed toegeluisterd en ik heb alles begrepen.... Het zijn heeren die naar Parijs zijn gekomen om den keizer te vermoorden. Ziedaar!

En hij kruiste de armen en drukte zijn wandelstok tegen zijn borst, terwijl hij telkens herhaalde:

--Grappig, hè?

Dat was de zaak die Gilquin zoo grappig vond. Rougon haalde de schouders op; men had hem wel twintigmalen op samenzweringen attent gemaakt. Maar de gewezen handelsreiziger gaf nauwkeurige bijzonderheden aan.

--Je hebt me gezegd, dat ik je al de praatjes in de buurt moest komen vertellen. Ik wil je graag een dienst bewijzen, ik breng je alles over, niet waar? Schud nu maar je hoofd zoo niet.... Geloof je niet dat ik, als ik naar de prefectuur was gegaan, een aardig fooitje zou gekregen hebben? Maar ik wil er liever een vriend van laten profiteeren. 't Is ernstig, hoor! Ga de zaak aan den keizer vertellen, wat drommel, die valt je nog om den hals!

Sedert drie dagen hield hij een oogje op de mooie heertjes, zooals hij ze noemde. Overdag kwamen er nog twee anderen, éen jonge en éen van middelbaren leeftijd met een heel knap uiterlijk, een bleek gezicht en lang zwart haar, die het hoofd scheen te zijn. Al die luidjes kwamen uitgeput van vermoeienis thuis en spraken dan heel geheimzinnig met elkaar. Den vorigen avond had hij ze van die ijzeren "dingetjes" zien laden, hij geloofde bepaald dat het bommen waren. Hij had den sleutel aan Eulalie gevraagd en nu bleef hij op zijn kousen in de kamer, om alles af te luisteren. En tegen negen uur zorgde hij dat Eulalie lag te snorken, om de buren gerust te stellen. Naar zijn meening moest men in politieke zaken de vrouwen er buiten laten.

Naar mate Gilquin sprak werd Rougon ernstiger. Onder den lichten roes van den gewezen handelsreiziger, te midden van de vreemde bijzonderheden waarmee hij zijn verhaal doorspekte, drong zich toch bij Rougon het geloof aan de waarheid van dat verhaal op. En die zenuwachtige gejaagdheid, die hij den ganschen dag gevoeld had, die kwellende nieuwsgierigheid, kwamen hem nu als een voorgevoel voor. En hij verdween overmeesterd door die innerlijke onrust die hem al van den morgen af bevangen had, een onwillekeurige ontroering van een sterk man, wiens lot door een kaartworp beslist zal worden.

--Domkoppen, die natuurlijk de heele politie achter kun hielen krijgen, zei hij met voorgewende onverschilligheid.

Gilquin begon spotachtig te lachen. Binnensmonds prevelde hij:

--De politie zal zich in dat geval moeten haasten.

En hij zweeg, terwijl hij lachend een deuk in zijn hoed sloeg. De groote man begreep dat hij nog niet alles verteld had. Hij keek hem strak aan, maar de ander had de deur reeds geopend, met de woorden:

--Enfin, ik heb je gewaarschuwd.... Ik ga eten, mijn waarde. Ik heb nog geen tijd gehad om te eten. Den heelen middag heb ik mijn mannetjes in het oog moeten houden.... En een honger dat ik heb!

Rougon hield hem terug en vroeg of hij hem kon dienen met een stuk koud vleesch; en hij gaf dadelijk bevel in de eetzaal voor hem te laten dekken. Gilquin scheen zeer getroffen. Hij sloot de deur van de kamer en sprak wat zachter, opdat de knecht het niet zou hooren:

--Je bent een fideele kerel.... Luister eens goed. Ik wil je niet bedriegen. Als je me slecht ontvangen had, was ik dadelijk naar de prefectuur gegaan.... Maar nu zal je alles weten. Dat is eerlijk gesproken, hè? Je zult dien dienst niet vergeten, hoop ik. Vrienden blijven altijd vrienden, wat men ook mag zeggen.

Toen boog hij zich naar hem over en siste hem toe:

--'t Is op morgenavond bepaald.... Men wil Napoleon in de lucht laten vliegen voor de Opera. Het rijtuig, de adjudanten, de heele kliek wordt ineens weggeveegd.

Terwijl Gilquin zijn plaats aan de tafel in de eetzaal innam, bleef Rougon onbewegelijk, met een vaalbleek gelaat, in zijn kamer staan. Hij overlegde, hij weifelde. Eindelijk ging hij voor zijn schrijftafel zitten; hij nam een blad papier, maar schoof het even spoedig van zich af. Een oogenblik scheen hij de kamer uit te willen gaan, als om een bevel te geven. Maar hij kwam langzaam terug en verdiepte zich weer in een gepeins, dat zijn aangezicht somber stemde.

Op dit oogenblik kreeg de armstoel met den breeden rug, die voor het haardvuur stond, een plotselingen schok. Du Poizat stond op en vouwde zijn krant kalmpjes dicht.

--Hoe, was jij daar, jij! zei Rougon heftig.

--Wel zeker, ik las de kranten, antwoordde de gewezen onder-prefect, met een glimlach die zijn onregelmatige, witte tanden bloot liet. Dat wist je wel, je hebt me immers gezien toen je binnen kwam.

Die brutale leugen maakte een verdere verklaring overbodig. Beide mannen keken elkander stilzwijgend aan. En daar Rougon hem, besluiteloos, scheen te raadplegen, maakte Du Poizat een gebaar dat duidelijk zeggen wilde: "Wacht nog wat, er is geen haast bij, eerst zien". Geen enkel woord werd tusschen hen gewisseld. Zij keerden naar het salon terug.

Dien avond was er zoo'n oneenigheid tusschen den kolonel en mijnheer Bouchard ontstaan, over de prinsen van Orleans en den graaf de Chambord, dat zij de kaarten hadden neergeworpen en zwoeren dat zij nooit meer samen wilden spelen. Ze zaten ieder aan een kant van den haard, met sombere, dreigende blikken. Toen Rougon binnentrad, verzoenden zij zich met elkaar, en begonnen als om strijd zijn lof te bezingen.

--O, ik geneer me niet, ik zeg het hem in zijn tegenwoordigheid, ging de kolonel voort. Er is niemand die bij hem vergeleken kan worden.

--We spreken kwaad van u, hoort ge wel, hernam mijnheer Bouchard knipoogend.

En het gesprek ging voort:

--Een weergaloos vernuft!

--Een voortvarend man met een veroveraarsblik!

--Ach, hij mocht zich wel wat meer met onze zaken bemoeien!

--Ja, 't zou niet zoo'n rommel zijn. Hij alleen kan het keizerrijk redden!

Rougon's breede borst zwol op, terwijl hij uit bescheidenheid een gemelijk gezicht zette. Die wierookdampen snoof hij met welgevallen op. Zijn ijdelheid werd nooit aangenamer gekitteld, dan wanneer de kolonel en mijnheer Bouchard, heele avonden lang, hun bewondering beurtelings lucht gaven. Hun domheid kwam dan eerst recht voor den dag, de ernstige uitdrukking op hun gelaat was komisch om te zien, maar hoe flauwer hij ze vond, hoe meer hij genoot van hun eentonige stem, die onophoudelijk zijn lof verkondigde. Soms maakte hij er een grapje van, wanneer de twee neven er niet waren; maar toch werden zijn hoogmoed en heerschzucht er door bevredigd. Het was als een mesthoop van loftuitingen, groot genoeg om er zich met zijn kolossaal lichaam op rond te wentelen.

--Neen, neen, ik heb niet veel te beteekenen, zei hij hoofdschuddend. O, als ik werkelijk zoo groot was als gij denkt....

Hij voltooide zijn zin niet. Hij had zich voor de speeltafel neergezet en begon werktuigelijk de kaarten te leggen, wat hem in den laatsten tijd maar zelden overkwam. Mijnheer Bouchard en de kolonel gingen hun gang; ze verklaarden dat hij een groot redenaar, een groot administrateur, een groot financier, een groot staatsman was. Du Poizat stond er goedkeurend bij te knikken. Eindelijk zei hij, alsof Rougon er niet bij was:

--Mijn hemel! er behoeft maar iets te gebeuren.... De keizer is Rougon zeer genegen. Laat er morgen een onvoorziene gebeurtenis plaats grijpen, zoodat hij behoefte gevoelt aan een krachtigen arm, en overmorgen is Rougon minister.... Mijn hemel, ja!

