Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 12

Chapter 123,902 wordsPublic domain

--Wat zal ik u zeggen, ik heb hem wel honderd maal gewaarschuwd.... Hij moest er den een of anderen dag inloopen.

Tegen het einde van den winter, toen Delestang en zijn vrouw van een reis naar Italië terugkeerden, vernamen zij dat Rougon op het punt stond juffrouw Beulin-d'Orchère te huwen. Toen zij hem kwamen opzoeken, feliciteerde Clorinde hem met een ongeveinsde hartelijkheid. Hij zette een goedig gezicht en zei dat hij het voor zijn vrienden deed. Al drie maanden lang hadden zij hem niet met rust gelaten; zij beweerden dat een man in zijn positie getrouwd moest zijn. En lachend voegde hij er bij dat er 's avonds, als hij zijn intieme kennissen ontving, niet eens een vrouw was om thee te schenken.

--Dus is dat zoo plotseling opgekomen, zei Clorinde glimlachend. U had gelijk met ons moeten trouwen, dan waren wij gezamenlijk naar Italië gegaan.

En op schertsenden toon begon ze hem te ondervragen. 't Was zeker zijn vriend Du Poizat die op dat mooie idee gekomen was? Hij verzekerde van neen, hij vertelde zelfs dat Du Poizat erg tegen dat huwelijk was; de vroegere onder-prefect had een hekel aan mijnheer Beulin-d'Orchère. Maar alle anderen, mijnheer Kahn, mijnheer Béjuin, mevrouw Correur, zelfs de Charbonnels, waren niet uitgepraat over de verdiensten van juffrouw Véronique; als men hen gelooven mocht, zou zij in zijn huis allerlei deugden en behoorlijkheden brengen. Hij maakte er zich met een grapje af.

--Enfin, 't is iemand die voor mij als geknipt is. Ik kon haar niet weigeren.

En met een listig lachje voegde hij er bij:

--Wanneer wij tegen den herfst oorlog krijgen, moeten we wel voor bondgenooten gaan zorgen.

Clorinde vond dat hij groot gelijk had. Ze hield ook een lofrede op juffrouw Beulin-d'Orchère, ofschoon zij haar maar eens gezien had. Delestang, die tot dusver zwijgend had meegeknikt, zonder de oogen van zijn vrouw af te wenden, weidde nu ook vol geestdrift over het huwelijksleven uit. Hij zou juist een schildering van zijn geluk geven toen zij opstond, en hem herinnerde aan een bezoek dat zij nog moesten afleggen. En terwijl zij haar man vooruit liet gaan, zei ze fluisterend tot Rougon, die hen uitgeleide deed:

--Zei ik u niet dat ge binnen het jaar getrouwd zou zijn?

V.

De zomer kwam. Rougon leidde een zeer rustig leven. Mevrouw Rougon had in drie maanden tijds het huis in de rue Marbeuf, dat vroeger aan een avonturiersleven deed denken, in een deftige woning herschapen. Nu getuigden de wel wat ongezellige, maar zindelijk onderhouden kamers van een fatsoenlijk bestaan; de ordelijk gerangschikte meubels, de gordijnen die slechts een streepje van het daglicht doorlieten, de tapijten die het geluid der voetstappen smoorden, zij brachten daar een bijna kloosterachtige stijfheid; het scheen zelfs alsof al die zaken daar antiek waren, alsof men in een woning kwam, geheel doordrongen van een aartsvaderlijken geur. Die groote leelijke vrouw, die een onafgebroken toezicht hield, voegde bij die plechtige stilte het zachte geluid van haar stillen tred, en zij bestierde de huishouding met een zoo gemakkelijke hand, dat het scheen alsof zij in dat huis oud geworden was in een twintig jarig huwelijksleven.

