Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 13

Chapter 133,873 wordsPublic domain

--O, daar zal ik je geen verwijt van maken. We weten hoe het daarmee gaat.... Combelot is ook herkozen, La Rouquette ook.... Het keizerrijk is een prachtig ding!

Mijnheer d'Escorailles, die voortging de mooie mevrouw Bouchard af te koelen, wou tusschenbeide komen. Hij verdedigde het keizerrijk uit een ander oogpunt, hij had zich de partij van den keizer gekozen, omdat deze naar zijn meening een zending te vervullen had: het heil van Frankrijk bovenal.

--U hebt uw auditeursbaantje gehouden, nietwaar? hernam Du Poizat, de stem verheffend; nu, uw opinies zijn bekend.... Wat drommel, wat ik daar zei schijnt jelui ergernis op te wekken. 't Is toch heel eenvoudig.... Kahn en ik worden niet meer betaald om de oogen te sluiten, dat is alles!

Men werd boos. Dat was een afschuwelijke manier om de politiek te beschouwen. De politiek bestond toch niet enkel uit persoonlijke belangen. De kolonels zelfs en mijnheer Bouchard, ofschoon niet keizersgezind, erkenden dat men toch te goeder trouw bonapartist kon zijn, en zij spraken van hun eigen overtuigingen, met een verdubbelden gloed, alsof men ze hun met geweld wou ontrukken. Wat Delestang betreft, hij was zeer ontstemd; men had hem niet begrepen, en hij toonde aan in welke belangrijke punten hij van de blinde aanhangers van het keizerrijk afweek: dat bracht hem weer tot nieuwe uitleggingen over de manier, waarop de keizerlijke regeering zich in democratischen geest kon ontwikkelen. Mijnheer Béjuin nam er evenmin als mijnheer d'Escorailles genoegen mee dat men hem kortaf bonapartist noemde; beiden maakten een ontzettend groot onderscheid tusschen de verschillende schakeeringen en verschansten zich in bijzondere, moeielijk te definiëeren opinies, zoodat na verloop van tien minuten het geheele gezelschap tot de oppositie was overgegaan. De stemmen werden luider, er ontsponnen zich discussies tusschen enkele gasten, de woorden legitimisten, orleanisten, republikeinen vlogen tusschen de twintigmaal herhaalde geloofsbelijdenissen. Mevrouw Rougon vertoonde zich even met een ongerust gelaat op den drempel van een deur, daarop verdween ze weer zachtjes.

Rougon had eindelijk het kunststukje van de acht klavers volbracht. Clorinde boog zich tot hem over en vroeg te midden van het gedruis:

--Is het gelukt?

--Natuurlijk, antwoordde hij met zijn kalmen glimlach.

En alsof hij toen eerst opmerkzaam werd op het druk gepraat, stak hij de hand op en zei:

--Wat een leven maak jelui!

Ze zwegen, denkende dat hij wou spreken. Er ontstond een diepe stilte. Allen wachtten, vermoeid van het gebabbel. Rougon had met een streek van zijn duim dertien kaarten waaiervormig op de tafel uitgespreid. Hij telde en zei te midden van die plechtige stilte:

--Drie vrouwen, dat beteekent twist.... Een nieuwstijding in den avond.... Een bruine vrouw waarvoor men zich in acht moet nemen....

Maar Du Poizat viel hem ongeduldig in de rede:

--En gij, Rougon, hoe denkt gij er over?

De groote man wentelde zich om in zijn fauteuil, strekte zich lang uit en geeuwde even achter zijn hand. Hij hief de kin omhoog, alsof zijn hals hem pijn deed.

--O, ik, mompelde hij, de oogen naar het plafond gericht, ik ben een voorstander van het gezag, dat weet ge wel. Men wordt daarmee geboren; 't is geen opinie, 't is een behoefte. Jelui doet dwaas zoo te twisten. Zoodra er in Frankrijk vijf heeren in een salon bijeen zijn, zijn er vijf regeeringsvormen aanwezig. Dat verhindert niemand het erkende gezag te dienen. Is het zoo niet? 't Is om het gesprek levendig te houden.

