Part 9
"Wat voer je hier uit, als ik vragen mag?" zeide hij, koud en hoog.
Een donkerroode blos kleurde hare wangen, haar voorhoofd, en verdween toen weer, zoodat zelfs hare lippen wit werden, maar zij gaf geen antwoord.
"Ik veronderstel, dat je van school bent weggeloopen," vervolgde hij, op denzelfden koelen toon. "Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen?"
Judy sprak noch verroerde zich, zij staarde hem alleen aan met even geopenden mond.
"Heb je iets tot je verontschuldiging te zeggen, Helen?" herhaalde hij.
"Neen, vader," zeide zij.
Haar gelaat toonde een moeden, pijnlijken trek, die hem anders zeker zou getroffen hebben, maar hij was thans te vertoornd, om dit op te merken.
"Volstrekt geene verontschuldiging of geldige reden?"
"Neen vader!"
Hij ging terug naar het luik. "In anderhalf uur vertrekt een trein, je reist daarmede van hier," zeide hij, met bedaarde stem. "Ik zal maatregelen nemen om je op school te doen bewaken, nu ik zie, dat je niet te vertrouwen bent. Je komt met Kerstmis niet thuis, en waarschijnlijk ook niet met de zomervacantie!"
Dit was even goed als een doodvonnis. De zolder draaide voor Judy's oogen in het rond, in hare ooren zong en gonsde het.
"Kom!" zeide de kapitein. Judy snakte naar adem, zij hijgde en begon te hoesten.
Zij hoestte vreeselijk, haar tenger lichaam beefde. Dit duurde zoo twee of drie minuten, hoewel zij den zakdoek voor den mond hield om te beproeven, het hoesten tegen te gaan.
Zij was zeer bleek, toen zij tot bedaren kwam, en voor het eerst merkte hij op, hoe hol hare wangen waren.
"Het is beter, dat je eerst mede naar huis komt," zeide hij minder hard, "dan kunnen wij zien of Esther niet iets voor den hoest heeft."
En toen snakte hij op zijne beurt naar adem, en werd zijn gebronsd gelaat vaalbleek.
Want roode, vreeselijke vlekken bezoedelden het wit van den doek, dien het kind van haar mond had genomen.
HOOFDSTUK XIV.
DE UITNOODIGING VAN DEN SQUATTER.
En dus werd er geen dogcart voor Judy ingespannen, zij werd niet naar den trein gebracht, zij behoefde niet beschaamd onder haar schoolkameraadjes terug te keeren, zij had niet het vooruitzicht van lange maanden, die zonder vacantie voorbij zouden gaan.
Maar, in de plaats daarvan, een warm, zacht bed, en versterkend voedsel, en vriendelijke woorden, en onafgebroken zorg. Want de avontuurlijke tocht, de gebrekkige voeding, en de twee nachten in de open lucht hadden het meisje inderdaad in een gevaarlijken toestand gebracht. De eene long was ernstig aangedaan, had de dokter gezegd; het was hem een raadsel, zeide hij tot hare huisgenooten, hoe zij het nog zoo lang uitgehouden had; een gewoon meisje zou reeds lang allen moed verloren, en zich te bed gelegd hebben. Maar hij zeide dit, omdat hij den onbuigzamen geest en de vaste energie niet kende, die Judy's voornaamste karaktertrekken waren.
"Hadt je in het geheel geen pijn?" vraagde hij, verbaasd door het feit, zulk eene stemming en zulk een ernstigen toestand tegelijkertijd aan te treffen.
"Jawel, soms in mijne zijde!"--antwoordde zij achteloos.--"Hoe lang zal het nog duren voor ik op kan staan, dokter?"
Deze vraag stelde zij hem iederen morgen, hoewel, om de waarheid te zeggen, zij met waren angst dacht aan het oogenblik, waarop zij hersteld verklaard zou worden.
Zij gevoelde eene loomheid en moeheid in hare beenen, die haar deed twijfelen, of zij ooit weer ver zou kunnen loopen, en een meer bescheiden teeken van beterschap versmaadde zij. Buitendien bespeurde zij eene knagende pijn onder de armen, en als zij hoestte, stond zij de hevigste benauwdheid uit.
Toch was zij niet ziek genoeg om niet belang te stellen in alles, wat er om haar heen gebeurde, en verlangde, dat de anderen haar zouden vertellen, wat buitenshuis voorviel--wie het gelukkigst was geweest bij het cricketspel, welke bloemen ontloken waren in het weelderige hoekje van den tuin, dat haar toebehoorde, hoe vele eieren de kippen per dag legden, hoe het met het aantal der Guineesche biggetjes en der kanaries gesteld was, en welke schoenen of kleeren de nieuwe jonge hond vernield had.
En Bunby bracht dikwijls zijne witte muizen en zijn blind marmotje in hare kamer en liet de diertjes los over haar deken loopen, en Pip zat meestal te timmeren aan een klein tafeltje dicht bij haar bed, zoodat zij ieder nieuw werk kon zien en de vorderingen kon gadeslaan.
Meg, die haar omgang met Aldith bijna geheel verbroken had, wijdde zich met hart en ziel aan de verpleging van hare zuster; zij gaf haar allerlei kleine geschenken--een schoenentasch, met verschillende afdeelingen, een zakje voor kam en borstel, met het monogram J. W. in rose zijde daarop geborduurd, een klein werkmandje met naaldenboekje, speldenkussen en verder toebehooren. Judy vreesde, dat zij na haar herstel nu ook verplicht zou zijn netjes te worden.
Het genoegen, dat haar de geschenkjes blijkbaar veroorzaakten, deed een geest van mededinging onder de anderen ontwaken.
Eens was Pip een geheelen dag onzichtbaar; eerst in den avond vertoonde hij zich weer, en liep trots naar het bed. Hij had eene kleine chiffonière gemaakt, waarvan drie laden werkelijk, hoewel met groote omzichtigheid, geopend konden worden.
"Dit is niet voor poppenkleeren,"--zeide hij, nadat zij alle gebruikelijke betuigingen van dankbaarheid uitgeput had,--"want ik weet, dat je daar niet van houdt, maar je kunt er je kleine prullen in bewaren--haarlintjes, naaigereedschap, er is plaats genoeg."
Zij hoorden een geluid, alsof op de gang iets voortgesleept werd, en Bunby kwam de kamer binnen, achterwaarts loopende, en voortslepende een vreemd voorwerp, dat uit vijf of zes aaneengespijkerde planken bestond.
"Dit is een stoel," verklaarde hij, en veegde de bewijzen van zijne inspanning van zijn voorhoofd. "Ik zal er natuurlijk de een of andere stof over spijkeren, zoodat je er niet door kunt vallen; maar ik dacht, dat ik hem je nu wel eerst eens kon laten zien."
Er kwam een glimlach om Judy's lippen, maar zij dankte hem hartelijk.
"Ik wilde niet iets maken, waaraan je toch niets hadt, zooals Pip gedaan heeft!" vervolgde het kleine ventje, en hij keek verachtelijk naar de chiffonière. "Dit is iets wat je gebruiken kunt; als je weer opstaat, dan kan je er bij den haard op zitten, Judy, en lezen of naaien of iets anders doen. Je vindt dit ook mooier dan Pip's cadeautje, is het niet zoo?"
Judy wist behendig beide partijen te vriend te houden, door hen te vragen, de geschenken naast alle andere bij het hoofdeinde van haar bed te plaatsen.
"Wat zal je veel mee te nemen hebben, als je weer naar school gaat, Judy!" zeide Nell, terwijl zij de verzameling met een paar gehaakte mofjes en een wollen poppenlijfje verrijkte.
Maar Judy keek haar slechts verwijtend aan, en lag het overige gedeelte van den avond met haar hoofd naar den muur gekeerd.
Dit was het, wat haar al de veertien dagen van hare ziekte met angst vervuld had--de gedachte aan de school in de toekomst.
"Wat zal er met mij gebeuren, als ik weer beter ben, Esther?"--vraagde zij den volgenden morgen op gedrukten toon, toen hare stiefmoeder haar kwam bezoeken. "Spaart hij heel veel slaag voor mij op? En moet ik de eerste week weer terug?"
Esther stelde haar gerust.
"Deze drie maanden blijf je hier, en zeer waarschijnlijk de volgende drie maanden ook, Judy! Hij heeft gezegd, dat je met een paar der anderen naar buiten zult gaan, tot je weer geheel sterk geworden bent; en onder ons gezegd, geloof ik, dat je wel nooit weer de kostschool zult terug zien."
Toen deze vrees dus verdwenen was, ging Judy's gezondheid steeds sneller vooruit, zoodat haar krachtig gestel zelfs den dokter verbaasde.
Na drie weken liep zij weer door het huis, mager en met groote oogen, maar vol grappen en vol ondeugende plannen. De visites van den dokter werden gestaakt; hij zeide, dat tot nu toe alles naar wensch was gegaan, maar dat zij in eene andere omgeving moest komen en eenigen tijd geen zeelucht mocht inademen.
"Laat haar een paar maanden vrij in de buitenlucht loopen, Woolcot!" zeide hij bij zijn laatste bezoek; "er is tijd toe noodig, om al het gebeurde te boven te komen, en haar hare kracht en gezondheid te doen herkrijgen."
"Zeker, zeker; ik zal haar naar buiten sturen!" antwoordde de kapitein.
Hij kon den schrik niet vergeten, die hem vijf of zes weken geleden op den ouden zolder bevangen had, en zou er in toegestemd hebben haar naar de Sahara te brengen, indien dit noodig geoordeeld was geworden.
De dokter had hem mede gedeeld, dat hare longen zeer gevaarlijk aangedaan waren.
"Het is niet gezegd, dat zij aan tering moet sterven," had hij gesproken, "maar er is altijd gevaar voor deze vreeselijke kwaal in dergelijke gevallen. En de kleine Judy is zulk een wild rusteloos schepseltje; alles wat zij doet, doet zij met hart en ziel, en zij schijnt vreugde en leed duizendmaal dieper te gevoelen, dan andere kalmere naturen. Zorg goed voor haar, Woolcot; zij zal eens eene uitstekende vrouw worden--ja, eene buitengewone vrouw."
De kapitein rookte vier groote sigaren in de eenzaamheid van zijne studeerkamer, alvorens hij kon beslissen, hoe hij het best "goed voor haar kon zorgen".
Eerst bedacht hij, haar met Meg en de gouvernante voor eenigen tijd naar de bergen te zenden, maar dan rees de moeielijkheid, dat de andere drie in dien tijd geen onderwijs zouden genieten. Hij zou hen naar school kunnen zenden of eene andere gouvernante nemen; zeker, maar dan waren er weer de onkosten, die in overweging moesten genomen worden.
De meisjes alleen te laten gaan, daar kon geen sprake van zijn, want Meg had, niettegenstaande hare zestien jaren, getoond, niet veel meer dan een gansje te zijn; en op Judy moest toegezien worden. Toen dacht hij er aan, dat Esther er ook niet zeer goed uitzag; Judy's verpleging en de zorgen voor den Generaal bleken te veel voor haar te zijn geweest, en zij was lang niet meer de stralende, bloeiende Esther van vroeger. Hij wist, dat hij haar naar buiten moest laten gaan, en het kind eveneens, natuurlijk.
En dan dacht hij weer aan de onkosten. En aan de andere kinderen.
Hij herinnerde zich, dat de Kerstvacantie niet meer ver af was; wat zou er van het huis worden, indien Pip en Bunby en de twee jongste meisjes konden doen en laten wat zij wilden, en niemand het opzicht hield? Hij zuchtte diep, en klopte de asch van zijn vierden sigaar op het tapijt.
Toen kwam de brievenbesteller over het pad en voorbij het venster. Hij keek glimlachend en raakte zijn pet aan met een vergenoegden blik. Het was alsof hij wist, dat hij in een der brieven de oplossing bracht van het raadsel, dat op het voorhoofd van den kapitein ontelbare rimpels te voorschijn riep.
Een vijfde sigaar werd juist uit het kistje genomen, eene groeve vertoonde zich boven de linker wenkbrauw, een steek van iets dat zeer veel geleek op jicht gaf aanleiding tot een paar woorden "in eene vreemde taal," toen Esther binnenkwam met een glimlach om de lippen en een open brief in hare handen.
"Van moeder!" zeide zij. "Het schijnt, dat Yarrahappini haar te stil begint te worden, en dus vraagt zij mij, of ik met den Generaal eenige weken, bij haar kan komen?"
"Ha!" zeide hij.
Dit zou zeker een der moeielijkheden doen verdwijnen. Wel was het landgoed zeer ver weg, maar, het was Esthers vroegere tehuis, en zij had het niet weergezien sedert haar huwelijk. Daar zou zij zeer snel weer sterk worden.
"O, en Judy ook!"
"Ha!" zeide hij.
Twee rimpels verdwenen van zijn voorhoofd.
"En Meg, omdat ik schreef, dat zij er bleek uitzag." De kapitein legde zijn sigaar weer in het kistje. Hij vergat dat er iets bestond, wat jicht heette.
"De uitnoodiging kon nooit beter te pas zijn gekomen!" zeide hij. "Neem haar onvoorwaardelijk aan; niets kon beter geweest zijn; en het is een buitengewoon gezond klimaat. De andere kinderen kunnen--"
"O, vader vooral wenscht, dat Pip ook zal komen, omdat hij zulk een flinke jongen is."
"Op mijn woord, Esther, je ouders hebben harten vol ware menschenliefde. Is er nog iemand anders in de uitnoodiging begrepen?"
"Alleen maar Nell en Bunby en Baby. O, en moeder zegt, dat wanneer je ooit lust mocht hebben, eenige dagen te komen jagen, je haar altijd hartelijk welkom zult zijn."
"De gastvrijheid der squatters is wereldberoemd, maar dit overtreft alles, Esther!" De kapitein stond op, en rekte zich uit met het vergenoegde gelaat van een man, die zich verlost voelt van eene nachtmerrie. "Neem de uitnoodiging onvoorwaardelijk aan--voor allen. De gevolgen mogen zij zelf ondervinden; maar ik ben bang, dat men op Yarrahappini treurige ervaringen zal gemaakt hebben, eer de maand voorbij is!"
Hoe treurig deze ervaringen zouden zijn, kon hij toen in de verste verte niet vermoeden.
HOOFDSTUK XV.
DRIEHONDERD MIJLEN IN DEN TREIN.
Zij vulden eene geheele coupé--wel was er nog eene plaats open, maar men scheen niet begeerig die in te nemen, nadat men een haastigen blik naar binnen geworpen had.
Daar zaten zij met hun achten, en alleen Esther was degene, die toezicht hield--Esther in eene rose blouse, en met een matrozenhoedje, met een gelaat zoo stralend en ondeugend als dat van Pip. De kapitein had hen naar het station gebracht, en Pat zorgde voor de bagage. Hij had de kaartjes genomen--twee gewone voor Esther en Meg, en vier voor half geld voor de vier anderen. Baby werd zelfs niet met een kaartje voor half geld voorzien, zeer tot hare eigen verontwaardiging--het was eene beleediging voor hare vier en een half jaar, om voor niets te kunnen reizen evenals de Generaal.
Maar de kosten van deze stukjes bordpapier hadden den kapitein zeer ongelukkig doen kijken: hij kreeg niet meer dan achttien stuivers terug van de tien pond, die hij gegeven had; want Yarrahappini lag op de grenzen van het onbekende land.
Hij gaf de achttien stuivers uit aan geïllustreerde tijdschriften, en uit de keuze van deze bleek wel, dat hij geen hoogen dunk had van den letterkundigen smaak zijner familie; hij voorzag bovendien Esther van een boekdeel in geel linnen gebonden, waarop eene dame in het groen was afgebeeld, die in de armen van een heer, welke in purper was uitgedost, flauw viel, en Meg met Mark Twain's "Springende Kikvorsch," omdat hij in den laatsten tijd eene zekeren zwaarmoedigen blik in hare oogen had opgemerkt.
Toen werd de bel geluid, een gefluit deed zich hooren, conducteurs liepen in groote haast her- en derwaarts, en men nam afscheid, vroolijk of treurig, al naar de omstandigheden.
Eene vrouw stond droevig te schreien op het perron, en een meisje met vriendelijke oogen, vol tranen, leunde uit het venster van een tweede-klasse coupé en sprak haar toe; daar was een squatter met gebruind gelaat, die een pet van stof ophad, en eveneens stoffen schoenen, en voor wie de driehonderd mijlen lange reis eene weinig belangrijker gebeurtenis was, dan een maaltijd; en daar was de jonge man, die voor zijne zaken op reis moest, en wien eene reis naar Engeland weinig korter voorkwam, nu hij voor een geheel jaar van zijne vrouw en zijn kind afscheid nam; en waggons, waarin dames zaten, die weer naar de wildernis terugkeerden na hun jaarlijksch of halfjaarlijksch bezoek aan de Sydneysche beschaafde wereld; en daar waren de acht reizigers, die ons in het bijzonder interesseeren, en die zich voor het portier en de vensters verdrongen, om den kapitein nog eens toe te knikken, en vaarwel te zeggen.
Hij zag er volstrekt niet neerslachtig uit, toen de trein met veel rumoer wegstoomde--met zwierigen stap wandelde hij het perron af, alsof het vooruitzicht twee maanden als jonggezel te moeten doorbrengen, ook wel zijne lichtzijde had.
Te half zeven in den namiddag vertrokken zij, en zij zouden in Curlewis, het station, dat het dichtst bij Yarrahappini gelegen was, ongeveer te vijf uur in den volgenden morgen aankomen. Nu het gezelschap zoo talrijk was, kon er geene sprake van zijn, billetten voor den slaapwaggon te nemen, maar in het koffernet lagen verscheidene reisdekens, en twee of drie windkussens, bestemd voor hen, die zich vermoeid mochten gaan gevoelen. Het denkbeeld, zoovele uren in den trein door te brengen, was al de kinderen heerlijk voorgekomen; geen enkele van hen behalve Judy had ooit verder dan veertig of vijftig mijl ver gereisd, en het scheen hun buitengewoon verrukkelijk toe, steeds voort te stoomen, als het donker, zou geworden zijn even goed als bij daglicht.
Maar lang voor het tien uur in den avond was verloren hunne droomen allen glans en alle bekoorlijkheid. Nell en Baby hadden eene woordenwisseling gehad over het opblazen der windkussens, en waren te moede en te kribbig, om weer vrede te sluiten; Pip had Bunby wegens de eene of andere duistere reden een tik gegeven, en kreeg twee schoppen terug; Judy had hoofdpijn, en het geraas was juist niet geschikt, om die te doen verdwijnen; Meg was moe geworden van het staren naar het duistere landschap, door hetwelk zij heengleden, en dacht er aan, of Alan zou merken, dat zij nu niet meer op de stoomboot verscheen; en de arme kleine Generaal vervulde de warme lucht met luide klaagtonen over de raadselachtige behandeling, die hij onderging, en die hij zich moest laten welgevallen.
Esther had hem zijne bovenkleertjes uitgetrokken, en een schilderijtje van hem gemaakt, door hem een roomkleurig flanellen nachtjaponnetje en een rose wollen jasje aan te trekken. En een half uur lang had hij er zich blijmoedig in geschikt, dat hij van de eene hand in de andere werd gegeven, geliefkoosd en gekust. Hij had zelfs toegelaten, dat Nell in zijne rose teentjes een voor een beet, en een geruimen tijd onzin praatte over kleine biggetjes, die naar de markt gingen, en meer dergelijke dwaze dingen uitvoerde.
Hij had bijna niet tegengesparteld, toen er eene twist was gerezen over het bezit van zijne persoon, en Bunby zich aan zijn hoofd en zijn lichaampje had vastgeklampt, terwijl Nell heftig aan zijne beenen trok.
Maar na een poosje, toen Esther op een der banken een bedje voor hem in orde gemaakt, en hem daarop had neergelegd, drongen de onaangenaamheden die hem wachtten, tot zijn bewustzijn door.
Hij had thuis een wiegje, dat op een kleinen vergulden standaard rustte, die hem altijd een lust voor de oogen was--hij kon niet begrijpen, waarom hij dat moest ontberen, en genoegen nemen met een driedubbel gevouwen reisdeken. Hij was buitendien gewend aan een gedempt licht, eene stille kamer, en een waarschuwend fluisteren van sst! sst! wanneer de een of ander zoo ver ging, geritsel te maken.
Hier flikkerde het groote, gele licht den geheelen tijd door, en elk der luidruchtige familieleden, in wier handen hij zooveel moest dulden, was niet verder dan een paar voet van hem verwijderd.
Dus verhief hij zijne stem en schreide. En toen hij tot de ontdekking kwam, dat hij door schreien zijn wiegje niet kon terugkrijgen, evenmin als de kleine, dansende kwasten van het muskietengaas, begon hij twee tonen hooger, en toen zelfs op dat oogenblik Esther hem alleen, om hem te bedaren, op den schouder bleef kloppen, barstte hij in een oorverdoovend geschreeuw uit.
Nellie liet al hare lange krullen over zijn gezichtje dansen, om zijne aandacht te trekken, maar hij pakte ze arglistig en trok er aan, tot haar de tranen in de oogen kwamen. Esther en Meg zongen wiegeliedjes tot haar keel haar begon pijn te doen. Judy probeerde in de kleine ruimte met hem op en neer te loopen, maar hij hield zich stijf in hare armen, en zij was niet krachtig genoeg om hem vast te houden. Ten laatste viel hij van uitputting in slaap, diep snikkend ademend en nu en dan een hikkend, droevig geluid makend.
Toen werd Bunby slapende op den grond ontdekt, met zijn hoofd onder eene bank, en dus moest hij opgetild worden, en in eene gemakkelijker houding neergezet; en Baby, die in een hoekje rechtop neerzat, knikkebolde als een klein rose en wit meizoentje, dat door de zonnewarmte bedwelmd is.
Een voor een verstreken de lange uren, steeds verder en verder stoof de trein met zijne roode oogen door het stille, slapende land, zwaaiende om reuzenbochten, langzamer zich tegen de steilten opwerkend, met pijlsnelle vaart door de eindeloos zich uitstrekkende vlakte snellend.
De duisternis week voor een vaal licht, en mijlen lang verhieven zich nu, eentonig, jonge gomboomen tusschen den trein en den hemel. De zon verrees, en de aarde werd liefelijk en rozig, als een kind, dat uit zijne sluimering ontwaakt. En toen kwamen de vale tinten weer terug, de teedere, trillende lichteffecten verdoofden, en de regen begon te vallen. Stroomen regen, die tegen de ratelende vensters sloegen, voortgezwiept door een snijdenden morgenwind, die van de bergen kwam gevlogen. En zij waren een afgemat, slaperig kijkend, neerslachtig achttal, toen zij te vijf uur op het perron te Curlewis uit den waggon stapten. Judy hoestte van de vochtige morgenlucht en werd snel naar de wachtkamer gebracht en in een reisdeken gepakt.
En toen werden hunne koffers en valiezen uitgeladen en de trein stoomde weer weg, en daar stonden zij nu treurig en verlaten te kijken, want het scheen wel, dat er niemand was, die hen kwam halen.
Daar weerklonk het geluid van wielen, die door plassen rolden, het knallen van eene zweep, den hoefslag van paarden en zij stormden allen weer naar voren en keken over de witte paaltjes, die het perron afsloten, naar den weg.
Zij zagen een groot, overdekt rijtuig, gemend door eene wijde, gele olie-jas, die zeker het omhulsel was van een koetsier, en nog een hoog, ander rijtuig, waarvan een zeer groote man afklom.
"Vader!"
Esther stormde naar buiten in den regen. Zij sloeg hare armen om den druipenden regenjas en eerst na een paar minuten hief zij zich weer op. Misschien was dit de oorzaak, dat hare oogen en wangen zoo vochtig waren.
"Mijn klein meisje--Esther--kind!" zeide hij, en tilde haar bijna van den grond op, toen hij haar kuste, hetgeen een zonderlingen indruk op Meg maakte, in wier oogen hare stiefmoeder eene deftige persoonlijkheid was.
Toen leidde hij hen allen snel naar de rijtuigen, vijf stapten in het eene en drie in het andere. Zij hadden nog vijf en twintig mijlen te rijden.
"Wanneer hebben jelui het laatst iets gegeten?" vraagde hij; het speet hem de neerslachtige gezichtjes van de kinderen te moeten zien. "Moeder heeft cakes en sandwiches voor jelui meegegeven, maar koffie of iets anders warms kunnen we eerst krijgen, als we thuis zijn."
Esther vertelde hem, dat zij te Newcastle, om negen uur, het laatst koffie gehad hadden, maar dat deze zoo brandend heet was geweest, dat zij haar grootendeels niet hadden kunnen uitdrinken, en weer vlug hadden moeten instappen. De zweep werd over de paarden gelegd en zij vlogen over de modderwegen in een draf, dien Pip, niettegenstaande zijne vermoeidheid, met genoeg bewonderen kon. Maar het was toch een zeer onbehagelijke rit, en de Generaal schreide bijna onafgebroken van het oogenblik van vertrek tot zij aankwamen, zeer tot Esthers misnoegen, want zoo kon zijn grootvader, bij deze eerste kennismaking, niet den besten indruk van hem krijgen.
Ten slotte, toen iedereen begon te gevoelen, dat zijn geduld uitgeput raakte, verbrak een hoog wit hek de eentonigheid van druipend natte heggen.
"We zijn thuis!" riep Esther vroolijk. Zij liet den Generaal op hare knie dansen.
"Daar, van dat hek, viel mamaatje, toen zij drie jaar oud was," zeide zij, en keek er vol genegenheid naar, toen Pip het open wierp.
Nog eens ging het door den plassenden regen; de wielen rolden nu zacht voort, want de weg was bedekt met natte, gevallen bladeren.
"Waar is het huis?" zeide Bunby, terwijl hij tusschen Pips arm die op den bok zat, door keek; hij zag nog steeds niets dan eene eindelooze laan van gomboomen. "Ik dacht dat je zeidet, dat wij er waren, Esther!"
"O, het woonhuis is niet zoo dicht bij het hek als op Misrule," zeide zij. En dit was inderdaad zoo.
Vijftien minuten gingen voorbij alvorens zij de schoorsteenen konden ontdekken, toen moest er een tweede hek geopend worden.