Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 18

Chapter 184,070 wordsPublic domain

Maar hoe men Rougon's gelaat ook bestudeerde, het bleef gesloten, kalm, bijna naïef. Misschien veinsde hij toch niet. Bovendien, Clorinde had liever dat hij zich met niets bemoeide. Zij was bang dat hij haar plannen dwarsboomen zou, wanneer men hem dwong de oogen te openen. Men werkte als het ware zijns ondanks aan zijn verheffing. Men moest hem, desnoods tegen wil en dank, aandrijven om den top te bereiken, later zou men wel afrekenen.

Intusschen liepen de zaken niet vlug genoeg van stapel, de bende begon ongeduldig te worden. Men maakte Rougon geen bepaald verwijt van al wat men voor hem deed, maar men gaf hem heimelijke steken, dubbelzinnige toespelingen. De kolonel kwam nu dikwijls met wit bestofte laarzen op zijn soirées; hij had geen tijd gehad om naar huis te gaan, hij had zich den heelen middag buiten adem geloopen voor allerlei onnoozele boodschappen, waarvoor men hem zeker nooit dankje zou zeggen. Op andere avonden was het mijnheer Kahn, met oogen gezwollen van vermoeienis, die klaagde dat hij al een maand lang te laat op bleef; hij kwam veel in gezelschappen, niet omdat hij dat zoo prettig vond, o hemel neen, maar hij ontmoette er zekere lui voor zekere zaken. Of wel mevrouw Correur vertelde aandoenlijke geschiedenissen, bijvoorbeeld van een arme jonge vrouw, een zeer fatsoenlijke weduwe, die zij gezelschap ging houden, en het speet haar zoo dat zij niets te zeggen had, maar als zij de regeering was, dan zou ze heel wat onrechtvaardigheden beletten. Daarop legden alle vrienden hun eigen grieven bloot; ieder klaagde dat hij het heel anders kon hebben, als hij niet zoo dom was geweest; eindelooze klachten, die met een blik op Rougon nog duidelijker gemaakt werden. Men wondde hem tot bloedens toe, men prees zelfs mijnheer de Marsy. In het begin had hij zijn kalmte bewaard, deed hij alsof hij er niets van begreep. Maar na eenige avonden brachten enkele woorden, die in zijn salon gesproken werden, zijn gelaatsspieren in trilling. Hij werd niet boos, hij kneep alleen de lippen opeen, als onder onzichtbare naaldenprikken. En ten laatste werd hij zoo zenuwachtig dat hij zijn kunstjes met de kaarten opgaf, ze gelukten hem niet meer, hij liep liever met kleine stapjes op en neer in zijn salon, om met dezen en genen te praten en ze dan plotseling in den steek te laten, wanneer de bedekte verwijten weer begonnen. Soms overweldigde hem een ziedende toorn, hij scheen zijn handen met kracht achter zijn rug samen te drukken, om niet toe te geven aan den lust om al die lui de straat op te werpen.

--Kinderen, zei de kolonel op een avond, ik kom in geen veertien dagen terug.... We moeten ons boos toonen. We zullen eens zien of hij het alleen zoo prettig zal vinden.