Rougon glimlachte, wanneer men hem gelukwenschte. Hij bleef bij zijn bewering dat hij getrouwd was op den raad en volgens de keuze van zijn vrienden. Zijn vrouw bracht hem in verrukking. Reeds lang had hij naar een kalm huiselijk leven verlangd, dat als een materieel bewijs van zijn deugdzaamheid kon gelden. Dat onttrok hem geheel aan zijn verdacht verleden, verzekerde hem een plaats onder de achtenswaardige lieden. Zijn kleinsteedsche begrippen van netheid waren hem nog altijd bijgebleven; als zijn ideaal golden zekere salons van de welgestelde burgers uit Plassans, waar de fauteuils het geheele jaar door met wit linnen hoezen overtrokken bleven. Wanneer hij bij Delestang kwam, waar Clorinde bij vlagen een buitensporige weelde ten toon spreidde, gaf hij daarover door een licht schouderophalen zijn minachting te kennen.

Niets vond hij belachelijker dan zijn geld noodeloos te verspillen; niet dat hij gierig was, maar hij placht te zeggen dat hij genietingen kende, die verkieselijk waren boven alles wat men voor geld koopen kon. Hij had zijn vrouw dan ook met de zorg voor hun fortuin belast. Tot dusver had hij nooit rekening gehouden. Van toen af beheerde zij hun fortuin met dezelfde nauwlettende zorg, waarmee zij haar huishouden bestierde.

In de eerste maanden zonderde Rougon zich af, als om zich voor te bereiden voor den strijd, dien hij hoopte te voeren. Hij had de macht uitsluitend lief om de macht zelve, afgescheiden van begeerten naar rijkdom en ijdele eerbewijzen. Zeer onwetend, zeer middelmatig in alle zaken die vreemd waren aan den omgang met menschen, werd hij alleen groot door zijn heerschzucht. Daartoe spande hij gaarne alle krachten in. Zich boven de menigte te verheffen, die volgens hem slechts uit domooren en schurken bestond, de lieden met den knuppel regeeren, dat ontwikkelde in zijn lichaam een behendigen, energieken geest. Hij had alleen vertrouwen in zichzelf, zijn overtuiging gold bij hem voor een argument, hij maakte alles dienstbaar aan de uitbreiding van zijn persoonlijken invloed. Het eenige onmatige genot, waarin hij zwelgde, was zijn almacht. Terwijl hij van zijn vader de breede, vierkante schouders, het deegachtige van het gezicht bezat, had hij van zijn moeder, die verschrikkelijke Félicité die Plassans beheerschte, een wilskracht, een zucht naar macht, die de kleine middelen en de kleine genoegens versmaadde; hij was voorzeker de grootste onder de Rougons.

Toen hij na een veeljarig werkzaam leven zich eensklaps alleen en zonder bezigheden bevond, kreeg hij eerst een heerlijk gevoel van slaap. Sedert de inspannende dagen van 1851 kwam het hem voor alsof hij niet meer geslapen had. Hij aanvaardde zijn ongenade als een verlof, na langdurigen dienst verdiend. Hij nam zich voor een half jaar in afzondering door te brengen, lang genoeg om een beter terrein te kiezen, en dan weer naar verkiezing aan den strijd deel te nemen. Maar na enkele weken was hij zijn rust al moede. Nooit was hij zich zoo duidelijk bewust geweest van zijn kracht; nu hij ze niet meer gebruikte, hinderden zijn hoofd en zijn ledematen hem; en hij bracht zijn dagen door in zijn tuintje, geeuwend op en neer wandelend, als een van die gevangen leeuwen, die hun verstijfde leden krachtig uitstrekken. Toen begon voor hem een hatelijk bestaan, waarvan hij de doodelijke verveling zorgvuldig verborgen hield: hij beweerde goedmoedig dat hij blij was "dien rommel" uit te zijn, maar somtijds openden zijn zware oogleden zich halverwege, ten einde de gebeurtenissen te bespieden, om dadelijk weer over zijn schitterend oog neer te vallen, zoodra men hem aankeek. Wat hem nog staande hield, was de impopulariteit waarin hij zich bewoog. Zijn val had een aantal lieden met vreugde vervuld. Er ging geen dag voorbij, of hij werd in een der bladen aangevallen; hij was de verpersoonlijking van den Staatsgreep, van de verbanningen, van al die gewelddadigheden, waarover men zich bedektelijk uitliet; men ging zelfs zoo ver dat men den Keizer gelukwenschte, dat hij zich ontdaan had van een dienaar die hem compromitteerde. Aan het hof was de vijandige gezindheid nog grooter. Marsy gebruikte hem als mikpunt voor zijn kwinkslagen, die de dames in de salons rond vertelden. Die haat verkwikte hem, versterkte hem in zijn verachting voor het menschelijke gedierte. Men vergat hem niet, men verfoeide hem, en dat deed hem goed. Hij alleen tegen allen, dat was zijn geliefkoosde droom; hij alleen, met een zweep, de monden snoerend. Hij geraakte in opgewondenheid door de beleedigingen, hij werd grooter, in den hoogmoed van zijn eenzaamheid.

Intusschen drukte de ledigheid verschrikkelijk op zijn worstelaarsspieren. Als hij gedurfd had, zou hij een spade ter hand genomen hebben om een hoekje van zijn tuin om te spitten. Hij ondernam een groot werk, een vergelijkende studie over de Engelsche constitutie en de keizerlijke van 1852; terwijl hij rekening hield met de geschiedenis en de politieke zeden der beide volkeren, trachtte hij te bewijzen dat de vrijheid in Frankrijk even groot was als in Engeland. Toen hij alle documenten bijeen had en het dossier compleet was, kostte het hem een groote inspanning om de pen op te nemen; hij zou met genoegen een rede over die zaak in de Kamer gehouden hebben; maar het opstellen en het schrijven van een geheel werk, met al de moeielijkheden aan de juiste zinskeuze verbonden, scheen hem een verbazend lastig werk, zonder onmiddellijk nut. De stijl was altijd een groot bezwaar bij hem geweest; hij koesterde er dan ook een diepe minachting voor. Hij kwam niet verder dan de tiende bladzijde. Het aangevangen handschrift was iederen dag op zijn schrijftafel te vinden, ofschoon hij er geen twintig regels in een week bij schreef. Iederen keer als men hem naar zijn bezigheden vroeg, antwoordde hij met een breedvoerige omschrijving van zijn denkbeeld, terwijl hij hoog opgaf van het omvangrijke van zijn arbeid. Dat was de verontschuldiging waarachter hij de afschuwelijke ledigheid van zijn bestaan verborg.

De maanden verliepen, hij glimlachte nog goediger en onbekommerder. Geen enkele maal verried zich de wanhoop, die hij onderdrukte, op zijn gelaat. Hij beantwoordde de klaagredenen van zijn vrienden met redeneeringen, die aan zijn volmaakt geluk deden gelooven. Was hij niet gelukkig? Hij dweepte met de studie, hij werkte naar zijn eigen zin, dat was vrij wat aangenamer dan de koortsachtige opwinding van de openbare zaken. Als de keizer hem toch niet noodig had, deed hij er wel aan hem stil in zijn hoekje te laten; en hij noemde den naam van den keizer met de grootste toewijding. Dikwijls echter verklaarde hij dat hij gereed was, eenvoudig op een teeken van zijn meester wachtte om de "lasten van het gezag" weer op zich te nemen; maar hij voegde er bij dat hij geen stap tot toenadering zou doen. Inderdaad scheen hij zich met opzettelijke zorg op den achtergrond te houden. In de stilte van de eerste jaren van het keizerrijk, te midden van die zonderlinge verdooving door ontzetting en vermoeidheid ontstaan, hoorde hij een zacht ontwaken. En zijn uiterste hoop was op de een of andere katastrophe gevestigd, die hem plotseling onmisbaar zou maken. Hij was de man van de ernstige tijdsomstandigheden, "de man met de grove handen", zooals mijnheer de Marsy hem noemde.

