Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 15

Chapter 153,771 wordsPublic domain

--Nu heb je me niet meer noodig, hè? fluisterde mijnheer de Plouguern Clorinde in het oor. Ze glimlachte. Ze was voor mijnheer de Marsy blijven staan, om hem te noodzaken haar zijn arm aan te bieden, wat hij trouwens zeer hoffelijk deed. De keizer en de keizerin gingen voorop, gevolgd door de gasten die aangewezen waren om aan hun beider zijden plaats te nemen; dien dag waren het twee buitenlandsche diplomaten, een jonge Amerikaansche en de vrouw van een minister. Achteraan kwamen de overige genoodigden, naar verkiezing, ieder gearmd met de dame, die hij zich had uitverkoren. En langzaam stelde de stoet zich in beweging. De eetzaal maakte bij het binnentreden een luisterrijken indruk. Vijf kronen brandden boven de lange tafel en brachten een schittering in het zilver van het tafelstel, jachttooneelen voorstellende, herten die achtervolgd werden, jagers die op hun horens bliezen en honden die om hun jagerrecht kwamen. Het platte vaatwerk vormde langs de tafel een rij van zilveren manen; terwijl de zijvlakken der komforen, waarin de gloed der kaarsen weerspiegeld werd, het fonkelende kristalwerk, de vruchtenmandjes en de bloemenvazen van een helder rose kleur, de keizerlijke tafel tot een schitterend geheel maakte, dat met zijn schijnsel de geheele ruimte vulde. Door de openslaande deur trad de stoet langzaam binnen. De mannen bogen zich voorover, zeiden een woordje, richtten zich toen weer op, met een heimelijke streeling van ijdelheid over dien zegetocht; de dames, met ontbloote schouders, badend in een zee van licht, glimlachten opgetogen; en op de tapijten verleenden de slepende japonnen, die de paren van elkander scheidden, een majesteit te meer aan den stoet, dien zij vergezeld deden gaan van hun geruisch van kostbare stoffen. Het was een bijna teedere nadering, in een omgeving van weelde, licht en aangename warmte, als een zinnenprikkelend bad, waarin de muskusgeuren der toiletten zich vermengden met den lichten damp van wildbraad, verscherpt door een schijfje citroen. Toen op den drempel, tegenover het prachtige aanzien dat de tafel bood, een muziekkorps, in een aangrenzende galerij aan het oog onttrokken, hen met fanfares begroette, drukten de heeren, eenigszins gehinderd door hun korte broeken, onwillekeurig, met een glimlach op de lippen, de armen der dames. Toen ging de keizerin langs de rechterzijde en bleef voor het midden van de tafel staan, terwijl de keizer, links gaande, tegenover haar plaats nam. Toen daarop de aangewezen personen zich rechts en links van hunne majesteiten hadden neergezet, kozen de overige gasten naar welgevallen hun plaats uit. Dien avond waren er zeven en tachtig couverts. Bijna drie minuten verliepen voordat iedereen zijn plaats had ingenomen. De satijnglans der schouders, de heldere kleuren der bloemen op de toiletten, de diamanten der hooge kapsels gaven een levendige vroolijkheid aan het volle licht der kroonlampen. Eindelijk namen de bedienden de hoeden aan, die de heeren in de hand gehouden hadden.

Mijnheer de Plouguern was Rougon gevolgd. Na de soep stiet hij hem aan en vroeg:

--Hebt u Clorinde opgedragen, Marsy met u te verzoenen?

En hij wees hem met een knipoogje op de jonge vrouw, die aan den anderen kant der tafel zat, naast den graaf, met wien zij zich heel lieftallig onderhield. Rougon keek zeer ontstemd en haalde de schouders op; toen hield hij zich alsof hij opzettelijk niet meer naar de overzijde wilde zien. Maar ondanks zijn pogingen om onverschillig te schijnen, kwam zijn blik naar Clorinde terug; hij lette op haar minste gebaren, op de beweging van haar lippen, alsof hij haar woorden er op wilde lezen.

--Mijnheer Rougon, zei mevrouw de Combelot, die zoo dicht mogelijk bij den keizer zat, weet u nog, dat ongeluk van laatst? U hebt nog een vigelante voor me gehaald. Een heele strook van mijn japon was afgerukt.

Zij maakte zich belangwekkend, door te vertellen dat haar rijtuig eens bijna midden door was gereden door den landauer van een russischen prins. En hij moest antwoorden. Een oogenblik vormde dit ongeval het onderwerp van de gesprekken aan tafel. Men haalde allerlei ongelukken aan, onder anderen van een parfumeriën-verkoopster uit de passage des Panoramas, die bij een val van haar paard haar arm gebroken had. De keizerin deed een zachten uitroep van medelijden hooren. De keizer zei niets, hij luisterde met een diepzinnig gezicht, langzaam etende.

--Waar zit Delestang toch? vroeg Rougon op zijn beurt aan mijnheer de Plouguern.

Zij zochten hem. Eindelijk bemerkte de senator hem aan het einde van de tafel. Hij zat naast mijnheer de Combelot, tusschen een heele rij mannen, aandachtig luisterend naar de zeer vrije gesprekken, die door het gonzend geluid der stemmen moeielijk te verstaan waren. Mijnheer La Rouquette was aan een gekruide geschiedenis van een waschvrouw uit zijn landstreek begonnen; ridder Rusconi gaf zijn persoonlijke waardeeringen van de Parisiennes ten beste, terwijl een der twee schilders en romanschrijver in zeer onkiesche bewoordingen de dames beoordeelden om wier te dikke of te magere armen zij zaten te grinniken. En Rougon keek woedend nu eens naar Clorinde, die hoe langer hoe beminnelijker voor den graaf werd, dan weer naar haar sulligen man, die voor dat alles blind bleef, en met een glimlach op zijn waardig gezicht naar de sterke stukjes luisterde, die hij daar hoorde vertellen.

--Waarom is hij niet bij ons gaan zitten? mompelde hij.

--O, ik beklaag hem niet, zei mijnheer de Plouguern. Men schijnt zich daar in dat hoekje te amuseeren.

Toen ging hij fluisterend verder:

--Ik geloof dat ze mevrouw Lorentz onderhanden hebben. Hebt u opgemerkt hoe gedecolleteerd ze is?.... Meteen komt er nog een uit, de linkerborst, hè?

Maar terwijl hij zich voorover boog om mevrouw de Lorentz, die vijf plaatsen verder zat, beter te kunnen zien, werd hij plotseling ernstig. Die dame, een mooie, wel wat dikke blondine, zag op dit oogenblik wit van ingehouden drift, terwijl haar donkerblauwe oogen strak op mijnheer de Marsy en op Clorinde gericht waren. En binnensmonds, zoo zachtjes dat Rougon het zelfs niet kon verstaan, prevelde hij:

--Drommels, dat loopt mis.

De muziek speelde onafgebroken voort; zij klonk alsof zij ergens van uit de hoogte kwam. Wanneer de koperen instrumenten zich lieten hooren, keken de gasten verwonderd op, als zochten zij vanwaar die wijs tot hen kwam. Dan hoorden zij weer niets meer; een zacht gezang van de klarinetten, achter in de aangrenzende galerij, smolt samen met het zilvergerinkel van het platte vaatwerk, dat in hooge stapels werd binnengebracht. Sommige groote schotels klonken als het gedempte geluid van cymbalen. Rondom de tafel heerschte een stille bedrijvigheid; een menigte dienaren liepen zwijgend heen en weer, de kamerdienaars in rok en lichtblauwe korte broek, met degen en driekantigen steek en de tafeldienaars met gepoederde pruiken, in groen, met goud gegalonneerd galalivrei. De gerechten werden opgedragen, de wijnen ordelijk rondgediend, terwijl de controleurs, de eerste voorsnijder, de zilverbewaarder toezicht hielden op die drukte, waarbij de rol van den geringsten dienaar vooruit geregeld was. Achter den keizer en de keizerin dienden de kamerdienaren van Hunne Majesteiten met een correcte waardigheid.

Toen het gebraad werd rondgediend en de Bourgogne-wijnen werden ingeschonken, klonken de stemmen luider. In het hoekje van de mannen, aan het einde der tafel, sprak mijnheer La Rouquette nu over de kookkunst, en wel hoe lang een reebout, die juist rondgediend was, aan het spit behoorde gebraden te worden.

Intusschen weerklonk er plotseling een gelach zoo luid, dat iedereen zweeg. Het was de keizerin. Zij sprak met den Duitschen gezant, die aan haar rechterzij zat; al lachend sprak zij enkele afgebroken woorden, die niemand verstaan kon. In de nieuwsgierige stilte, die ontstaan was, speelde een cornet à pistons, zacht begeleid door de bassen, een solo, een zoetvloeiende melodie. En langzamerhand spraken de gasten weer luider. De stoelen werden half omgekeerd, ellebogen op den rand van de tafel gelegd, intieme gesprekken aangeknoopt, kortom er heerschte een vrijheid als aan een vorstelijke table d'hôte.

--Wilt u een gebakje? vroeg mijnheer de Plouguern.

Rougon bedankte met een knikje. Sedert eenige oogenblikken at hij niet meer. Men had het platte vaatwerk door een fijn beschilderd Sèvres-porseleinen servies vervangen. Het geheele dessert liet hij voorbijgaan, zonder iets anders te gebruiken dan een kleine portie camembert. Hij hield zich niet meer in, maar keek Clorinde en mijnheer de Marsy vlak in het gelaat, zonder twijfel hopende de jonge vrouw verlegen te maken. Maar deze wendde zoo'n vertrouwelijkheid met den graaf voor, dat het scheen alsof zij vergat waar zij zich bevond en zich in een klein salon met den graaf alleen aan een fijn souper waande. En zij knabbelde op het suikergoed dat de graaf haar aanreikte, zij veroverde hem met haar mooi lachend gezicht, op een onbeschaamde kalme wijze. Om hen heen werd druk gefluisterd. Het gesprek liep nu over de mode. Mijnheer de Plouguern vroeg Clorinde's oordeel over den nieuwen vorm der hoeden. Toen zij zich echter hield alsof zij hem niet hoorde, boog hij zich over om dezelfde vraag aan mevrouw de Lorentz te richten. Maar hij durfde niet, zoo verschrikkelijk boos keek deze, met haar opeengeklemde tanden en haar door jaloerschheid verwrongen gelaat. Clorinde had juist haar linkerhand in die van mijnheer de Marsy laten rusten, onder voorwendsel dat zij hem een antieke camee wou toonen, die zij aan den vinger droeg; en zij liet hem haar hand vasthouden, waarop de graaf den ring van haar vinger schoof en hem na de bezichtiging er weder aan deed; het was bijna onbetamelijk. Mevrouw de Lorentz, die zenuwachtig met een lepel speelde, brak haar wijnglas, waarop een bediende haastig de scherven wegruimde.

--Ze zullen elkander nog in de haren grijpen, dat is zeker, fluisterde de senator Rougon in het oor. Hebt u op ze gelet?.... Maar de drommel haal me als ik Clorinde's spel begrijp! Wat wil ze toch?

En toen hij zijn buurman aankeek, werd hij getroffen door diens ontstelde gelaat.

--Wat scheelt er aan? Voelt ge u niet wel?

--Neen, antwoordde Rougon, ik ben wat benauwd. Die diners duren te lang. En daarbij riekt het hier zoo naar muskus!

Het diner liep ten einde. Enkele dames, half terzijde geleund op haar stoelen, aten nog een beschuitje. Maar niemand verroerde zich. De keizer, die tot dusver gezwegen had, verhief plotseling de stem; en aan beide einden der tafel luisterden de gasten, die de tegenwoordigheid van Zijn Majesteit al geheel vergeten waren, met behagelijke gezichten toe. De keizer antwoordde op een pleidooi van mijnheer Beulin-d'Orchère tegen de echtscheiding. Toen, midden in zijn antwoord, wierp hij een blik op het zeer laag uitgesneden keurslijf van de jonge Amerikaansche dame, die naast hem zat, en zei met zijn lijmerige stem:

--In Amerika heb ik nooit anders dan leelijke vrouwen zien scheiden.

Een gelach liep door de gasten. Het scheen geestig gezegd, zoo fijn zelfs, dat mijnheer La Rouquette zich inspande om er den verborgen zin van te ontdekken. De jonge dame meende er zeker een complimentje in te mogen zien, want zij bedankte verlegen met een hoofdbuiging. De keizer en de keizerin waren opgestaan. Er ontstond een groot geruisch van japonnen, een gestommel rondom de tafel, terwijl de kamer- en tafeldienaars, die heel ernstig langs de muren geschaard stonden, alleen correct bleven te midden van dien ordeloozen troep lieden, die goed gedineerd hadden. En de stoet vormde zich op nieuw, Hunne Majesteiten aan het hoofd, de genoodigden in lange rijen daarachter, met groote tusschenruimten voor de lange sleepen, de zaal met een puffende deftigheid doorgaande. Achter hen, in het helle licht der kronen, boven de nog warme wanorde van de tafel, klonken de zware trommelslagen van de militaire muziek, die de laatste figuur van een quadrille speelde.