Hij liet zijn kin weer zakken en wierp langzaam een blik in het rond.

--Marsy heeft de verkiezingen uitstekend geleid. Ge doet verkeerd om aanmerkingen op zijn circulaires te maken. De laatste vooral was handig.... Wat de pers betreft, die geniet al te veel vrijheid. Waar zou het heen moeten als de eerste de beste kon schrijven wat hij denkt? Ik zou trouwens evengoed als Marsy aan Kahn de machtiging om een krant op te richten geweigerd hebben. Het is altijd dwaas zijn tegenstanders een wapen in de hand te geven.... Regeeringen, die medelijden toonen, zijn verloren. Frankrijk heeft een krachtige hand noodig. Drukt men het de keel wat dicht, dan gaat het er niet slechter om.

Delestang wou protesteeren. Hij begon te zeggen:

--Toch is er zekere mate van vrijheid noodig.

Maar Clorinde legde hem het zwijgen op. Zij beaamde alles wat Rougon zei, met overdreven teekenen van instemming. Zij boog zich voorover opdat hij haar beter zien zou, onderworpen, overtuigd. Zijn blik was dan ook op haar gericht, toen hij uitriep:

--Ja, een zekere mate van vrijheid, ik dacht wel dat er zoo iets komen zou!.... Hoor eens, als de keizer mijn zin deed, zou hij nooit een enkele vrijheid toestaan.

En toen Delestang zich weer onrustig bewoog, werd hij op eens kalm, toen hij zag hoe zijn vrouw haar mooie wenkbrauwen boos samentrok.

--Nooit! herhaalde Rougon krachtig.

Hij was half opgerezen uit zijn fauteuil, met zoo'n geducht voorkomen, dat niemand een woord durfde spreken. Maar hij liet zich weer neervallen, slap als ontspannen, terwijl hij mompelde:

--Nu zou ik zelf ook gaan schreeuwen!.... Ik ben nu een vergeten burger. Ik hoef me over al die dingen niet meer druk te maken, en daar ben ik blij om. God geve dat de keizer me niet meer noodig heeft!

Op dit oogenblik werd de deur van het salon geopend. Rougon lei een vinger op den mond en zei heel zachtjes:

--Sst!

Mijnheer La Rouquette trad binnen. Rougon verdacht hem, dat hij uitgezonden was door zijn zuster, mevrouw de Lorentz, om af te luisteren wat er in zijn huis gezegd werd. Mijnheer de Marsy, ofschoon nauwelijks een halfjaar getrouwd, had zijn oude betrekkingen met die dame weer aangeknoopt, die hij bijna twee jaar lang als zijn maîtresse gehad had. Zoodra de jonge afgevaardigde het salon was binnengetreden, hielden de gesprekken over politiek dan ook op. Rougon ging zelf een groote kap halen, die hij op de lamp zette; en in den nauwen kring van geel licht zag men slechts de magere handen van den kolonel en van mijnheer Bouchard, die de kaarten regelmatig neerwierpen. Voor het venster verhaalde mevrouw Charbonnel halfluid haar zorgen aan mevrouw Correur, terwijl mijnheer Charbonnel iedere bijzonderheid met een diepen zucht bekrachtigde; ze waren nu al bijna twee jaar in Parijs, en hun verwenscht proces was nog niet geëindigd; den vorigen avond hadden zij zich nog pas genoodzaakt gezien ieder een half dozijn hemden te koopen, daar zij gehoord hadden dat de zaak weer uitgesteld was. Een beetje achteraf, bij een gordijn, scheen mevrouw Bouchard door de warmte ingedommeld te zijn. Mijnheer d'Escorailles was haar op komen zoeken. En op een oogenblik dat hij niet gezien werd, was hij zoo vrij haar een langen, innigen kus op haar half geopende lippen te drukken. Zij deed haar oogen wijd open, maar bewoog zich niet, zeer ernstig kijkend.

--Mijn hemel, zei mijnheer La Rouquette juist op dit oogenblik, ik ben niet naar de Variétés gegaan. Ik heb de generale repetitie van het stuk gezien. O, een uitbundig succes, een vroolijke muziek! Dat zal trekken.... Ik had werk dat af moest. Ik ben aan iets bezig.

Hij had den heeren de hand gedrukt en heel galant een kus op Clorinde's pols, boven den handschoen gedrukt. Hij stond tegen den rug van een fauteuil geleund, glimlachend en onberispelijk gekleed. Uit de manier waarop zijn jas was dichtgeknoopt, bleek echter een pretentie op hoogen ernst.

--A propos, hernam hij, zich tot den gastheer wendend, ik kan u een document voor uw groot werk aanbevelen, een studie over de Engelsche constitutie, heel merkwaardig op mijn woord, onlangs in de Revue de Vienne verschenen.... En vordert het werk nog al?

--O, heel langzaam, antwoordde Rougon. Ik ben juist aan een heel lastig hoofdstuk.

Gewoonlijk vond hij het pikant den jongen afgevaardigde te laten praten. Door hem kwam hij op de hoogte van alles wat er op de Tuileriën gebeurde. Overtuigd dat men hem uitgestuurd had om zijn opinie omtrent den triomf van de officiëele candidaten te vernemen, wist hij, zonder zelf iets noemenswaards los te laten, een menigte inlichtingen van hem te krijgen. Hij begon met hem geluk te wenschen met zijn herkiezing. Daarop onderhield hij het gesprek met enkele hoofdknikjes. De ander, die erg in zijn schik was dat hij aan het woord was, hield zoo gauw niet op. Men was heel blij aan het hof. De keizer had den uitslag van de verkiezingen in Plombières gehoord; men vertelde dat hij bij de ontvangst van het telegram van aandoening niet meer op zijn beenen kon staan, zoodat hij moest gaan zitten.... Toch werd de vreugde over die overwinning door een groote ongerustheid verstoord: Parijs had met een monsterachtige ondankbaarheid gestemd.

--Bah, dan snoert men Parijs den mond, mompelde Rougon, die een hernieuwd gegeeuw onderdrukte, alsof het hem verveelde niets belangwekkends in den woordenvloed van mijnheer La Rouquette te vinden.

Daar sloeg het tien uur. Mevrouw Rougon, een tafeltje naar het midden van het vertrek schuivende, schonk thee in. Dat was het oogenblik waarop de groepjes zich in verschillende hoeken afzonderden. Mijnheer Kahn stond met een kopje in de hand voor Delestang, die nooit thee gebruikte omdat hij er zenuwachtig door werd, vertelde weer nieuwe bijzonderheden over zijn reis naar de Vendée; zijn groote zaak, de concessie van een spoorweg van Niort naar Angers verkeerde nog in hetzelfde stadium; die schurk van een Langlade, de prefect van Deux-Sèvres, had van zijn plan als verkiezingsmanoeuvre weten gebruik te maken ten gunste van den nieuwen officiëelen candidaat. Mijnheer La Rouquette, achter de dames omgaande, fluisterde haar woordjes in het oor, die haar deden glimlachen. Achter een verschansing van fauteuils zat mevrouw Correur druk met Du Poizat te praten; zij vroeg hem naar haar broer Martineau, den notaris uit Coulonges, en Du Poizat zei dat hij hem een oogenblik vóór de kerk gezien had, hij was nog altijd dezelfde, met zijn koel, deftig voorkomen. En toen zij al haar oude grieven weer ophaalde, ried hij haar nooit weer een voet daar te zetten, want mevrouw Martineau had gezworen haar de deur te wijzen. Mevrouw Correur dronk haar thee uit, rood van kwaadheid.

--Kom, kinderen, het is bedtijd, zei Rougon op vaderlijken toon.

Het was vijf minuten voor half elf, en hij stond nog vijf minuten toe. Enkele gasten gingen heen. Hij vergezelde de heeren Kahn en Béjuin, die van mevrouw Rougon de complimenten voor hun vrouwen meekregen, ofschoon zij die dames op zijn hoogst twee maal per jaar zag. Hij drong de Charbonnels, die altijd wat verlegen waren om heen te gaan, zachtjes naar de deur. Toen de mooie mevrouw Bouchard tusschen mijnheer d'Escorailles en mijnheer La Rouquette heengegaan was, keerde hij zich naar de speeltafel en riep:

--Zeg eens, mijnheer Bouchard, daar nemen zij uw vrouw mee!

Maar de chef de bureau hoorde niets, hij was juist aan het roemen.

--Een vijfde van klaveren, die is goed, hè? Drie heeren, die zijn ook goed....

Rougon nam hem de kaarten uit de handen.

--'t Is nu genoeg, zei hij. Schaamt ge u niet, zoo hartstochtelijk te spelen!... Komaan, kolonel, wees verstandig.

Zoo ging het iederen Donderdag en Zondag. Hij moest midden in een partijtje tusschenbeide komen, of soms wel de lamp uitdraaien, om ze te noodzaken met spelen op te houden. En zij gingen woedend heen, nog twistend met elkander. Delestang en Clorinde bleven het laatst. Terwijl haar man overal naar haar waaier zocht, zei zij zachtjes tot Rougon:

--U zou er goed aan doen een beetje beweging te nemen, u zult nog ziek worden.

Hij maakte een gebaar van onverschilligheid en tevens van berusting. Mevrouw Rougon ruimde de kopjes en de lepeltjes al op. En toen de Delestangs hem de hand drukten, geeuwde hij ongedwongen. En uit beleefdheid zei hij:

--Sapperloot, ik geloof dat ik van nacht heerlijk slapen zal!

Zoo gingen de bezoekavonden altijd voorbij. Het was erg saai in Rougon's salon, beweerde Du Poizat, die zelfs vond dat er nu een "devoot luchtje" was. Clorinde toonde zich aanhankelijk. Dikwijls kwam zij heel alleen in den namiddag in de rue Marbeuf, met de een of andere boodschap. Zij zei schertsend tot mevrouw Rougon, dat zij haar man het hof kwam maken, en deze, glimlachend met haar bleeke lippen, liet hen uren achtereen tezamen. Zij praatten heel vriendschappelijk, alsof zij niet meer dachten aan hetgeen er gebeurd was; ze gaven elkander de hand als goede kameraden, in dezelfde kamer waar hij het vorige jaar van begeerte voor haar stond te trappelen. Ze gingen nu heel bedaard en vertrouwelijk met elkander om. Hij streek de verwaaide haartjes glad over haar voorhoofd, of hielp haar om den overdreven langen sleep van haar japon tusschen de fauteuils terug te vinden. Eens, toen zij den tuin doorgingen, dreef de nieuwsgierigheid haar aan de staldeur te openen. Zij trad binnen, hem met een zacht lachje aanziende. Hij stond er met de handen in de zakken bij, en zelf ook glimlachend, mompelde hij:

--Wat doet men soms dwaas, hè?

Bij ieder bezoek gaf hij haar goeden raad. Hij kwam voornamelijk op voor Delestang, die toch alles wel beschouwd, zoo'n goed echtgenoot was. Zij antwoordde dat zij hem hoogachtte; volgens haar had hij nog geen enkele reden tot klagen. Ze zei dat ze heelemaal niet koket was, en dat was waar. Uit al haar woorden straalde een groote onverschilligheid, bijna een minachting voor de mannen door. Wanneer er sprake was van een vrouw, die er verscheidene minnaars op nahield, zette zij groote, onschuldige oogen op en vroeg zij: "Vindt ze dat dan prettig?" Zij vergat haar schoonheid weken achtereen, dacht er slechts aan als de nood haar drong, en dan maakte zij er een verschrikkelijk wapen van. Toen Rougon dan ook met een zonderling aanhouden op dat onderwerp terugkwam, en haar aanried Delestang getrouw te blijven, werd ze eindelijk boos en riep:

--Laat me toch met rust! Ik denk daar wel aan.... Ge wordt beleedigend!

Eens antwoordde zij hem vierkantweg:

--Nu, als het er eens van kwam, wat zou u dat kunnen schelen?... U verliest er immers niets bij!

Hij kreeg een kleur en liet geruimen tijd na haar over haar plichten, de wereld, de betamelijkheid te onderhouden. Die voortdurende prikkel van jaloerschheid was al wat er van zijn ouden hartstocht in hem overbleef. Hij ging zelfs zoo ver, haar in de salons waarheen zij zich begaf, te laten nagaan. Indien hij de minste intrige bespeurd had, zou hij misschien in staat geweest zijn den echtgenoot te waarschuwen. Trouwens, wanneer hij hem alleen sprak, waarschuwde hij hem op zijn hoede te zijn, sprak hij hem over de buitengewone schoonheid van zijn vrouw. Maar Delestang lachte met een gezicht vol vertrouwen en eigenwaan; zoodat in dat huishouden Rougon degeen was, die alle kwellingen van een bedrogen echtgenoot had. Zijn andere raadgevingen, die zeer praktisch waren, toonden zijn groote vriendschap voor Clorinde. Hij bracht haar zachtjes aan op het denkbeeld om haar moeder naar Italië te zenden. De gravin Balbi, alleen achtergebleven in het kleine hôtel van de Champs-Elysées, leidde er een vreemd, zorgeloos leven, waarover veel gepraat werd. Hij belastte zich met de kiesche aangelegenheid om met haar voor de regeling van eene jaarlijksche toelage te zorgen. Het hôtel werd verkocht, het verleden van de jonge vrouw was als het ware weggewischt. Toen nam hij op zich haar van haar excentrieke gewoonten te genezen; maar daarbij stuitte hij op de stijfhoofdigheid van een stompzinnige vrouw. Clorinde, rijk getrouwd, leefde in een ongeloofelijke geldverspilling, met plotselinge buien van schandelijke gierigheid. Zij had haar kleine donkere meid Antonia, die van den ochtend tot den avond sinaasappelen uitzoog, bij zich gehouden. Met haar beiden maakten zij mevrouws vertrekken, een heelen hoek van het groote hôtel in de rue du Colisé, afschuwelijk vuil. Wanneer Rougon haar ging bezoeken, vond hij vuile borden op de fauteuils, stroopkannen op den grond, langs de muren. Hij raadde onder de meubelen een opeenhooping van onzindelijke dingen, die daar haastig ondergestopt waren, als zijn bezoek aangekondigd werd. En te midden dier vettige behangsels en der lambrizeeringen grijs van stof, had zij soms de allerzonderlingste invallen. Dikwijls ontving zij hem half ontkleed, in een deken gewikkeld, op een sofa liggend, terwijl zij klaagde over onbekende kwalen, over een hond die aan haar voeten knaagde, of een speld die zij bij ongeluk had ingeslikt en waarvan de punt uit haar linkerdij te voorschijn moest komen. Dan weer sloot zij de zonneblinden om drie uur, stak alle kaarsen aan en ging dan met haar meid staan dansen, tegenover elkander, zoo hard lachende, dat de meid als hij binnen kwam, vijf minuten tegen de deur stond te hijgen, voordat zij de kamer verlaten kon. Eens wou zij zich niet vertoonen; ze had haar bedgordijnen van onder tot boven aan elkander vastgenaaid, en zat op het peluw langer dan een uur in die kooi met hem te praten, alsof zij ieder aan een hoekje van den haard zaten. Dat alles vond zij heel natuurlijk. Wanneer hij haar beknorde, was zij verbaasd, zei ze dat ze geen kwaad deed. En als hij haar op de gebruikelijke vormen wees, haar in een maand de verleidelijkste vrouw van Parijs beloofde te maken, werd zij driftig en herhaalde:

--Ik ben nu eenmaal zoo, dat is mijn manier van leven.... Wat gaat dat in 's hemelsnaam een ander aan?

Soms begon zij te glimlachen.

--Men houdt toch van me, hoor! mompelde zij.

En inderdaad, Delestang aanbad haar. Zij bleef zijn meesteres, te machtiger naarmate zij minder zijn vrouw was. Hij sloot de oogen voor haar grillen, uit angst dat zij hem alleen zou laten zitten, zooals zij hem eens gedreigd had. Misschien voelde hij ook in zijn onderworpenheid dat zij zijn meerdere was, sterk genoeg om met hem te doen wat zij wilde. In gezelschappen behandelde hij haar als een kind, sprak hij van haar met de toegevende liefde van een ernstig man. Maar thuis huilde die groote, knappe man met zijn fraaien kop, als zij 's nachts weigerde de deur van haar kamer voor hem open te doen. Hij nam alleen de sleutels van de kamers der eerste verdieping weg, om zijn groot salon voor vetvlekken te vrijwaren. Rougon wist toch van Clorinde te verkrijgen dat zij zich ongeveer begon te kleeden als iedereen. Ze was overigens heel slim, de slimheid van sommige gekken, die zich tegenover vreemden verstandig voordoen. Hij ontmoette haar in sommige gezelschappen, waar zij zich op den achtergrond hield, terwijl zij haar man op den voorgrond liet treden, zich heel passend gedragende te midden van de bewondering, door haar groote schoonheid opgewekt. In haar huis ontmoette hij dikwijls mijnheer de Plouguern; en zij zat schertsend tusschen hen in, onder den stortvloed van hun zedepreeken, terwijl de oude senator haar tot groote ergernis van Rougon vertrouwelijk op de wangen tikte, maar hij durfde nooit voor die ergernis openlijk uitkomen. Minder beschroomd was hij ten opzichte van Luigi Pozzo, den secretaris van ridder Rusconi. Hij had hem meer dan eens op vreemde tijden uit haar vertrekken zien komen. Toen hij de jonge vrouw voor oogen hield hoe haar goede naam daaronder lijden kon, hief ze haar mooie oogen verbaasd naar hem op; daarop schaterde ze het uit van lachen. Zij gaf wat om de publieke opinie! In Italië ontvingen de vrouwen de mannen, die haar aanstonden, niemand dacht aan iets leelijks. Overigens telde Luigi niet; hij was haar neef; hij bracht haar Milaneesche gebakjes, die hij in de passage Colbert kocht.

Maar de politiek bleef Clorinde's belangstelling het meest wekken. Sedert zij met Delestang getrouwd was, gebruikte zij al haar vernuft voor geheimzinnige ingewikkelde zaken, waarvan niemand de belangrijkheid goed inzag. Zij bevredigde daarmee haar behoefte aan intrige, die zij zoolang voldaan had in haar verleidings-campagnes tegen de mannen, die een groote toekomst hadden; door het spannen van die huwelijksstrikken scheen zij zich tot een ruimen werkkring voorbereid te hebben. In den laatsten tijd hield zij geregeld briefwisseling met haar moeder te Turijn. Zij ging bijna iederen dag naar de Italiaansche legatie, waar ridder Rusconi fluisterende gesprekken met haar voerde. Dan waren het weer onbegrijpelijke tochten naar de vier hoeken van Parijs, bezoeken in alle stilte afgelegd bij hooggeplaatste personen, bijeenkomsten in afgelegen stadsgedeelten. Alle Venetiaansche uitgewekenen, een Brambillo, een Staderino, een Viscardi zagen haar in het geheim, overhandigden haar stukjes papier vol aanteekeningen. Ze had een rood marokijnen portefeuille met stalen slot gekocht, een minister waardig, waarin zij een menigte dossiers borg. In het rijtuig hield zij die op haar schoot, als een mof; overal waar zij heen ging, droeg ze die mee onder haar arm; in de vroege morgenuren ontmoette men haar zelfs te voet, de portefeuille met haar verstijfde handen tegen haar borst drukkend. Zij begon er weldra versleten uit te zien, gebarsten aan de naden. Toen bond zij er een riempje over. En in haar opzichtige sleepjaponnen, steeds beladen met dien onoogelijken leeren zak waaruit de bundels papieren uitpuilden, geleek zij op een advokaat van kwade zaken, die de rechtbanken afliep om een rijksdaalder te verdienen.

Verscheidene malen had Rougon getracht achter de groote zaken van Clorinde te komen. Eens, toen hij een oogenblik met de bewuste portefeuille alleen was, had hij niet geschroomd de brieven, die er met een tipje uit staken, naar zich toe te trekken. Maar wat hij daaruit wijs kon worden leek hem zoo onsamenhangend, zoo vol leemten toe, dat hij onwillekeurig glimlachte om de politieke pretenties van de jonge vrouw. Op een namiddag legde zij hem met een kalm uiterlijk een uitgebreid plan uit: ze hield zich bezig met het tot stand komen van een verbond tusschen Italië en Frankrijk, met het oog op een aanstaande campagne tegen Oostenrijk. Rougon, een oogenblik verbaasd, haalde ten slotte de schouders op voor al die dwaze dingen, waarmee haar plan gepaard ging. In zijn oog beteekende dat alles niets dan een nieuwe originaliteit, ditmaal van beteren smaak. Hij bleef liever bij zijn gevestigde opinie over de vrouwen. Clorinde speelde trouwens gaarne de rol van leerling. Wanneer zij hem in de rue Marbeuf kwam opzoeken, deed zij zich heel onderdanig en gedwee voor, deed hem allerlei vragen, en hoorde hem aan met den ijver van een bekeerling, die zich gaarne laat onderrichten. En hij vergat dikwijls tot wie hij sprak, hij legde haar zijn regeeringssysteem bloot, en deed dikwijls de openlijkste bekentenissen. Gaandeweg werden die gesprekken een gewoonte, hij beschouwde haar als zijn vertrouweling, stelde zich bij haar schadeloos voor het stilzwijgen dat hij tegenover zijn beste vrienden in acht nam, behandelde haar als een bescheiden leerling, wier eerbiedige bewondering hem streelde.

Gedurende de maanden Augustus en September werden Clorinde's bezoeken talrijker. Zij kwam nu zelfs drie of vier keeren per week. Nooit had zij zich zoo'n lieve leerling getoond. Zij vleide Rougon, stond verrukt over zijn genie, vond het jammer dat hij zijn licht onder een korenmaat geplaatst had. Eens, in een oogenblik van helderziendheid vroeg hij haar lachend:

--Ge hebt me dus erg noodig?

--Ja, antwoordde zij vrijmoedig.

Maar zij haastte zich haar voorkomen van opgetogen bewondering aan te nemen. De politiek gaf haar meer genoegen dan een roman, zei ze. En als hij zich even omkeerde, schitterde er iets als een oude wrok in haar oogen. Dikwijls liet zij haar handen in de zijne, alsof zij zich nog te zwak voelde; en met trillende polsen scheen zij te wachten, totdat zij hem kracht genoeg ontnomen had om hem te verwurgen.