Des Zondags en des Donderdags stond het huis in de rue Marbeuf voor de intieme kennissen open. Men kwam tot half elf in het groote roode salon praten, daarna wees Rougon hen onverbiddelijk de deur; hij zei dat het late opblijven de hersenen afstompte. Precies om tien uur kwam mevrouw Rougon zelf de thee ronddienen, als een zorgzame huisvrouw die op de geringste bezigheden acht geeft. Er waren slechts twee schalen met gebakjes, die door niemand gebruikt werden.

Op den Donderdag in de maand Juli, die dat jaar op de groote verkiezingen volgde, was het geheele gezelschap om acht uur in het groote salon voltallig. De dames, mevrouw Bouchard, mevrouw Charbonnel, mevrouw Correur, aan het open venster gezeten om het beetje frissche lucht in te ademen dat uit het tuintje tot hen kwam, vormden een kring, waarbinnen mijnheer d'Escorailles vertelde, welke streken hij tijdens zijn verblijf in Plassans uithaalde, als hij twaalf uren in Monaco ging doorbrengen, onder voorwendsel van een jachtpartij bij een vriend. Mevrouw Rougon, in een zwarte japon, half verborgen achter een gordijn, luisterde niet, stond zachtjes op, verdween soms kwartieren achtereen.

Bij de dames zat ook de heer Charbonnel, die zich niet kon begrijpen hoe een net jongmensch zich niet schaamde voor dergelijke avonturen uit te komen. Achter in de kamer stond Clorinde, verstrooid luisterend naar een gesprek over den oogst, tusschen haar man en mijnheer Béjuin. Zij droeg een japon met stroogele strikken gegarneerd, en tikte met haar waaier op de palm van haar linkerhand, terwijl zij naar den schitterenden ballon keek van de eenige lamp die het salon verlichtte. Aan een speeltafeltje zaten de kolonel en mijnheer Bouchard kaart te spelen; terwijl Rougon, op een hoekje van het groene laken, kaartlegde, ernstig en stelselmatig de kaarten opnemende, zonder einde. Dat was zijn geliefkoosde bezigheid, 's Zondags en Donderdags, waarbij zijn vingers en zijn geest afleiding vonden.

--Wel, komt het goed uit? vroeg Clorinde, die glimlachend naderbij trad.

--Wel, het komt altijd goed uit, antwoordde hij kalm.

Zij stond voor hem, aan de andere zijde van het tafeltje, terwijl hij het spel in acht hoopjes legde.

Toen hij alle kaarten, twee aan twee, had afgenomen, hernam zij:

--Ge hebt gelijk, het komt goed uit.... Waaraan hadt je gedacht?

Maar hij hief langzaam de oogen op, als verwonderd over die vraag.

--Aan het weer dat we morgen zullen hebben, zei hij eindelijk.

En hij begon de kaarten weer uit te leggen. Delestang en mijnheer Béjuin spraken niet meer. De heldere lach van de mooie mevrouw Bouchard klonk alleen door het salon. Clorinde begaf zich naar een venster en bleef daar een oogenblik kijken naar de invallende duisternis. Toen, zonder zich om te keeren, vroeg zij:

--Is er nieuws van dien armen mijnheer Kahn?

--Ik heb een brief gekregen, antwoordde Rougon. Ik verwacht hem vanavond.

Toen kwam het ongeval van mijnheer Kahn ter sprake. Hij had in de laatste zitting de onvoorzichtigheid begaan, een tamelijk scherpe kritiek uit te spreken over een wetsvoorstel van de regeering; door dat wetsvoorstel, dat in een naburig departement een geduchte concurrentie in het leven zou roepen, werden de hoogovens van Bressuire met den ondergang bedreigd. Terwijl hij bij zichzelf overtuigd was, dat hij de grenzen der wettige zelfverdediging niet overschreden had, had hij bij zijn terugkeer naar Deux-Sèvres, waar hij voor zijn verkiezing ging zorgen, uit den mond van den prefect zelven vernomen, dat hij de officiëele kandidaat niet meer was; hij was niet langer gewild, de minister had een procureur uit Niort aangewezen, een zeer middelmatig man. Dat was een donderslag.

Rougon vertelde juist de bijzonderheden toen mijnheer Kahn binnentrad, gevolgd door mijnheer Du Poizat. Beiden waren met den trein van zeven uur gekomen en hadden zich juist den tijd gegund om te eten.

--Nu, wat zegt gij er van? zei mijnheer Kahn, terwijl men zich om hem heen verdrong. Nu ben ik een revolutionnair.

Du Poizat had zich met een afgemat gezicht in een fauteuil laten vallen.

--Een mooie boel, riep hij. 't Is om alle fatsoenlijke lui te doen walgen.

Maar mijnheer Kahn moest de zaak uitvoerig vertellen. Toen hij daarginds was aangekomen, zei hij, had hij al bij zijn eerste bezoeken een zekere verlegenheid bij zijn vrienden ontdekt. Wat den prefect, mijnheer de Langlade aangaat, dat was een losbandig mensch, dien hij beschuldigde op zeer intiemen voet met de vrouw van den nieuwen afgevaardigde uit Niort te staan. Maar toch moest hij zeggen dat die Langlade hem op een alleraardigste manier zijn ongenade had meegedeeld; 't was onder het rooken van een sigaar na een ontbijt op de prefectuur. En hij vertelde het heele gesprek haarfijn over. Het ergste van het geval was dat zijn aanplakbiljetten en zijn aanbevelingen al gedrukt werden. In het eerst was hij zoo woedend geweest, dat hij zich toch candidaat had willen stellen.

--O, als je ons niet geschreven had, zei Du Poizat tot Rougon, zouden we de regeering een aardig lesje gegeven hebben!

Rougon haalde de schouders op. Achteloos klonk het, terwijl hij zijn kaarten schudde:

--Ge zoudt toch niet geslaagd zijn, en bovendien zoudt ge u voor altijd gecompromitteerd hebben. Daar zoudt ge mee opschieten!

--Ik begrijp niet wat voor mensch je bent! riep Du Poizat met woedende gebaren opspringende. Ik verklaar dat die Marsy mijn bloed aan het koken begint te brengen. Natuurlijk heeft hij jou willen treffen in onzen vriend Kahn.... Heb je de circulaires van dat heerschap gelezen? Nu, 't zijn mooie verkiezingen van hem! Hij heeft ze door phrases bewerkt.... Lach maar niet! Wanneer jij aan Binnenlandsche Zaken geweest was, zou je de zaken anders behandeld hebben.

En daar Rougon bleef glimlachen, ging hij met grooter heftigheid voort:

--We zijn daar geweest, we hebben alles gezien.... Een gewezen kameraad van me heeft het gewaagd zich als republikein candidaat te stellen. Je kunt je niet begrijpen hoe ze hem vervolgd hebben. De prefect, de burgemeesters, de gendarmen, de heele kliek is op hem aangevallen; men verscheurde zijn aanplakbiljetten, men wierp zijn aanbevelingen in de slooten, men arresteerde de arme drommels die zijn circulaires moesten rondbrengen, tot zelfs zijn tante, overigens een achtenswaardige vrouw, heeft hem doen verzoeken niet meer bij haar over den vloer te komen daar hij haar compromitteerde. En de kranten dan! Die maakten hem uit voor roover. De vrouwtjes slaan tegenwoordig een kruis, als hij door het een of ander dorp komt.

Hij haalde diep adem en hernam, weer in zijn leuningstoel terugvallend:

--Hoe het zij, al heeft Marsy de meerderheid in alle departementen, Parijs heeft toch vijf candidaten van de oppositie er door gehaald.... Men begint wakker te worden. Als de keizer het gezag in handen laat van dien fatterigen minister en die alkoofprefecten, die de mannen naar de Kamer sturen om vrijer met de vrouwen naar bed te kunnen gaan, dan is het keizerrijk binnen vijf jaar ten onder gegaan.... Ik vind die verkiezingen van Parijs prachtig. Dat wreekt ons een beetje.

--Dus als je prefect was geworden....? vroeg Rougon bedaard, met zoo'n fijne ironie, dat zich ternauwernood een fijn plooitje om zijn dikke lippen vertoonde.

Du Poizat liet zijn onregelmatige, witte tanden zien. Zijn nietige kindervuistjes omklemden de armen van den fauteuil, alsof hij ze had willen breken.

--O, mompelde hij, als ik prefect was geweest....

Maar hij sprak niet verder, hij zakte achterover en zei:

--Neen, 't is in één woord walgelijk!.... Trouwens, ik ben altijd republikein geweest.

Intusschen hadden de dames aan het venster haar gesprek gestaakt en keken nu naar binnen om te luisteren, terwijl mijnheer d'Escorailles, met een grooten waaier in de hand, de mooie mevrouw Bouchard koelte toewuifde. De kolonel en mijnheer Bouchard, die een partijtje begonnen waren, hielden nu en dan met spelen op, om door een hoofdknikken hun goed- of afkeuring te kennen te geven. Een breede kring van fauteuils had zich om Rougon gevormd; Clorinde, oplettend, met de kin in de hand, waagde geen enkele beweging; Delestang lachte zijn vrouw toe, in den geest bij de een of andere zoete herinnering verwijlende; mijnheer Béjuin zat met ineengeslagen handen op de knieën, en keek met een verschrikt gezicht het heele gezelschap rond. Het plotselinge binnentreden van Du Poizat en mijnheer Kahn had een storm verwekt in de kalme stilte van het salon; ze schenen een geur van oppositie in hun kleeren te hebben meegebracht.

--Ik heb uw raad maar gevolgd en ik heb me teruggetrokken, hernam mijnheer Kahn. Men had me gewaarschuwd dat ik nog leelijker behandeld zou worden dan de republikeinsche candidaat. Ik had het keizerrijk nog al met zooveel toewijding gediend! U zult moeten toestemmen dat zoo'n ondankbaarheid geschikt is om de sterkste geesten te ontmoedigen.

En hij beklaagde zich bitter over een menigte kwellingen. Hij had een dagblad willen oprichten om zijn plan van een spoorweg van Niort naar Angers te steunen; later zou dat blad een krachtig wapen op finantiëel gebied kunnen worden; maar men had hem de toestemming geweigerd, omdat mijnheer de Marsy zich inbeeldde dat Rougon zich achter zijn naam verschool en er sprake zou zijn van een strijdlustig blad, bestemd om oppositie tegen hem als minister te voeren.

--Dank je de drommel, zei Du Poizat, ze zijn bang dat men eindelijk eens de waarheid zal schrijven. O, ik had je mooie artikeltjes kunnen leveren!.... 't Is een schande zoo'n pers als wij hebben, die men den mond snoert en die bij den eersten kreet met den dood bedreigd wordt. Een vriend van me, die een roman uitgaf, werd op het ministerie ontboden waar een chef de bureau hem verzocht een andere kleur aan het vest van zijn held te geven, omdat die kleur den minister niet beviel. Historisch, hoor!

Hij haalde nog andere feiten aan, hij sprak van vreeselijke verhalen die onder het volk de ronde deden, over den zelfmoord van een jonge actrice en van een bloedverwant des keizers, over het voorgewende tweegevecht van twee generaals, van wie de een den ander in een gang van de Tuileriën zou gedood hebben, na een kwestie over een diefstal. Zouden dergelijke verhalen nog geloof gevonden hebben, als de pers vrijheid van spreken had gehad? En hij herhaalde als zijn conclusie:

--Ik ben een republikein, niets meer en niets minder.