De koffie werd ditmaal rondgediend in de galerij des Cartes. Een prefect van het paleis bracht den keizer een kop koffie op een verguld zilveren blad. Intusschen waren verscheidene gasten reeds naar de rookkamer gegaan. De keizer had zich met enkele dames in het familiesalon, links van de galerij, afgezonderd. Men beweerde zachtjes dat zij zich zeer ontevreden had getoond over de zonderlinge houding van Clorinde, gedurende het diner. Zij beijverde zich om gedurende haar verblijf in Compiègne, een burgerlijke betamelijkheid, een smaak in onschuldige spelletjes en landelijke genoegens aan het hof in te voeren. Tegen zekere buitensporigheden toonde zij een persoonlijken haat, bijna een wrok.

Mijnheer de Plouguern had Clorinde ter zijde genomen om haar de les te lezen. Eigenlijk wou hij haar uithooren. Maar zij veinsde een groote verbazing. Waar haalde men dat vandaan, dat zij zich met den graaf de Marsy gecompromitteerd zou hebben? Ze hadden samen geschertst, meer niet.

--Kijk maar eens! mompelde de oude senator.

En de half openstaande deur van een aangrenzend zaaltje openduwend, toonde hij haar mevrouw de Lorentz, die vreeselijk tegen mijnheer de Marsy uitvoer. De mooie blondine, buiten zichzelve van jaloerschheid, gaf haar gemoed lucht in grove woorden, zonder te bedenken dat haar heftige woorden een vreeselijk schandaal ten gevolge konden hebben. De graaf, bleek en glimlachend, trachtte haar door eenige zachte woorden tot bedaren te brengen. Het geluid van den twist was in de galerij des Cartes doorgedrongen; de gasten, die het hoorden, verwijderden zich voorzichtigheidshalve uit de nabijheid van het kleine salon.

--Je wilt dus dat ze die beruchte brieven aan alle vier hoeken van het kasteel laat aanplakken? vroeg mijnheer de Plouguern, die met de jonge vrouw gearmd voortliep.

--Dat zou wel aardig zijn! zei ze lachend.

Toen begon hij weer aan zijn zedepreek, terwijl hij met het vuur van een jongen galant haar blooten arm in den zijnen drukte. Zij moest die excentrieke manieren aan mevrouw de Combelot overlaten. En hij verzekerde haar dat Hare Majesteit zeer ontstemd op haar scheen. Clorinde, die de keizerin een groote vereering toedroeg, was daarover zeer verwonderd. Waarin had zij misdaan? En terwijl zij voorbij het familiesalon kwamen, bleven zij een oogenblik staan en wierpen een blik door de halfgeopende deur. Om de tafel zat een wijde kring van dames. In het midden zat de keizerin; ze leerde de anderen met veel geduld een kinderspel, terwijl eenige mannen, achter de fauteuils, de les met grooten ernst volgden.

Rougon had het intusschen met Delestang aan den stok, aan het einde der galerij. Hij durfde hem niet over zijn vrouw spreken; maar hij haalde hem geducht door omdat hij met zooveel berusting een apartement had aanvaard, dat op de binnenplaats van het kasteel uitzag; hij wou hem dwingen er een te vragen aan de zijde van het park. Maar Clorinde naderde aan den arm van mijnheer de Plouguern. Ze zei, zoo dat men het hooren kon:

--Laat mij toch met vrede, met uw Marsy! Ik zal den heelen avond geen woord meer met hem spreken! Daar, zijt ge nu tevreden?

Dit stelde iedereen gerust. Juist kwam mijnheer de Marsy uit het zaaltje, met een opgewekt gezicht; hij schertste een oogenblik met ridder Rusconi en trad daarop den familiesalon binnen, waar men de keizerin en de dames al heel spoedig hoorde schaterlachen om de geschiedenis, die hij vertelde. Tien minuten later verscheen mevrouw de Lorentz op haar beurt, zij scheen moe, haar handen beefden nog; en daar zij zag dat nieuwsgierige blikken haar minste gebaren bespiedden, bleef ze daar te midden der pratende groepjes.

De verveling deed weldra een licht gegeeuw achter de zakdoeken verbergen.

