Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 17
Mevrouw de Lorentz stond van haar zitplaats achter de keizerin op. Ze dacht dat men haar glimlachend aankeek. Ze werd doodsbleek. Nu bewoog zich het gesprek over de gevaren die men bij de jacht kon oploopen. Eens had een hert, dat op het erf van een hoeve gevlucht was, zich zoo verwoed tegen de honden gekeerd, dat een dame in de daardoor ontstane verwarring haar been had gebroken. Daarop begon men vermoedens te opperen. Als mijnheer de Marsy er in geslaagd was het paard van mevrouw Delestang tot stilstand te brengen, waren zij misschien afgestapt om even uit te rusten; er waren genoeg gelegenheden in het bosch om dat te doen. En mevrouw Lorentz verbeeldde zich dat de glimlachjes verdubbelden, terwijl men haar jaloersche woede tersluiks bespiedde. Rougon zweeg en trommelde opgewonden een roffel op zijn knieën.
--Bah, wat zou het zijn, als zij den nacht buiten doorbrachten, zei mijnheer de Plouguern binnensmonds.
De keizerin had bevel gegeven dat Clorinde, zoodra zij terug was, een uitnoodiging ontving om thee te komen drinken. Plotseling hoorde men zachte uitroepen. De jonge vrouw stond op den drempel, met een frisschen blos, glimlachend, zegevierend. Zij bedankte Hare Majesteit voor de belangstelling die zij haar toonde. En op heel kalmen toon verklaarde zij:
--Het spijt me wezenlijk, dat men zich ongerust over mij heeft gemaakt.... Ik had met mijnheer de Marsy gewed dat ik het eerst bij het doode hert zou zijn. Zonder dat verwenschte paard....
Daarop ging ze vroolijk voort:
--We hebben geen van beiden gewonnen of verloren, ziedaar!
Maar ze moest haar avontuur uitvoeriger vertellen. Ze toonde niet de minste verlegenheid. Na een razenden galop, wel tien minuten lang, was haar paard gevallen, zonder dat zij zich bezeerd had. En daar ze een beetje van streek was geraakt, had mijnheer de Marsy haar een oogenblik in een schuur doen zitten.
--Dat hadden we wel gedacht! riep mijnheer La Rouquette. U zegt in een schuur?.... Ik had gezegd in een paviljoen.
--U zult daar niet gemakkelijk gezeten hebben, zei mijnheer de Plouguern spottend.
Clorinde bleef glimlachen en antwoordde langzaam:
--Neen, opperbest. Er lag stroo. Ik ben gaan zitten.... Een groote schuur vol spinnewebben. 't Begon al donker te worden. Heel grappig!
En mevrouw de Lorentz aanziende, hernam ze, op nog langzamer toon, zoodat haar woorden bijzonder nadrukkelijk klonken:
--Mijnheer de Marsy is heel goed voor me geweest.
Van het oogenblik af dat Clorinde haar ongeval vertelde, had mevrouw de Lorentz twee vingers heftig tegen haar lippen gedrukt. Bij de laatste bijzonderheden sloot zij haar oogen, alsof de toorn haar dreigde te doen bezwijmen. Ze bleef nog een oogenblik; maar ze kon zich niet langer inhouden, en ze verliet de kamer. Mijnheer de Plouguern sloop haar nieuwsgierig na. Clorinde maakte onwillekeurig een zegevierend gebaar.
Het gesprek nam een andere wending. Mijnheer Beulin-d'Orchère sprak over een schandelijk proces; het betrof een aanvraag om scheiding wegens onmacht van den man; en hij vertelde sommige feiten in zulke kiesche magistraatstermen, dat mevrouw de Combelot, die het niet begreep, om nadere uitlegging verzocht. Ridder Rusconi had zeer veel succès met de halfluide voordracht van Piemonteesche volksliederen, minneliedjes, die hij vervolgens in het Fransch vertaalde. Te midden van dat gezang kwam Delestang binnen; hij kwam uit het bosch, dat hij twee uren lang in alle richtingen doorkruist had om zijn vrouw op te sporen; men glimlachte om het zonderlinge gezicht dat hij zette. Intusschen scheen de keizerin een plotselinge vriendschap voor Clorinde opgevat te hebben. Ze liet haar naast zich zitten en praatte met haar over paarden. Pyrame, het paard dat zij zoo pas bereden had, galoppeerde wat hard; den volgenden dag zou ze haar Cæsar laten geven.
Rougon was bij Clorinde's binnentreden voor een venster gaan staan; hij hield zich alsof hij bijzonder veel belang stelde in de lichtjes, die links van het park een voor een werden aangestoken. Hij bleef daar geruimen tijd in de duisternis staren. Eindelijk keerde hij zich om, met een onverstoorbaar kalm gelaat, toen mijnheer de Plouguern, die weer binnengekomen was, hem naderde en hem toefluisterde:
--O, een ontzettende scène!.... Ik ben haar achterna gegaan, zooals u gezien hebt. Ze kwam Marsy juist aan het eind van de gang tegen. Ze gingen een kamer binnen. Daar heb ik Marsy ronduit hooren verklaren dat hij meer dan genoeg van haar had.... Ze is als een krankzinnige de kamer uitgeloopen, naar het kabinet van den keizer.... Ik geloof het stellig, dat ze de beruchte brieven op het bureau van den keizer heeft neergelegd....
Op dit oogenblik kwam mevrouw de Lorentz weer te voorschijn. Ze zag doodsbleek, de haren hingen haar om de slapen, ze hijgde naar adem. Ze nam haar plaats achter de keizerin weer in, met de wanhopige kalmte van een patiënt, die een levensgevaarlijke operatie op zichzelf heeft toegepast.
--Ze heeft de brieven bepaald neergelegd, herhaalde mijnheer de Plouguern, haar aandachtig beschouwende.
En daar Rougon hem niet scheen te begrijpen, boog hij zich achter Clorinde over en vertelde haar de geschiedenis. Ze hoorde hem opgetogen aan, haar oogen schitterden van vreugde. Eerst toen men tegen het etensuur de vertrekken der keizerin verliet, scheen Clorinde Rougon's tegenwoordigheid op te merken. Zij nam zijn arm, en terwijl Delestang achter hen liep, zei ze:
--Nu, hebt ge het gezien?.... Wanneer ge van morgen aardig geweest waart, zou ik niet bijna mijn beenen gebroken hebben.
Dien avond kregen de honden hun jachtmaal bij fakkellicht, op het plein voor het paleis. Bij het verlaten van de eetzaal keerden de gasten niet onmiddellijk naar de galerij des Cartes terug, maar verspreidden zich in de salons aan de voorzijde, waar de vensters wijd open stonden. De keizer nam plaats op het middelste balkon, waar een twintigtal personen hem konden volgen.
Beneden, van het hek tot aan de vestibule, vormden twee rijen dienaren in galalivrei, met gepoederde pruiken, een breeden doorgang. Ieder hunner hield een lange piek, aan wier uiteinde pitten brandden in met spiritus gevulde bekers. Die hooge groene vlammen dansten in de lucht, zonder de duisternis te verlichten; ze deden alleen de dubbele rij scharlakenroode vesten uitkomen, die paarsachtig schenen. Aan weerszijden van het voorplein stond een dicht opeengehoopte menigte, burgers van Compiègne met hun dames, een gewemel van bleeke gezichten in de duisternis, waaruit nu en dan de weerschijn der spiritusvlammen een afschuwelijken kop, een kopergroenkleurig renteniersgezicht deed uitkomen. In het midden voor het hooge bordes lag de afval van het hert opgestapeld, daarover lag de huid van het dier, met den kop naar voren; terwijl aan het andere einde, tegen het hek, de jachthonden wachtten, omringd door de pikeurs. Daar stonden de drijvers in groene rokken, met lange witte kousen, met toortsen te zwaaien. In een helderen rooden gloed dwarrelde een dichte rook omhoog, die langzaam naar de stad dreef, en in dien vuurgloed stonden de honden, dicht opeengedrongen, met open bek te hijgen.
De keizer bleef staan. Nu en dan vertoonde een opflikkering der toortsen zijn ondoorgrondelijk gelaat. Clorinde had gedurende het geheele diner al zijn gebaren bespied, zonder iets anders in hem te ontdekken dan een stille afgematheid, het verdrietige humeur van een zieke die in stilte lijdt. Een enkele maal meende zij op te merken, dat hij mijnheer de Marsy van terzijde aanzag met zijn halfgesloten oogen. Op het balcon bleef hij gemelijk aan zijn knevel draaien, terwijl de gasten achter hem op de teenen gingen staan om te zien.
--Komaan, Firmin, zei hij ongeduldig.
De pikeurs bliezen de Royale. De honden huilden met uitgerekten hals, half op hun achterpooten opgericht. Plotseling, juist toen een knecht den hertekop aan de razende honden liet zien, liet Firmin, die op het bordes stond, zijn zweep dalen; de jachthonden, die dat teeken afwachtten, renden hijgend van begeerte in drie sprongen het plein over. Maar Firmin had zijn zweep weer opgeheven. De honden, op eenige schreden van het hert tot stilstand gebracht, legden zich een oogenblik plat op den buik, met trillenden rug en een schor gehuil van verlangen. Ze moesten weer achteruit naar het andere einde, bij het hek.
--Ach, die arme dieren! zei mevrouw de Combelot, op een kwijnenden, meewarigen toon.
--Prachtig! riep mijnheer La Rouquette.
Ridder Rusconi applaudisseerde. De dames bogen zich opgewonden voorover, met een zenuwachtige trilling om de mondhoeken, vol verlangen om de honden te zien eten. Men gaf ze hun beenen maar niet zoo dadelijk, dat wekte de emotie nog meer op.
--Neen, neen, nog niet, lispelden enkele stemmen.
Intusschen had Firmin tot tweemaal toe zijn zweep opgeheven en weer doen dalen. De honden schuimbekten van woede. De derde maal hief hij de zweep niet meer op. De knecht was snel met de huid en den kop van het hert weggegaan. De honden kwamen toespringen en rolden over het afval; hun woedend geblaf veranderde in een dof gebrom, een krampachtige trilling van genot. Men hoorde de beenderen kraken. Dat was een voldoening, op het balcon, aan de vensters; de dames drukten glimlachend haar witte tanden opeen; de mannen haalden diep adem, hun oogen schitterden en hun vingers klemden zich om een uit de eetzaal meegebrachten tandenstoker. Op het plein was er plotseling een apotheose; de pikeurs bliezen fanfares; de drijvers zwaaiden met hun toortsen, Bengaalsch vuur baadde de vreedzame gezichten der burgers van Compiègne in een rooden regen.
De keizer keerde zich onmiddellijk om. En toen hij Rougon naast zich zag, scheen hij uit het diepe gepeins te ontwaken, waarin hij sedert het diner verkeerd had.
--Mijnheer Rougon, zei hij, ik heb nog eens over uw voorstel nagedacht.... Er zijn bezwaren, veel bezwaren.
Hij hield op, opende de lippen en sloot ze weer. Toen, bij het heengaan, zei hij nog:
--U moet in Parijs blijven, mijnheer Rougon.
Clorinde, die dit hoorde, maakte een zegevierend gebaar. Toen het gezegde van den keizer van mond tot mond ging, werden alle gezichten ernstig en bezorgd, terwijl Rougon zich langzaam door de verschillende groepjes naar de galerij des Cartes begaf.
Daar beneden knaagden de honden hun beenen af. Zij kropen woedend onder elkander door om in het midden van den hoop te komen. Het was een veld van bewegende ruggen, die elkander verdrongen, zich uitrekten en zich uitspreidden als een levende plas, in een bloeddorstig gebrom. De kaken bewogen zich met een gulzige haast, begeerig om alles te verslinden. Korte gevechten eindigden in een gehuil. Een groote brak, een prachtig dier, nijdig dat hij te veel aan den rand stond, liep achteruit en was met éen sprong midden in den troep. Hij slokte een groot stuk van de ingewanden op.
VII.
Weken gingen voorbij. Rougon had zijn vervelend leven weer hervat. Geen enkele maal zinspeelde hij op het bevel des keizers om in Parijs te blijven. Hij sprak alleen van zijn mislukt plan, van de hinderpalen die aan zijn ontginning van een stuk grond in de Landes in den weg stonden, en hierover raakte hij niet uitgepraat. Welke hinderpalen konden dat zijn? Hij zag er geen. Hij ging zelfs zoover, dat hij zich boos toonde op den keizer, die geen enkele verklaring geven wou. Misschien was het de vrees geweest dat Zijne Majesteit genoodzaakt zou zijn de zaak met een subsidie te steunen?
Naarmate de dagen verstreken, vermenigvuldigde Clorinde haar bezoeken in de rue Marbeuf. Iederen middag scheen zij van Rougon de een of andere tijding te verwachten; ze keek hem verbaasd aan, als hij bleef zwijgen. Sedert haar verblijf te Compiègne, leefde zij in de hoop op een plotselinge zegepraal; ze had zich een heel drama voorgesteld, een woedende drift van den keizer, den opzienbarenden val van mijnheer de Marsy, een onmiddellijken terugkeer van den grooten man tot het gezag. Zij dacht dat alles zeker zou uitkomen. Groot was dan ook haar verwondering, toen zij een maand later den graaf nog altijd minister zag. En ze gevoelde een minachting voor den keizer, die zich niet wist te wreken. In zijn plaats zou zij haar wrok op een hartstochtelijke manier gekoeld hebben. Waar dacht hij dan toch aan, in dat eeuwigdurende stilzwijgen dat hij bewaarde?
Toch gaf Clorinde den moed nog niet verloren. Ze had een voorgevoel dat een onvoorziene gebeurtenis haar de overwinning zou schenken. Mijnheer Marsy stond niet meer zoo vast. Rougon betoonde haar de oplettendheden van een echtgenoot, die vreest bedrogen te worden. Sedert zijn jaloersche buien te Compiègne, waakte hij over haar met vaderlijke zorg, overlaadde haar met zedepreeken, wilde haar iederen dag zien. De jonge vrouw glimlachte, ze was nu zeker, dat hij Parijs niet zou verlaten. Tegen het midden van December, na een rust van verscheidene weken, begon hij echter opnieuw over zijn groote onderneming te spreken. Hij had bankiers gesproken, hij hoopte het zonder de keizerlijke hulp te kunnen stellen. En opnieuw vond men hem in de studie van kaarten, platte gronden, speciale werken verdiept. Gilquin, zei hij, had al meer dan vijfhonderd werklieden aangenomen, die er in toestemden daar heen te gaan; het was het eerste handjevol van een geheel volk. Toen begon Clorinde de zaak ernstiger aan te vatten; ze bracht al de vrienden in beweging.
Het was een ontzaglijk werk. Ieder kreeg zijn rol. Men verstond elkander met halve woorden, bij Rougon zelf aan huis, 's Zondags en Donderdags. Men verdeelde de moeielijke zendingen. Men ging dagelijks de stad in, met het vaste voornemen om zich van een machtigen steun te verzekeren. Men versmaadde ook de kleine middelen niet: zelfs de kleinste voordeeltjes telden mee. Men profiteerde van alles, haalde uit de geringste gebeurtenissen wat er uit te halen viel, men maakte zich den ganschen dag ten nutte, van het goeden morgen tot den laatsten handdruk des avonds. De vrienden der vrienden werden bondgenooten, zoo ook de vrienden van dezen. Geheel Parijs werd in de samenzwering betrokken. In de afgelegenste wijken waren lieden, die naar Rougon's zegepraal verlangden, zonder zelf te weten waarom. Het troepje vrienden, tien à twaalf man sterk, had de heele stad in handen.
--Wij zijn de regeering van morgen, zei Du Poizat ernstig.
Hij maakte vergelijkingen tusschen hen en de mannen die het tweede keizerrijk gemaakt hadden. Hij voegde er bij:
--Ik zal de Marsy van Rougon zijn.
Een pretendent was slechts een naam. Er was een aaneengesloten groep noodig om een regeering te maken. Twintig hongerige snaken zijn sterker dan een principe, en wanneer zij maar een schijn van een principe in hun vaandel kunnen schrijven, worden zij onoverwinnelijk. Hij was voortdurend in de weer; hij bezocht de krantenbureaux, waar hij sigaren rookte, terwijl hij door allerlei insinuaties het gezag van mijnheer de Marsy ondermijnde: hij wist altijd het een of ander over hem te vertellen; hij beschuldigde hem van ondankbaarheid en zelfzucht. En als hij den naam Rougon daarbij te pas had gebracht, liet hij zich halve toespelingen ontglippen, een uitzicht te openen op buitengewone voordeelen; als hij maar eerst de handen kon openen, dan zou op iedereen een regen van belooningen, geschenken en subsidies neerdalen. Hij verschafte de pers inlichtingen, citaten en anecdoten, die het publiek voortdurend met den grooten man bezig hielden; twee kleinere bladen maakten gewag van een bezoek aan het hôtel in de rue Marbeuf, andere spraken over zijn beroemd werk over de Engelsche constitutie en die van 52. Na een vijandig stilzwijgen dat twee jaren geduurd had, scheen de populariteit te komen, een zacht gemurmel van loftuitingen liet zich hooren. Du Poizat hield zich ook nog met andere zaken bezig, ongeoorloofde makelarij, het koopen van zekere invloeden, een hartstochtelijk beursspel op de min of meer zekere benoeming van Rougon tot minister.
--We moeten alleen aan hem denken, placht hij te zeggen, met die vrijheid van spreken, die de deftige heeren van Rougon's aanhang hinderde. Later zal hij aan ons denken.
Mijnheer Beulin-d'Orchère was niet zoo'n geslepen intrigant; hij bracht een schandaal aan het licht, dat men zich haastte te smoren, toen het bleek dat mijnheer de Marsy er in betrokken was. Hij legde meer behendigheid aan den dag, toen hij het gerucht verspreidde dat hij wel eens zegelbewaarder kon worden, als zijn schoonbroer weer aan het bewind kwam, daardoor kon hij op de toewijding van zijn mede-magistraten rekenen. Mijnheer Kahn leidde ook een troepje tot den aanval, financiers, afgevaardigden, ambtenaren, die de rijen aanvulden van alle ontevredenen, die onderweg ontmoet werden; hij had een volgzamen luitenant in mijnheer Béjuin gevonden; hij gebruikte zelfs mijnheer de Combelot en mijnheer La Rouquette, zonder dat dezen eenigszins vermoedden welke diensten hij van hen had. Hij zelf werkte in de hoogste officiëele kringen, hij strekte zijn propaganda tot in de Tuileriën uit, dagen lang werkte hij in het geheim, opdat een woord, van mond tot mond gaande, eindelijk aan den keizer zou overgebracht worden.
Maar vooral de vrouwen waren ijverig in de weer. Daar gebeurden geheimzinnigheden, ingewikkelde avonturen waarvan men de ware bedoeling nooit begreep. Mevrouw Correur noemde de mooie mevrouw Bouchard nog slechts "poesje". Ze nam haar mee naar buiten, zei ze, en een week lang leefde mijnheer Bouchard als vrijgezel, terwijl zelfs mijnheer d'Escorailles zich genoodzaakt zag zijn avonden in de kleine schouwburgen door te brengen. Eens had Du Poizat de dames in gezelschap van gedecoreerde heeren ontmoet, maar hij had zich wel gewacht hierover te spreken. Mevrouw Correur had nu twee woningen, een in de rue Blanche, en de andere in de rue Mararin; deze laatste was zeer koket ingericht, mevrouw Bouchard kwam er 's middags, ze kreeg den sleutel van den conciërge. Men vertelde ook van een verovering die de jonge vrouw gemaakt had van een hooggeplaatst ambtenaar, toen ze op een regenachtigen morgen bij het oversteken van de Pont-Royal haar rokken opgenomen had.
Ook de vrienden, die minder in tel waren, deden hun best. Kolonel Jobelin begaf zich naar een koffiehuis op een der boulevards om er oude vrienden, officieren, te ontmoeten; hij wist ze tusschen een paar spelletjes piket te belezen, en toen hij op een half dozijn kon rekenen, wreef hij zich in de handen en zei "dat het geheele leger gunstig voor de goede zaak gestemd was". Mijnheer Bouchard wierf eveneens aanhangers aan het ministerie; langzamerhand had hij bij de klerken een woesten haat tegen mijnheer de Marsy opgewekt; hij wist zelfs de kantoorbedienden voor zich te winnen; al die luidjes liet hij smachten naar een gouden tijdperk, waarop hij fluisterend zinspeelde tegenover zijn intieme vrienden. Mijnheer d'Escorailles bewerkte de rijke jongelui, tegenover wie hij hoog opgaf van Rougon's liberale opvattingen, zijn toegevendheid voor zekere tekortkomingen, zijn ingenomenheid met stoutmoedigheid en kracht. Zelfs de Charbonnels vonden gelegenheid om de kleine renteniers uit de buurt van het Odéon bij het regiment in te lijven, wanneer zij 's middags op een bankje van het Luxembourg zaten te wachten op den afloop van hun eindeloos proces.
Wat Clorinde aangaat, ze stelde zich niet tevreden met de opperste leiding van den geheelen troep; ze werkte ingewikkelde plannen uit, waarover ze tot niemand sprak. Nog nooit had men haar 's morgens met zoo slordig toegemaakte japonnen gezien; in de verdachte wijken zag men haar met haar ministersportefeuille, aan de naden gebersten en met touwtjes vastgebonden. Zij droeg haar man de zonderlingste boodschappen op, die hij met de zachtzinnigheid van een lam verrichtte, zonder dat hij ze begreep. Zij zond Luigi Pozzo met brieven uit; ze vroeg mijnheer de Plouguern om haar te vergezellen, en liet hem een uur lang op een trottoir op haar staan wachten. Eén oogenblik kwam de gedachte in haar op de Italiaansche regeering ten gunste van Rougon te laten werken. Haar briefwisseling met haar moeder, die nog altijd in Turijn woonde, werd verschrikkelijk druk. Ze dacht er over geheel Europa in rep en roer te brengen, ze begaf zich tweemaal per dag naar ridder Rusconi, om er diplomaten te ontmoeten. Nu scheen zij zich dikwijls te herinneren dat zij mooi was. Dan ging zij keurig gekapt en gekleed uit, en wanneer haar vrienden, zelf verbaasd, haar zeiden dat zij mooi was, antwoordde zij met een zonderling voorkomen van onverschillige berusting:
--Het moet wel!
Zij bewaarde zichzelve als een onweerstaanbaar argument. In haar oog beteekende het niet veel of zij zichzelve gaf. Ze deed het met zoo weinig genoegen, dat het een zaak werd als alle andere, misschien alleen een beetje vervelender. Toen zij uit Compiègne terug was, had Du Poizat, die het jachtavontuur kende, willen weten op welken voet zij met mijnheer de Marsy bleef. Half dacht hij er over Rougon voor den graaf in den steek te laten, indien Clorinde er in slaagde de almachtige maîtresse van den laatsten te worden. Maar zij was bijna boos geworden, de geheele geschiedenis hardnekkig loochenende. Dacht hij dan dat zij zoo dwaas zou zijn? En zij gaf hem te verstaan, dat zij er vroeger wel eens aan gedacht had mijnheer de Marsy te huwen, maar daarvan had zij afgezien. Een man van vernuft werkte volgens haar nooit ernstig in het voordeel van zijn maîtresse. Bovendien, overlegde zij een ander plan.
--Ziet ge, zei zij somtijds, er zijn dikwijls verscheidene manieren om zijn doel te bereiken; maar van al die manieren is er altijd maar een die aangenaam is.... Ik heb heel wat wenschen te bevredigen.
Zij had de oogen altijd met groote belangstelling op Rougon gevestigd, zij wou hem groot zien, alsof zij hem met macht had willen vetmesten, om er zich later aan te vergasten. Ze behield haar onderdanigheid als leerling, plaatste zich vol vleiende nederigheid in zijn schaduw. Van al de bedrijvigheid der vrienden scheen hij niets te bemerken. Op zijn ontvangavonden speelde hij zijn kunststukjes met zijn neus op de kaarten, zonder dat hij al dat gefluister achter zijn rug scheen te hooren. Het troepje praatte over de zaak, gaf elkaar teekens boven zijn hoofd, spande samen in het hoekje van zijn haard, alsof hij er niet was, zoo'n suffig voorkomen gaf hij zich; hij bleef gevoelloos, nam zoo weinig deel aan alles wat er om hem heen gebeurde, dat men ten slotte hardop begon te spreken en zich vroolijk maakte over zijn afgetrokkenheid. Toen men er over sprak dat hij de teugels van het bewind wel weer eens in handen zou kunnen krijgen, zwoer hij boos dat hij zich geen moeite zou geven, al wachtte hem een zegepraal aan het einde van zijn straat; en inderdaad, hij zonderde zich hoe langer hoe meer af en wendde een volslagen onbekendheid voor met hetgeen daar buiten geschiedde. Het kleine hôtel in de rue Marbeuf, van waar zulk een koortsachtige propaganda uitging, was een plaats van stilte en rust, op wier drempel de huisvrienden blikken van verstandhouding wisselden, om den geur van den strijd, dien zij in hunne kleeren meebrachten, buiten te laten.
--Gekheid! riep Du Poizat, hij neemt ons in de maling. Hij verstaat ons heel goed. Kijk maar eens naar zijn ooren 's avonds, hoe hij ze spitst.
Om half elf, wanneer zij samen heengingen, was dat het gewone onderwerp. De groote man kon onmogelijk onbekend zijn met de toewijding zijner vrienden. Hij hield zich dom, zei de gewezen onder-prefect. Die drommelsche Rougon leefde als een hindoesche afgod, ingedommeld in zelfvoldaanheid, de handen op den buik gevouwen, glimlachend te midden eener menigte getrouwen, die hem aanbaden en zich de grootste opofferingen getroostten. Men vond die vergelijking zeer juist.
--Ik zal een wakend oogje over hem houden, besloot Du Poizat.