Zijn Excellentie Eugène Rougon
Part 10
Het volk lachte het uit van de pret. De twee agenten hielden hem stevig vast en duwden hem langzaam naar de rue Saint-Martin, waar men in de verte de roode lantaarn van een politiepost zag. Rougon was snel in zijn rijtuig weggedoken. Maar plotseling kreeg Gilquin hem in het oog. Toen, werd hij spotachtig en voorzichtig. Hij keek naar hem, knipoogde en zei als tot zichzelf:
--Genoeg, kindertjes, ik zou schandaal kunnen maken, maar ik doe het niet, omdat ik te veel eergevoel heb.... Zeg, jelui zou de hand niet op Théodore leggen, als hij met prinsessen uit rijden ging, zooals een zeker iemand van mijn kennis. Ik heb toch ook met de groote lui gewerkt, en netjes ook, daar durf ik me op beroemen, zonder duizenden en honderden te vragen. Men kent zijn waarde. Dat is een troost bij al die kleingeestigheden.--Alle donders! zijn vrienden dan geen vrienden meer?
Hij werd aandoenlijk, en begon te hikken. Rougon wenkte stilletjes een man in een groote overjas, dien hij toevallig herkende; en na hem iets in het oor gefluisterd te hebben, gaf hij hem het adres van Gilquin, rue Virginie no. 17, te Grenelle. De man naderde de politieagenten, als om ze een handje te helpen. De menigte keek heel verbaasd toen zij zag, dat de agenten links afsloegen en Gilquin in een vigelante wierpen, waarna de koetsier op hun bevel de quai de la Mégisserie opreed. Maar Gilquin's groot, verward hoofd verscheen nog eens met een zegevierenden lach buiten het portier en hij brulde:
--Leve de republiek!
Toen de menigte uiteengegaan was, keerden de kaden tot haar gewone rust weer. Parijs, moe van geestdrift, zat aan tafel, de drie honderdduizend nieuwsgierigen, die zich daar verdrongen hadden, hadden de restauraties aan de Seineoevers bestormd. Op de ledige trottoirs slenterden langzaam enkele buitenlui rond, doodmoe, niet wetende waar zij zouden eten. Beneden, aan beide zijden van de waschinrichting, stonden de vrouwen haar wasch te stampen. Een zonnestraal verguldde nog de torens van de Notre-Dame, die nu zwegen, boven de huizen in de duisternis gehuld. En in den nevel die uit de Seine opsteeg, ginds, op de spits van het eiland Saint-Louis, onderscheidde men nog slechts, op het doffe grijs van de gevels, de reusachtige jas, de monumentale reclame, als ware er aan een spijker in den horizon de plunje van een Titan vastgehaakt, wiens ledematen door den bliksem verpletterd waren.
IV.
Op een morgen kwam Clorinde tegen elf uur bij Rougon in de rue Marbeuf. Ze keerde uit het Bosch terug; een knecht hield haar paard bij den teugel vast. Zij ging regelrecht naar den tuin, sloeg linksaf en bleef voor het wijdgeopende venster van de kamer staan, waarin de groote man zat te werken.
--Daar verras ik u eens! zei ze eensklaps.
Rougon hief snel het hoofd op. Zij lachte in de warme Juni-zon. Haar amazone van grof blauw laken, waarvan zij den langen sleep over haar linkerarm had geslagen, deed haar grooter schijnen; terwijl haar keurslijf, een vest met kleine ronde basques, haar nauw omsloot. Ze droeg linnen manchetten en een linnen boordje, waaronder een dasje van blauwe zijde geknoopt zat. Op haar opgestoken haar droeg zij heel kranig een heerenhoed, waarom een blauw gazen sluier, gepoederd door het gouden stof der zon.
--Wat, is u dat? riep Rougon, toeloopend. Kom toch binnen!
--Neen, neen, antwoordde zij. Laat ik u niet storen, ik heb u maar een woordje te zeggen.... Mama zal me wel wachten met het ontbijt.
Het was de derde maal dat zij zoo by Rougon kwam, tegen alle gebruiken in. Maar zij hield zich alsof zij in den tuin wou blijven. Trouwens, de beide eerste keeren was zij ook in amazone-kostuum gekomen, wat haar de vrije bewegingen van een jongen veroorloofde, en waarvan de lange rok haar toch een voldoende bescherming toescheen.
--U moet weten dat ik bij u kom bedelen, hernam zij. 't Is voor die loterijbriefjes. We hebben een loterij op touw gezet voor de arme meisjes.
--Goed, kom binnen, herhaalde Rougon, dan kunt u het me uitleggen.
Zij had haar karwats in de hand gehouden, een zeer fijne karwats, met zilveren handvat. Zij begon te lachen, terwijl ze er mee op haar rok tikte.
--'t Heeft geen uitlegging noodig! U neemt lootjes van me. Daar ben ik voor gekomen.... Ik heb al drie dagen naar u uitgekeken, zonder u aan te treffen, en morgen is de trekking.
Daarop een zakboekje voor den dag halend, vroeg zij:
--Hoeveel loten wilt u?
--Geen een, als u niet binnenkomt! riep hij.
En op gekscherenden toon ging hij voort:
--Wat drommel, men doet toch geen zaken door de ramen! Ik kan u toch geen geld toereiken als aan een bedelaarster!
--Dat kan me niet schelen, geef maar hier.
Maar hij bleef op zijn stuk. Zij keek hem een oogenblik zwijgend aan. Daarop hernam zij:
--Als ik binnenkom, neemt u er dan tien?.... Ze kosten tien francs het stuk.
Toch draalde zij nog. Zij wierp een snellen blik door den tuin. Een tuinman lag geknield in een der lanen en plantte geraniums in een bed. Ze glimlachte even en trad op het bordes van drie treden toe, waarop de openslaande deur van Rougon's kamer uitkwam. Rougon reikte haar de hand toe, en toen hij haar midden in de kamer gevoerd had, zei hij:
--U is toch niet bang dat ik u op zal eten? Ge weet wel dat ik de onderdanigste van uw slaven ben. Wat hebt ge hier te vreezen?
Zij tikte nog steeds met haar karwats tegen haar rok.
--Ik ben nergens bang voor, antwoordde zij met de vrijmoedigheid van een geëmancipeerd meisje.
Nadat zij toen haar karwats op de sofa neergelegd had, zocht ze opnieuw in haar zakboekje.
--U neemt er tien, niet waar?
--Ik zal er twintig nemen, als je dat graag hebt, zei hij; maar ga alsjeblieft zitten, laten we een oogenblikje praten.... Ge gaat toch niet dadelijk heen, wel?
--Nu dan, een lot per minuut, hè?.... Als ik een kwartier blijf, is dat vijftien loten, blijf ik twintig minuten, dan twintig, en zoo voort tot van avond toe, ik vind het best. Afgesproken?
Ze lachten beiden om die afspraak. Clorinde nam eindelijk plaats in een fauteuil, voor het openstaande venster. Rougon ging weer voor zijn schrijftafel zitten, om haar gerust te stellen. En zij begonnen te praten, eerst over het huis. Zij vond den tuin een beetje klein, maar allerliefst, met zijn grasperk in het midden en zijn dichte boomen daarom heen. Hij vertelde haar hoe het huis was ingericht; beneden, gelijkvloers, was zijn werkkamer, een groot salon, een klein salon en een heel mooie eetzaal; op de eerste zoowel als op de tweede verdieping, waren er zeven kamers. Ofschoon heel beknopt, was dat alles toch veel te groot voor hem alleen. Toen de keizer hem dat hôtel gegeven had, moest hij met een weduwe trouwen, die zijn Majesteit zelf voor hem gekozen had. Maar de dame was gestorven en nu bleef hij vrijgezel.
--Waarom? vroeg zij, hem vlak in het gelaat ziende.
--Bah, antwoordde hij, ik heb wel wat anders te doen. Op mijn leeftijd heeft men geen vrouw meer noodig.
Maar zij haalde haar schouders op en zei eenvoudig:
--Houd u maar zoo niet!
Ze waren langzamerhand heel vrij in hun gesprekken geworden. Zij beweerde dat hij een wellustig temperament had. Hij verdedigde zich, hij vertelde haar van zijn jeugd, van al die jaren die hij in ongezellige, kale kamers had doorgebracht, waar zelfs geen waschvrouw binnenkwam, zei hij. Toen vroeg zij hem naar zijn maîtresses, met een kinderlijke nieuwsgierigheid; hij had er toch enkelen gehad; hij kon toch bijvoorbeeld een welbekende dame niet verloochenen, die zich, nadat hij haar verlaten had, in de provincie gevestigd had. Maar hij haalde de schouders op. De vrouwen lieten hem koud. Ja, als het bloed hem naar het hoofd steeg, dan was hij als alle mannen, dan zou hij met een druk van zijn schouder in staat geweest zijn den wand van een alkoof in te drukken, om binnen te komen. Maar als dat voorbij was, werd hij weer heel kalm.
--Neen, neen, geen vrouw! herhaalde hij, terwijl zijn oogen al begonnen te glinsteren bij de achtelooze houding, die Clorinde aannam. Dat maakt te veel inbreuk op mijn vrijheid.
Het meisje, dat achterover in haar fauteuil lag, glimlachte zonderling. Haar boezem ging langzaam op en neer, terwijl haar gelaat er kwijnend uitzag, ze liet haar Italiaansch accent nog sterker uitkomen en sprak op zangerigen toon:
--Kom, zwijg daarvan, mijn waarde, ge aanbidt ons. Wilt ge wedden dat ge binnen het jaar getrouwd zijt?
Zij was werkelijk uitdagend, zoo zeker was zij van haar overwinning. Sedert eenigen tijd bood zij zich bedaard aan Rougon aan. Zij deed de moeite niet meer om haar langzame verleiding te verbergen, dat weloverlegde werk waarmee zij hem had omringd, voordat zij aan de belegering van zijn begeerten begon. Nu achtte zij hem al genoeg in haar macht om met open vizier op te treden. Er ontstond ieder oogenblik een waar tweegevecht tusschen hen. Zoo zij de voorwaarden van den strijd al niet hardop zeiden, hun oogen spraken duidelijk genoeg. Wanneer zij elkander aankeken, konden zij een glimlach niet weerhouden; en zij daagden elkander uit. Clorinde stelde haar prijs, zij ging op haar doel af met een trotsche stoutmoedigheid, overtuigd dat zij toch niet meer zou toestaan dan zij zelf verkoos. Rougon, die zich door dat spel liet meesleepen, zette alle gemoedsbezwaren terzijde en dacht er alleen aan dat mooie meisje tot zijn maîtresse te maken en haar daarna in den steek te laten, om haar zijn meerderheid te bewijzen. De strijd tusschen hun hoogmoed was nog grooter dan die tusschen hun zinnen.
--Bij ons te lande, ging zij bijna zachtjes voort, is de liefde de hoofdzaak. Meisjes van twaalf jaar hebben er al minnaars.... Ik ben een jongen geworden, doordat ik veel gereisd heb. Maar als u mama gekend had toen zij jong was! Ze kwam haar kamer bijna niet uit. Ze was zoo mooi dat men van verre kwam om haar te zien. Een zekere graaf is een half jaar in Milaan gebleven alleen om haar te zien, en hij kon heengaan zonder een tipje van haar vlechten gezien te hebben. De Italiaansche vrouwen zijn niet zooals de Fransche, die babbelen en overal heen gaan; ze blijven den man aanhangen, dien ze eenmaal gekozen hebben.... Ik ben altijd op reis geweest, ik weet niet of het met mij ook zoo wezen zal. Toch geloof ik dat ik vurig lief zou hebben, o ja, heel vurig, tot stervens toe....
Haar oogleden waren langzamerhand dichtgevallen, haar gelaat straalde van een wellustige verrukking. Terwijl zij nog sprak had Rougon zijn schrijftafel verlaten, met bevende handen, als door een onweerstaanbare macht aangetrokken. Maar toen hij naderbij gekomen was, keek ze hem met groote oogen aan. En glimlachend naar de pendule wijzend, hernam zij:
--Dat zijn tien loten.
--Wat, tien loten? stamelde hij, niet begrijpende waarop zij doelde.
Toen hij weer tot zichzelf kwam, gierde zij het uit van lachen. Ze vond er vermaak in hem het hoofd op hol te brengen, en juist als hij de armen wou openen, ontsnapte zij hem. Rougon, plotseling zeer bleek geworden, keek haar woedend aan, wat haar vroolijkheid nog verhoogde.
--Kom, ik ga heen, zei ze. Ge zijt niet galant genoeg voor de dames.... Neen, in ernst, ma wacht me met het ontbijt.