Rougon, die lust gevoeld had zijn deur gesloten te houden, vond het zeer onaangenaam dat men hem in den steek liet. De kolonel had woord gehouden, anderen volgden zijn voorbeeld na; het salon was bijna leeg, er ontbraken telkens vier of vijf vrienden. Wanneer een hunner na een lange afwezigheid weer verscheen, en de groote man hem vroeg of hij soms ziek geweest was, antwoordde hij met een verbaasd neen, en gaf hij geen nadere verklaring. Op een Donderdag kwam er niemand. Rougon bracht zijn avond alleen door, met gebogen hoofd en de handen op den rug door het ruime vertrek wandelend. Voor de eerste maal gevoelde hij hoe sterk de band was tusschen hem en zijn vrienden. Zijn schouderophalen getuigde van zijn minachting, wanneer hij dacht aan de domheid van de Charbonnels, de afgunstige woede van Du Poizat, de dubbelzinnige vriendelijkheden van mevrouw Correur. En toch had hij behoefte om ze te zien, die huisvrienden die hij zoo weinig telde, een behoefte om over ze te heerschen, de behoefte van een ijverzuchtig meester, die heimelijk lijdt over de minste ontrouw. Zij schenen hem nu een deel uit te maken van zijn bestaan, of liever, hij was langzamerhand in hen opgegaan, zoodat het hem toescheen alsof hij iets van zijn persoonlijkheid miste, wanneer zij zich van hem afzonderden. Als hun afwezigheid dan ook te lang duurde, schreef hij hun. Hij ging ze zelfs opzoeken om den vrede te herstellen, na ernstige pruilerijen. Het was nu een gekibbel zonder eind, in de rue Marbeuf, met die afwisselende oneenigheden en verzoeningen van gehuwden, waarbij de liefde in verbittering overgaat.

In de laatste dagen van December had het vooral gespannen. Op een avond had het eene woord het andere uitgelokt, en een hevige twist was het gevolg geweest. Men zag elkander in geen drie weken terug. Om de waarheid te zeggen, begon de bende te wanhopen. De slimst overlegde plannen leidden tot geen noemenswaardig resultaat. De toestand scheen vooreerst niet te zullen veranderen, de bende had de hoop al opgegeven dat een onverwachte catastrophe Rougon onmisbaar zou maken. Ze had op de opening der zitting van het Wetgevende lichaam gewacht, maar de bekrachtiging van de bewindvoerders had plaats gehad zonder eenig ander incident dan de eedweigering van twee republikeinsche afgevaardigden. Nu begreep zelfs mijnheer Kahn dat de algemeene politiek niet meer in hun voordeel zou veranderen. Rougon hield zich in zijn teleurgestelde hoop meer dan ooit met zijn onderneming bezig, als om de zenuwtrekkingen van zijn gelaat, die hij niet meer in bedwang kon houden, te verbergen.

--Ik voel me niet goed, zei hij soms. Ge ziet het, mijn handen beven. De dokter heeft me beweging aangeraden. Ik ben den heelen dag in de buitenlucht.

Inderdaad, hij ging veel uit. Men zag hem lusteloos en verstrooid rondwandelen. Hield men hem staande, dan sprak hij van eindelooze tochten. Op een morgen, toen hij thuis kwam om te ontbijten, vond hij een visitekaartje met een vergulden rand, waarop de naam Gilquin met een mooie Engelsche letter geschreven stond; de kaart was heel vuil, vol afdrukken van vette vingers. Hij schelde zijn huisknecht.

--Heeft degeen die u dit kaartje afgegeven heeft, niets gezegd? vroeg hij.

De knecht, een nieuweling, glimlachte even.

--'t Is een mijnheer met een groene overjas. Hij was heel vriendelijk, hij gaf me een sigaar.... Hij heeft alleen gezegd dat hij een vriend van u was.

En hij wou heengaan, toen hij zich bedacht.

--Ik geloof dat hij iets op den achterkant geschreven heeft.

Rougon keerde het kaartje om en las de volgende, met potlood geschreven woorden: "Kan onmogelijk wachten. In den loop van den avond kom ik terug. Er is haast bij, een grappige geschiedenis." Hij maakte een gebaar van ongeduld. Maar na het ontbijt kwam die laatste zin hem weer voor den geest. Wat kon dat voor zaak zijn die Gilquin grappig vond? Sinds hij den gewezen handelsreiziger met duistere, ingewikkelde zaken belast had, zag hij hem geregeld eens per week, des avonds, verschijnen; nooit had hij zich 's morgens aangemeld. Het gold dus iets buitengewoons. Rougon, die allerlei gissingen maakte, en eindelijk overmeesterd werd door een ongeduld dat hij zelf belachelijk vond, besloot uit te gaan om te trachten Gilquin vóór den avond te spreken.

