Zeven kleine Australiërs

Part 8

Chapter 84,125 wordsPublic domain

Bridget had dien nacht niet buitengewoon goed geslapen, en dus gaf zij als antwoord de opmerking ten beste, dat zij veronderstelde, dat de lieve jeugd haar daar wenschte te zien, waar zij ook behoorde te zijn.

Ik moet u misschien vertellen, dat "aan den overkant" hetzelfde beduidde als Gladesville, en dat dit het Meer-en-Berg van Sydney is.

Verscheidene oorzaken hadden de ongelukkige Martha er toe gebracht, aan zulk eene samenzwering te gelooven. Bij voorbeeld, toen zij eens op een morgen Pips bed wilde gaan opmaken was de helft van het beddegoed verdwenen. De witte sprei was netjes over de matras gelegd, maar er was niets te bekennen van dekens, lakens of kussens. Zij zocht op alle mogelijke en onmogelijke plaatsen, ondervraagde de kinderen, wendde zich zelfs tot Esther, maar de vermiste voorwerpen werden niet gevonden.

"Een man met een broek van geribd fluweel zwerft hier iederen avond om het huis!" zeide Pip, terwijl hij weemoedig naar zijn ontredderd bed keek. "Het zou mij niet verwonderen, als die daar iets mede te maken had."

Welke veronderstelling alles behalve aangenaam voor Martha was, aangezien de man met de broek van geribd fluweel haar vurigste en uitverkoren aanbidder was.

Den volgenden dag verdween de waschkom uit Megs slaapkamer, en daarop een stoel uit de kinderkamer, evenals een vloerkleedje, om niet te spreken van zulke kleine voorwerpen als een trekpot, een spirituslampje, kopjes en schotels, een halve ham, en een volle trommel met gembernootjes.

Dit alles verdroot Martha, want de voorwerpen schenen te verdwijnen, terwijl de kinderen in bed waren; en hoewel zij hen verdacht, en hen voortdurend gade sloeg, kon zij geen duidelijk bewijs van hunne schuld machtig worden, en evenmin de drijfveer ontdekken, die er hen toe zou kunnen brengen, het een en ander weg te nemen.

En telkens als er weer iets kwijt was, vraagde Pip of de in geribd fluweel gekleede jongeling den vorigen avond in den omtrek van het huis gezien was. En daar dit altijd het geval was, kon Martha niets anders doen, dan met een toornigen blik op haar plaaggeest, de kamer uitstuiven.

Op zekeren avond was de kleine schaaktafel uit de kinderkamer door eene geheimzinnige macht weggetooverd.

Den volgenden morgen, toen Martha aan het vegen was, kwam Pip naar haar toe, en deed, alsof hij in tranen zwom.

""Hoe lieflijk is het nederig viooltje!"" zeide hij met gebroken stem. "Ach, Martha, Martha! nu eerst, nu je dagen bij ons geteld zijn, zien wij in, welk een schat wij in je bezitten!"

"Ach, ga heen!" zeide zij, en sloeg naar hem met den steel van den stoffer. "Ik denk er niet aan, heen te gaan, hoor! Als ik er niet meer was, zouden jelui heelemaal uit den band springen. Neen, je bent nog niet zoo gauw van Martha Tomlinson af!"

"Maar moet je dan niet naar hem toe gaan, Martha?" zeide hij vriendelijk. "De inrichting van zijn huis moet nu wel nagenoeg compleet zijn. Hij heeft wel is waar nog geen sauspan en geen strijkijzers, maar overigens dan ook alles, Martha; en ik wil je nu ook wel vertellen, dat ik van plan ben, je als huwelijksgeschenk een strijkijzer cadeau te doen, dus behoef je niet te wachten, tot hij het is komen halen."

"Ga de kamer uit!" zeide Martha nog eens, terwijl zij den veger in zijn gezicht duwde, en hem bijna in het stof deed stikken. "Je weet van dwaasheid niet wat je zegt!"

Op den zolder in het gebouwtje ging alles naar wensch.

Eenige oude, tegen den muur opgehangen karpetten hielden den tocht tegen. Judy's bed, zacht en warm, bevond zich in een hoek; zij had een stoel om op te zitten, eene tafel om aan te eten, zelfs eene waschkom. En zij had den geheelen dag gezelschap, ook dikwijls den geheelen nacht. Eens was Meg weggeslopen, nadat zij de deur harer slaapkamer afgesloten had, en had ook op het bed op den zolder geslapen; eens was Nellie gegaan, en een anderen avond had Pip een paar wollen dekens genomen en had hij zich zelf een leger in het stroo gemaakt. Zij bezochten haar op alle uren van den dag, en kropen de een na den ander, de krakende ladder op, wanneer zij maar onopgemerkt konden wegkomen.

De gouvernante had toevallig veertien dagen vrij gekregen, om hare zieke moeder op te passen, en dus konden de meisjes en Bunby over al hun tijd beschikken. Pip ging laat naar school, en kwam vroeg naar huis, en zocht van Esther briefjes voor den directeur af te bedelen. Zelfs bleef hij eens stilletjes weg, en droeg de straf, die hem daarvoor later werd opgelegd, met kalme gelatenheid.

Judy zag er nog altijd bleek en vermoeid uit, en haar hoest was werkelijk onrustbarend; maar zij kreeg weldra hare oude, levendige opgewektheid weer, en genoot onuitsprekelijk van haar avontuur.

Het eenige onaangename was de zeer beperkte ruimte van den zolder.

"Jelui moet het zoo inrichten, dat ik eene wandeling kan gaan maken," zeide zij op een morgen zeer beslist. "Ik ben er van overtuigd, dat mijne beenen langzamerhand korter beginnen te worden, nu ik ze niet meer kan gebruiken. Tegen het eind van de week zal ik vergeten zijn, wat wandelen is."

Pip dacht niet, dat haar wensch vervuld kon worden; Meg smeekte haar, zich niet bloot te stellen; maar Bunby en Nell waren vol geestdrift voor het plan.

"Meg zou met vader kunnen gaan praten," zeide Bunby, "en Pip zou den Generaal kunnen plagen, tot Esther niet meer uit de kamer zou durven gaan, en dan konden ik en Judy gauw naar beneden klimmen en een wandelingetje maken, en we zouden weer terug zijn, vóór iemand iets gemerkt had."

Judy schudde het hoofd.

"Daar zou ik al zeer weinig aan hebben," zeide zij. "Als ik ga, wil ik ook een tijdje in de vrije lucht blijven. Zouden we niet een picnic aan den waterkant kunnen houden?"

"He ja, laten we dat doen!" riep Bunby, met stralende oogen.

"Ik geloof heusch, dat we het wel konden wagen, vooral daar het toch ook Zaterdag is, en Pip niet naar school hoeft," vervolgde Judy, en in hare gedachten spon zij het geheele plan uit. "Twee van jelui zouden voor eten kunnen zorgen. Zegt Martha, dat jelui een picnic willen houden,--zij zal blij genoeg zijn, dat zij niet voor het middageten behoeft te dekken--en dan gaan jelui vooruit. Twee anderen kunnen op wacht staan, om te zien, of er geen vijand te bekennen is, terwijl ik naar beneden kom en door de grasvelden loop, en als we maar eens om den hoek van den weg zijn, zijn we gered!"

Dit scheen alles zeer uitvoerbaar, en in zeer korten tijd waren alle toebereidselen gemaakt. Pip stond op wacht bij het gebouwtje, en had op zich genomen, Judy's uittocht te bewaken, Bunby was bij de veranda achter het huis op post gezet, om uit te kijken en driemaal te fluiten, als er eenig gevaar was.

Hij zou een kwartier, gerekend naar de keukenklok, wachten, en dan, indien alles veilig was, den grooten theeketel en een brood medenemen, en de anderen op den weg opvangen. Het was eene saaie bezigheid, om daar te staan wachten, en, als een peinzende ooievaar, stond hij op één been, en hield zich bezig met de gebeurtenissen der laatste, veel bewogen dagen nog eens te overdenken.

Een gedrukte stemming had zich van hem meester gemaakt, maar hoe dit kwam, kon hij moeielijk zeggen. Misschien bezwaarde hem de leugen, die hij aan zijn vader verteld had, en waarover hij niet weer gesproken had, omdat het paard leelijk hinkte, en hem de moed in de schoenen zonk, elken keer dat hij aan de rijzweep van zijn vader dacht.

Misschien was het de reactie na de groote opwinding. Of het kon een knagend gevoel van verongelijking zijn, omdat zijne dappere daden ten bate van Judy bij de anderen zoo weinig bewondering hadden ingeoogst. Zij schenen ze hem volstrekt niet aan te rekenen, en lachten zelfs elken keer, dat hij er eene toespeling op maakte, of de algemeene aandacht op zijne schrammen zocht te vestigen. Twee of drie krabben op zijne beenen waren werkelijk leelijk genoeg, en terwijl hij stond te wachten stroopte hij zijne kousen omlaag en keek met medelijdende blikken en iets als een snik naar zijne wonden.

"Niemand bekreunt zich om mij!"--pruttelde hij, en eene traan--hij kon ze altijd zoo gemakkelijk schreien--plaste neer op zijn uitgestrekt, ontbloot been. "Judy houdt het meest van Pip, en hij is toch nooit op den cactus geklommen; Meg denkt, dat ik altijd jok, en Nellie zegt, dat ik te vies ben om met eene tang aan te raken--niemand bekreunt zich om mij!"

Nog eene groote, dikke traan welde omhoog en viel toen neer.

"Heb je daar wortel geschoten?" vraagde eene stem.

Zijn vader, die in de opengeslagen veranda-deur stond te rooken, had hem gade geslagen, en zich over zijne ongewone, groote kalmte verwonderd.

Bunby schrikte op, en trok zijne kousen omhoog.

"Ik doe niets geen kwaad!" zeide hij treurig, na een poosje. "Niets geen kwaad! Ik ga naar een picnic!"

"Zoo!" zeide de kapitein. "Je zaagt er uit, alsof je over het een of andere nieuwe kattekwaad nadacht, of berouw had over een ondeugenden streek--nu, wat is het geval?"

Bunby werd bleek, maar herhaalde, dat hij "niets geen kwaad deed."

De kapitein was in eene loome, plaagachtige stemming, en zijn dik zoontje scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om hiervan blijk te geven.

"Het zou wel goed zijn, als je eens hier kwaamt, en al het kwaad, dat je deze week uitgevoerd hebt, opbiechtet!" zeide hij ernstig. "Ik ben den geheelen morgen vrij, en het wordt tijd, dat ik je eens ernstig onder handen neem!"

Bunby naderde de leuning van den hem aangewezen stoel, en werd witter dan ooit.

"Zoo, nu kunnen we op ons gemak praten. Dus, Dinsdag heb je uit de provisiekamer gestolen--dat is één misdaad," zeide hij om hem op weg te helpen. "Ga voort."

"Ik heb niets anders uitgevoerd!" stotterde Bunby. Hij voelde, dat het met hem gedaan was, en dat de geschiedenis van den cricketbal ontdekt zou worden. Hij keek zelfs zenuwachtig rond, of de rijzweep nergens te zien was. Ja, daar lag die van Esther met den zilveren knop, achteloos op een stoel neergeworpen. Hij vond nog den tijd om vurig te wenschen, dat Esther wat netter mocht zijn.

"Werkelijk niets, Bunby? op je woord?" zeide zijn vader op indrukwekkenden toon.

"Ik w-was aan het knikkeren!" zeide hij met bevende stem. "Hoe zou ik dus het paard hebben kunnen kwaad doen?"

"Het paard? Ha!"--riep zijn vader. Er ging hem een licht op, en zijn gelaat werd zeer ernstig. "Wat heb je naar Mazeppa gegooid, waardoor hij kreupel geworden is? Antwoord mij onmiddellijk!"