Maar hij had zijn vaderlijke manieren weer hernomen. Alleen in zijn grijze oogen, half bedekt door zijn dikke oogleden, flikkerde het soms als ze het hoofd afwendde; zijn blik gleed dan over haar gansche gestalte, met de woede van een man, die tot het uiterste gedreven is en er nu een eind aan wil maken. Hij merkte op dat ze hem nog wel vijf minuten schenken kon. Hij was juist aan zoo'n vervelend werk, een rapport voor den Senaat, over verzoekschriften. En hij sprak met haar over de keizerin, voor wie zij een diepe vereering koesterde. De keizerin was sedert acht dagen in Biarritz. Toen nam het meisje weer een gemakkelijke houding aan en begon een eindeloos gebabbel. Ze kende Biarritz; vroeger had ze er een seizoen doorgebracht, toen die badplaats nog niet in de mode was. Ze vond het vreeselijk jammer dat ze er niet heen kon gaan terwijl het hof daar was. Toen begon ze te vertellen van een zitting van de Académie, waarheen mijnheer de Plouguern haar den vorigen avond had meegenomen. Men ontving er een schrijver, dien ze uitlachte, omdat hij een kaal hoofd had. Ze had trouwens een afschuw van boeken. Zoodra ze zich dwong om iets te lezen, moest ze met zenuwhoofdpijnen naar bed. Ze begreep niet wat ze las. Toen Rougon haar zei dat die schrijver een vijand van den keizer was en dat zijn rede wemelde van hatelijke toespelingen, was zij geheel verslagen.
--Hij zag er toch zoo goedig uit, verklaarde zij.
Rougon voer nu op zijn beurt tegen de boeken uit. Er was zoo pas een roman verschenen, die zijn verontwaardiging gaande maakte; een werk van een zeer verdorven verbeelding, dat den schijn aannam zich enkel om de strikte waarheid te bekommeren, en den lezer in de uitspattingen van een hysterische vrouw inwijdde. Dat woord "hysterische" scheen hem te bevallen, want hij herhaalde het driemaal. Toen Clorinde hem vroeg wat het beteekende, weigerde hij haar, uit overgroote schaamte, een verklaring te geven.
--Alle gezegden zijn wel hoorbaar, ging hij voort, maar niet oorbaar. Toch hangt er veel van af, hoe men iets zegt.... Zoo is men bij de administratie wel eens genoodzaakt heel kiesche onderwerpen aan te roeren. Ik heb rapporten gelezen over zekere vrouwen, ge begrijpt me wel? Nu, daar waren zeer nauwkeurige bijzonderheden in aangegeven, in een helderen, eenvoudigen, fatsoenlijken stijl. Dat bleef kuisch!.... De romanschrijvers van onzen tijd daarentegen hebben een wellustigen stijl aangenomen, een manier van de dingen te zeggen alsof ze voor uw oogen leven. Dat noemen zij kunst. Ik noem het kortweg onbetamelijkheid.
Hij noemde nog het woord "pornographie", en sprak zelfs over den markies de Sade, van wien hij echter nooit iets gelezen had. Zoo sprekende wist hij behendig te manoeuvreeren, om achter Clorinde's fauteuil om te komen, zonder dat zij het bemerkte. Clorinde zei, met doelloozen blik:
--O, ik heb nog nooit een roman ter hand genomen. Al die leugens vind ik vervelend.... Kent u, "Léonora de Zigeunerin"? Dat is een mooi boek. Ik heb het in het Italiaansch gelezen, toen ik nog klein was. Het handelt over een arm meisje dat eindelijk met een rijken heer trouwt. Eerst wordt ze door roovers ontvoerd....
Maar een licht geknars achter haar deed haar snel het hoofd omwenden.
--Wat doet u daar? vroeg zij.
--Ik laat de store neer, antwoordde Rougon. U zult wel hinder van de zon hebben.
Ze zat inderdaad in het volle zonlicht; de dansende stofjes verguldden het strak gespannen laken van haar amazone met een lichtend dons.
--Laat die store alsjeblieft op! riep ze. Ik houd wel van een zonnetje! Ik zit hier als in een warm bad.
En ongerust rees ze half op en wierp zij een blik in den tuin, om te zien of de tuinman daar nog was. Toen zij hem in het oog kreeg, neergehurkt, niets anders toonende dan den ronden rug van zijn blauw boezeroen, ging ze weer gerustgesteld zitten. Rougon, die haar blik gevolgd had, liet de store los, terwijl zij zich vroolijk over hem maakte. Hij was dus als de uilen, hij zocht de schaduw op. Maar hij werd niet boos en liep naar het midden der kamer, zonder eenige spijt te laten merken. Zijn groot lichaam had de langzame bewegingen van een beer, die op een verraderlijken streek zint.
Toen hij zich aan andere einde der kamer bevond, bij een breede sofa, waarboven een groote photographie hing, riep hij haar:
--Kijk eens even hier, zei hij. Hebt u mijn laatste portret al eens gezien?
Zij strekte zich nog gemakkelijker in haar fauteuil uit, en antwoordde glimlachend:
--Ik zie het van hier wel.... U hebt het me trouwens al meer laten zien.
Hij liet zich niet uit het veld slaan. Hij was de store van het tweede venster gaan neerlaten, en hij verzon nog een paar andere voorwendsels, om haar in dat halfdonkere hoekje te lokken, waar het zoo aangenaam was, zei hij. Zij antwoordde niet, vol minachting voor dien groven strik, ze schudde met het hoofd van neen. Daarop, ziende dat zij hem begrepen had, kwam hij met saamgevouwen handen voor haar staan; hij liet zijn listen varen en daagde haar openlijk uit.
--Dat is waar ook!... Ik wou u Monarque laten zien, mijn nieuw paard. U weet dat ik geruild heb.... U houdt veel van paarden, u moet me uw opinie eens zeggen.
Ze weigerde weer. Maar hij bleef aandringen, de stal was vlak bij, het zou hoogstens vijf minuten duren. En toen zij neen bleef zeggen, liet hij zich op bijna minachtenden toon ontvallen:
--O, u is niet moedig!
Dat had de uitwerking van een zweepslag. Ze stond op, ernstig en wat bleek.
--Laten we Monarque gaan zien, zei zij eenvoudig.
Ze wierp den sleep van haar amazone reeds over haar linkerarm. Ze keek hem diep in de oogen. En zoo keken zij elkander een oogenblik aan, alsof zij elkanders gedachten konden lezen. 't Was een uitdaging, die gedaan en aangenomen werd, zonder eenige omzichtigheid. En zij ging vooruit de drie treden van het stoepje af, terwijl hij met een werktuigelijke beweging zijn kamerjasje dichtknoopte. Maar ze had nog geen drie schreden in de laan gedaan of zij bleef stilstaan.
--Wacht, zei ze.
Ze ging de kamer weer in. Toen zij terugkwam, hield zij spelend de karwats in haar hand, die zij achter een kussen van de sofa had laten liggen. Rougon keek schuins naar de karwats en toen naar Clorinde. Nu glimlachte zij. Zij ging weer voor hem uit.
De stal stond achter in den tuin. Toen zij voorbij den tuinman kwamen, raapte deze juist zijn gereedschappen bij elkaar; hij was op het punt van heen te gaan. Rougon keek op zijn horloge; het was vijf minuten over elven, de staljongen zou wel aan zijn ontbijt zijn. En blootshoofds liep hij in de brandende zon achter Clorinde aan, die langzaam voortwandelde, links en rechts met haar karwats tegen de groene boomen slaande. Ze spraken geen woord. Zij keerde zich zelfs niet om. Toen zij aan den stal gekomen was, liet zij Rougon de deur openen en trad ze voor hem binnen. De deur, die te hard teruggestooten werd, viel met een dreunend geluid dicht, zonder dat zij ophield te glimlachen. Een kinderlijk vertrouwen stond op haar gelaat te lezen.
't Was een doodgewone, kleine stal, met vier eikenhouten beschotten. Ofschoon men den vloer 's morgens pas geschrobd had, en het houtwerk, de ruiven en de kribben zeer zindelijk gehouden werden, rook het er toch sterk. Er heerschte een vochtige warmte, als in een bad. Het daglicht drong door twee ronde dakramen naar binnen; twee lichte strepen waren zichtbaar tegen de donkere zoldering, maar in de hoeken langs den grond bleef het donker. Clorinde, uit het volle daglicht komende, onderscheidde aanvankelijk niets; maar ze wachtte, ze deed de deur niet weer open, om niet bang te schijnen. Twee afdeelingen waren alleen bezet. De paarden wendden snuivend den kop om.
--Die is het, niet waar? vroeg zij, toen haar oogen aan de duisternis gewend waren. Hij ziet er heel goed uit.
Ze klopte het zachtjes op het kruis. Toen streelde ze hem op den rug, zonder de minste vrees te doen blijken. Ze wou zijn kop eens zien, zei ze.
En toen ze vlak bij de ruif stond, hoorde Rougon haar een paar stevige zoenen op den neus van het paard drukken. Die zoenen maakten hem wanhopig.
--Kom toch hier, riep hij. Als hij uitsloeg, zou hij u verpletteren.
Maar zij lachte, zoende het dier nog harder, sprak hem vriendelijk toe, terwijl er een trilling over zijn zijdeachtige huid ging, alsof die onverwachte liefkoozingen hem goed deden. Eindelijk kwam zij weer te voorschijn. Zij zei dat ze dolveel van paarden hield, dat zij haar wel kenden, dat zij haar nooit kwaad deden, zelfs al plaagde zij ze. Ze wist hoe ze er mee moest omgaan. Ze waren heel gevoelig voor liefkoozingen. Dit paard zag er al heel goedig uit. En zij hurkte achter hem neder en lichtte met beide handen een van zijn pooten op om den hoef te onderzoeken. Het paard liet het gewillig toe.
Rougon keek naar haar, terwijl ze zoo neergehurkt zat. Wanneer zij zich voorover boog, spanden haar heupen het laken van haar amazone. Hij zei niets meer; het bloed steeg hem naar de keel; een beschroomdheid, aan zinnelijke lieden eigen, kwam over hem. Toch ging hij er toe over zich te bukken. Toen voelde zij een zachte aanraking onder haar oksels, zoo zacht, dat zij voortging met haar onderzoek van den paardenhoef. Rougon haalde diep adem en stak plotseling zijn handen verder uit. En zij bleef heel kalm, alsof ze dat verwacht had. Ze liet den hoef los, en zonder zich om te keeren zei ze:
--Wat scheelt u? wat gaat ge nu beginnen?
Hij wou haar om het middel vatten, maar zij tikte hem op de vingers, terwijl ze er bijvoegde:
--Handjes thuis, alsjeblieft! Ik ben evenals de paarden erg kittelachtig....
Ze lachte, alsof ze het niet begreep. Toen zij Rougon's warmen adem in haar hals voelde, stond zij op, met de veerkracht van een stalen springveer; ze ontsnapte en ging met den rug tegen den muur staan, tegenover de paarden.
Hij volgde haar met uitgestrekte handen, en trachtte van haar te grijpen wat hij maar kon. Maar zij maakte zich een schild van haar sleep, dien zij over haar linkerarm sloeg, terwijl haar opgeheven rechterhand de karwats hield. Hij stond met trillende lippen voor haar, en sprak geen woord. Zij praatte steeds voort, volkomen op haar gemak.
--U kunt me toch niet aanraken! zei ze. Ik heb les in het schermen gehad, toen ik jong was. Het spijt me zelfs dat ik er niet mee voortgegaan ben.... Pas op uw vingers. Daar, wat heb ik u gezegd?
Zij scheen te spelen. Ze sloeg niet hard, maar telkens als hij zijn handen waagde uit te steken, gaf ze hem een striem. En ze was zoo vlug en behendig dat hij niet eens meer haar kleeren kon aanraken. Eerst had hij haar bij de schouders willen grijpen; maar na een paar tikken met de karwats, had hij het op haar middel voorzien, en toen hij daar ook slecht ontvangen werd, had hij zich verraderlijk tot aan haar knieën gebukt, echter niet vlug genoeg om een regen van lichte zweepslagen te vermijden, zoodat hij genoodzaakt was zich weer op te richten. 't Was een hagelbui van slagen, links en rechts, waarbij men de karwats duidelijk hoorde klappen.
Rougon, die zijn huid voelde gloeien, week een oogenblik terug. Hij was nu vuurrood, zweetdroppels parelden hem op het voorhoofd. De sterke stallucht bedwelmde hem; de halve duisternis, waarin de warme damp van de paarden opsteeg, prikkelde hem tot het uiterste. Toen veranderde het spel. Hij wierp zich nu onstuimiger op Clorinde. En zij, zonder dat zij ophield te glimlachen en te praten, deelde haar zweepslagen niet meer als vriendschappelijke tikjes uit, maar ze sloeg raak, met korte, krachtige slagen. Ze was mooi zoo, met haar rok strak om haar beenen gespannen, met haar lenige gestalte om haar nauwsluitend keurslijf, gelijk een vlugge, donkerblauwe slang. Wanneer zij met haar arm de lucht doorkliefde, vormde haar hals, ietwat achterovergebogen, een bekoorlijke lijn.
--Hoe is het, houdt u nog niet op? vroeg zij lachend. U zult het eerste moe worden, waarde vriend.