--De een of andere dronkemanshistorie, dacht hij toen hij de Champs-Elysées doorging. Enfin, dan weet ik hoe of wat.

Hij ging te voet, daar hij den raad van zijn dokter wou opvolgen. 't Was een prachtige dag, een heldere Januari-zon aan een onbewolkten hemel. Gilquin woonde niet meer in de passage Guttin, te Batignolles. Op zijn kaartje stond: rue Guisarde, faubourg Saint-Germain.

Het kostte Rougon heel wat moeite eer hij die morsige straat, dicht bij de kerk Saint-Sulpice, ontdekt had. Aan het einde van een donkere gang vond hij eene conciërge, die met de koorts te bed lag en hem met haar bevende stem toeriep:

--Mijnheer Gilquin.... Och, ik weet het niet. Kijk maar eens op de vierde verdieping, de deur links.

Op de vierde verdieping stond Gilquin's naam op de deur geschreven, omringd door krullen en versieringen, die, vlammende, met pijlen doorboorde harten voorstelden. Maar op al zijn kloppen antwoordde slechts het tiktak van een koekoekklokje en het zachte miauwen van een kat. Hij had van te voren wel gedacht dat hij een vergeefschen tocht zou doen, maar toch gevoelde hij er zich door verlicht. Hij ging gekalmeerd naar beneden en zei bij zichzelf dat hij heel goed tot den avond kon wachten. Toen hij buiten was, vertraagde hij zijn tred; hij stak de marché Saint-Germain over, ging de rue de Seine door, zonder bepaald doel, en al wat vermoeid, maar toch besloten om te voet naar huis te gaan. Toen hij op de hoogte van de rue Jacob kwam, dacht hij op eens aan de Charbonnels. In geen tien dagen had hij ze gezien. Ze waren verstoord op hem. Toen besloot hij even bij hen aan te gaan om ze de hand te reiken. Het weer was dien middag zoo zacht, dat zijn stemming er den invloed van ondervond.

De kamer der Charbonnels in het hôtel du Périgord, zag uit op de binnenplaats, die zeer somber was en waaruit een vuile gootsteenlucht omhoog steeg. Ze was groot en donker, met een kreupel mahoniehouten ameublement en verschoten damasten gordijnen. Toen Rougon binnentrad, was mevrouw Charbonnel bezig haar japonnen op te vouwen en op den bodem van een diepen koffer te leggen, terwijl mijnheer Charbonnel met inspanning van al zijn krachten, een anderen, kleineren koffer met touwen vastbond.

--Hoe nu, gaat u vertrekken? vroeg hij glimlachend.

--Ach ja, antwoordde mevrouw Charbonnel met een diepen zucht, er is nu heelemaal geen hoop meer.

Intusschen schenen zij zeer gevleid door zijn bezoek. Daar alle stoelen met kleedingstukken en pakjes bezet waren, ging hij op den rand van het bed zitten en hernam op zijn goedigen toon:

--Laat maar, ik zit hier goed.... Ga intusschen uw gang, ik wil u niet storen.... Vertrekt u met den trein van achten?

--Ja, met den trein van achten, zei mijnheer Charbonnel. We hoeven nog maar zes uur in Parijs te blijven.... Ach, het zal ons nog lang heugen, mijnheer Rougon.

En hij die zoo weinig placht te spreken, wond zich vreeselijk op, stak de vuist dreigend uit naar het venster en zei, dat men in zoo'n stad moest komen om te twee uur in den namiddag niets meer te kunnen zien. Dat grauwe daglicht, dat door die nauwe opening boven de binnenplaats naar beneden viel, dat was Parijs. Maar goddank, hij zou de zon weer terugvinden in zijn tuin te Plassans. En hij keek in de kamer rond of hij niets vergeten had. 's Morgens had hij een spoorboekje gekocht. Op den schoorsteen lag een gebraden kip in een vettig papier, die zouden ze meenemen om onderweg te gebruiken.