De avond was nog de saaiste tijd van den dag. De nieuw aangekomenen, die niet wisten waarin zij een afleiding konden zoeken, naderden de vensters en keken naar buiten, in de duisternis. Mijnheer Beulin d'Orchère zette in een hoekje zijn pleidooi tegen de echtscheiding voort. De romanschrijver, die dat alles doodelijk vervelend vond, vroeg zachtjes aan een der academieleden of men niet naar bed zou mogen gaan. Intusschen verscheen de keizer van tijd tot tijd met slependen tred door de galerij gaande, een cigarette in den mond.

--Het is onmogelijk geweest iets voor heden avond te organiseeren, verklaarde mijnheer de Combelot aan het groepje dat Rougon met zijn vrienden vormde.

Morgen na de drijfjacht, krijgen de honden hun jachtmaal bij fakkellicht. Overmorgen komen de artisten van de Comédie Française les Plaideurs spelen. Er is ook sprake van tableaux vivants en een charade, die men tegen het einde der week zal geven.

En hij vertelde dat zijn vrouw mee zou doen, de repetities zouden spoedig beginnen. Daarop kwam een verhaal van een wandeling, die het hof een paar dagen te voren gedaan had naar "la Pierre-qui-tourne", een druïdisch steenblok, waaromheen toen opgravingen gedaan werden. De keizerin had haar verlangen te kennen gegeven om in de uitgegraven gedeelten af te dalen.

--Verbeeldt u, ging de kamerheer met bewogen stem voort, dat de werklieden zoo gelukkig geweest zijn om twee schedels in Harer Majesteits tegenwoordigheid op te graven. Niemand had op zoo iets gerekend. Men was zeer tevreden.

Hij streelde zijn mooien zwarten baard, die hem zooveel succès bij de dames bezorgde; zijn knap ijdel gezicht had een onnoozele zachtheid, en hij lispelde uit overdreven beleefdheid.

--Maar, zei Clorinde, men had me verzekerd dat de acteurs van de Vaudeville een voorstelling van het nieuwe stuk zouden geven.... De vrouwen dragen er verbazend kostbare toiletten in. En men moet er zich slap om lachen, schijnt het.

Mijnheer de Combelot zette een benepen gezicht.

--Ja, ja, mompelde hij, er is een oogenblik sprake van geweest.

--Nu?

--Men heeft dat plan laten varen. De keizerin houdt niet van zulke stukken.

Op dit oogenblik ontstond er een groote beweging in de galerij; alle heeren waren uit de rookzaal teruggekeerd. De keizer ging zijn partijtje palets spelen. Mevrouw Combelot, die zich op haar behendigheid in dit spel liet voorstaan, had hem om revanche gevraagd, want zij herinnerde zich dat hij haar den vorigen zomer verslagen had; en ze bood zich met zoo'n teedere, nederige houding aan, met zoo'n duidelijken glimlach, dat Zijne Majesteit dikwijls verlegen de oogen moest afwenden.

Het spel begon. Een groot aantal gasten schaarde zich in een kring, om de worpen te beoordeelen en te bewonderen. De jonge vrouw stond voor de lange, met groen laken bedekte tafel en wierp haar eerste schijf, die vlak bij het doel, een witte stip, terecht kwam. Maar de keizer toonde nog grooter behendigheid, zijn schijf wierp de hare van haar plaats en nam die zelfs in. Men applaudisseerde zachtjes. Toch won mevrouw Combelot tenslotte.

--Sire, waar hebben wij om gespeeld? vroeg zij driestweg.

Hij glimlachte, doch antwoordde niet. Zich daarop omkeerende, zei hij:

--Mijnheer Rougon, wilt u een partijtje met me spelen?

Rougon boog en nam de schijven, terwijl hij iets over zijn onbedrevenheid zei.

Een trilling doorliep de personen die om de tafel geschaard stonden. Werd Rougon werkelijk weer in genade aangenomen? En de heimelijke vijandschap, die hij sinds zijn aankomst had opgemerkt, smolt weg; halzen rekten zich uit om vol belangstelling zijn werpschijven te volgen.

Mijnheer La Rouquette, die er nu nog minder van begreep dan voor het diner, nam zijn zuster terzijde, om te weten waaraan hij zich eigenlijk te houden had; maar zij kon hem zeker geen voldoende verklaring geven, want hij kwam terug met een gebaar waaruit zijn volslagen onzekerheid bleek.

--Heel goed! mompelde Clorinde, bij een fijnen worp van Rougon.