De groote man hief langzaam de oogen op. Hij liet zich achterover in zijn fauteuil glijden, hij liet zijn spel rusten, zijn gelaat was weer grauw en betrokken. Maar in zijn gepeins schenen de vleiende stemmen van den kolonel en mijnheer Bouchard hem te wiegen, hem tot een besluit te drijven, dat hij nog aarzelde te nemen. Hij glimlachte toch, toen de jonge Auguste, die het afgebroken spel had voortgezet, uitriep:

--Het is gelukt, mijnheer Rougon.

--Wat drommel, zei Du Poizat, de lijfspreuk van den grooten man herhalende, het lukt altijd!

Op dit oogenblik kwam een knecht Rougon zeggen dat een heer en een dame hem wenschten te spreken, en hij overhandigde hem een kaartje, dat Rougon een uitroep van verbazing ontlokte.

--Wat, zijn zij in Parijs!

Het waren de markies en de markiezin d'Escorailles. Hij haastte zich hen in zijn kamer te ontvangen. Zij verontschuldigden zich over hun laat bezoek. In den loop van het gesprek gaven zij te kennen dat zij zich sinds twee dagen in Parijs bevonden, maar dat hun vrees van een verkeerde uitlegging te zien geven aan een bezoek bij iemand, die in zoo nauwe betrekking tot de regeering stond, hen dat bezoek tot dit ongelegen uur had doen uitstellen. Door deze uitlegging voelde Rougon zich in het minst niet gekwetst. De tegenwoordigheid van den markies en de markiezin in zijn huis was voor hem een eer, waarop hij niet had durven hopen. Wanneer de keizer in hoogst eigen persoon aan zijn deur geklopt had, zou zijn ijdelheid er niet meer door bevredigd kunnen zijn. Die grijsaards, die bij hem kwamen met een verzoek, dat was geheel Plassans dat hem hulde bewees, dat aristocratische, koude, hooghartige Plassans, waarvan hij uit zijn jeugd een voorstelling had meegenomen als van een onbestijgbaren Olympus; eindelijk bevredigde hij een droom van een vroegere eerzucht, hij voelde zich gewroken over de minachtende behandeling van zijn stadje, toen hij er rondliep op zijn versleten schoenen en voortslofte als een advokaat zonder praktijk.

--We hebben Jules niet aangetroffen, zei de markiezin. We hadden ons voorgesteld hem te verrassen. Hij moest naar Orleans, voor zaken, schijnt het.

Rougon wist niets van zijn afwezigheid. Maar hij begreep alles toen hij bedacht dat de tante bij wie mevrouw Bouchard zich bevond, in Orleans woonde. En hij verontschuldigde Jules, hij gaf zelfs een verklaring van de ernstige zaak, een rapport over een kwestie van misbruik van gezag, die aanleiding tot de reis had gegeven. Hij roemde hem als een schrander jongmensch, die een schitterende carrière zou maken.

--Hij heeft het noodig dat hij vooruitkomt, zei de markies, en hij liet het bij die zinspeling op den achteruitgang der familie. Wij hebben ons met groot hartzeer van hem gescheiden.

En beiden, de vader en de moeder, klaagden bescheiden over den afschuwelijken tijd, die belette de kinderen op te laten groeien in de overtuiging hunner vaderen. Zij zelven hadden geen voet meer in Parijs gezet sedert den val van Karel X. Ze zouden er zeker nooit teruggekeerd zijn, als het niet de toekomst van Jules gold. Sedert het lieve kind, op hun geheimen raad, het keizerrijk diende, veinsden zij wel hem te verloochenen, maar in stilte werkten zij onafgebroken aan zijn bevordering.

--Wij komen er rond bij u vooruit, mijnheer Rougon, hernam de markies met een beminnelijke vertrouwelijkheid. Wij hebben ons kind lief, dat is toch geoorloofd. O, u hebt veel voor hem gedaan, we zijn u er zeer dankbaar voor. Maar u moet nog meer doen. Wij zijn vrienden en landgenooten, niet waar?

Rougon boog, zeer aangedaan. De nederige houding van die twee oudjes die hij vroeger met zoo veel plechtstatigheid naar de kerk Saint-Marc had zien gaan, verhief hem in zijn eigen oog. Hij deed hun stellige beloften.

Toen zij afscheid namen, na een vertrouwelijk onderhoud, dat bijna een half uur geduurd had, drukte de markiezin zacht zijn hand, en mompelde: