Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 14

Chapter 143,587 wordsPublic domain

Wat Clorinde vooral ongerust maakte, was Rougon's toenemende lusteloosheid. Zij zag hem van verveling inslapen. Eerst had zij heel goed opgemerkt, dat er veel komediespel bij was. Maar nu, ondanks al haar slimheid, begon zij te gelooven dat hij werkelijk den moed verloren had. Zijn gebaren werden trager, zijn stem werd weeker; en op sommige dagen toonde hij zich zoo onverschillig, zoo goedaardig, dat de jonge vrouw zich verschrikt afvroeg of hij zich niet kalm zijn verwijzing naar den senaat als gevallen politiek man zou laten aanleunen.

Tegen het einde van September scheen Rougon zeer afgetrokken. Toen vertelde hij haar in een van hun gewone gesprekken, dat hij een grootsch plan koesterde. Hij verveelde zich in Parijs, hij had behoefte aan lucht. En opeens kwam alles er uit: hij wou een geheel nieuw leven beginnen, een vrijwillige verbanning naar de Landes, om daar verscheidene vierkante mijlen terrein te ontginnen en er midden op den ontwoekerden grond een stad te stichten. Clorinde verbleekte, toen zij dat hoorde.

--Maar uw positie hier, uw verwachtingen! riep zij.

Hij maakte een minachtend gebaar en mompelde:

--Bah, luchtkasteelen.... Ik deug bepaald niet voor de politiek, ziet u!

En hij sprak weer over zijn liefsten wensen, een groot grondeigenaar te zijn, met kudden beesten waarover hij kon heerschen. Maar in de Landes werd zijn eerzucht reeds grooter, daar zou hij koning zijn over een nieuw land; daar zou hij een volk hebben. Twee weken lang las hij speciale werken. Hij droogde moerassen uit, bestreed met krachtige werktuigen de steenlaag van den grond, hield den voortgang der duinvorming tegen door aanplantingen en pijnboomen, verrijkte Frankrijk met een verbazend vruchtbaar hoekje. Al zijn ingesluimerde bedrijvigheid, al zijn kracht van nietsdoenden reus ontwaakte in deze schepping; zijn opeengeklemde vuisten schenen reeds de weerbarstige keisteenen te doen splijten; zijn armen woelden met een enkelen stoot den grond om; zijn schouders droegen geheele huizen, kant en klaar, die hij naar willekeur neerzette aan den oever eener rivier, wier bedding hij met een enkelen schop van zijn voet groef. Niets was gemakkelijker. Hij vond daar zooveel werk als hij wilde. De keizer mocht hem toch zeker nog genoeg om hem een departement in orde te laten brengen. Met een kleur op de wangen stond hij op, grooter door de plotselinge uitrekking van zijn zware ledematen, en hij barstte in een schaterlach uit.

--Dat is een idee, hè! riep hij. Ik geef de stad mijn naam, ik sticht ook een klein rijk!

Clorinde geloofde aan een gril, aan een denkbeeld dat bij hem opgekomen was in de diepe verveling waarin hij zich bewoog. Maar de volgende dagen sprak hij haar weer over zijn plan, met nog grooter geestdrift. Bij ieder bezoek vond zij hem gebogen over kaarten, die overal uitgespreid lagen, op zijn schrijftafel, op de stoelen, op het kleed. Op zekeren middag kon zij hem niet te spreken krijgen, hij was in gesprek met twee ingenieurs. Toen begon ze zich werkelijk bevreesd te maken. Zou hij haar nu laten zitten, om zijn stad ergens in een woeste streek te gaan bouwen? Was het soms een nieuwe list? Ze moest er voor het oogenblik van afzien achter de waarheid te komen, maar toch vond zij het noodig de vrienden te waarschuwen.

Dat was een ontsteltenis. Du Poizat werd boos; al langer dan een jaar liep hij leeg; bij zijn laatste reis naar de Vendée had zijn vader een pistool uit een lade gehaald, toen hij zich verstout had hem tienduizend francs te vragen om een prachtige zaak op touw te zetten; en nu kon hij weer aan het hongerlijden gaan, zooals in 48. Mijnheer Kahn toonde zich even woedend, zijn hoogovens in Bressuire werden met een faillietverklaring bedreigd; hij voelde zich verloren, als hij niet binnen een half jaar de concessie van zijn spoorweg kreeg. De anderen, mijnheer Béjuin, de kolonel, de Bouchards, de Charbonnels, hieven ook jammerklachten aan. Dat kon zoo niet afloopen. Rougon was werkelijk onredelijk. Men zou met hem spreken.

Intusschen verliepen er twee weken. Clorinde, die een groot gezag over hen uitoefende, had beslist dat het kwalijk gaan zou den grooten man rechtstreeks aan te vallen. Men wachtte dus een gelegenheid af. Op een Zondagavond, omstreeks het midden van October, toen de vrienden allen bijeen waren in het salon van de rue Marbeuf, zei Rougon glimlachend:

--Raadt eens wat ik vandaag gekregen heb?

En hij haalde van achter de pendule een rose kaart te voorschijn.

--Een uitnoodiging naar Compiègne.

Op dit oogenblik opende de kamerdienaar bescheiden de deur. De man, dien mijnheer verwachtte, was er. Rougon verontschuldigde zich en ging de kamer uit. Clorinde was luisterend opgestaan. Toen zei ze vastberaden:

--Hij moet naar Compiègne gaan!

De vrienden keken voorzichtig om zich heen; maar mevrouw Rougon was sinds een paar minuten verdwenen. Toen overlegden zij fluisterend. De dames vormden een kring voor den haard, waarop een groot houtblok lag te smeulen; mijnheer Bouchard en de kolonel speelden hun eeuwigdurend partijtje; terwijl de andere heeren hun fauteuils in een hoek geschoven hadden om zich af te zonderen. Clorinde stond in het midden der kamer, met gebogen hoofd, in diep nadenken verzonken.

--Hij verwachtte dus iemand? vroeg Du Poizat. Wie kan dat zijn?

De anderen haalden de schouders op, om te kennen te geven dat zij het niet wisten.

--Misschien ook al voor zijn dwaze onderneming, ging hij voort. Mijn geduld raakt nu uitgeput. Een dezer dagen zeg ik hem eens geducht de waarheid, dat zult ge zien.

--Sst! zei mijnheer Kahn, terwijl hij een vinger op de lippen lei.

De gewezen onder-prefect had onrustbarend hard gesproken. Allen spitsten een oogenblik de ooren. Toen begon mijnheer Kahn zelf heel zachtjes:

--Zeker, hij heeft verplichtingen tegenover ons op zich ge- nomen.

--Zeg dat hij een schuld heeft aangegaan, voegde de kolonel er bij, zijn kaarten neerleggend.

--Ja, ja, een schuld, dat is het goede woord, verklaarde mijnheer Bouchard. We hebben het hem ronduit gezegd, laatst in het raadsgebouw.

En de anderen bevestigden dit met een levendig hoofdknikken. Er ontstond een algemeen geweeklaag. Rougon had ze allen geruïneerd. Mijnheer Bouchard voegde er bij dat hij al lang chef de bureau geweest zou zijn, als hij hem niet zoo trouw in het ongeluk geweest was. De kolonel beweerde dat men uit naam van den graaf de Marsy het kommandeurskruis en een betrekking voor zijn zoon Auguste had aangeboden, maar hij had geweigerd, uit vriendschap voor Rougon. De ouders van mijnheer d'Escorailles, zei de mooie mevrouw Bouchard, waren zeer gekrenkt omdat hun zoon nog altijd auditeur was, terwijl zij al een halfjaar op zijn benoeming tot referent aan den staatsraad wachtten. Zelfs zij die zwegen, Delestang, mijnheer Béjuin, mevrouw Correur en de Charbonnels knepen hun lippen samen, hieven de oogen ten hemel, met het voorkomen van martelaren die eindelijk hun geduld beginnen te verliezen.

--In éen woord, we zijn bestolen, hernam Du Poizat. Maar hij zal niet vertrekken, daar sta ik u voor in. Is het niet de grootste dwaasheid om in een afgelegen hoekje tegen de keisteenen te gaan vechten, als men zulke ernstige belangen te Parijs heeft?.... Wil ik eens met hem spreken?

Clorinde ontwaakte uit haar gepeins. Zij gaf hem een wenk om te zwijgen, deed de deur half open om te zien of daar niemand was, en herhaalde toen:

--Hoort ge, hij moet naar Compiègne!

En terwijl allen haar vragend aankeken, maakte zij weer een gebaar om hun vragen te voorkomen.

--Sst! Niet hier!

Ze vertelde intusschen nog dat haar man en zij ook naar Compiègne uitgenoodigd waren; en ze liet zich de namen van mijnheer de Marsy en mevrouw de Lorentz ontvallen, zonder zich nader te willen verklaren. Men zou den grooten man desnoods met geweld willen dwingen zich weer te doen gelden. Mijnheer Beulin-d'Orchère en de geheele rechterlijke macht steunden hem heimelijk. De keizer, bekende mijnheer La Rouquette, liet zich, ondanks de haat van zijn omgeving tegen Rougon, volstrekt niet over dezen uit; zoodra men zijn naam noemde, werd hij ernstig.

--Het is niet om onszelven, verklaarde mijnheer Kahn ten slotte. Als wij slagen, zal het heele land ons dankbaar zijn.

Toen ging men hardop voort, den lof van den gastheer te bezingen. In de kamer daarnaast hoorde men het geluid van stemmen. Du Poizat, door nieuwsgierigheid gekweld, duwde de deur open alsof hij weg wou gaan en deed ze weer langzaam genoeg dicht om den man op te merken die zich bij Rougon bevond. Het was Gilquin, in een dikke overjas, bijna netjes, een stevigen wandelstok met koperen knop in de hand. Met een overdreven vertrouwelijkheid en zonder zijn stem wat minder luid te doen klinken, zei hij:

--Zeg, stuur nu niets meer naar de rue Virginie, te Grenelle. Ik heb daar kwestie gehad; ik blijf in Batignolles, passage Guttin.... Enfin, je kan op me rekenen. Tot ziens.

En hij drukte Rougon de hand. Toen deze in het salon terugkeerde, maakte hij zijn verontschuldiging, terwijl hij Du Poizat strak aankeek.

--Een beste jongen, die je wel bekend zal zijn, nietwaar Poizat?.... Hij gaat kolonisten voor me werven voor mijn nieuw rijk, daar ginds in de Landes.... A propos, ik neem je allen mee; pak je zaken maar vast in. Kahn wordt mijn eerste minister, Delestang en zijn vrouw krijgen de portefeuille van Buitenlandsche Zaken. Béjuin wordt postmeester. En ik vergeet de dames ook niet: mevrouw Bouchard zal den scepter der schoonheid voeren en mevrouw Charbonnel belast zich met de zorg voor de graanzolders.

Hij schertste, terwijl zijn vrienden, alles behalve op hun gemak, zich afvroegen of hij ze niet door een spleet van de deur had hooren spreken. Toen hij den kolonel met al zijn ordeteekenen decoreerde, werd deze bijna boos. Intusschen keek Clorinde naar de uitnoodigingskaart, die zij van den schoorsteen had genomen.

--Gaat u? vroeg ze achteloos.

--Wel, natuurlijk, antwoordde Rougon verwonderd. Ik hoop van de gelegenheid gebruik te maken om me mijn departement door den keizer te laten geven.

Het sloeg tien uur. Mevrouw Rougon verscheen weer om thee te schenken.

VI.

Tegen zeven uur, op den avond van haar aankomst te Compiègne, stond Clorinde met mijnheer de Plouguern te praten bij een venster van de galerij des Cartes. Men wachtte op den keizer en de keizerin om zich naar de eetzaal te begeven. De tweede reeks genoodigden van dat seizoen bevond zich eerst drie uur op het kasteel, en daar alle gasten nog niet beneden waren, hield de jonge vrouw zich onledig met iedereen die binnen trad met een enkel woord te beoordeelen. De gedecolleteerde dames, met bloemen in het kapsel, zetten haar gelaat in een vriendelijke plooi, zoodra zij den drempel overschreden; de heeren bleven ernstig, met hun witte das en korte broek met zijden kousen.

--Ha, daar is ridder Rusconi, mompelde Clorinde. Een knap man.... Maar zie mijnheer Beulin-d'Orchère toch eens, oompje, zou men niet zeggen dat hij zoo gaat blaffen? En wat een beenen, goede God!

Mijnheer de Plouguern grinnikte van pleizier bij al dat kwaadspreken. Ridder Rusconi kwam Clorinde begroeten, met zijn smachtende blikken van knap Italiaan; daarop ging hij langs de dames heen, met een reeks van hoffelijke buigingen. Delestang keek op een korten afstand heel ernstig naar de kolossale kaarten van het bosch van Compiègne, die de muren der galerij bedekten.

--In welken waggon heb je gezeten? hernam Clorinde. Ik heb aan het station naar je gezocht om met je samen te reizen. Verbeeld je, ik zat daar midden tusschen de mannen....

Maar zij hield weer op, een lach achter haar hand smorend.

--Mijnheer La Rouquette kijkt zoo zoet als suiker.

--Ja, een kostschoolmeisjes-ontbijt, zei de senator ondeugend.

Op dit oogenblik ontstond er aan de deur een luid geritsel van rokken; de deurvleugel werd wijd geopend en er trad een vrouw binnen, in een japon zoo overladen met strikken, bloemen en kant, dat zij haar japon met beide handen moest samenvatten om door de opening te kunnen gaan. Het was mevrouw de Combelot, Clorinde's schoonzuster. Deze nam haar van het hoofd tot de voeten op en mompelde;

--Hoe is het mogelijk!

En toen mijnheer de Plouguern naar haar eigen eenvoudig tarlatankleedje keek, dat zij over een slecht gefatsoeneerd rose faille onderkleed had aangetrokken, ging ze op een toon van volslagen zorgeloosheid voort:

--O, je weet, ik maal niet om het toilet! Men moet me maar nemen zooals ik ben.

Intusschen had Delestang de kaarten verlaten om zijn zuster tegemoet te gaan, die hij bij zijn vrouw bracht. Ze hielden niet veel van elkander en wisselden een zuurzoet complimentje. En mevrouw de Combelot verwijderde zich, een staart van satijn achter zich aan sleepende, die veel geleek op een hoekje van een bloemenperk. De mannen traden zwijgend een paar stappen terug, voor den stroom van kanten volants. Zoodra Clorinde weer alleen met mevrouw de Plouguern was, maakte ze schertsend een zinspeling op den grooten hartstocht dien de dame voor den keizer gevoelde. En toen de senator van den tegenstand sprak dien deze bood, merkte zij op:

--Daar steekt niet veel verdienste in, ze is zoo mager! Ik heb haar door mannen mooi hooren vinden, ik weet niet waarom. Ze heeft een figuur dat nergens naar lijkt.

Al pratende bleef ze voortdurend naar de deur zien, als verwachtte ze iemand.

--Ha, nu is het toch zeker mijnheer Rougon, zei ze.

Maar ze verbeterde haar gezegde dadelijk daarop, met een flikkering in haar oogen.

--Toch niet, het is mijnheer de Marsy.

De minister, correct gekleed in zijn zwarten rok en korte broek, trad glimlachend op mevrouw de Combelot toe; en terwijl hij haar een complimentje maakte, keek hij met vagen blik naar de gasten, alsof hij niemand had herkend. Toen beantwoordde hij de groeten met bijzondere minzaamheid. Verscheidene heeren traden nader. Weldra vormde hij het middelpunt van een groep. Zijn bleek, geestig en spottend gelaat stak boven de schouders uit, die zich rondom hem verdrongen.

--A propos, hernam Clorinde, mijnheer Plouguern naar een vensternis voerend, ik had op je gerekend om me inlichtingen te verschaffen.... Wat weet je van die bekende brieven van mevrouw de Lorentz?

--Wel, wat iedereen er van weet, antwoordde hij.

En hij sprak van de drie brieven, die graaf de Marsy aan mevrouw de Lorentz zou geschreven hebben, omtrent vijf jaar geleden, even voor het huwelijk des keizers. Die dame bevond zich na den dood van haar man, een generaal van Spaansche afkomst, te Madrid, waar zij belangrijke zaken te regelen had. Hun liefdesbetrekking was toen nog zonder wolkje. De graaf had haar, om haar op te vroolijken, ietwat pikante bijzonderheden geschreven over zekere doorluchtige personen, in wier onmiddellijke omgeving hij zich bewoog. Men vertelde ook dat sedert dien tijd mevrouw de Lorentz, verschrikkelijk jaloersch van aard, die brieven bewaarde, die ze als het zwaard van Damocles boven zijn hoofd liet hangen.

--Ze heeft zich laten overtuigen, toen hij een Walachijsche prinses heeft moeten huwen, zei de senator ten slotte. Maar nadat zij hem een maand had toegestaan om volop de genoegens van zijn nieuwen echt te smaken, heeft zij hem meteen te kennen gegeven dat zij, als hij na verloop van dien termijn zich niet weer aan haar voeten kwam werpen, zij op een goeden morgen de drie verschrikkelijke brieven op het bureau van den keizer zou neerleggen; en hij heeft zijn keten weer opgenomen.... Hij overlaadt haar met lieve attenties om die verwenschte correspondentie weer in handen te krijgen.

Clorinde lachte hartelijk. Ze vond die historie allervermakelijkst. En zij deed vraag op vraag. Dus als de graaf mevrouw de Lorentz bedroog, zou zij in staat zijn haar bedreiging te vervullen? Waar had ze die drie brieven? In haar keurslijf, tusschen twee satijnen linten genaaid, naar zij had hooren beweren. Maar mijnheer Plouguern wist het niet. Niemand had de brieven gelezen. Hij kende een jongen man, die om er een kopie van te nemen, bijna een half jaar lang tevergeefs de nederige slaaf van mevrouw de Lorentz was geweest.

--Maar wat drommel, ging hij voort, hij wendt geen oog van je af, kleine. Dat is waar, ik had het heelemaal vergeten: je hebt hem veroverd!.... Is het waar dat hij op zijn laatste soirée bijna een uur met je gepraat heeft?

De jonge vrouw antwoordde niet. Zij luisterde niet meer, ze bleef onbewegelijk en trotsch onder den onafgewenden blik van mijnheer de Marsy. Daarop langzaam het hoofd opheffende, en hem op haar beurt aanziende, wachtte zij zijnen groet. Hij naderde haar en boog. En zij lachte hem heel vriendelijk toe. Er werd geen woord tusschen hen gewisseld. De graaf keerde naar het midden van de groep terug, waar mijnheer La Rouquette luid sprak, en hem bij ieder gezegde Excellentie noemde.

Langzamerhand was het intusschen vol geworden in de galerij. Er waren daar bijna honderd personen, hooge ambtenaren, generaals, vreemde diplomaten, vijf afgevaardigden, drie prefecten, twee schilders, een romanschrijver, twee leden der akademie, ongerekend de officieren van het hof, de kamerheeren, adjudanten en stalmeesters. Het bescheiden gemurmel der stemmen steeg bij het licht der kronen omhoog. De bekenden van het kasteel wandelden op en neer, terwijl de nieuwe gasten zich niet te midden der dames durfden wagen. Dat eerste uur van gegeneerdheid, tusschen personen waarvan verscheidene elkander niet kenden en die zich plotseling aan de deur van de keizerlijke eetzaal vereenigd vonden, gaf aan de gezichten een voorkomen van gemelijke waardigheid. Nu en dan ontstond er plotseling een stilte, hoofden keerden zich eenigszins onrustig om. En het ameublement stijle empire van de groote zaal, de consoles met haar rechte voetstukken, de vierkante fauteuils schenen nog de plechtigheid van het wachten te verhoogen.

--Daar is hij eindelijk! mompelde Clorinde.