--Je bent wel gelukkig, mompelde mijnheer Kahn, ik weet niet meer wat ik ben.

Rougon zat intusschen met de grootste aandacht zijn kaarten te leggen. Hij wou nu eens het kunstje probeeren om, na de kaarten driemaal te hebben rondgedeeld, eerst in hoopjes van zeven, toen van vijf en daarna van drie, te maken dat de acht klavers bij elkander waren. Hij was daar zoo in verdiept dat hij niets hoorde, ofschoon zijn ooren bij sommige woorden als het ware rilden.

--Het parlementaire régime bood ernstige waarborgen, zei de kolonel. Kwamen de prinsen maar terug!

Kolonel Jobelin was orleanist, in zijn buien van oppositie. Hij vertelde graag het gevecht van de bergengte van Mouzaïa, waar hij naast den hertog van Aumale, destijds kapitein van het 4e linie-regiment, gestreden had.

--Men was zeer gelukkig onder Louis-Philippe, ging hij voort, het stilzwijgen opmerkende waarmee zijn betuigingen van spijt ontvangen werden. Gelooft ge niet dat als wij een verantwoordelijk kabinet hadden, onze vriend aan het hoofd van het bewind zou zijn, voordat er een halfjaar verstreken was? We zouden spoedig een groot redenaar meer bezitten.

Maar mijnheer Bouchard gaf teekenen van ongeduld. Hij noemde zich legitimist, zijn grootvader had vroeger aan het hof verkeerd. Iederen avond ontstonden er dan ook hevige twisten tusschen hem en zijn neef over de politiek.

--Zwijg stil, mompelde hij, je Juli-monarchie heeft altijd kunst- en vliegwerk noodig gehad. Er is maar één grondbeginsel, dat weet je wel.

Toen haalden zij elkander duchtig door. Ze deden alsof het keizerrijk er niet meer was, en richtten elk een regeering van hun eigen keuze in. Hadden de prinsen van Orléans ooit een decoratie aan een ouden soldaat beknibbeld? Zouden de legitimistische koningen zulke onbillijkheden plegen als men dagelijks in de bureaux gebeuren zag? Toen zij elkaar eindelijk voor ezels begonnen uit te maken, riep de kolonel, terwijl hij woedend zijn kaarten opnam:

--Zanik toch niet langer, hoor je, Bouchard!.... Ik heb een derde van tien en een vierde van den boer. Is dat goed?

Delestang, door den woordenstrijd uit zijn mijmering gewekt, meende het keizerrijk te moeten verdedigen. Niet dat het keizerrijk hem in alle opzichten voldeed, goede hemel, neen! Hij had liever een humaner regeering. En hij trachtte zijn aspiraties te verklaren, een zeer ingewikkeld socialistisch plan, het wegnemen van het pauperisme, de associatie van alle arbeiders, iets als zijn modelhoeve in het groot. Du Poizat zei gewoonlijk dat hij te veel met dieren had omgegaan.

Terwijl haar man sprak, en daarbij zijn trotsch hoofd van officiëel persoon schudde, keek Clorinde hem met een ietwat ontevreden gezicht aan.

--Ja, ik ben bonapartist, zei hij herhaalde malen; ik ben, zoo ge wilt, liberaal bonapartist.

--En gij, Béjuin? vroeg mijnheer Kahn op eens.

--Wel, ik ook, antwoordde mijnheer Béjuin, dat is te zeggen, er zijn natuurlijk nuances.... Enfin, ik ben bonapartist.

Du Poizat lachte schamper.

--'k Wil het graag gelooven! Men heeft jelui niet geloosd. Delestang is nog altijd in den Raad van State. Béjuin is pas herkozen.

--Dat is heel natuurlijk in zijn werk gegaan, viel deze in. De prefect van le Cher....