Bunby wierp een schuwen blik naar de zweep.

"N-n-niets,"--zeide hij--"h-heusch niets! Mijn c-c-cricketbal lag in den stal. Ik was aan het knikkeren!"

De kapitein schudde hem even aan den arm.

"Heb je Mazeppa met den cricketbal gegooid?" zeide hij streng.

"N-n-neen, n-neen!"--fluisterde Bunby, wit tot in zijne lippen. Toen overweldigde hem ten deele zijn berouw en hij voegde er bij: "Hij rolde uit mijn z-z-zak, en M-Mazeppa kwam juist voorbij en st-stootte er tegen met zijn poot."

"Zeg de waarheid of het zal je slecht gaan!"--zeide de kapitein, opstaande, en Esther's rijzweep in de hand nemende.--"En dus--heb jij Mazeppa kreupel gemaakt?"

"Ja!" zeide Bunby, en hij barstte in tranen uit, en wrong zich in allerlei bochten, om aan de zweep te ontkomen.

Daarop, toen de slagen op zijne rampzalige schouders nederdaalden, vervulde hij de lucht met zijn gewonen kreet van: "Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet!"

"Jij verachtelijke schavuit!"--zeide zijn vader, toen hij een oogenblik moest pauzeeren, daar zijn arm pijn deed van het slaan. "Ik zal dien lagen geest van leugenachtigheid en lafheid uit je ranselen, en als je niet verandert, zie ik je liever dood voor mij liggen!" Zwiep, zwiep. "Wat moet er van je groeien?" Zwiep, zwiep. "Liegen omdat je bang bent voor slaag!" Zwiep, zwiep, zwiep, zwiep.

"U slaat me dood, u slaat me dood! Ik voel, dat u me dood slaat!" gilde het kind, en wentelde zich over den grond. "Ik heb het niet gedaan, het was mijn schuld niet. Sla de anderen liever!"

Zwiep, zwiep, zwiep. "Denk je, dat de anderen zoo onbeschaamd zouden liegen? Philip heeft nooit gelogen. Judy zou liever hare tong afbijten." Zwiep, zwiep, zwiep. "Je gaat naar een picnic? Je kunt op je kamer picnic houden tot morgen ochtend vroeg." Zwiep, zwiep, zwiep. "Nu--maak dat je wegkomt!"

Meer had geen menschelijk wezen kunnen verdragen.

De laatste slag was eene ware marteling geweest voor zijne trillende schouders en zijn gepijnigden rug. Hij dacht aan de anderen, die, gelukkig en zonder zorg, daar buiten in den helderen zonneschijn op weg waren naar de rivier, zonder het minste vermoeden van wat hij doorstaan moest, en zijn hart scheen door de hevigheid van zijne verbittering en zijne wanhoop te zullen moeten barsten. "Judy is thuis!" zeide hij hijgend en hartstochtelijk. "Zij is in het oude gebouwtje. Boe-hoe-hoe! Ze houden het geheim voor u! Boe-hoe! Zij gaat naar den picnic, en zij is van school weggeloopen."

HOOFDSTUK XIII.

ONGENOODE GASTEN.

De kapitein liep langzaam door de grasvelden met zijn tuinhoed achterover. Na het tooneel met zijn tweeden zoon was hij min of meer vermoeid, en zijne oogen keken peinzend rond. Hij geloofde niet aan de waarheid van Bunby's laatste mededeeling, maar toch vond hij haar niet volstrekt onwaarschijnlijk, en daarom had hij een bezoek aan het gebouwtje niet juist overbodig geoordeeld. Niet dat hij, hoe dan ook, geloofde, zijne verbannen dochter daar te vinden, want Bunby had immers gezegd, dat zij een picnic aan den waterkant wilden houden? Maar hij dacht, dat hij misschien toch wel de eene of andere aanduiding ontdekken zou. De deur van het gebouwtje sloeg open, en het zonlicht stroomde naar binnen en bracht dwars door de ruimte een balk van gouden stof aan.

Er was hier geen teeken van de aanwezigheid van bewoners, behalve wanneer een haarlint van Meg en eenige sinaasappelschillen als zoodanig beschouwd konden worden.

Hij zag de wrakke, eigengemaakte ladder, die tegen de opening in de zoldering geleund stond, en hoewel hij over het algemeen meer eerbied voor zijne ledematen had, dan zijne kinderen voor de hunne, waagde hij er zich op. Zij kraakte geweldig, toen hij de bovenste sport bereikt had en van deze op den zolder stapte.

Het been van een ham, eene doos met dominosteenen en een gebarsten kussen lagen aan deze zijde van het schot, anders niets, dus ging hij verder en keek over de schutting op den anderen zolder.

"Gezellig genoeg ingericht," mompelde hij. "Het zou mij niet kunnen schelen zelf hier een tijdje te kampeeren," en het kwam zelfs bij hem op dit te doen, en voor Judy "eene verrassing" te zijn, als zij terugkwam. Maar hij verwierp dit plan als niet overeenstemmend met zijne waardigheid. Hij herinnerde zich, dat hij in zijn huis geruchten had gehoord van verdwenen huisraad en er kwam iets als een glimlach om zijn mond, toen hij het oude tafeltje met de spirituslamp en den trekpot er op, het beddegoed en de waschkom zag. Maar met een strengen blik fronsde hij weldra het voorhoofd. Waren zeven en zeventig mijlen geene voldoende hinderpaal voor Judy's ondeugende plannen? Hoe durfde zij hem zoo tarten, zij een kind van dertien jaar tegenover haar vader? Hij sloot de lippen onheilspellend vast, ging weer naar beneden, en liep met zwaren tred naar huis terug.

"Esther!" riep hij met eene trillende stem onder aan de trap.

En: "Ik kom, beste man--één minuutje!" klonk het ten antwoord.

Een minuutje scheen ditmaal tien minuten te kunnen duren, en toen kwam zij, de mooie jonge moeder, met haar lachend dik zoontje in hare armen. Hare oogen keken zoo teeder en zacht, er lag zooveel liefde in haar blik, dat hij zich ongeduldig afwendde; hij wist zeer goed hoe het zijn zou; zij zou hem bedelen en smeeken, zijn dochtertje te vergeven, als zij alles gehoord had, en wanneer zij er dan weer stralend en liefelijk uitzag, als op dit oogenblik, zou hij haar niets kunnen weigeren.

Een paar minuten stond hij in gepeins verzonken.

"Wat wilde je, John?" zeide zij. "En waar sta je aan te denken? Ik heb juist een nieuw kiesje gevonden, kom eens kijken!"

Hij kwam, half onwillig, en voelde met zijn pink in het mondje van zijn jongste zoontje.

Esther hield zijne hand vast, tot hij een zeer klein hard voorwerp voelde. "Het derde," zeide zij trots, "vindt je het niet aardig?"

"Hum!" zeide hij. Toen bleef hij nog een oogenblik peinzen, en wreef zich na eene minuut of twee in de handen, alsof hij zeer over zich zelf tevreden was.

"Zet je hoed op, Esther, en kleed den Generaal ook aan," zeide hij, terwijl hij vriendelijk een tikje gaf op het hoofd van dezen jongen heer. "Laten we eene wandeling gaan maken naar de rivier; de kinderen wilden ook aan den waterkant een picnic houden, en dus kunnen wij er op rekenen, onderweg thee te krijgen."

"Dat is een heerlijk idee!" zeide zij, "vindt je ook niet, Bababsie, vindt je ook niet, mijn kind?"

Zij riep Martha, die bezig was het salon te vegen, op de grondige manier, die haar bijzonder eigen was, toe: "Wil je even den hoed van den Generaal halen, Martha, den witten zonnehoed met de keelbanden; hij ligt op mijn bed, denk ik, of op een stoel, of ergens anders--o! en breng dan meteen mijn grooten hoed met de papavers mede!"