--Vrouwlief, zei hij, heb je de laden wel leeggemaakt?.... Ik had mijn pantoffels in het nachtkastje staan.... Ik geloof, dat er papieren achter de latafel zijn gevallen.

Rougon, op den rand van het bed gezeten, keek met een beklemd hart naar de toebereidselen van die oudjes, die met bevende handen hun pakjes dichtmaakten. Hij voelde een stil verwijt in hun ontroering. Hij had ze zoolang in Parijs opgehouden; en nu eindigde dat alles in een volslagen teleurstelling, een werkelijke vlucht.

--Ge doet er verkeerd aan, mompelde hij.

Mevrouw Charbonnel maakte een gebaar, alsof zij hem smeekte te zwijgen. Daarop zei ze levendig:

--Hoor eens, mijnheer Rougon, beloof ons niets. Ons ongeluk zou weer van voren af aan beginnen.... Wanneer ik bedenk, dat we hier al twee en een half jaar wonen! Twee en een half jaar, groote God, in dit hol!.... Mijn leven lang zal ik er een pijnlijk been uit houden; ik sliep hier altijd achteraan, en zie eens, het water druipt daar langs den muur.... Neen, ik kan u alles niet vertellen. 't Is te veel om op te noemen. We hebben schatten uitgegeven. Kijk, gisteren heb ik dien grooten koffer moeten koopen om alles mee te nemen wat we hier in Parijs versleten hebben, slecht genaaide kleeren die we schandelijk duur gekocht hebben, linnengoed dat vol gaten en scheuren van de waschvrouw terugkwam.... O, die waschvrouwen hier, die zal ik waarlijk niet betreuren! Ze branden alles stuk met hun chloor.

En zij wierp een bundel lappen in den koffer, terwijl zij uitriep:

--Neen, neen, we gaan heen. Nog een uur langer, ziet u, en ik zou het besterven.

Maar Rougon kwam weer telkens op hun zaak terug. Hadden ze dan zulk slecht nieuws gehoord? Toen vertelden de Charbonnels hem bijna huilend, dat de erfenis van hun achterneef Chevassu hun bepaald ontgaan zou. De Raad van State was op het punt de zusters van de Heilige Familie te machtigen het legaat van vijfhonderd duizend francs te aanvaarden. En wat hun alle hoop benomen had, was de omstandigheid dat monseigneur Rochart zich te Parijs moest bevinden, om nogmaals te trachten de zaak tot een gunstig einde te brengen.

Mijnheer Charbonnel staakte op eens zijn inspannend werk en in een opwelling van spijt zijn handen wringende, riep hij telkens:

--Vijfhonderd duizend francs! Vijfhonderd duizend francs!

En beiden gingen ontmoedigd zitten, de man op den koffer, de vrouw op een pak linnengoed, midden in de wanordelijke kamer. En langzaam en zacht begonnen zij te klagen; wanneer de een zweeg, begon de andere weer. Zij herdachten hun teedere genegenheid voor hun achterneef Chevassu. Wat hadden zij hem liefgehad! In werkelijkheid hadden zij hem in geen zeventien jaar gezien, toen zij zijn dood vernamen. Maar op dit oogenblik meenden zij te goeder trouw dat zij hem liefgehad hadden, dat zij hem in zijn ziekte met allerlei oplettendheden overladen hadden. Daarop beschuldigden zij de zusters van de H. Familie van schandelijke handelingen; ze hadden op bedriegelijke wijze het vertrouwen van hun bloedverwant weten te winnen, ze hadden zijn vrienden van hem verwijderd, ze hadden een onafgebroken dwang uitgeoefend op zijn door de ziekte verzwakten wil. Mevrouw Charbonnel, die toch vroom was, ging zelfs zoover dat ze met een afschuwelijk praatje voor den dag kwam, volgens hetwelk hun achterneef Chevassu van angst gestorven was, nadat hij zijn testament gemaakt had, dat hem door een priester gedicteerd was, die hem den duivel aan het voeteneind van zijn bed had laten zien. Wat den bisschop van Faverolles, monseigneur Rochart aangaat, het stond hem al heel leelijk dat hij brave lieden, die in geheel Plassans bekend waren door de eerlijke manier waarop zij hun kapitaaltje in den oliehandel verdiend hadden, van hun geld en goed wou berooven.

