Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 16

Chapter 163,763 wordsPublic domain

Rougon maakte in dien tusschentijd allerlei fouten. Een schijf had hij zoo onhandig geworpen, dat zij in het keurslijf van een dame terecht was gekomen, die haar blozende uit haar kanten verwijderde. De keizer won. Toen gaf men hem bedektelijk te verstaan dat hij daar een beduidende overwinning behaald had. Hij gevoelde er een soort van verteedering door. Hij ging pratend met Rougon heen, alsof hij hem meende te moeten troosten. Zij liepen tot het einde der galerij, de breedte van de kamer overlatende voor een klein bal dat men organiseerde. De keizerin die het familiesalon juist verlaten had, trachtte met een bekoorlijke bereidwilligheid de aangroeiende verveling der gasten tegen te gaan. Ze had een gezelschapsspel voorgesteld, maar het was al wat laat, men danste liever. Alle dames waren toen in de galerij des Cartes vereenigd. Men zond een boodschap naar de rookzaal, waar zich nog enkele heeren verborgen hielden. En toen men zijn plaatsen innam voor een quadrille, ging mijnheer de Combelot bereidwillig voor de piano zitten. Het was een mechanieke piano, met een klein handvat, rechts van het klavier. De kamerheer zat onafgebroken met een ernstig gezicht te draaien.

--Mijnheer Rougon, zei de keizer, men heeft me gesproken van een werk, een vergelijking tusschen de Engelsche constitutie en de onze. Ik kan u misschien documenten verschaffen.

--Uwe Majesteit is te goed.... Maar ik koester een ander plan, een grootsch plan.

En Rougon, ziende dat de keizer zoo vriendelijk was, wou van de gelegenheid gebruik maken. Hij legde zijn plan breedvoerig uit, zijn droombeeld om een hoek van de Landes in vruchtbaren grond te herscheppen, een stad te stichten, een nieuw rijk te veroveren. Terwijl hij sprak hief de keizer zijn doffe oogen, waarin een kleine flikkering verscheen, tot hem op. Hij zei niets, schudde van tijd tot tijd het hoofd. Toen de ander zweeg, zei hij:

--Zeker... we kunnen altijd nog eens zien....

En zich tot een andere groep wendend, die door Clorinde, haar man en mijnheer de Plouguern gevormd werd:

--Mijnheer Delestang, dien ons toch eens van uw advies. Ik denk nog met genoegen terug aan het bezoek dat ik aan uw modelhoeve in Chamade heb gebracht.

Delestang trad naderbij. Maar de kring, die zich om den keizer vormde, moest naar een vensternis terugwijken. Mevrouw de Combelot had al walsende, bijna liggende in de armen van mijnheer La Rouquette, de zijden kousen van Zijne Majesteit met haar langen sleep omwikkeld. Voor de piano genoot mijnheer de Combelot van de muziek die hij voortbracht; hij draaide sneller en wiegde daarbij zijn keurig gekapt hoofd, nu en dan keek hij naar de kast van het instrument, alsof hij verbaasd was over de zware tonen, die bij sommige wendingen van den slinger teweeggebracht werden.

--Ik ben dit jaar zoo gelukkig geweest prachtige kalveren te krijgen door een nieuwe kruising, verklaarde Delestang. Jammer genoeg werden de parken juist hersteld, toen Uwe Majesteit mijn hoeve bezocht.

En de keizer sprak over den landbouw, het fokken en vetmesten van vee, langzaam, met korte woorden. Sedert zijn bezoek aan Chamade, had hij een groote achting voor Delestang opgevat. Hij prees hem vooral omdat hij op zijn hoeve de proef genomen had om zijn personeel te doen deelen in sommige winsten en een pensioenfonds voor hen te stichten. Terwijl zij met elkánder spraken, bleken zij dezelfde denkbeelden over de verbetering van misstanden in de maatschappij te hebben, zoodat zij elkander met een half woord begrepen.

--Heeft mijnheer Rougon u over zijn plan gesproken? vroeg de keizer.

--O, een prachtig plan, antwoordde Delestang. Men zou proeven op groote schaal kunnen nemen....

Hij toonde een ware geestdrift. De veredeling der varkensrassen lag hem na aan het hart; de mooie typen verdwenen in Frankrijk. Toen gaf hij te kennen, dat hij een nieuwe methode van kunstmatige weiden bestudeerde. Maar daartoe zouden onmetelijke terreinen noodig zijn. Wanneer Rougon slaagde, zou hij zijn methode daar ginds toepassen. Plotseling zweeg hij stil; hij bemerkte zijn vrouw, die hem strak aankeek. Sedert hij Rougon's plan goedkeurde, had zij er bleek en verstoord uitgezien.

--Manlief, mompelde zij, op de piano wijzend.

Mijnheer de Combelot, die stijve vingers had gekregen, opende de hand en sloot die weer zachtjes, om ze weer leniger te maken. Hij wou juist aan een polka beginnen, met den bereidwilligen glimlach van een martelaar, toen Delestang hem kwam aanbieden zijn plaatsvervanger te zijn, wat hij beleefd aannam, alsof hij een eereplaats afstond. En Delestang begon op zijn beurt te draaien. Maar het was heel wat anders. Hij had niet die vlugheid, die lenigheid in den pols, die het spel van den kamerheer zoo aangenaam deed klinken, Rougon wenschte intusschen een beslissend woord van den keizer te hooren. Deze vroeg hem met ingenomenheid of hij daar geen groote steden voor werklieden zou bouwen, zonder bezwaar kon men daar aan ieder gezin een lapje grond, gereedschappen en voldoenden watertoevoer verschaffen; hij beloofde hem zelfs inzage te geven van plannen door hem zelf ontworpen, met gelijkvormige huizen, waarop alle benoodigdheden waren voorzien.

--Ik ben het volkomen met Uwe Majesteit eens, antwoordde Rougon, ongeduldig door het nevelachtige socialisme van den vorst. Zonder u kunnen we niets doen.... Er zullen natuurlijk onteigeningen bij komen. Er zal een verklaring noodig zijn, dat het algemeen belang er mee gemoeid is. En ik zal ook een maatschappij moeten oprichten.... Een woord van Uwe Majesteit is noodig....

Het oog van den keizer werd weer dof. Hij knikte gedurig met het hoofd. Toen, nauwelijks hoorbaar, herhaalde hij:

--We zullen zien.... we zullen het later eens hervatten....

En hij verwijderde zich, met zijn loomen tred midden door de figuren van een quadrille gaande. Rougon zette een gezicht, alsof hij de verzekering van een gunstig antwoord bekomen had. Clorinde was in de wolken. Langzamerhand verbreidde zich onder de ernstige, niet dansende heeren het gerucht, dat Rougon Parijs verliet, dat hij zich aan het hoofd van een groote onderneming in het Zuiden ging stellen. Toen kwam men hem gelukwenschen. Er bleef geen spoor meer over van de aanvankelijke vijandige gezindheid. Nu hij zichzelf in ballingschap begaf, kon men hem zonder gevaar de hand drukken. Het was een heele verlichting voor vele gasten. Mijnheer La Rouquette liet het bal in den steek en knoopte een gesprek aan met ridder Rusconi.

--Heel verstandig, hij zal daar groote dingen volbrengen, zei hij. Rougon is een flinke kop; maar, ziet u, in de politiek, toont hij geen tact te bezitten.

Daarop weidde hij uit over de goedheid van den keizer, die volgens zijn zeggen, zijn oude dienaren liefhad zooals men zijn vroegere maîtresses bemint. Hij raakte aan ze gehecht, hij voelde de oude liefde weer opkomen, na de meest opzienbarende breuken. Dat hij Rougon op Compiègne genoodigd had, kwam zeker omdat zijn goed hart weer een zwakheid had gehad. En de jonge afgevaardigde haalde nog andere gevallen aan van Zijner Majesteits goedhartigheid: vierhonderd duizend francs had hij gegeven om de schulden te betalen van een generaal die door een danseres geruïneerd was, achthonderd duizend francs had hij als huwelijksgeschenk aangeboden aan een van zijn vroegere bondgenooten van Straatsburg en Boulogne, bijna een millioen had hij uitgegeven ten gunste van de weduwe van een hooggeplaatst ambtenaar.

--Zijn kas wordt geplunderd, zei hij ten slotte. Hij heeft zich tot keizer laten uitroepen om zijn vrienden rijk te maken. Ik haal mijn schouders op, als ik die republikeinen hem zijn civiele lijst hoor verwijten. Hij zou tien civiele lijsten uitputten om wel te doen. Dat is geld, dat weer aan Frankrijk ten goede komt.

Zoo sprekende oogden mijnheer La Rouquette en ridder Rusconi den keizer na. Deze was de galerij geheel omgegaan. Hij bewoog zich voorzichtig tusschen de dansende paren, die eerbiedig voor hem uitweken. Wanneer hij achter de ontbloote schouders van een zittende dame voorbijging, rekte hij even den hals uit en met zijn neergeslagen oogleden wierp hij er een schuinschen blik op.

--En een vlug begrip! zeide ridder Rusconi zacht. Een buitengewoon man.

De keizer was dicht bij hen gekomen. Hij bleef daar een oogenblik weifelend staan. Toen scheen hij Clorinde te willen naderen, die er juist heel mooi en bijzonder vroolijk uitzag; maar zij keek hem vrijmoedig aan, ze schrikte hem zeker af. Hij ging weer verder, de linkerhand steunende in zijn zij en met de rechterhand de punten van zijn knevels ineendraaiende. En toen mijnheer Beulin-d'Orchère vlak voor hem stond, maakte hij een omweg, kwam schuins op hem af en zei:

--Danst u niet, mijnheer de president?

De magistraat bekende dat hij niet dansen kon, dat hij nooit in zijn leven gedanst had. Daarop hernam de keizer, op aanmoedigenden toon:

--Dat hindert niets, men danst toch.

Dat was zijn laatste woord. Zoetjes aan bereikte hij de deur, waarachter hij verdween.

--Een buitengewoon man, niet waar? zei mijnheer La Rouquette, in navolging van ridder Rusconi. In het buitenland houdt men zich zeker druk over hem bezig, hè?

De ridder antwoordde als een bescheiden diplomaat met een hoofdknikje. Toch gaf hij toe dat geheel Europa de oogen op den keizer gevestigd hield. Een woord, op de Tuileriën uitgesproken, bracht de naburige tronen aan het wankelen.

--'t Is een vorst die de kunst van zwijgen verstaat, ging hij voort, met een glimlach waarvan de fijne ironie den jongen afgevaardigde ontging.

Beiden keerden galant naar de dames terug. Zij noodigden ze voor de volgende quadrille uit. Een adjudant draaide al sinds een kwartier aan den slinger van de piano. Delestang en mijnheer de Combelot schoten toe om hem te vervangen. Maar de dames riepen:

--Mijnheer de Combelot, mijnheer de Combelot! Hij draait veel beter!

De kamerheer bedankte met een vriendelijke buiging en draaide met een werkelijk meesterlijke volheid. Het was de laatste quadrille. De thee werd rondgediend in het familiesalon. Nero, die achter een sofa vandaan kwam, werd met sandwiches overladen. Groepjes vormden zich en hielden vertrouwelijke gesprekken. Mijnheer de Plouguern had een tulband naar een hoekje van een console meegenomen; hij at, dronk nu en dan een slokje thee, verklaarde aan Delestang, met wien hij zijn tulband deelde, hoe hij er eindelijk toe overgegaan was de uitnoodiging naar Compiègne aan te nemen, hij, wiens legitimistische gevoelens men toch kende. 't Was toch heel eenvoudig: hij meende zijn medewerking niet te mogen ontzeggen aan een regeering die Frankrijk van de anarchie verloste. Hij onderbrak zijn rede met de opmerking:

--Die tulband is uitstekend. Ik had slecht gedineerd van avond.

Te Compiègne gaf zijn spotlust zich bijzonder lucht. Hij sprak van de meeste vrouwen die daar aanwezig waren, in zulke onkiesche termen, dat Delestang er een kleur van kreeg. Hij eerbiedigde alleen de keizerin, een heilige; zij toonde een voorbeeldige devotie, ze was legitimist en zou zeker Henri V teruggeroepen hebben, als zij vrij over den troon had kunnen beschikken. Een oogenblikje weidde hij uit over de zoete genietingen der godsvrucht. Juist toen hij een onzedelijk verhaaltje wou beginnen, keerde de keizerin, gevolgd door mevrouw de Lorentz, naar haar vertrekken terug. Op den drempel maakte zij een diepe nijging voor het geheele gezelschap. Iedereen boog stilzwijgend.

De salons werden ledig. Er werd luider gesproken, handdrukken werden gewisseld. Toen Delestang zijn vrouw zocht om zich naar hun kamer te begeven, vond hij haar niet meer. Eindelijk ontdekte Rougon, die hem hielp zoeken, haar naast mijnheer de Marsy op een kleine sofa, in hetzelfde zaaltje, waar de jaloersche mevrouw de Lorentz den graaf zoo'n verschrikkelijke scène gemaakt had na het diner. Clorinde lachte luid. Zij stond op toen zij haar man bemerkte. Nog steeds lachend zei ze:

--Goeden avond, mijnheer de graaf.... Morgen, op de jacht, zult u zien dat ik mijn weddenschap gestand doe.

Rougon keek haar na, terwijl Delestang gearmd met haar heenging. Hij had met hen mee willen gaan om haar te vragen wat dat voor een weddenschap was; maar mijnheer de Marsy hield hem met een bijzondere voorkomendheid aan den praat. Toen hij vrij was, ging hij niet naar zijn slaapkamer, maar begaf zich door een openstaande deur in het park. De nacht was zeer donker, een Octobernacht, zonder een enkele ster, zonder één windje, duister en doodsch. In de verte stapelden de hoogopgaande boomen voorgebergten van schaduwen op. Ternauwernood onderscheidde hij het voetpad, waarop hij liep. Op een honderdtal schreden van het terras gekomen, bleef hij stilstaan. Met den hoed in de hand koelde hij een oogenblik zijn hoofd af in de frissche nachtlucht. Dat deed hem goed, gaf hem weer nieuwe kracht. En hij keek onafgewend naar een helder verlicht venster, links in den voorgevel; terwijl de andere vensters donker bleven, schitterde dat eene in de sombere massa van het kasteel. De keizer waakte. Plotseling meende hij zijn schaduw te zien, een kolossaal hoofd, doorsneden door de punten van een knevel; daarop gingen twee andere schaduwen voorbij, de eene heel schraal, de andere breed, zoodat ze al het licht wegnam. Hij herkende duidelijk in de laatste het kolossale silhouet van een agent der geheime politie, met wien Zijn Majesteit zich uren lang verkoos op te sluiten; en toen de schrale schaduw weer voorbijgleed, veronderstelde hij dat het wel de schaduw van een vrouw kon zijn. Alles verdween, het venster herkreeg zijn rustig schijnsel, de strakheid van zijn vlammenden blik, die zich verloor in de geheimzinnige diepten van het park. Misschien dacht de keizer nu aan de ontginning van een stuk grond in de Landes, aan de stichting van een arbeidersstad, waar de uitdelging van het pauperisme op groote schaal zou worden toegepast. Dikwijls kwam hij in den nacht tot een besluit. 's Nachts teekende hij de besluiten, schreef hij manifesten, zette hij ministers af. Rougon glimlachte; hij moest onwillekeurig aan een anecdote denken: de keizer met een blauw schort aan, een politiemuts, van een stuk krant gemaakt, op het hoofd, een kamer van Trianon behangende met papier van drie francs de rol, om er een maîtresse te laten wonen; en hij stelde zich voor hoe hij op het oogenblik in de eenzaamheid van zijn kamer, in die doodsche stilte, bezig was met het uitknippen van prentjes, die hij heel netjes met een penseeltje opplakte. Toen hief Rougon de handen omhoog en riep:

--Zijn trawanten hebben hem gemaakt, wat hij is!

Hij haastte zich naar binnen. De kou beving hem, vooral aan de beenen, daar zijn korte broek slechts tot de knieën reikte.

Den volgenden morgen tegen negen uur zond Clorinde haar dienstbode Antonia, die zij meegenomen had, met de boodschap of zij en haar man bij hem mochten ontbijten. Hij had een kop chocolade boven laten brengen en wachtte hen. Antonia kwam vooruit, met het groote zilveren blad waarop men hun op hun kamer twee koppen koffie had gebracht.

--Zoo, dat is gezelliger, hè? zei Clorinde bij het binnenkomen. Ge hebt hier den zonkant. O, ge woont hier veel beter dan wij.

En zij liep de vertrekken eens rond. Het appartement bestond uit een voorkamer, waarin rechts een deur die toegang gaf tot een dienstbodenkamertje; achter de voorkamer bevond zich de slaapkamer, een groot vertrek, bespannen met cretonne waarop groote roode bloemen, met een mahoniehouten ledekant en een ontzaglijken haard, waarin houtblokken vlamden.

--Wat drommel, riep Rougon, dan hadt ge moeten reclameeren! Ik zou geen kamers op de binnenplaats aangenomen hebben. Ja, als men met alles tevreden is!.... Ik heb het gisteren avond nog aan Delestang gezegd.

De jonge vrouw haalde de schouders op en mompelde:

--Hij, hij zou nog toelaten dat ze me op zolder lieten slapen!

Zij wou tot zelfs een kleedkamertje bezichtigen, waarvan het heele garnituur uit Sèvres-porselein bestond, wit met goud, met de keizerlijke initialen. Toen kwam zij voor den haard staan. Een kreet van verrukking ontsnapte haar. Tegenover haar strekte het bosch van Compiègne zich met zijn hoog geboomte mijlen ver uit; monsterachtige kruinen verdrongen zich daar dicht opeen en verdwenen in een langzame deining; onder de blanke zon van dien Octoberochtend zag men niets dan poelen van goud, poelen van purpur, als een rijk gegalonneerde mantel van het eene einde des hemels naar het andere uitgespreid.

--Kom, aan het ontbijt, zei Clorinde.

Ze ontruimden een tafel, waarop zich een inktkoker en een vloeiboek bevonden. Ze vonden het grappig zichzelf te bedienen. De jonge vrouw verklaarde lachend, dat zij zich bij het opstaan verbeeld had in een herberg te zijn, die door een vorst gehouden werd en waar zij na een lange reis, in haar droom afgelegd, was aangekomen. Dat toevallige ontbijt, op zilveren bladen, verrukte haar als een avontuur, dat haar in het een of andere onbekende land zou overkomen zijn.

Delestang verbaasde zich intusschen over de groote hoeveelheid hout die in den schoorsteen brandde. Met een peinzend gezicht mompelde hij eindelijk:

--Men heeft me wel eens verteld dat er dagelijks voor vijftienhonderd francs hout in het kasteel verbrand wordt. Vijftienhonderd francs! Zeg, Rougon, vindt ge het niet een beetje veel?

Rougon, die langzaam zijn chocolade dronk, knikte alleen met het hoofd. Zijn gedachte waren geheel vervuld met de levendige vroolijkheid van Clorinde. Dien morgen scheen er een koortsgloed in haar schoonheid; haar groote oogen schitterden van strijdlust.

--Wat is dat toch voor een weddenschap waarvan ge gisteren avond sprak? vroeg hij haar plotseling.

Zij begon te lachen. En toen hij aandrong:

--Dat zult ge wel zien, zei ze.

Toen werd hij langzamerhand boos, hij behandelde haar ruw. Het was een echte scène uit jalouzie, met aanvankelijk bedekte toespelingen, die al spoedig in onbewimpelde beschuldigingen overgingen: ze had de algemeene aandacht op zich gevestigd, meer dan twee minuten lang had ze haar handen in die van mijnheer de Marsy gelaten. Delestang zat met onverstoorbare kalmte lange repen brood in zijn koffie te doopen.

--O, als ik uw man was! riep Rougon.

Clorinde was opgestaan. Ze plaatste zich achter Delestang, met haar handen op zijn schouders.

--Nu, wat dan? vroeg zij.

En zich over Delestang heenbuigende, en met haar adem over zijn haar gaande, zoodat het zich omkrulde:

--Niet waar, manlief, dan zou hij heel verstandig zijn, even verstandig als jij?

Tot eenig antwoord boog hij zich terzijde en kuste de hand, die op zijn linkerschouder rustte. Met een verlegen, ontroerd gelaat keek hij Rougon aan; hij wenkte hem met de oogen, alsof hij hem te verstaan wou geven dat hij misschien wel wat ver ging. Het had weinig gescheeld of Rougon had hem voor een domkop uitgemaakt. Maar Clorinde gaf hem een wenk en hij volgde haar naar het venster, waar zij met de ellebogen op het steunijzer rustte. Een oogenblik bleef zij zwijgen, de oogen gericht op den onmetelijken horizon. Toen zei ze zonder eenige inleiding:

--Waarom wilt ge Parijs verlaten? Houdt ge dan niet meer van me? Luister, ik zal verstandig zijn, ik zal uw raad opvolgen, als ge er van afziet naar dat afschuwelijke land te trekken.

Hij werd op eens heel ernstig bij dat voorstel. Hij wees op de groote belangen die voor hem op het spel stonden. Nu kon hij onmogelijk meer terug. En terwijl hij zoo sprak, trachtte Clorinde tevergeefs de werkelijke waarheid op zijn gelaat te lezen; hij scheen vast besloten om te vertrekken.

--'t Is goed, ge houdt niet meer van me, hernam zij. Dus ben ik vrij om te handelen naar goeddunken.... Dat zult ge zien.

Zonder eenige spijt te toonen, haar lachje zelfs terugvindend, verliet zij het venster. Delestang, die nog steeds belang stelde in het vuur, trachtte bij benadering het aantal schoorsteenen in het kasteel te berekenen. Maar zij stoorde hem in dat werk, want ze had maar even den tijd om zich te kleeden, als zij de jacht niet wilde misloopen. Rougon ging met ze mee in de gang, breed als een kloostergang, met een garnituur van groen moquette. Clorinde las op de deuren de namen der gasten, die op kartonnen reepen, in smalle kartonlijstjes gevat, geschreven stonden. Plotseling keerde zij zich aan het einde der gang om; en daar het haar voorkwam, dat Rougon besluiteloos stond, alsof hij haar wou terugroepen, bleef ze glimlachend staan. Maar hij ging zijn kamer weer in, en sloot de deur driftig dicht.

Het ontbijt duurde dien morgen langer dan gewoonlijk. In de galerij des Cartes werd druk gepraat over het weer, dat zich uitstekend voor een jacht met windhonden leende. De hofrijtuigen reden even voor twaalven weg. Men zou bij de Puits-du-Roi, een breed kruispunt midden in het bosch, samenkomen. De keizerlijke jachtstoet stond daar al een uur te wachten, de pikeurs te paard, met roodlakensche korte broek, den rijk gegalonneerden driekanten hoed dwars op het hoofd, de drijvers met zilveren gespen op de zwarte schoenen, om gemakkelijker door het dichte kreupelhout te loopen; en de rijtuigen der genoodigden uit de kasteelen in den omtrek vormden een halven cirkel, tegenover den koppel honden, die door de drijvers werden vastgehouden, terwijl groepjes dames en jagers in uniform in het midden deden denken aan een ouderwetseh schilderij, een jacht onder Lodewijk XV, plotseling in het leven teruggeroepen onder den zonnigen hemel. De keizer en de keizerin gingen niet mee. Zoodra de jacht begon, keerden hun chars-à-bancs naar het kasteel terug. Verscheidene gasten volgden hun voorbeeld. Rougon had eerst nog getracht Clorinde bij te houden, maar zij zweepte haar paard zoo geducht voort, dat hij grond verloor en spijtig besloot terug te keeren; zijn ergernis werd nog grooter toen hij haar heel in de verte naast mijnheer de Marsy zag galoppeeren.

Tegen halfzes kwam men Rougon verzoeken thee te komen drinken in de kleine vertrekken der keizerin. Die gunst viel gewoonlijk slechts aan geestige mannen ten deel. Hij vond er reeds mijnheer Beulin-d'Orchère en mijnheer de Plouguern, en laatstgenoemde vertelde juist op een heel kiesche manier een zeer gewaagde aardigheid, die met een vroolijk gelach aangehoord werd. Intusschen kwamen de jagers terug. Mevrouw de Combelot kwam binnen en wendde een groote vermoeidheid voor. En toen men haar naar het een en ander vroeg, antwoordde zij met technische termen:

--O, het dier heeft zich meer dan vier uren laten nazitten.... Verbeeld u, hij is nog een oogenblik op de vlakte verschenen. Daar is hij wat op adem gekomen. Eindelijk heeft hij zich bij de mare Rouge laten vangen. Een prachtig hallali!

Ridder Rusconi gaf met een ongerust gezicht een ander nieuws.

--Het paard van mevrouw Delestang is op hol geslagen.... Zij is in de richting van Pierrefonds uit het gezicht verdwenen. Men heeft nog niets van haar gehoord.

Toen werd hij met vragen bestormd. De keizerin scheen zeer bedroefd. Hij vertelde dat Clorinde al dien tijd in verbazend snellen draf gereden had. De beste jagers hadden haar bewonderd. Maar plotseling was zij een zijlaan ingeslagen.

--Ja, voegde mijnheer La Rouquette er bij, ze had het arme dier ook zoo afgeranseld!.... Mijnheer de Marsy is haar achterna gerend om haar hulp te bieden. Hij is ook niet meer terug gezien.