Martha ging, en kwam na eenig zoeken met de gevraagde kleedingstukken terug.

En Esther zette den witten zonnehoed op haar eigen krullend, springend haar en deed den Generaal kraaien van het lachen op zijne zitplaats, op de tafel der vestibule. En toen drukte zij hem op het hoofd van den kapitein, en zette diens tuinhoed op het kopje van haar zoon en verscheidene minuten gingen zoo al vroolijk stoeiend voorbij.

Eindelijk waren zij gereed, en verlieten de vestibule.

"Jongeheer Bunby zit in zijne kamer opgesloten; je moogt er hem op geene voorwaarde uitlaten, Martha!" zeide de kapitein onder het heengaan.

"O, Jack!" riep Esther verwijtend uit.

"Laat het zijn zooals ik gezegd heb," sprak hij; "gun mij een weinig vrijheid met mijne eigen kinderen, Esther! Hij is een leugenachtige deugniet; ik schaam mij, dat ik hem mijn zoon moet noemen."

En Esther, aan de wankelmoedigheid van haar stiefzoon denkende, vond geen bezwaar zich met de hoop te troosten, dat de straf heilzaam voor hem zou zijn.

Zij liepen over een pad door het woud, dat den weg zeer verkortte, en toen lag daar de blauwe, vriendelijke rivier voor hen, waarin de zon flikkerende vlammetjes strooide.

"Daar zitten zij," riep Esther, "op de oude plaats! Zie je het vuur, mijn ventje? zie je den rook, mijn lieveling? Zij zijn met hun vieren--neen, met hun vijven! Wie is er dan bij?"--zeide zij verwonderd, toen zij dichter bij de groep op het gras kwamen.

Voor zij genoegzaam genaderd waren om de gezichten te herkennen, scheen de kring plotseling verbroken te worden.

Een van de leden keerde zich opeens af en vluchtte weg over het gras, stortte zich in het dichte kreupelhout en verdween uit het gezicht in minder tijd dan noodig is, om dit te vertellen.

"Wie was er bij jelui?" vraagde Esther, toen zij de kinderen bereikten.

Een oogenblik bleef alles stil, toen wierp Pip een paar takjes op het vuur en antwoordde droog:

"Eene vriendin van Meg, een meisje met een hazenhart, die een doodelijken angst heeft voor vader. Ik geloof, dat zij denkt, dat militairen met scherp geslepen wapenen rondwandelen, en niets liever doen, dan er op inhouwen!"

Hij lachte even, Nell gichelde zenuwachtig, en Baby begon te schreien.

Meg, bleek als eene doode, nam haar op en begon, om haar te bedaren, haastig de geschiedenis van de drie beren te vertellen.

Esther keek min of meer verbaasd, maar dacht er natuurlijk niet aan, eenig verband te zoeken tusschen de vluchtende gestalte en Judy.

En de kapitein scheen niets te zien of te merken. Hij lag op het gras en liet den Generaal over zich heen klimmen; hij schertste met Esther; hij vertelde verscheiden verhalen uit zijne jeugd, en scheen zich geen oogenblik bewust te zijn, dat zijn gehoor onoplettend en afgetrokken was.

"Hebben jelui geen thee gezet?" zeide Esther eindelijk. "Wij rekenden er op, hier thee te kunnen drinken."

"Bunby is niet verschenen, en die zou de thee meebrengen!" zeide Pip gemelijk. De buitengewone beminnelijkheid van zijn vader kwam hem verdacht voor, en hij wilde zich niet voor den gek laten houden.

"Ach," zeide de kapitein ernstig, "dat treft slecht. Toen wij van huis gingen, scheen Bunby niet al te wel te zijn, en er over te denken, de rest van den dag in zijne slaapkamer door te brengen."

Pip stookte met kracht het vuur op, en Meg wierp een verschrikten blik naar haar vader, die haar vriendelijk glimlachend aankeek.

Na een uur lang dezen gedwongen toestand gerekt te hebben, stelde de kapitein voor, naar huis terug te keeren.

"Het begint koel te worden," zeide hij, "het zou me spijten voor het nieuwe kiesje van onzen Generaal, als het zijn leven moest beginnen met pijn te doen--laten we naar huis gaan, en daar zien, dat we thee krijgen."

Dus namen zij de onaangeroerde manden in de hand, en de stoet zette zich in beweging.

De kapitein wenschte, dat Pip en Meg met hem zouden loopen, en hij zond Baby en Nell voor zich uit, ieder aan een kant van Esther, die den Generaal afwisselend bij de hand had en droeg.

Dit richt hij zoo in, dacht de sluwe Pip, om te verhoeden, dat wij nieuwe plannen smeden. En toen zij thuis waren gekomen, noodigde hij hen allen uit in zijne rookkamer te komen, een cabinetje naast de eetkamer gelegen.

Esther ging met den Generaal naar boven, maar de anderen volgden zwijgend hun vader.

"Ga zitten, Pip, mijn jongen," zeide hij opgewekt. "Kom, Meg, maak het je gemakkelijk, neem plaats in dien leunstoel. Nell en Baby kunnen zich op de sofa zetten."

Gedwongen gingen zij op de plaatsen zitten, die hij hun aanwees, en keken angstig naar zijn gelaat.

Hij koos eene pijp van het rek boven den schoorsteenmantel, voorzag haar van een nieuw mondstuk, en vulde haar met zorg.

"Daar jelui je nu in het bezit hebt gesteld van mijne kamer," zeide hij op hoogst aangenamen toon, "zal ik beter doen, met hier niet te rooken. Straks kom ik terug en dan zullen wij wat praten. Ik zal eerst maar eens eene pijp gaan rooken op den zolder van het gebouwtje. Voert geen kattekwaad uit, terwijl ik weg ben!"

Hij stak een lucifer aan, hield dezen bij de tabak, en, zonder een blik op de zwijgende kinderen geworpen te hebben, verliet hij de kamer, en deed de deur achter zich op slot. Voor de tweede maal liep hij door de grasvelden, en voor de tweede maal stootte hij de krakende deur open. De sinaasappelschil lag op dezelfde plaats, waar hij haar eerst gezien had, alleen was zij wat drooger en verschrompelder. Het haarlint zat in juist denzelfden strik. De ladder kraakte op precies dezelfde plaats, en het scheelde weer niet veel, of hij was, toen hij de bovenste sport bereikte, er af gevallen. De dominosteenen lagen daar nog altijd, het been van de ham en het kussen namen dezelfde plaatsen in; het eenige verschil was, dat over het eerste nu een groot aantal zwarte mieren kropen, en dat de wind met het kussen gespeeld had, en de veeren naar alle kanten had doen stuiven.

Hij liep naar de andere zijde, niet zachtjes, maar met zijn gewonen, vasten, militairen stap. Er bewoog zich niets. Hij bereikte het beschot en keek er over heen.

Judy lag op het geïmproviseerde bed, in een diepen slaap verzonken, uitgeput na hare snelle vlucht van den oever der rivier. Zij had een rok van Meg aan, die haar buitengewoon lang en mager deed schijnen; met verbazing vraagde hij zich, of zij zóó gegroeid kon zijn?

"Er zal geen einde aan de moeite en zorgen komen, die zij mij zal veroorzaken, als zij groot geworden is!" zeide hij, halfluid, met een gevoel van medelijden voor zich zelf omdat hij haar vader was. En toen werd hij vervuld met wrevel en toorn, terwijl hij haar daar bleef gade slaan, en zij zoo kalm voortsliep. Moest zij altijd de verstoordster zijner rust zijn? moest zij hem altijd dwarsboomen?

"Judy!" zeide hij met luide stem.

De gesloten oogleden sprongen open, de nevel van slaap en vergetelheid trok weg van de donkere oogen, en zij rees overeind, met doodelijk ontsteld gelaat.