--Maar alles is misschien nog niet verloren, zei Rougon die zag dat ze al begonnen te weifelen. Monseigneur Rochart is onze lieve Heer niet.... Ik heb me niet met u bezig kunnen houden. Ik heb zooveel zaken! Laat me eens zien hoe het er mee staat. Ik zal toch zorgen, dat ze ons niet afzetten.

De Charbonnels keken elkander met een licht schouderophalen aan. De man mompelde:

--'t Is de moeite niet meer waard, mijnheer Rougon.

En toen Rougon aandrong en zwoer dat hij alle pogingen in het werk zou stellen, dat hij niet van plan was ze zoo te laten vertrekken, herhaalde de vrouw:

--'t Is zeker de moeite niet meer waard. Ge haalt u vergeefsche moeite op den hals.... We hebben met onzen advocaat over u gesproken. Hij begon te lachen, hij zei dat u op het oogenblik niet tegen monseigneur Rochart opgewassen zijt.

--Als men niet tegen iemand opgewassen is, wat zal men er dan aan doen? zei mijnheer Charbonnel op zijn beurt. Dan is het beste maar toe te geven.

Rougon liet het hoofd zinken. De woorden van die twee oudjes troffen hem als een klap in het aangezicht. Nooit had zijn onmacht hem meer gekweld.

Intusschen ging mevrouw Charbonnel voort:

--We gaan naar Plassans terug. Dat is de wijste partij.... O, we scheiden als vrienden, mijnheer Rougon. Als we mevrouw Félicité, uw moeder, daarginds zien, zullen we haar zeggen dat ge u ondankbare moeite voor ons getroost hebt. En als anderen ons iets mochten vragen, wees maar niet bang dat we een woord tot uw nadeel zouden zeggen. Men kan geen ijzer met handen breken, nietwaar?

Nu was de maat vol. Hij zag in zijn verbeelding de Charbonnels, in hun stadje teruggekeerd. Dat zou daar 's avonds een gepraat geven! 't Was voor hem een persoonlijke nederlaag, die hij de eerste jaren niet te boven zou komen.

--Blijft! riep hij, ik wil dat u blijft!.... We zullen eens zien of monseigneur Rochart me in éen hap opslokt!

Zijn lach had iets verontrustends, dat den Charbonnels schrik aanjoeg. Toch weigerden zij. Eindelijk stemden zij er in toe nog een poosje in Parijs te blijven, hoogstens acht dagen. De man maakte met heel veel moeite de touwen weer los, die hij met zooveel inspanning om den koffer gebonden had; de vrouw, ofschoon het pas drie uur was, stak een kaars aan om het linnengoed en de kleeren weer in de laden te leggen. Toen hij ze verliet, drukte Rougon hun vriendelijk de hand en hernieuwde zijn beloften.

Hij was nog geen tien stappen de deur uit, of hij kreeg berouw. Waarom had hij die Charbonnels, die toch halsstarrig wilden vertrekken, teruggehouden? 't Was een uitmuntende gelegenheid geweest om zich van hen te ontslaan. Nu was hij meer dan ooit gebonden om hen dat proces te laten winnen. En hij was vooral boos op zichzelf, omdat hij gehoor gegeven had aan de inblazingen van zijn ijdelheid. Dat vond hij zijn kracht onwaardig. Enfin, hij had het beloofd, hij zou wel verder zien. Hij ging de rue Bonaparte door, de kade langs en de pont des Saints-Pères over.

Het weer bleef zacht. Over de rivier streek echter een frisch windje. Hij was op het midden van de brug en knoopte zijn jas dicht, toen hij voor zich uit een dikke, in bont gehulde dame zag, die hem den weg versperde. Aan de stem herkende hij mevrouw Correur.

--Ach, is u het, zei ze op klagenden toon. Als ik u hier niet ontmoet had, zou u me in geen acht dagen gezien hebben. Neen, u is niet vlug om iemand te helpen.

En zij verweet hem dat hij niets voor haar gedaan had van al wat zij hem maanden lang gevraagd had. Het betrof nog steeds die juffrouw Herminie Bellecoq, oud-élève van Saint-Denis, die haar verleider, een officier, wilde huwen, als een goede ziel hem de reglementaire huwelijksgift wilde voorschieten. En al die andere dames lieten haar geen oogenblik met rust; mevrouw de weduwe Leturc wachtte op haar tabaksdépôt; mevrouw Chardon, mevrouw Testanière, mevrouw Jalaguier, kwamen alle dagen haar nood klagen en haar herinneren aan de beloften die zij gemeend had te mogen doen.

--Ik had natuurlijk op u gerekend, zei ze ten slotte. O, u hebt me in een lastig parket gebracht!.... Ik ga onmiddellijk naar het ministerie van openbaar onderwijs voor de beurs van den kleinen Jalaguier. U had me die beurs beloofd.

Zuchtend mompelde zij toen:

--Enfin, we zijn wel genoodzaakt overal heen te draven, daar gij weigert onze beschermer te zijn.

Rougon, die last van den wind had, boog den rug en keek intusschen naar de haven Saint-Nicolas, die daar een hoekje van een kleine koopstad geleek. Terwijl hij naar mevrouw Correur luisterde, keek hij met belangstelling naar een boot die een lading suikerbrooden in had; mannen waren aan het lossen, en lieten de brooden glijden door een goot, die zij van twee planken gemaakt hadden. Driehonderd personen stonden op de kaden naar dat werk te kijken.

--Ik ben niets, ik vermag niets, antwoordde hij. Ge doet er verkeerd aan me dat kwalijk te nemen.

Maar zij hernam:

--Och, zwijg maar, ik ken u! Als u wilt, kunt ge alles zijn.... Houd u maar zoo niet, Eugène!

Hij kon een glimlach niet weerhouden. De vertrouwelijkheid van mevrouw Mélanie, zooals hij haar vroeger noemde, wekte de herinnering van het hôtel Vanneau in hem op, toen hij geen schoenen aan de voeten had en Frankrijk veroverde. Hij vergat zijn zelfverwijt van zooeven, toen hij de Charbonnels verliet.

--Laat hooren, zei hij met een goedig gezicht, wat hebt u me eigenlijk te vertellen? Maar laten we hier niet blijven staan. 't Is hier om te bevriezen. Daar u toch naar de rue de Grenelle gaat, zal ik tot aan het einde van de brug met u meegaan.

Toen keerde hij op zijn schreden terug, en liep naast mevrouw Correur, zonder haar een arm te geven. Zij vertelde breedvoerig haar grieven.

--De anderen kunnen me eigenlijk zooveel niet schelen! Die dames kunnen wachten.... Ik zou u niet lastig vallen, ik zou even vroolijk zijn als eertijds, weet u nog wel, als ik niet zelf in groote onaangenaamheden zat. Dan wordt men wel eens bitter gestemd.... Mijn hemel, het is nog altijd die kwestie van mijn broer. Die arme Martineau, zijn vrouw heeft hem volslagen gek gemaakt. Hij heeft geen hart meer.

En ze vertelde tot in de fijnste bijzonderheden hoe zij de vorige week een nieuwe poging tot verzoening gedaan had. Om precies te weten hoe haar broer over haar dacht, had zij een van haar vriendinnen, juffrouw Herminie Billecoq, die zij al een paar jaar lang hoopte uit te huwelijken, naar Coulonges gezonden.

--Haar reis heeft me honderd zeventien francs gekost, ging zij voort. Nu, wilt u weten hoe men haar ontvangen heeft? Mevrouw Martineau is schuimbekkende van woede voor haar gaan staan, en riep dat zij, als zij lichtekooien stuurde, ze door de politie zou laten oppakken. Mijn lieve Herminie beefde nog zoo, toen ik haar van den trein kwam afhalen, dat we een koffiehuis moesten binnengaan om iets te gebruiken.

Zij waren aan het einde der brug gekomen. Wandelaars liepen hen tegen het lijf. Rougon trachtte haar met vriendelijke woorden te troosten.

--'t Is wel treurig, maar uw broer zal wel weer goed met u worden. De tijd baart rozen.

En daar zij hem staande hield op den hoek van het trottoir, bij het geratel van de rijtuigen die den hoek omreden, ging hij weer langzaam terug naar de brug. Zij volgde hem en herhaalde:

--Wanneer Martineau sterft, is zij in staat zijn testament te verbranden, als hij dat nalaat. Die arme goede man is nog slechts vel over been. Herminie vond dat hij er heel slecht uitzag.... Ja, ik word wel geplaagd.

--Op het oogenblik valt er niets aan te doen, u zult moeten wachten, zei Rougon met een vaag gebaar.

Ze hield hem weer staande op het midden van de brug en fluisterde:

--Herminie heeft me iets vreemds verteld. Het schijnt dat Martineau tegenwoordig aan politiek meedoet. Hij is republikein. Bij de laatste verkiezingen heeft hij het land in rep en roer gebracht. Dat heeft me doen schrikken. Zeg, zou men hem lastig kunnen vallen?

Er volgde een korte stilte. Zij keek hem strak aan. En hij oogde een landauer na, alsof hij haar blik wou ontwijken. Toen hernam hij met een argeloos gezicht:

--Wees maar gerust. Ge hebt vrienden, niet waar? Nu, reken op hen.

--Ik reken op u, Eugène, zei ze op zachten, teederen toon.

Toen scheen hij getroffen. Hij keek haar op zijn beurt aan en hij vond haar aandoenlijk, met haar dikken hals, haar geblanket gelaat, als een mooie vrouw die jeugdig wou blijven. Zij vertegenwoordigde zijn geheele jeugd.

--Ja, reken op mij, antwoordde hij, haar handen drukkend. U weet wel dat ik in al uw geschillen aan uw zijde sta.

Hij vergezelde haar tot aan de quai Voltaire. Toen zij hem verlaten had, ging hij eindelijk de brug over, zijn tred vertragende, met belangstelling kijkende naar de suikerbrooden die op de kade van de haven Saint-Nicolas gelost werden. Hij ging zelfs een oogenblik tegen de borstwering leunen. Maar de brooden die in de goten gleden, het groene water dat onder de bogen der brug doorstroomde, de toeschouwers, de huizen, alles raakte dooreen verward en loste zich op in een onweerstaanbaar gemijmer. Hij dacht aan allerlei verwarde zaken, hij daalde met mevrouw Correur in donkere diepten neer. En hij had geen spijt meer; hij verlangde slechts heel groot, heel machtig te zijn ten einde zijn omgeving boven hopen en denken te bevredigen.

Een huivering wekte hem uit zijn gepeins. Hij rilde van koude. De nacht viel, de windjes die van de rivier kwamen, joegen kleine stofwolkjes op de kaden omhoog. Terwijl hij de quai des Tuileries langs ging, voelde hij zich zeer afgemat. De moed ontbrak hem plotseling om te voet naar huis te gaan. Er reden echter slechts volle vigelantes voorbij, en hij zag reeds van een rijtuig af, toen hij een koetsier plotseling voor hem stil zag houden. Een hoofd werd buiten het portier gestoken. Mijnheer Kahn riep hem toe: