Zijn Excellentie Eugène Rougon

Part 1

Chapter 13,679 wordsPublic domain

ZOLA'S WERKEN (DE ROUGONS-MACQUARTS)

UIT HET FRANSCH VERTAALD DOOR J. J. SCHWENCKE

ZIJN EXCELLENTIE EUGÈNE ROUGON.

'S-GRAVENHAGE UTRECHT BLANKWAARDT & SCHOONHOVEN W. DE HAAN

TYP. ZUID-HOLL. BOEK- EN HANDELSDRUKKERIJ.

I.

De president stond nog, te midden van de lichte opschudding die zijn binnentreden had teweeg gebracht. Hij ging zitten en zei achteloos, op halfluiden toon:

--De zitting is geopend.

En hij rangschikte de wetsontwerpen, die op de schrijftafel voor hem lagen. Links van hem las een bijziende secretaris, met den neus op het papier, de notulen van de laatste vergadering, met een haastig gebrom waarnaar geen enkele afgevaardigde luisterde. In het verward gedruis van de zaal werd die stem slechts gehoord door de boden, die er zeer waardig, zeer correct uitzagen tegenover de achtelooze houdingen van de kamerleden.

Er waren geen honderd afgevaardigden aanwezig. Sommigen leunden met droomerige oogen, soezend achterover op de roodfluweelen banken. Anderen, over den rand van hun lessenaars gebogen, als onder de verveling van zulk een corvée als een openbare zitting, trommelden zachtjes met hun vingertoppen tegen het mahoniehout. Door het met glas overdekte vak in de zoldering, dat zich als een halve maan tegen den hemel afteekende, drong de regenachtige Meimiddag binnen en verlichtte gelijkmatig den statigen ernst van de zaal. Het licht daalde langs de banken als een breed, roodgekleurd laken, met een somberen gloed, hier en daar, in de hoeken der ledige banken, verhelderd door een lichtrooden weerschijn; terwijl achter den president de naakte beelden en beeldhouwwerken helderwitte schijnsels vormden.

Een afgevaardigde was bij de derde bank rechts in het smalle gangpad blijven staan. Met een nadenkend gezicht streek hij over zijn ruwen grijzenden ringbaard, en toen een bode voorbij ging, hield hij hem staande en richtte hij fluisterend een vraag tot hem.

--Neen, mijnheer Kahn, antwoordde de bode, mijnheer de president van den Raad van State is nog niet gekomen.

Toen ging mijnheer Kahn zitten. En zich plotseling tot zijn linkerbuurman wendend, vroeg hij:

--Zeg eens, Béjuin, heb je Rougon van morgen soms gezien?

Mijnheer Béjuin, een mager, donker mannetje met een stil uiterlijk, hief het hoofd op; hij keek bezorgd, zijn gedachten waren elders. Hij had het blad van zijn lessenaar uitgeschoven en hield zijn correspondentie op blauw papier, met gedrukt hoofd Béjuin & Cie, cristallerie de Saint-Florent.

--Rougon? herhaalde hij. Neen, ik heb hem niet gezien. Ik had geen tijd om langs den Raad van State te gaan.

En hij hervatte kalm zijn bezigheden. Hij raadpleegde een notitieboekje en schreef zijn tweeden brief onder het onduidelijk gebrom van den secretaris, die zijn notulen bijna teneinde had gelezen.

Mijnheer Kahn kruiste de armen en leunde achterover. Zijn forsche gelaatstrekken waarbij de groote welgevormde neus zijn joodsche afkomst verried, drukten gemelijkheid uit. Hij beschouwde de vergulde rozetten van het plafond, keek naar het geplas van een stortbui, die boven de glazen lantaarn losbarstte; toen dwaalden zijn blikken weer af naar den grooten muur tegenover hem, waarvan hij de kunstig samengestelde versieringen met aandacht scheen te bestudeeren. Aan weerszijden bleef zijn blik een oogenblik rusten op de met groen fluweel overtrokken paneelen, vol attributen met vergulde omlijstingen. Nadat hij daarop de zuilenparen bekeken had, waartusschen de allegorische beelden van de Vrijheid en de Publieke orde hun marmeren gelaat met hun ziellooze oogen vertoonden, verdiepte hij zich ten slotte in de beschouwing van het groen zijden gordijn, waarachter het fresco verborgen was, dat Louis-Philippe voorstelde, de Grondwet bezwerende.

Intusschen was de secretaris gaan zitten. Het bleef rumoerig in de zaal. De president doorbladerde kalm zijn papieren. Werktuigelijk drukte hij op den knop van de schel, wier luide klank geen van de particuliere gesprekken stoorde. En te midden van het gedruis bleef hij daar een oogenblik staan wachten.

--Mijne heeren, begon hij, ik heb een brief ontvangen....

Hij zweeg even om nogmaals te schellen, weer wachtende, met zijn ernstig gelaat, waarop de verveling te lezen stond, boven het monumentale bureau uitziende, dat onder hem zijn met wit marmer omlijste roodmarmeren paneelen vertoonde. Zijn dichtgeknoopte jas vormde een zwarte plek op het bas-relief achter het bureau, waarop zij de ruimgeplooide mantels van den Landbouw en de Nijverheid met een zwarte lijn doorsneed.

--Mijne heeren, hernam hij, toen hij zich eenigszins verstaanbaar kon maken, ik heb een brief van mijnheer de Lamberthon ontvangen, waarin hij zich verontschuldigt dat hij heden de zitting niet kan bijwonen.

Er werd zachtjes gelachen op een bank, de zesde tegenover het bureau. Het was een piepjong afgevaardigde, hoogstens acht en twintig jaar oud, blond en beminnelijk, die in zijn blanke handen den helderen lach van een mooie vrouw smoorde. Een zijner collega's schoof drie plaatsen naderbij om hem fluisterend te vragen:

--Heeft Lamberthon werkelijk zijn vrouw gevonden? Vertel me dat toch eens, La Rouquette.

De president had een handvol papieren opgenomen. Hij sprak met eentonige stem; enkele volzinnen werden slechts gedeeltelijk achter in de zaal gehoord.

--Er zijn aanvragen om ontslag .... mijnheer Blachet, mijnheer Buquin-Lecomte, mijnheer de la Villardière....

En terwijl de kamer de aanvragen om ontslag inwilligde, had mijnheer Kahn, dien het zeker verveelde naar het groen zijden gordijn voor het afbeeldsel van Louis-Philippe te kijken, zich halverwege omgekeerd om de tribunes te monsteren. Boven den geelmarmeren ondermuur vertoonde een enkele rij tribunes van zuil tot zuil roodfluweelen balustrades, terwijl geheel bovenaan een gegaufreerd lederen lambrequin de leege ruimte niet geheel verbergen kon, die ontstaan was door de opheffing van de tweede rij, vóór het keizerrijk, voor de pers en het publiek bestemd. Tusschen de dikke, gele pilaren, die hun ietwat logge statigheid rondom den halven cirkel vertoonden, bevonden zich de smalle loges, in halfduister gehuld, bijna ledig, door drie of vier lichte damestoiletjes opgevroolijkt.

--Zoo, kolonel Jobelin is gekomen, mompelde mijnheer Kahn.

Hij lachte den kolonel, die hem opgemerkt had, toe. Kolonel Jobelin droeg de donkerblauwe overjas, die hij sedert zijn pensionneering bij wijze van burgerlijke uniform droeg. Hij bevond zich geheel alleen op de rentmeesters-tribune en droeg zijn officiersrozet, zoo groot, dat het de strik van een foulard geleek.

Meer naar links had mijnheer Kahn een jongen man en een jonge vrouw opgemerkt, die teeder tegen elkander aangevlijd zaten, in een hoekje van de tribune van den Raad van State. De jonge man boog zich telkens fluisterend tot de jonge vrouw over, die teeder glimlachte, zonder hem aan te zien, de oogen gevestigd op het allegorisch beeld van de Publieke orde.

--Zeg, Béjuin? fluisterde de afgevaardigde, terwijl hij zijn collega met de knie aanstiet.

Mijnheer Béjuin was aan zijn vijfden brief. Hij keek verschrikt op.

--Zie je daar boven den kleinen d'Escorailles en de mooie mevrouw Bouchard niet? Ik wed dat hij haar in haar heupen knijpt. Zij kijkt zoo kwijnend. Alle vrienden van Rougon schijnen hier dus bijeen te zijn. Daar heb je op de publieke tribune mevrouw Correur ook, en het echtpaar Charbonnel.

De schel van den minister weerklonk, langer ditmaal. Een bode riep met een mooie basstem "Stilte, heeren!" Men luisterde. En de president sprak dezen volzin, waarvan geen enkel woord verloren ging:

--Mijnheer Kahn vraagt machtiging om de rede te laten drukken, die hij gehouden heeft bij de discussie over het wetsontwerp betreffende de vaststelling van een gemeentebelasting op paarden en rijtuigen, binnen Parijs rondrijdende.

Een zacht gemompel liep door de banken, en de gesprekken werden hervat. Mijnheer la Rouquette was naast mijnheer Kahn gaan zitten.

--U werkt dus voor het volk? zei hij schertsend.

En zonder zijn antwoord af te wachten, ging hij voort:

--Hebt u Rougon niet gezien, hebt u niets vernomen?.... Iedereen heeft er den mond vol van. Het schijnt dat er nog niets zeker is.

Hij keerde zich om en keek op de klok.

--Al tien minuten voor half drie! Ik was al lang heengegaan, als dat drommelsche rapport niet voorgelezen werd!... Zou het bepaald vandaag gebeuren?

--We zijn tenminste allen gewaarschuwd, antwoordde mijnheer Kahn. Ik heb van geen tegenorder gehoord. U zult verstandig doen te blijven. Straks komen de vierhonderd duizend francs voor den doop in stemming.

--Zonder twijfel, hernam mijnheer La Rouquette. De oude generaal Legrain die nu in beide beenen lam is, heeft zich door zijn knecht hierheen laten dragen; hij wacht in de conferentie zaal op den uitslag der stemming.... De keizer rekent terecht op de toewijding van het heele Wetgevend lichaam. Bij deze feestelijke gelegenheid mag niemand van ons hem zijn stem onthouden.

De jonge afgevaardigde had groote moeite gedaan om zich het ernstige voorkomen van een politiek man te geven. Zijn popperig gezicht, door eenige vlasblonde haartjes opgevroolijkt, wiegelde met een aanmatigende uitdrukking boven zijn das heen en weer. Hij scheen een oogenblik te genieten van de twee welsprekende volzinnen, die hij gevonden had. Toen barstte hij plotseling in een schaterlach uit.

--Goede hemel! zei hij, wat zien die Charbonnels er grappig uit!

Toen maakten mijnheer Kahn en hij allerlei grappen ten koste van de Charbonnels. De vrouw droeg een opzichtige gele sjaal, de man een jas, waaraan geen vorm of snit te bekennen viel; en beiden, dik, rood, ineengedrongen, leunden bijna met de kin op de fluweelen balustrade, om des te beter de zitting te kunnen volgen, waarvan hun opeengesperde oogen niets schenen te begrijpen.

--Als Rougon valt, mompelde mijnheer La Rouquette, geef ik geen duit voor het proces van de Charbonnels.... Net als mevrouw Correur....

Hij boog zich naar het oor van mijnheer Kahn en ging zachter voort:

--Ge kent Rougon immers? Zeg me toch eens wie die mevrouw Correur eigenlijk is. Ze heeft een hôtel gehouden, niet waar? Vroeger logeerde Rougon er wel. Ze moet hem zelfs geld geleend hebben. En wat voert ze nu uit?

Mijnheer Kahn was heel ernstig geworden. Hij streek langzaam over zijn ringbaard.

--Mevrouw Correur is een zeer achtenswaardige vrouw, zei hij kortaf.

Dat antwoord maakte een einde aan de nieuwsgierigheid van mijnheer La Rouquette. Hij kneep de lippen opeen, als een schooljongen die een terechtwijzing ontvangen heeft. Beiden keken een oogenblik zwijgend naar mevrouw Correur, die dicht bij de Charbonnels zat. Ze droeg een mauve zijden japon, zeer opzichtig, met veel kant en juweelen; ze had een blozend gelaat, blonde krulletjes op het voorhoofd en een gevulden hals, die ondanks haar acht en veertig jaren nog heel mooi was.

Plotseling hoorde men achter in de zaal een deur opengaan; een geritsel van rokken deed iedereen omkijken. Een groot meisje, van een opmerkelijke schoonheid, heel vreemd gekleed, in een slecht gemaakte zeegroene satijnen japon, was de loge van het Corps diplomatique binnengekomen, gevolgd door een in het zwart gekleede, bejaarde dame.

--Kijk, de mooie Clorinde! mompelde mijnheer La Rouquette, terwijl hij opstond om op goed geluk te groeten.

Mijnheer Kahn was eveneens opgestaan. Hij boog zich naar mijnheer Béjuin over, die bezig was zijn brieven in enveloppen te doen.

--Zeg, Béjuin, fluisterde hij, de gravin Balbi en haar dochter zijn er. Ik ga ze even vragen of ze Rougon niet gezien hebben.

De president had intusschen een nieuwen bundel papieren opgenomen. Zonder dat hij met lezen ophield, wierp hij een blik op de mooie Clorinde Balbi, wier verschijning een gefluister in de zaal had doen ontstaan. En terwijl hij de papieren een voor een aan zijn secretaris overreikte, las hij, zonder op punten of komma's te letten, in éen adem door:

--Aanbieding van een wetsontwerp ter opschorting van de heffing eener nieuwe stedelijke belasting in Rijssel.... Aanbieding van een wetsontwerp betreffende de samensmelting van de gemeenten Doulevant-le-Petit en Ville-en-Blaisais (Haute Marne)..

Toen mijnheer Kahn terugkwam, was hij zeer terneergeslagen.

--Niemand heeft hem gezien, zei hij tot zijn collega's Béjuin en La Rouquette, die hij onder aan de trap ontmoette. Men heeft me verzekerd dat de keizer hem gisteren bij zich ontboden had, maar ik weet niet wat de uitslag van hun onderhoud is geweest.... 't Is vreeselijk vervelend, als men niet weet waaraan men zich te houden heeft.

Mijnheer La Rouquette fluisterde achter zijn rug mijnheer Béjuin in het oor:

--Die arme Kahn zit geducht in angst dat Rougon met de Tuileriën in onmin geraakt. Hij zou naar zijn spoorweg kunnen fluiten.

Toen klonk het heel ernstig uit den mond van mijnheer Béjuin, die weinig sprak:

--Als Rougon uit den Raad van State treedt, zal het voor iedereen een groot verlies zijn.

En hij wenkte een bode, om de brieven, die hij zooeven geschreven had, naar de post te laten brengen.

De drie afgevaardigden bleven links van het bureau staan. Ze spraken heel voorzichtig over de ongenade die Rougon boven het hoofd hing. Het was een ingewikkelde geschiedenis. Een verre bloedverwant van de keizerin, een zekere heer Rodriguez, eischte sinds 1808 van de Fransche regeering een som van twee millioen. Tijdens den oorlog in Spanje, was een koopvaardijschip, geladen met suiker en koffie, en toebehoorende aan dien Rodriguez, die reeder was, door een onzer fregatten, de Vigilante, buitgemaakt in de golf van Biscaje en naar Brest gevoerd. Op het voorloopig onderzoek door de plaatselijke commissie ingesteld, besloot de officier van administratie tot de geldigheid der prijsverklaring, zonder het prijsgerecht daarin te kennen. Inmiddels had Rodriguez zich gehaast zijn zaak bij den Raad van State aanhangig te maken. Daarop was hij gestorven en zijn zoon had onder de opvolgende regeeringen te vergeefs getracht de zaak voor de rechtbank te brengen, totdat eindelijk een enkel woord van zijn alvermogende achternicht het proces weer op de rol bracht.

Boven hun hoofden hoorden de drie afgevaardigden de eentonige stem van den president, die voortging:

--Aanbieding van een wetsontwerp om het departement Calvados te machtigen tot het aangaan eener leening van drie honderdduizend francs.... Aanbieding van een wetsontwerp om de stad Amiens te machtigen tot het aangaan eener leening van twee honderdduizend francs voor den aanleg van nieuwe wandelwegen.... Aanbieding van een wetsvoorstel om het departement Côtes-du-Nord te machtigen tot het aangaan eener leening van driehonderd vijfenveertig duizend francs, bestemd om het tekort van de laatste vijf jaren te dekken....

--De waarheid is, zei mijnheer Kahn, terwijl hij zijn stem nog meer liet dalen, dat de bewuste Rodriguez iets heel vernuftigs verzonnen had. Met een zijner schoonzoons, die te New-York gevestigd was, bezat hij gelijksoortige schepen, die naar gelang van de gevaren, aan den overtocht verbonden, onder amerikaansche of onder spaansche vlag voeren.... Rougon heeft me verzekerd dat het prijsgemaakte schip wel degelijk van hem was, en dat er hoegenaamd geen reden bestond om aan zijn eischen recht te laten wedervaren.

--En dat te meer, voegde mijnheer Béjuin er aan toe, omdat er geen fout in den vorm is. De officier van administratie te Brest was volkomen gerechtigd om tot de geldigheid van de prijsverklaring te besluiten, zonder er het prijsgerecht in te kennen.

Er ontstond een stilte. Mijnheer La Rouquette, die tegen den marmeren ondermuur geleund stond, hief het hoofd op en trachtte de aandacht van de mooie Clorinde tot zich te trekken.

--Maar, vroeg hij naïef, waarom wil Rougon niet hebben dat men dien Rodriguez zijn twee millioen teruggeeft? Wat kan hem dat schelen?

--Dat is een gewetenszaak, zei mijnheer Kahn ernstig.

Mijnheer La Rouquette keek zijn beide collega's beurtelings aan; maar toen hij hun plechtige gezichten zag, glimlachte hij zelfs niet.

--En dan, ging mijnheer Kahn voort, als in antwoord op de dingen die hij niet hardop zei, Rougon heeft allerlei verdrietelijkheden sinds Marsy minister van Binnenlandsche zaken is. Zij hebben elkander nooit mogen lijden.... Rougon verzekerde me dat hij al lang van het staatstooneel zou afgetreden zijn, als hij niet zoo gehecht was aan den keizer, wien hij al zooveel diensten bewezen heeft.... Nu hij niet meer zoo gezien is aan het hof, voelt hij de noodzakelijkheid zich voor eenigen tijd in het private leven terug te trekken.

--Hij handelt als een eerlijk man, herhaalde mijnheer Béjuin.

--Ja, zei mijnheer la Rouquette met een fijn lachje, hij heeft nu een goede gelegenheid om zich terug te trekken.... Maar hoe het ook zij, het zal zijn vrienden danig spijten. Zie maar eens hoe ongerust die kolonel daar boven kijkt; hij rekende er zoo stellig op den vijftienden Augustus zijn rood ordelint om den hals te kunnen hangen.... En de mooie mevrouw Bouchard had zich plechtig voorgenomen dat de waardige mijnheer Bouchard binnen een half jaar afdeelingschef aan Binnenlandsche zaken zou worden! De kleine d'Escorailles, het troetelkindje van Rougon, zou op mevrouw's naamdag zijn aanstelling onder mijnheer Bouchard's servet leggen.... Hé, waar zitten ze toch, de kleine d'Escorailles en de mooie mevrouw Bouchard?

De heeren zochten hen. Eindelijk ontdekten zij ze achter op de tribune, waar zij bij de opening der zitting op de eerste bank gezeten hadden. Ze hadden zich achter een ouden, kaalhoofdigen heer verschanst; ze zaten daar heel stilletjes in de schaduw, en waren beiden heel rood.

Op dit oogenblik was de president aan het eind van zijn voorlezing gekomen. De laatste woorden klonken ietwat dof, alsof zijn stem moeite had de barbaarsche ruwheid van den volzin uit te spreken:

--Aanbieding van een wetsvoorstel tot autorisatie van de verhooging van den rentevoet van een leening, toegestaan bij de wet van 9 Juni 1853, en een buitengewone belasting voor het departement la Manche.

Mijnheer Kahn was intusschen een afgevaardigde te gemoet gegaan, die juist binnenkwam. Hij bracht hem mee, met de woorden:

--Hier is mijnheer de Combelot. Hij zal ons wel wat weten te vertellen.

Mijnheer de Combelot, een kamerheer dien het departement des Landes op een uitdrukkelijken wensch van den keizer tot afgevaardigde benoemd had, maakte een buiging en wachtte bescheiden af, dat men hem ondervroeg. Het was een groote knappe man, zeer blank, met een gitzwarten baard, waaraan hij vele gunstbewijzen der dames te danken had.

--Nu, vroeg mijnheer Kahn, wat zegt men op het kasteel? Wat heeft de keizer besloten?

--Goede hemel, antwoordde mijnheer de Combelot lispelend, men zegt zooveel. De keizer koestert de grootste vriendschap voor den president van den Raad van State. Het is zeker dat het onderhoud zeer vriendschappelijk is geweest.... Ja, het is zeer vriendschappelijk geweest.

En hij hield op, na zijn woorden gewikt en gewogen te hebben, uit vrees dat hij te veel zou zeggen.

--Dus is de aanvraag om ontslag teruggenomen? hernam mijnheer Kahn, wiens oogen begonnen te schitteren.

--Dat heb ik niet gezegd, hernam de kamerheer ongerust. Ik weet niets. U begrijpt, mijn positie is van bijzonderen aard....

Hij sprak niet verder, en met een glimlach ging hij haastig naar zijn bank.

Mijnheer Kahn haalde de schouders op, en zich tot mijnheer La Rouquette wendend:

--Dat is waar ook, u zult wel op de hoogte van den toestand zijn! Vertelt mevrouw de Lorentz, uw zuster, u dan niets?

--O, mijn zuster is nog meer gesloten dan mijnheer de Combelot, zei de jonge afgevaardigde lachend. Sedert zij hofdame is, neemt zij een houding aan als een minister.... Maar gisteren verzekerde ze mij toch dat het ontslag aangenomen zou worden.... Ik moet u er toch een grap van vertellen. Het schijnt dat men een dame heeft afgezonden om Rougon te vermurwen. Weet u wat Rougon gedaan heeft? Hij heeft de dame de deur gewezen; en u moet weten dat ze allerliefst was.

--Rougon is kuisch, verklaarde mijnheer Béjuin plechtig.

Mijnheer La Rouquette proestte het uit van lachen. Hij sprak dat tegen; hij had het met feiten kunnen staven, als hij gewild had.

--Dus, fluisterde hij, mevrouw Correur....

--Geen denken aan! zei mijnheer Kahn, u kent die geschiedenis niet.

--Nu dan, de mooie Clorinde!

--Dwaasheid. Rougon is te verstandig om zich met die feeks af te geven.

En de heeren staken de hoofden bijeen en begonnen een zeer gewaagd gesprek, met heel onbetamelijke woorden. Ze vertelden elkander de anecdotes, die over de twee Italiaansche dames, moeder en dochter, in omloop waren; het waren half gelukzoeksters, half dames uit de groote wereld; men zag ze overal waar veel menschen bijeenkwamen: bij de ministers, in de avant-scènes van de kleine schouwburgen, op mode-badplaatsen, in kleine afgelegen herbergen. De moeder, verzekerde men, had een koning tot vader; de dochter, onbekend met de Fransche gebruiken, waardoor zij een origineele, slecht opgevoede "feeks" werd, liet paarden op wedrennen dood draven, vertoonde op regenachtige dagen haar vuile kousen en scheefgeloopen laarzen op de trottoirs, zocht met onbeschaamde glimlachjes als een volwassen vrouw een echtgenoot. Mijnheer La Rouquette vertelde dat zij op een balavond bij den Italiaanschen gezant, ridder Rusconi, gekomen was als Diana, de godin der jacht, zoo ongekleed dat zij den volgenden dag bijna ten huwelijk gevraagd was door den ouden senator de Nougarède, een eersten liefhebber. En gedurende dat verhaal keken de drie afgevaardigden telkens naar de mooie Clorinde, die tegen het reglement in de kamerleden een voor een door een grooten tooneelkijker beschouwde.

--Neen, neen, herhaalde mijnheer Kahn, zoo gek zou Rougon nooit zijn!.... Hij zegt dat ze heel schrander is, hij noemt haar lachend "juffrouw Machiavel". Hij vindt haar aardig, dat is alles.

--Hoe dat ook zij, besloot mijnheer Béjuin, ik vind dat Rougon liever moest trouwen.... Dat vestigt een man.

Toen kwamen zij alle drie overeen welke vrouw Rougon het best zou passen: een vrouw van zekeren leeftijd, minstens vijf en dertig jaar, rijk en die zijn huis op een hoogst fatsoenlijken voet zou besturen.

Intusschen ontstond er een groote beweging. Zij waren zoo verdiept in hun onkiesche praatjes, dat zij niet eens bemerkten wat er om hen heen voorviel. Achter in de gangen hoorde men de boden roepen: "Ter zitting, heeren, ter zitting!" En de afgevaardigden kwamen van alle kanten door de massief mahoniehouten deuren, waarvan de openstaande vleugels de gouden sterren van hun paneelen vertoonden. De zaal, tot dusver half ledig gebleven, werd langzamerhand gevuld. De groepjes, die uit verveling van de eene bank tot de andere hadden zitten praten, de slapers, die hun gegeeuw onderdrukten, gingen verloren in den wassenden vloed. Terwijl de leden rechts en links plaats namen, drukten zij elkander de hand of lachten elkander toe; een zelfde familietrek vertoonde zich op hun gelaat, het bewustzijn van den plicht waarvan zij zich kwamen kwijten. Een dikke man, op de achterste bank links, die al te vast ingedut was, werd door zijn buurman gewekt; en toen deze hem een paar woorden had ingefluisterd, haastte hij zich een betamelijke houding aan te nemen en zich de oogen uit te wrijven. Nadat de zitting over allervervelendste onderwerpen voor de heeren geloopen had, begon zij nu van het grootste gewicht te worden.