En zij wierp den vrienden van den grooten man veelbeteekenende blikken toe. Het oogenblik was gunstig om den keizer vriendelijk voor hem te stemmen. Zij leidde den aanval. Een oogenblik regende het loftuitingen.

--Drommels! liet Delestang zich ontvallen, die onder de bevelende blikken van zijn vrouw niets anders wist te zeggen.

--En u sprak van onbedrevenheid! zei ridder Rusconi opgetogen. O, sire, ik bid u, speel niet om Frankrijk met hem!

--Maar, mijnheer Rougon zou zich tegenover Frankrijk heel goed gedragen, daar ben ik zeker van, voegde mijnheer Beulin-d'Orchère er bij, met een fijn trekje op zijn bulhondengezicht.

Dat was een onomwonden toespeling. De keizer verwaardigde zich te glimlachen. En hij lachte hartelijk, toen Rougon, verlegen onder al die loftuitingen, heel bescheiden de volgende verklaring gaf:

--Och, ik speelde een dergelijk spel met kurken, toen ik nog een kwajongen was.

Toen men Zijne Majesteit hoorde lachen, schaterde de heele galerij het uit. Een oogenblik heerschte er een buitengewone vroolijkheid. Clorinde had als behendige vrouw begrepen dat men, door Rougon, een middelmatig speler, te bewonderen, eigenlijk den keizer vleide, die zich onbetwistbaar zijn meerdere toonde. Intusschen had mijnheer de Plouguern, die Rougon zijn succès benijdde, nog geen opmerking geuit. Zij stiet hem even met den elleboog aan, als bij ongeluk. Hij begreep haar en stond opgetogen te kijken naar de eerste schijf die nu door zijn collega geworpen werd. Toen riep mijnheer La Rouquette, alles er op wagende, opgewonden uit:

--Heel mooi, prachtig geworpen!

Nadat de keizer de partij gewonnen had, vroeg Rougon om revanche. De schijven gleden op nieuw over het groene laken met een geritsel als van dorre bladeren, toen een gouvernante aan de deur van het familiesalon verscheen met den kroonprins op haar arm. Het kind, dat twintig maanden oud was, droeg een zeer eenvoudig wit jurkje: zijn haar was verward en zijn oogen waren gezwollen van slaap. Gewoonlijk bracht men hem 's avonds als hij wakker werd, bij de keizerin, opdat zij hem een nachtkus kon geven. Hij keek naar het licht met dat diep ernstige gezicht, dat kleine kinderen kunnen zetten. Een grijsaard, een grootwaardigheidsbekleeder, was toegesneld, zoo vlug zijn jichtige beenen het toelieten. En zich vooroverbuigend, met zijn van ouderdom knikkend hoofd, had hij het handje van den prins gevat en kuste het, terwijl hij met zijn gebroken stem mompelde:

--Monseigneur, monseigneur....

Het kind, verschrikt door de nabijheid van dat perkamentachtige gezicht, wierp zich achterover en schreeuwde het luidkeels uit. Maar de grijsaard liet hem niet los. Hij betuigde zijn toewijding. Men moest het handje, dat hij op zijn lippen gedrukt hield, aan zijn vereering ontrukken.

--Ga heen, neem hem mee, zei de keizer ongeduldig.

De vorst had de tweede partij verloren. Nu begon de derde. Rougon, die de loftuitingen voor ernst had opgevat, deed zijn uiterste best. Nu vond Clorinde dat hij zelfs te goed speelde. Ze fluisterde hem toe:

--Ik hoop dat ge niet zult gaan winnen?

Hij glimlachte. Maar plotseling liet zich een hevig geblaf hooren. Het was Nero, de lievelingshond van den keizer, die van een openstaande deur gebruik had gemaakt om de galerij binnen te snellen. Zijne Majesteit gaf bevel hem weg te brengen en een kamerdienaar hield den hond reeds bij den halsband, toen dezelfde grijsaard van zooeven weer kwam aansukkelen onder den uitroep:

--Mijn mooie Nero, mijn mooie Nero!

En hij knielde bijna op het tapijt neer, om hem in zijn bevende handen te nemen. Hij drukte zijn kop tegen zijn borst, hij zoende hem en herhaalde:

--Ik bid u, sire, stuur hem niet weg. Hij is zoo mooi!

De keizer stemde er in toe dat hij bleef. Toen verdubbelde de grijsaard zijn liefkoozingen. De hond werd niet bang, bromde niet. Hij likte de magere handen die hem streelden.