Rougon was binnengetreden. Hij bleef een oogenblik vlak bij de deur stilstaan. Hij had weer zijn houding van goeden lobbes aangenomen, zijn rug wàs een weinig gebogen, zijn gezicht stond slaperig. Met een enkelen blik had hij de lichte beweging van afkeer opgemerkt, die zijn tegenwoordigheid in zekere groepjes teweeg bracht. Daarop wist hij, groetende en handen drukkend, zoo te manoeuvreeren, dat hij zich tegenover mijnheer de Marsy bevond. Zij groetten elkander, schenen verheugd elkander te ontmoeten. En de oogen vast op elkander gevestigd, als vijanden die eerbied hebben voor elkanders kracht, praatten zij vriendschappelijk. Rondom hen was het leeg geworden. De dames volgden hun minste gebaren; terwijl de mannen met een vertoon van bescheidenheid een anderen kant uitkeken, doch niet konden nalaten steelsche blikken op hen te werpen. In alle hoekjes werd gefluisterd. Wat was de geheime bedoeling van den keizer? Waarom bracht hij aldus die twee groote mannen in elkanders tegenwoordigheid? Mijnheer La Rouquette meende de lucht te hebben van een zeer ernstige gebeurtenis. Hij kwam mijnheer de Plouguern ondervragen, die hem spottend antwoordde:

--Wel, Rougon zal misschien Marsy laten duikelen, en men zal verstandig doen hem te ontzien.... Of de keizer moet het zonder eenige bijbedoeling gedaan hebben. Dat gebeurt hem wel eens meer.... Misschien heeft hij zich alleen het genoegen willen gunnen ze bij elkander te zien, in de hoop dat ze zich dwaas zouden aanstellen.

Maar het gefluister hield op, er ontstond een groote beweging. Twee officieren gingen van groep tot groep, en fluisterden enkele woorden. En de genoodigden, plotseling weer ernstig geworden, begaven zich naar de linkerdeur, waar zij zich in twee rijen opstelden, de heeren aan de eene en de dames aan de andere zijde. Bij de deur stond mijnheer de Marsy, die Rougon naast zich hield, daarop volgden de andere personen, naar hun graad of rang. Daar wachtte men nog drie minuten in een plechtige stilte.

De deurvleugels werden geopend. De keizer, in een zwarten rok, de borst gestreept met het lint van het grootkruis, trad het eerst naar binnen, gevolgd door den dienstdoenden kamerheer, mijnheer de Combelot. Hij glimlachte even toen hij voor de Marsy en Rougon stilhield; hij streek langzaam met zijn hand over zijn langen knevel, met een wiegelende beweging van zijn geheele lichaam. Daarop mompelde hij op verlegen toon:

--Zeg aan mevrouw Rougon, dat wij met leedwezen gehoord hebben dat zij ziek is.... Wij hadden haar gaarne hier met u gezien.... Enfin, 't zal niet van langen duur zijn, hopen wij. Er zijn veel menschen verkouden op het oogenblik.

En hij ging verder. Twee passen verder drukte hij de hand van een generaal, wien hij vroeg hoe zijn zoon het maakte, "de kleine Gaston" zooals hij hem noemde. Gaston was even oud als de keizerlijke prins, maar hij was veel sterker. De rijen bogen naarmate hij verder ging. Eindelijk, geheel aan het einde, stelde mijnheer de Combelot een der twee academieleden voor, die voor de eerste maal aan het hof verscheen; en de keizer sprak over het jongste werk van den schrijver, waarvan hij enkele gedeelten met het grootste genoegen gelezen had, zei hij.

Intusschen was de keizerin binnengetreden, vergezeld van mevrouw de Lorentz. Zij droeg een zeer eenvoudig kleed van blauwe zijde, met een tuniek van witte kant. Met kleine stapjes voortschrijdend, boog zij bevallig haar ontblooten hals, waarop een diamanten hart aan een eenvoudig blauw fluweel hing, terwijl zij glimlachend langs de rij der dames ging. Kniebuigingen bij haar doortocht deden de wijduitstaande japonnen, waaruit muskusgeuren omhoog stegen, ritselen. Mevrouw Lorentz stelde haar een jonge vrouw voor, die zeer ontroerd scheen. Mevrouw de Combelot wendde een hartelijke vertrouwelijkheid voor.

Toen de vorstelijke personen aan het einde der dubbele rij gekomen waren, kwamen zij op hun schreden terug, de keizer ditmaal langs de rij der dames, de keizerin langs die der heeren. Er volgden nieuwe voorstellingen. Niemand sprak nog, een eerbiedige verlegenheid deed de gasten zwijgend tegenover elkander staan. Maar de rijen werden verbroken; halfluide woorden werden gewisseld, heldere lachjes weerklonken, toen de adjudant-generaal van het paleis kwam zeggen dat het diner gereed was.