Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 11
Maar dat waren de laatste woorden die zij sprak. Rougon, halfdol, verschrikkelijk, met een vuurrood gelaat, wierp zich op haar, snuivend als een losgebroken stier. Zij zelve scheen er een genot in te vinden dien man af te ranselen, er blonk een glans van wreedheid in haar oogen. Op haar beurt zwijgend, verliet zij den muur en begaf zich onvervaard naar het midden van den stal, en zij keerde en wendde zich, vermenigvuldigde haar slagen, hield hem op een afstand, sloeg hem op zijn beenen, zijn armen, zijn buik, zijn schouders; terwijl hij met zijn groot lichaam danste als een wild dier onder de zweep van een dierentemmer. Zij sloeg uit de hoogte, trotsch opgericht, met bleeke wangen, een zenuwachtig lachje om de lippen. Maar zonder dat zij het opmerkte dreef hij haar naar achteren, naar een openstaande deur die toegang gaf tot een tweede ruimte, waar de voorraad hooi en stroo bewaard werd. En toen zij haar karwats verdedigde, die hij veinsde haar te willen ontwringen, greep hij haar bij de heupen, ondanks de slagen, en deed haar neerploffen op het stroo, met zoo'n vaart, dat hij zelf naast haar neerviel. Zij uitte geen kreet, maar met al haar macht striemde zij hem met de zweep over het gezicht.
--Slet! riep hij.
En hij braakte gemeene scheldwoorden uit, hij vloekte, hoestte, hijgde naar adem. Hij zei dat zij met iedereen in bed gelegen had, met den koetsier, met den bankier, met Pozzo. Toen vroeg hij:
--Waarom wil je niet met mij?
Zij verwaardigde hem geen antwoord. Ze stond roerloos, doodsbleek, in de trotsche houding van een beeld.
--Waarom wil je niet? herhaalde hij. Je hebt me wel aan je bloote armen laten komen. Zeg me alleen waarom je niet wil?
Zij bleef ernstig, boven de beleediging verheven, de oogen van hem afgewend.
--Daarom, zei zij eindelijk.
En hem aanziende, hernam zij na een kort stilzwijgen:
--Trouw me.... Daarna, alles wat je wil.
Hij liet een gedwongen lachje hooren, een onnoozel en beleedigend lachje, dat hij vergezeld liet gaan van een weigerend hoofdschudden.
--Dan, nooit! riep ze uit, hoort ge, nooit, nooit!
Zij voegden er geen woord meer bij en keerden naar den stal terug. De paarden wendden den kop om, en snoven harder, verontrust door het gedruis van de worsteling, dat zij achter zich gehoord hadden. De zon had de twee zolderramen bereikt, twee gele stralen bespatten de duisternis met een schitterend stof; en de vloersteenen dampten, op de plek waar de stralen neervielen, zoodat de sterke geur nog doordringerder werd. Intusschen was Clorinde, met de karwats onder den arm, opnieuw op Monarque toegetreden. Zij zoende hem tweemaal op den neus en zei:
--Vaarwel, dikkerd. Jij bent ten minste verstandig!
Rougon, doodmoe, beschaamd, gevoelde een groote kalmte. De laatste zweepslag had zijn vleeschelijke lusten als het ware voldaan. Met zijn nog bevende handen knoopte hij zijn das weer vast, voelde hij of zijn jasje nog toegeknoopt was. Toen nam hij zorgvuldig de strootjes weg, die aan het rijkleed van het meisje waren blijven zitten. Nu deed de vrees om daar met haar gevonden te worden, hem de ooren spitsen. En zij, alsof er niets bijzonders tusschen hen was voorgevallen, liet hem zonder de minste vrees om haar rijkleed ronddraaien. Toen zij hem verzocht de deur voor haar te openen, gehoorzaamde hij.
In den tuin liepen ze langzaam voort. Rougon, die een brandende plek op zijn linkerwang voelde, hield er zijn zakdoek voor. Zoodra zij den drempel der kamer overschreden had, was Clorinde's eerste blik naar de pendule.
--Dat zijn twee en dertig loten, zei ze glimlachend.
Toen hij haar verrast aankeek, lachte zij luid en vervolgde:
--Zend me gauw heen, de klok staat niet stil. Nu is de drie en dertigste minuut weer begonnen.... Ik zal de loten maar op uw schrijftafel leggen.
Hij gaf driehonderd twintig francs, zonder een enkele aarzeling. Alleen beefden zijn vingers een beetje, toen hij de goudstukken neertelde, het was een straf die hij zichzelven oplegde. Verrukt over de manier waarop hij zoo'n som afstond, kwam zij met een allerliefst gebaar op hem toe en reikte hem haar wang toe. En toen hij er op vaderlijke wijze een kus op gedrukt had, ging zij opgetogen heen en zei:
--Dank u voor die arme meisjes.... Nu hoef ik nog maar zeven loten te plaatsen. Oompje zal ze wel nemen.
Toen Rougon alleen was, ging hij werktuigelijk voor zijn schrijftafel zitten. Hij hervatte zijn afgebroken arbeid, schreef een paar minuten lang, terwijl hij met groote oplettendheid de voor hem liggende documenten raadpleegde. Toen bleef hij met de pen in de hand en een ernstig gezicht zitten kijken naar den tuin, zonder te zien. Wat hij in zijn geest aan dat venster terugzag, was de slanke gestalte van Clorinde, die op en neer wiegde, zich kronkelde, zich ontrolde met de zachte, wellustige beweging van een blauwachtige slang. Zij gleed naar binnen, en midden in de kamer bleef zij overeind staan op den levenden staart van haar kleed, met trillende heupen, terwijl haar armen zich naar hem uitrekten, met een eindelooze over elkander schuiving van buigzame ringen. Langzamerhand vermeesterden stukjes van haar lichaam het geheele vertrek, zij strekten zich overal op uit, op het tapijt, de fauteuils, de behangsels, zwijgend, hartstochtelijk. Een scherpe geur steeg uit haar op.
Toen wierp Rougon heftig zijn pen neer, verliet toornig zijn schrijftafel en kneep zijn vingers, dat zij kraakten. Zou zij hem nu ook al beletten te werken? Werd hij krankzinnig, dat hij dingen zag die niet bestonden, hij die zoo'n sterk hoofd had? Hij herinnerde zich een vrouw, vroeger toen hij student was, bij wie hij heele nachten op haar kamer zat te schrijven, zonder dat hij zelfs haar ademhaling hoorde. Hij haalde de store op, opende het tweede venster, duwde de deur open aan het andere einde van het vertrek, en ging in den tocht staan, alsof hij gevaar liep door gasdamp te stikken. En met het toornige gebaar waarmee hij een hinderlijke wesp zou verjaagd hebben, begon hij den geur, dien Clorinde had achtergelaten, met zijn zakdoek te verdrijven. En toen hij haar niet meer rook, haalde hij diep adem en wischte zich het gelaat af met den zakdoek, om er de warmte van weg te nemen, die dat meisje daar gebracht had.
Toch kon hij de aangevangen bladzijde niet afmaken. Met langzame schreden liep hij in zijn kamer op en neer. Toen hij in den spiegel keek, zag hij een roode plek op zijn linkerwang. Hij ging vlak voor den spiegel staan en keek wat het was. De karwats had er slechts een lichte striem achtergelaten. Hij kon dat door een of ander ongeluk verklaren. Maar al vertoonde de huid slechts een lichtroode streep, in zijn binnenste voelde hij de brandende pijn van den zweepslag over zijn gelaat. Hij liep naar een waschtafel achter een portière en dompelde zijn hoofd in een kom water, dat gaf hem verlichting. Hij vreesde dat die zweepslag de begeerte naar Clorinde nog meer zou opwekken. Hij durfde niet aan haar denken, zoolang die striem op zijn gelaat niet weggetrokken was. De warmte, die hij daar gevoelde, drong hem door al zijn leden.
--Neen, ik wil niet, zei hij hardop, terwijl hij weer in de kamer ging. 't Is al te gek!
Hij was met gebalde vuisten op de sofa gaan zitten. Een bediende kwam hem waarschuwen dat het ontbijt koud werd, maar dat vermocht niet hem aan dien strijd met zijn eigen vleesch te onttrekken. Zijn hardvochtig gelaat zwol op onder een innerlijke krachtsinspanning; zijn stierennek zette zich uit, zijn spieren spanden zich, alsof hij bezig was het een of ander dier, dat hem de ingewanden verslond, dood te drukken. Die strijd duurde tien lange minuten. Hij kon zich niet herinneren ooit zooveel kracht ontwikkeld te hebben. Doodsbleek kwam hij uit den strijd te voorschijn, met zweetdruppels in den nek.
Twee dagen lang ontving Rougon niemand. Hij had zich in een omvangrijken arbeid verdiept. Hij bracht een heelen nacht wakend door. Zijn bediende vond hem nog driemaal, met een versuft gezicht op de sofa liggen. Op den avond van den tweeden dag kleedde hij zich aan om naar Delestang te gaan, die hem ten eten gevraagd had. Maar in plaats van de Champs-Elysées door te gaan, ging hij de avenue op en het hôtel Balbi binnen. Het was eerst zes uur.
--De juffrouw is niet thuis, zei Antonia, hem op de trap ontmoetende.
Hij verhief zijn stem om gehoord te worden, en draalde met heengaan, toen Clorinde boven aan de trap verscheen, over de leuning gebogen.
--Kom maar boven! riep zij. Wat een dwaze meid. Ze begrijpt nooit wat haar gezegd wordt.
Op de eerste verdieping liet zij hem in een kamertje naast de hare gaan. Het was een kleedkamer, met een zachtblauw gebloemd behangsel. Zij had het gemeubileerd met een groote schrijftafel van dof mahoniehout, die tegen den muur stond, een leeren fauteuil en een cartonnier. Papieren slingerden overal onder een dikke laag stof. Men zou gemeend hebben zich bij een praktizijn te bevinden. Ze moest een stoel uit haar kamer gaan halen.
--Ik verwachtte u, riep zij van daar uit.
Toen zij den stoel gebracht had, vertelde zij dat ze juist aan haar correspondentie bezig was. Ze wees naar eenige groote vellen geelachtig papier, met groote ronde letters beschreven. En toen Rougon ging zitten, merkte zij op dat hij een zwarten rok droeg.
--Komt ge mijn hand vragen? zei ze vroolijk.
--Precies geraden! antwoordde hij.
Toen hernam hij glimlachend:
--Niet voor mij, voor een mijner vrienden.
Ze keek hem weifelend aan, niet wetende of hij schertste of in ernst sprak. Zij was slordig gekapt, haar roode huisjapon was maar half vastgeknoopt, maar toch was zij mooi, als de machtige schoonheid van een antiek marmeren beeld, dat in den winkel van een uitdraagster beland is. En terwijl zij op haar met inkt bemorsten wijsvinger zoog, keek ze met alle aandacht naar de striem, die nog op Rougons wang te zien was. Eindelijk antwoordde zij halfluid en verstrooid:
--Ik was er zeker van dat ge komen zoudt. Alleen had ik u eerder verwacht.
En hardop voegde ze er aan toe, alsof ze zich nu eerst zijn gezegde herinnerde:
--Dus is het voor een van uw vrienden, uw dierbaarsten vriend zeker.
Ze lachte hartelijk. Ze was overtuigd dat Rougon zichzelf bedoelde. De lust kwam bij haar op die striem te betasten, om zich te verzekeren dat zij hem gemerkt had, dat hij haar voortaan toebehoorde. Maar Rougon greep haar bij de polsen en duwde haar zachtjes op de leeren fauteuil neer.
--Laten we eens samen praten, zei hij. We zijn goede kameraden, niet waar?... Welnu, ik heb nog eens rijpelijk nagedacht, sinds eergisteren. Ik heb al dien tijd aan je gedacht.... Ik verbeeldde me dat wij getrouwd waren, en dat we al drie maanden samen leefden. En wil je weten waarmee we in mijn verbeelding samen bezig waren?
Zij antwoordde niet, een beetje verlegen, ondanks haar vrijmoedigheid.
--Ik verbeeldde me dan dat we aan het hoekje van den haard zaten. Jij had de pook genomen en ik de tang, en daarmee ranselden wij elkander af.
Dat vond zij zoo'n komisch idee, dat zij zich half in haar stoel omwendde en het uitschaterde van lachen.
--Neen, lach niet, het is volle ernst, ging hij voort. Om elkander dood te slaan behoeven wij onze levens niet aan elkander te verbinden. Ik zweer u dat het zoo zou afloopen. Klappen, en dan een scheiding.... Onthoud dit: men moet nooit twee sterke wilskrachten met elkander vereenigen.
--Dus? vroeg zij, zeer ernstig geworden.
--Dus, denk ik dat we zeer verstandig zouden handelen, als we elkander de hand drukten en steeds goede vrienden bleven.
Zij bleef zwijgen, haar donkeren blik vast op den zijnen gericht. Een verschrikkelijke rimpel plooide haar voorhoofd van beleedigde godin. Haar lippen trilden even, als wilde zij een woord van verachting uiten.
--Permitteert u? zei ze.
En haar fauteuil voor de schrijftafel schuivend, begon ze haar brieven dicht te vouwen. Ze gebruikte groote grijze enveloppen, die zij dichtlakte. Ze had een kaars aangestoken en keek naar het vlammende lak. Rougon wachtte bedaard totdat zij gereed zou zijn.
--En zijt ge daarvoor gekomen? hernam zij eindelijk, met haar bezigheden voortgaande.
Nu antwoordde hij niet. Hij wou haar in het gelaat zien. Toen zij haar fauteuil eindelijk terugschoof, lachte hij haar toe en zocht haar blik, toen kuste hij haar de hand, als om haar te ontwapenen. Zij behield haar trotsche koelheid.
--Ge weet immers, zei hij, dat ik je ten huwelijk kom vragen voor een mijner vrienden.
Hij sprak lang achtereen. Hij hield veel meer van haar dan zij denken kon; hij had haar vooral lief omdat zij schrander en kloek was. Het kostte hem ontzaglijk veel, van haar af te moeten zien, maar hij offerde zijn liefde aan hun beider geluk op. Hij wilde haar koningin in haar huis zien. Hij zag haar in gedachten getrouwd met een schatrijk man, dien zij naar willekeur kon leiden; zij zou de teugels voeren, zij behoefde haar persoonlijkheid niet te verzaken. Was dat niet veel beter dan een verlammenden invloed op elkander uit te oefenen? Zij waren flink genoeg om de waarheid onder de oogen te zien. Hij noemde haar ten slotte zijn kind. Zij was zijn verdorven dochtertje, een schepseltje wier geslepenheid hem verheugde, en het zou hem innig spijten, wanneer zij niet aan zijn grootsche verwachtingen beantwoordde.
--Is dat alles? vroeg zij toen hij zweeg.
Ze had hem met de grootste aandacht aangehoord. En hem aanziende, hernam zij:
--Als ge me uithuwelijkt om me te bezitten, waarschuw ik u, dat ge mis rekent.... Ik heb gezegd nooit!
--Wat een denkbeeld! riep hij, licht kleurende.
Hij kuchte, en een vouwbeen van de tafel nemende, begon hij dit oplettend te beschouwen, om zijn verwarring te verbergen. Maar zij lette niet meer op hem, ze dacht na.
--En wie is de echtgenoot? mompelde zij.
--Raad eens?
Zij lachte flauwtjes, trommelde met haar vingers op de tafel en haalde de schouders op. Ze wist wel wie.
--Hij is zoo dom! zei ze halfluid.
Rougon verdedigde Delestang. 't Was een heel net mensch, dien ze om haar vinger zou kunnen winden. Hij lichtte haar in omtrent zijn gezondheid, zijn fortuin, zijn gewoonten. Trouwens, hij verbond zich, als hij ooit weer aan het roer van het bewind kwam, hen beiden met al zijn invloed te steunen. Delestang was wel geen hoogvlieger, maar hij zou in geen enkele betrekking misplaatst zijn.
--O, hij beantwoordt wel aan de verwachtingen, die hij opwekt, dat stem ik u toe, zei ze met een ongedwongen lach.
Toen, na een nieuwe stilte:
--Mijn hemel, ik beweer het tegendeel niet, ge hebt misschien gelijk.... Mijnheer Delestang vind ik zoo onaardig niet.
Zij keek hem aan, terwijl ze die woorden sprak. Ze meende meer dan eens opgemerkt te hebben, dat hij jaloersch op Delestang was. Maar ze zag geen spier van zijn gelaat bewegen. Zijn vuisten waren werkelijk stevig genoeg geweest om de begeerte in die twee dagen te dooden. Hij scheen zelfs ingenomen met den goeden uitslag van zijn poging; en hij begon haar weer de voordeelen van een dergelijk huwelijk op te sommen, alsof hij, als een sluwe procureur, een zaak behandelde, die bijzonder voordeelig voor haar was. Hij had haar beide handen genomen, klopte er heel vriendschappelijk op, als een tevreden medeplichtige.
--'t Is van nacht bij me opgekomen, zei hij. Ik dacht dadelijk: Nu zijn we gered!.... Ik wil niet dat ge ongetrouwd blijft! Je bent in mijn oog de eenige vrouw, die een man verdient. Delestang brengt alles in het reine. Met Delestang houden we de handen vrij.
En vroolijk ging hij voort:
--Ik heb een idee dat je me beloonen zult, door me buitengewone dingen te laten beleven.
--Kent mijnheer Delestang uw plannen? vroeg zij.
Hij was een oogenblik verrast, alsof zij zich daar woorden had laten ontvallen, die hij niet van haar verwacht had. Toen antwoordde hij bedaard:
--Neen, dat is niet noodig. Dat kunnen we hem later wel vertellen.
Zij was intusschen weer aan het dicht lakken van haar brieven gegaan. Nadat zij op het lak een groot cachet zonder naamletters gedrukt had, keerde zij de enveloppe om en schreef er langzaam, met haar groot schrift, het adres op. Telkens als zij een brief naast zich neerlei, trachtte Rougon het adres te lezen. Ze waren bijna alle aan zeer bekende Italiaansche staatslieden geadresseerd. Toen zij zijn onbescheidenheid opmerkte, stond zij op en nam haar brieven mee om ze op de post te laten brengen.
--Als ma hoofdpijn heeft, zei ze, schrijf ik altijd naar daarginds.
Alleen gebleven, drentelde Rougon het kamertje op en neer. Op de cartonnier las hij, evenals bij mannen van zaken: Kwitanties, Brieven, Dossiers A. Hij glimlachte onwillekeurig toen hij tusschen de papieren op de schrijftafel een versleten corset met gebroken veeren zag liggen. Er lag een stuk zeep in het bakje van het inktstel, reepjes blauw satijn slingerden op den grond, afknipsels van een versleten rok, die men vergeten had op te ruimen. Daar de deur der slaapkamer aan stond, keek hij nieuwsgierig naar binnen; maar de jalouziën waren dicht, het was er zoo duister, dat hij alleen de donkere omtrekken van de bedgordijnen onderscheidde. Clorinde kwam weer binnen.
--Ik ga heen, zei hij. Ik dineer vanavond bij onzen man. Laat ge mij vrij om naar goeddunken te handelen?
Ze antwoordde niet. Zij kwam somber gestemd terug, alsof ze op de trap nog eens nagedacht had. Hij had de leuning al gegrepen. Maar zij voerde hem terug en duwde de deur weer open. Haar liefste droom vervloog, de hoop op het welslagen van een plan, dat zij zoo handig had voorbereid, dat zij het een uur geleden nog als een zekerheid beschouwde. Het bloed stroomde haar naar de wangen, als na een doodelijke beleediging. Zij gevoelde zich te moede alsof men haar geslagen had.
--Dus is het ernst? vroeg zij, zich van het licht afwendende, opdat hij den blos op haar wangen niet zou zien.
En toen hij voor de derde maal met zijn argumenten te berde kwam, bleef zij zwijgen. Ze was bang, als zij begon te spreken, dat zij zou toegeven aan de woedende drift, die ze in zich voelde opkomen. Ze was bang dat ze hem zou slaan. En toen zij dat luchtkasteel van een leven, dat ze al geheel naar haar smaak had ingericht, zag instorten, verloor zij het juiste besef van de zaken, zij trad achteruit tot aan de deur van haar slaapkamer, op het punt daar binnen te treden, Rougon mee te lokken, hem toe te roepen: "Ziedaar, neem mij, ik vertrouw je, ik zal daarna je vrouw zijn als je dat verkiest." Rougon, die nog steeds sprak, begreep haar opeens, hij zweeg, doodsbleek. En zij keken elkander aan. Eén oogenblik bracht een aarzeling een lichte trilling in hem teweeg. Hij zag weer dat bed, daar naast, met de donkere schaduw der gordijnen. Zij berekende reeds de uitvloeisels van haar edelmoedigheid. Van weerszijden duurde die besluiteloosheid slechts een minuut.
--Ge wilt dit huwelijk? zei ze langzaam.
Hij weifelde niet, hij antwoordde flinkweg:
--Ja.
--Nu, ga dan uw gang.
En langzaam keerden zij weer naar het portaal terug, uiterlijk heel kalm. Rougon alleen had nog enkele zweetdruppels op het voorhoofd, die zijn laatste overwinning hem gekost had. Clorinde richtte het hoofd trotsch op, in het bewustzijn van haar kracht. Zij bleven een oogenblik zwijgend tegenover elkander staan; zij hadden elkander niets meer te zeggen, toch konden zij zoo niet scheiden. Toen hij eindelijk met een handdruk afscheid nam, hield ze zijn hand even vast en zei zonder toorn:
--Ge denkt dat ge sterker zijt dan ik.... Ge hebt het mis.... Eens zal het u misschien berouwen.
Dat was haar eenige bedreiging. Zij boog zich over de leuning om hem na te oogen. Toen hij beneden was, keek hij op en ze lachten elkander toe. Zij dacht niet aan een kinderachtige wraak, zij hoopte hem te verpletteren door een schitterende zegepraal. Terwijl zij haar kamer binnenging, zei ze binnensmonds:
--Enfin, 't is niet anders, zoo kan ik ook mijn doel bereiken.
Dien eigen avond begon Rougon al een aanval op Delestang's hart. Hij bracht heel vleiende woorden over, die juffrouw Balbi bij het feestmaal over hem gezegd zou hebben. En van dat oogenblik af hield hij niet op de buitengewone schoonheid van het meisje te prijzen. Hij, die hem vroeger zoo dikwijls voor de vrouwen gewaarschuwd had, trachtte hem nu, aan handen en voeten gebonden, aan haar over te leveren. Den eenen dag waren het haar handen, die zoo prachtig gevormd waren, op een anderen dag roemde hij haar taille, in prikkelende bewoordingen. Delestang, wiens ontvlambaar hart reeds vol van Clorinde was, geraakte weldra hartstochtelijk verliefd. Toen Rougon hem verzekerd had dat hij nooit aan haar had gedacht, bekende hij dat hij haar al een half jaar beminde, maar gezwegen had, omdat hij bang was geweest onder zijn duiven te schieten. Nu ging hij iederen avond naar de rue Marbeuf, om over haar te praten. Het was alsof er een samenzwering om hem heen bestond; hij kon niemand meer aanspreken of hij hoorde den uitbundigen lof van haar die hij beminde; tot zelfs de Charbonnels hielden hem op een morgen midden op de place de la Concorde staande om hun opgewondenheid lucht te geven over "dat mooie dametje met wie men hem overal zag."
Van haar kant, wendde Clorinde lieve glimlachjes aan. Ze had zich weer in gedachten een nieuwe levenswijs gevormd, in enkele dagen had zij zich aan haar nieuwe rol gewend. Door een geniale taktiek verleidde zij Delestang niet met de ruiterlijke houding die zij bij Rougon beproefd had. Zij veranderde van gedaante, werd smachtend, veinsde de schichtigheid van een onnoozel kind, beweerde dat zij uiterst zenuwachtig was, zoodat een te teedere handdruk haar reeds een zenuwtoeval bezorgde. Toen Delestang aan Rougon vertelde dat zij in zijn armen was flauw gevallen omdat hij haar de pols had durven zoenen, beschouwde deze dit als een bewijs van groote reinheid van geest. En toen de zaken te langzaam gingen, gaf Clorinde zich op een Juli-avond, in een van haar kostschoolmeisjesbuien aan hem over. Delestang bleef verlegen over deze overwinning, te meer daar hij in de meening verkeerde dat hij laaghartig gebruik gemaakt had van een onmacht van het meisje; ze was als een doode geweest en scheen nergens besef van te hebben. Wanneer hij een verontschuldiging waagde of zich een vertrouwelijkheid veroorloofde, keek zij hem zoo kinderlijk onschuldig aan, dat hij van wroeging en begeerte begon te stamelen. Na dat avontuur dacht hij er dan ook ernstig over haar te huwen. Hij zag daarin een middel om zijn lage handelwijze goed te maken; en meer nog een manier om het gestolen geluk op een wettige wijze te bezitten, dat geluk van een minuut waaraan de herinnering hem brandde, en dat hij wanhoopte op een andere wijze ooit weer terug te vinden.
Toch aarzelde Delestang nog een heele week lang. Hij kwam Rougon raadplegen. Toen deze begreep wat er gebeurd was, bleef hij een oogenblik met gebogen hoofd peinzen over de boosheid van die vrouw, den langdurigen tegenstand dien Clorinde hem geboden had, en dan haar plotselinge overgave in de armen van dien domkop. Hij zag de beweegredenen van dat dubbelhartige gedrag niet in. Een oogenblik dacht hij er, in zijn gekwetste gevoel van eigenwaarde, aan om alles te vertellen. Maar Delestang ontkende, als een galant man, op de onkiesche vragen die hij hem deed, alle gemeenschap. En dat was voldoende om Rougon tot zichzelf te doen komen. Hij wist met groote behendigheid zijn vriend tot een besluit te brengen. Hij ried hem dat huwelijk niet aan, maar hij dreef hem er toe door allerlei opmerkingen, die met de zaak bijna niets uit te staan hadden. Wat die leelijke geruchten betrof, die over juffrouw Balbi de ronde deden, daar stond hij over verbaasd; hij geloofde er niets van, hij was zelf op inlichtingen uit geweest, en had niets dan goeds van haar gehoord. Overigens moest men zoolang niet praten over een vrouw, die men liefhad. Dat was zijn laatste woord.
Zes weken later, bij het uitgaan van de Madeleine, waar het huwelijk met buitengewonen luister was ingezegend, antwoordde Rougon aan een afgevaardigde die zich over de keus van Delestang verwonderde: