Part 7
"Ga gauw iets voor mij halen om te eten," zeide zij wrevelig, toen zij weer op adem kwam, "je kondt ook wel eens bedenken, dat ik sedert gisteren morgen niet gegeten heb; maar, je hebt altijd alleen aan je zelven gedacht, Bunby!"
Hij stond op en maakte zich gereed heen te gaan, alles in de grootste haast. "Wat wil je hebben? Wat zal ik halen?" zeide hij, en een been stond reeds op de bovenste trede.
"Alles is goed, als het maar veel is," zeide zij,--"het komt er niet op aan, wat het is! Ik geloof, dat ik dit stroo zou kunnen eten, en de balken zou kunnen stukbijten alsof ze van beschuit waren. Het heeft mij werkelijk moeite gekost, niet met jou te beginnen, Bunby! Je bent zoo dik, dat er aan jou menig goed kluifje moet zijn!"
In hare oogen tintelde de oude levenslust, maar zij begon opnieuw te hoesten, en toen de hoestbui bedaard was, lag zij uitgeput neer.
"Roep een van de anderen!" riep zij met zwakke stem, toen zijn hoofd verdween. "Jij alleen bent niet van groot nut!"
Zijn hoofd dook weer een oogenblik op, en hij beproefde met een glimlach het leed, dat hare woorden hem veroorzaakten, te verzetten, want juist op dat oogenblik zou hij zonder een zucht te slaken voor haar gestorven zijn.
"Het spijt mij erg voor je, Judy!" zeide hij vriendelijk, "maar alle anderen zijn uit. Kan ik je niet helpen? Ik zal alles graag voor je doen, Judy!"
Judy lette niet op het zachte gesnuif, dat de laatste woorden vergezelden, en keerde haar gelaat naar den muur.
Weer rolden twee groote tranen langs hare wangen.
"Hadden zij nu niet thuis kunnen blijven?" zeide zij met een snik. "Konden zij nu niet begrijpen dat ik mijn best zou doen, om terug te komen. Waar zijn zij?"
"Pip is gaan visschen," antwoordde hij, "en Nell draagt de mand voor hem. En Baby is bij de Courtney's, en Esther is met den Generaal naar de stad gegaan. En Meg ligt ziek te bed, omdat zij gisterenavond te stijf geregen was en flauw gevallen is."
"Zij zullen mij wel geen oogenblik gemist hebben!" was hare bittere gedachte, toen zij hoorde, hoe alles zijn gewonen gang ging, terwijl zij zooveel doorgemaakt had, alleen om hen allen te zien.
Toen kwam weer dat gevoel van zwakte terug, en zij sloot hare oogen en lag volkomen stil, tijd, plaats en honger vergetende.
Bunby spoedde zich met gevleugelden tred over het grasveld; het gezicht van zijn vader, die bij den stal stond, veroorzaakte hem een plotselingen schrik, en deed hem aan zijne eigen zorgen denken, maar deze gedachten zette hij van zich af, en vloog verder. De deur van de provisiekamer was gesloten. Martha, de keukenmeid, zorgde er wel voor, dat dit meestal het geval was, wegens zijne eigen zondige voorliefde voor hare taarten en gebakken; alleen door middel eener krijgslist zou hij er in kunnen komen, dit moest hij, tot zijn spijt, zelf inzien.
Maar Judy's honger! Geen eten gehad te hebben sedert gisteren morgen!
Hij herinnerde zich, zelfs nu nog met eene aandoening van pijn, het afschuwelijke gevoel dat hij de vorige week gehad had, toen hij voor straf zonder thee naar bed was gestuurd. Hij sloot de lippen vast op elkander en zijne oogen straalden van de geestdrift, waarmede een heldhaftig besluit hem bezielde.
In den zijmuur van het huis was het venster der provisiekamer; dikwijls had hij er verlangend naar opgezien, maar hij had nooit gewaagd er in te klimmen, want een vreeselijke, kruipende cactus wond zich tegen den muur.
Maar nu, voor Judy, zou hij het doen of sterven. Hij liep om het huis en naar het zijvenster; er was niemand te bespeuren, overal scheen het even rustig. Martha, dit had hij gezien, was in de keuken bezig met kooken, en het andere dienstmeisje witte de veranda aan de voorzijde van het huis. Hij wierp een vastberaden blik op de groote, puntige dorens, en klom in het volgende oogenblik tusschen hen door omhoog.
O, wat prikten en schramden zij hem! Zijn eene arm gaapte met eene groote wond, zijn linkerkous werd weggescheurd en een diepe roode schram werd op zijn been zichtbaar, zijne handen bloedden en trilden van pijn.
Maar hij had de vensterbank bereikt, en dat was zijn doel.
Hij schoof het kleine raam omhoog, en wrong met veel moeite zijn dik lichaampje er doorheen. Toen kwam hij op eene plank terecht, en liet zich van daar op den grond glijden. Hij had geen tijd om naar zijne kwetsuren te kijken, slechts een weemoedige blik sloeg hij op de breedste schram en begon toen naar proviand te zoeken. De provisiekamer was merkwaardig leeg--geen bewijsje van cakes, geen hapje gelei, geen gevogelte waar ook. Hij brak een groot stuk van een brood, en pakte zorgvuldig wat boter in een courant. Er stond nog koud vleesch op een schotel, hij sneed er een stevige homp van af, en vereenigde dit met een stuk van een zandtaart tot een pakket. Hij borg dit alles in zijn matrozenbuisje, en vulde zijne zakken met sinaasappels, geconfijte citroenschillen, krenten en andere lekkernijen, die hij alle in de stopflesschen vond. En toen maakte hij zich tot den moeielijken terugtocht gereed.
Hij klom op de plank, stak zijn hoofd buiten het venster, en wierp een wanhopigen blik op den cactus. En in het oogenblik, dat hij nederknielde, weerklonk achter hem het geluid, dat een sleutel maakt, als hij in een slot wordt omgedraaid.
Radeloos keek hij om zich heen,--daar stond Martha in de deur, en tot zijn doodelijken schrik sprak zij met zijn vader, die zich in de gang bevond.
"Ik zoek de arnica!" zeide de kapitein. "Naar alle waarschijnlijkheid is zij in de provisiekamer, omdat ze daar niet hoort te zijn. Ik heb haar in mijne slaapkamer op den schoorsteenmantel laten staan, maar de een of ander schijnt noodig gevonden te hebben, er aan te komen. Waarom kunnen jelui toch niet met je handen van mijne zaken afblijven?"
"En waarom zou ik haar ergens anders gezet hebben?" antwoordde Martha. "Ik maak er mijn beslag niet mede aan, om het gebak luchtig te doen zijn, ten minste in den regel niet."
Zij schudde het hoofd, en door deze beweging werd zij de kleine, knielende, bevende gestalte bij het venster gewaar.
Nu was de deur maar half open, en haar meester stond juist op den drempel, dus kon zij alleen van het schouwspel genieten.
Tweemaal opende zij den mond om te spreken, maar Bunby keek haar zoo innig smeekend aan, dat zij hem weer sloot en zelfs de flesschen op de plank naast de deur begon na te zien, om hem gelegenheid tot ontsnappen te geven.
Nog ééne minuut en hij zou gered zijn geweest--nog ééne minuut en hij zou midden tusschen de doornen van den cactus hebben gehangen, die nu evenwel al het afschrikwekkende verloren hadden.
Maar het lot was hem niet gunstig. En dit kwam alleen, omdat Martha Tomlinson's schoen een afgeloopen hak had. Toen zij zich omdraaide glipte haar voet uit haar schoen, en om haar evenwicht te bewaren, strekte zij eene hand uit. En toen zij de hand uitstrekte stootte zij tegen eene kruik. En de kruik deelde den schok mede aan een schotel. Deze sloeg om, en schoof de groote melkkan van de plank, zoodat zij op den grond sloeg. Ik weet niet, of ge ooit beproefd hebt, een planken vloer schoon te maken, nadat er melk op gevallen was, maar in ieder geval ben ik er van overtuigd, dat ge u wel kunt voorstellen, dat het een onaangenaam werk is, vooral als ge hem denzelfden morgen pas duchtig geschrobd had. Men kan er zich dus eigenlijk niet over verbazen, dat Martha, in hare groote woede over het ongeluk, zich boos omwendde, en naar het kind wijzende, dat als versteend in het venster zat, op wanhopigen toon vraagde, hoe de goede heiligen het met dien akeligen jongen konden uithouden, haar geduld, in ieder geval, was ten einde.
De kapitein kwam met een woedenden stap de provisiekamer binnen, en commandeerde Bunby met luide stem, naar beneden te komen.
Het jongentje liet zich in hevigen angst op den grond glijden.
"Hij steelt en pakt overal wat weg, en hij liegt dat hij zwart ziet!" zeide Martha Tomlinson, terwijl zij met een onvriendelijken blik naar het ongelukkige kind keek.
Twee, drie, vier, vijf woedende tikken met de rijzweep, die de kapitein in de hand had, en Bunby dook onder zijn arm weg en vluchtte huilende de gang door en de achterdeur uit.
Hij liep over de grasvelden, en snikte bij iederen voetstap, maar voelde zich tegelijkertijd door het verheffende gevoel bezield, dat hij dit alles droeg terwille van een ander.
Had iemand hem dit vroeger voorspeld, dan zou hij het nauwelijks hebben kunnen gelooven, dat hij ooit zoo iets edels volbrengen zou, en de gedachte daaraan verzachtte de pijn, die de klappen en de schrammen hem veroorzaakten. Hij beproefde zijn gesnik te onderdrukken, toen hij het gebouwtje bereikte, en stopte zelfs voor dat doel eene handvol krenten in zijn mond, voor hij er was aangekomen.
Maar het gezicht, dat weer te voorschijn kwam door het luik naast Judy, was hoogst treurig, en droeg de sporen van tranen en van krabben.
Zij bewoog zich niet, hoewel hare oogen half geopend waren, en hij knielde neer en raakte haar schouder aan.
"Hier breng ik je wat, Judy! Wil je nu niet iets eten?"
Zij schudde langzaam het hoofd.
"Neem wat koud vleesch, of wat rozijnen; ik heb ook geconfijte citroenschil, als je daar soms meer zin in hebt!"
Zij schudde nogmaals het hoofd. "Neem alles maar weer mede weg!" zeide zij zacht kermend.
Diepe teleurstelling was op zijn klein, verhit gelaat te lezen.
"En ik heb doodsangsten uitgestaan om het te krijgen! He, wat ben je een akelig spook!" riep hij.
"Ach, ga heen!" kermde Judy, terwijl zij haar hoofd onrustig dan naar deze, dan naar gene zijde bewoog. "O, wat doen mijne voeten mij pijn! neen--mijn hoofd, en mijne zijde--o, ik weet niet wat ik heb!"
"Hier en hier heb ik slaag gehad," zeide Bunby, de plaatsen aanwijzende, en met zijne mouw veegde hij de dikke tranen weg, die hij om zijn eigen ongeluk geschreid had. "Die ellendige oude cactus heeft me overal gekrabd!"
"Denk je, dat ik nog veel mijlen zal moeten afleggen?" zeide Judy, en zoo vlug, dat de woorden in elkaar schenen te vloeien. "Ik heb honderden geloopen, en ben nog niet thuis. Ik denk, dat het komt, omdat de aarde rond is, en ik zal zeker spoedig het schoolhek weer binnen komen!"
"Wees niet zoo idioot!" zeide Bunby knorrig.
"Ik kan er zeker en stellig op rekenen, nietwaar Marian, dat je er nooit een woord van zult zeggen, ik vertrouw op je, en als je doet wat je beloofd hebt, kan ik naar huis gaan en weer terug komen, en niemand zal er ooit iets van weten. En leen mij twee shillings, wil je? Ik heb niet veel geld meer. Bunby, egoïste jongen, haal mij toch wat melk! Urenlang vraag ik je er al om, en je laat mij maar versmachten!"
"Eet wat vleesch, Judy!--ach Judy, wees niet zoo vreemd en onaardig, ik heb werkelijk doodsangsten uitgestaan toen ik het voor je haalde," zeide Bunby, en beproefde met trillende vingers een stuk in haar mond te duwen.
Het kleine meisje wierp zich op de andere zijde en begon weer te kreunen.
"Zeven en zeventig mijlen," zeide zij, "en gisteren heb ik elf geloopen, dat is dus elfhonderd zeven en zeventig--en zes den dag daarvoor omdat ik eene blaar op mijn voet had--dat is elfhonderd drie en tachtig. En als ik tien mijlen per dag loop, zal ik thuis zijn in elfhonderd drie en tachtig maal tien, dat is duizend en--en--hoeveel? hoeveel is het? Bunby, kind, kan je mij niet zeggen hoeveel? Mijn hoofd doet te veel pijn om uit te rekenen hoeveel jaren duizend en zooveel dagen in jaren zijn--dat is een jaar,--twee jaar--twee jaar--drie jaar voor ik er ben. O, Pip, Meg, drie jaar! O Esther! vraag hem, vraag hem of hij me niet wil laten thuiskomen! Drie jaar--drie--drie!"
De laatste woorden werden bijna gillend uitgestooten en het kind richtte zich op, en beproefde te loopen.
Bunby greep haar arm en hield haar vast.
"Laat me gaan, versta je mij niet?" zeide zij met heesche stem. "Zoo zal ik er nooit komen! Drie jaren, en zooveel mijlen!"
Zij duwde hem op zijde en wilde over den zolder loopen, maar hare knieën knikten en zij viel buiten kennis neer. "Meg--ik ga Meg halen!" zeide de kleine jongen met trillende, angstige stem, en hij gleed door de opening en spoedde zich naar huis.
HOOFDSTUK XI.
EENE VLUCHTELING.
Als een wervelwind stoof hij Meg's slaapkamer binnen. "Zij is in het oude gebouwtje, Meg, en, zeker weet ik het niet, maar ik denk, dat zij gek geworden is; en ik ben vreeselijk geslagen geworden, en de cactus heeft me bijna heelemaal open gekrabd, en ik heb toch niets gezegd. En nu wil ze niet eens eten. Zij is weggeloopen--ik geloof zeker, dat ze gek is!"
Meg beurde haar bleek, ontzet gelaat van het kussen op.--"Wie dan toch--wat--"
"Judy!" zeide hij, en barstte door overspanning in tranen uit. "Zij is in het oude gebouwtje, en ik geloof, dat zij gek is geworden!"
Meg stond langzaam op, deed hare kleeren aan, en zelfs toen nog niets van het avontuurlijke verhaal geloovende, ging zij met hem naar beneden.
In de vestibule ontmoetten zij hun vader, die juist uit wilde gaan.
"Ben je weer beter?" zeide hij tot Meg. "Je hadt den geheelen dag in bed moeten blijven, maar, misschien zal de lucht je goed doen."
"Dat denk ik ook," antwoordde zij werktuigelijk.
"Ik kom in de eerste uren niet naar huis--het zou zelfs kunnen zijn, dat Esther en ik eerst morgen ochtend terug kwamen."
"Goed!" sprak Meg.
"Pas vooral op de kinderen, en wees zelve voorzichtig--en, dat is waar ook, Bunby gaat vandaag zonder thee naar bed--hij zal niet van honger sterven, daar ben ik zeker van."
"Goed!" zeide het meisje nogmaals, en zij kwam eerst tot het besef van wat de laatste woorden beduidden, toen Bunby dicht bij haar elleboog verbolgen: "Gemeen!" fluisterde.
Toen kwam de dogcart voor, en de kapitein vertrok tot hunne onuitsprekelijke verlichting.
"Nu, wat is dit voor eene dwaze geschiedenis?" zeide Meg, terwijl zij zich tot haar broertje wendde. "Het zal wel weer een van je verzinseltjes zijn, kleine ondeugende jongen!"
"Kom maar mee!" antwoordde Bunby, en hij leidde haar door de grasvelden. Halverwege ontmoetten zij Pip en Nell, die vroeger dan plan was geweest van de vischvangst terugkwamen. Nellie keek treurig voor zich, en liep op een eerbiedigen afstand achter haar broeder aan.
"Men zou even goed een phonograaf mee kunnen nemen als Nellie!" zeide hij, een blik vol toorn op deze schuldige werpend. "Zij heeft den geheelen tijd door gebabbeld, zoodat ik geen oogenblik kans had, dat een visch zou aanbijten."
"Judy is thuis!" zeide Bunby, vol van het groote nieuws. "Niemand heeft haar gezien behalve ik, ik heb mijn leven voor haar gewaagd door op cactussen te klimmen en in vensters en wat al niet, en ik heb slaag gehad van vader, maar ik heb toch niets verteld, nietwaar, Meg? Ik heb haar hier in het oude gebouwtje ondergebracht, en heb vleesch en van allerlei voor haar gehaald--kijk nu toch eens even naar mijne beenen!"
Vol fierheid toonde hij zijne schrammen, maar Meg ging haastig verder, en Pip en Nellie volgden, een en al verbazing. Bij het gebouwtje gekomen stonden zij stil.
"Het is een grap van Bunby!" zeide Pip verachtelijk. "Het is nog niet de eerste April, mijn zoon!"
"Kom dan toch mee!" antwoordde Bunby, en klom omhoog. Pip volgde, en stootte een zachten kreet uit; daarop klauterden Meg en Nell, met meer moeite, naar boven, en toen was het gezelschap bijeen.
Judy was tot rust gekomen, en lag met wijd geopende oogen, moede, naar de dakbalken te staren.
Zij keek hen glimlachend aan, toen zij zich allen om haar schaarden. "Als Mahomet niet naar den berg wil komen..." zeide zij, en hoestte toen twee of drie minuten lang.
"Wat ben je begonnen, Judy, zusjelief?" zeide Pip, met eene vreemde trilling in zijne stem. Het gezicht van zijne lievelingszuster, die mager, met holle wangen, uitgeput daar neer lag, greep zijn warm jongenshart aan. Er kwam een nevel voor zijne oogen.
"Hoe ben je hier gekomen, Judy?" zeide hij, sterk met de oogleden knippend.
En het meisje keek tot hem op met haar eigenaardigen, stralenden blik. "Rijpaardjes houden ze er bij ons op school niet op na," zeide zij, "maar misschien dacht je, dat ik in een ballon hierheen was komen drijven?"
Weer hoestte zij.
Meg viel op hare knieën en sloeg hare armen om haar klein, mager zusje.
"Judy!" riep zij. "O, Judy, Judy, mijn arm kind!"
Judy lachte even en noemde haar dwaas, maar weldra verdween die opgeruimde stemming en begon zij zenuwachtig te snikken. "Ik heb zulk een honger!" zeide zij ten laatste droevig.
Alle vier sprongen op, als wilden zij de gezamenlijke magazijnen van Sydney leeg gaan dragen, om haar honger te stillen. Maar Meg ging weer zitten en legde het hoofdje met de woeste krullen in haar schoot.
"Pip, ga jij naar huis," zeide zij, "en haal wijn en een glas, en in den vliegenkast staat een gebraden kip; ik kreeg daar een gedeelte van bij den lunch, en Martha zeide, dat zij het overblijvende zou wegzetten, en dat ik het bij de thee kon krijgen; en kom gauw terug, Pip!"
"Natuurlijk!" zeide Pip bij zich zelven, en hij vloog de trap af, naar het woonhuis.
"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Martha, toen zij hem vijf minuten later in de gang tegenkwam, en hij eene karaf van geslepen glas onder den arm had, een wijnglas bij zich had dat hij met de tanden bij den voet vasthield, en een schotel met koude kip in zijne hand droeg, waarop ook nog een stapeltje boterhammen lag. "Wel heb ik van mijn leven! En wat nu nog meer?"
"Loop naar je grootje!" zeide Pip, stormde haar in groote haast voorbij, en maakte een omweg om naar het gebouwtje te komen, daar hij dacht, dat zij hem wellicht bespiedde.
Hij knielde naast zijn zusje neer, en verkwikte haar met kleine stukjes kip en teugen wijn, en streek over haar woesten haardos, en noemde haar wel vijftig maal zijn liefste zusje, en smeekte haar toch vooral nog een beetje te eten.
En Judy, die den blik der bruine, vochtige oogen boven haar, opving, at alles wat hij haar gaf, hoewel het haar in het begin bijna onmogelijk scheen. Zij zou hebben gegeten, al had hij haar olifantshuid aangeboden, nu zij gevoelde, dat zij van dezen broeder meer hield, dan van wien ook op de geheele wereld, en dat hij zulk een verdriet had. En het voedsel deed haar goed, zij ging opzitten en praatte na eene korte poos op geheel natuurlijken toon.
"Je hadt het heusch niet moeten doen, Judy, heusch niet! En wat vader tegen je zal zeggen, nu, dat zullen we moeten afwachten."
"Hij zal er nooit iets van weten, dat ik hier ben," antwoordde zij snel. "Ik zou het jelui nooit vergeven, als je het hem verteldet. Ik kan maar eene week hier blijven. Ik heb alles uitstekend ingericht, en ik zal op dezen zolder logeeren; vader komt hier nooit, dus ben ik hier veilig, en jelui komt mij eten brengen. En na eene week"--zij zuchtte diep, "moet ik weer weg!"
"Heb je werkelijk al die mijlen geloopen alleen om ons weer te zien?" zeide Pip, en weer was er die vreemde trilling in zijne stem.
"Een paar maal onder weg heb ik kunnen sporen of rijden," zeide zij, "maar overigens heb ik altijd geloopen, ik ben bijna eene week onderweg geweest."
"Hoe heb je dat kunnen uithouden, Judy? Waar sliep je, wat at je?" riep Meg uit, met groote droefheid.
"Dat ben ik bijna alweer vergeten!" zeide Judy, en zij sloot hare oogen. "Ik heb aan kleine woningen om eten verzocht, en soms vraagde men mij, of ik niet wilde blijven slapen. En dan had ik nog drie shillings en zes pennies--daar ben ik lang mede toegekomen. Ik heb maar twee nachten buiten geslapen, en toen had ik toch altijd mijn manteltje."
Megs gelaat was bleek van ontsteltenis, bij het verhaal van haar zusters avonturen. Zeker zou geen ander meisje dan Judy Woolcot op het buitensporige denkbeeld zijn gekomen al die mijlen te voet af te leggen met drie shillings en zes pennies in den zak.
"Hoe heb je het kunnen doen?" was alles, wat zij zeide.
"Ik was niet van plan geweest, den geheelen weg te loopen," zeide Judy met een flauw glimlachje. "Ik had zeven shillings in een stukje papier in mijn zak gestoken, evenals de drie shillings en de zes pennies, en ik wist, dat ik daarvoor een heel eind zou kunnen komen met den trein. Maar ik verloor het eene papiertje onder weg, en ik wilde daar niet voor teruggaan, dus moest ik natuurlijk loopen."
Meg raakte hare wang even aan.
"Het is geen wonder, dat je zoo mager geworden bent!" zeide zij.
"O, Marian en ik hebben alles bedisseld!" zeide Judy, met een glimlach. "Marian is mijn vriendinnetje en zij doet alles wat ik haar zeg. En zij woont in Katoomba."
"Nu?" zeide Meg nieuwsgierig, toen hare zuster zweeg.
"Nu, zie je, heel veel meisjes op school hebben de mazelen, en dus moest Marian thuis komen, want hare familie was bang dat zij ze ook zou krijgen. En Marians moeder had mij gevraagd, een veertien dagen mede te komen, en dus had Miss Burton aan vader geschreven en gevraagd of ik mocht. En toen heb ik een brief geschreven en gevraagd, of ik die veertien dagen niet liever thuis mocht komen."
"Daar heeft hij nooit iets van gezegd!" zeide Meg zacht.
"Neen, dat kan ik wel begrijpen. Nu, hij heeft terug geschreven en antwoordde mij "neen" en haar "ja." En dus brachten zij ons op een goeden dag naar den trein, en in Katoomba zouden wij afgehaald worden. En toen wij onderweg waren, kwam ik plotseling op de gedachte: "Waarom zou ik niet op mijn eigen houtje naar huis gaan?" Dus zeide ik Marian, dat zij thuis moest vertellen, dat ik naar huis was gegaan, en dat zij haar verhaal zoo moest inrichten, dat niemand er aan zou denken, hierover aan Miss Burton te schrijven. En toen hield de trein in Blackheath op, en ik sprong er uit, en zij ging naar Katoomba, en ik kwam naar huis. Dat is de geheele geschiedenis. En dus, jelui begrijpt, daar ik mijn geld verloren had, bleef mij niets over dan te loopen."
Meg streek over het stoffige, verwarde haar van haar zusje.
"Maar je kunt hier niet eene week lang logeeren!" zeide zij bezorgd. "Door het slapen in de open lucht heb je je eene ernstige verkoudheid op den hals gehaald, en ik ben er van overtuigd, dat je ziek bent. Wij zullen alles aan vader moeten zeggen. En ik zal hem verzoeken, je niet terug te zenden."
Judy vloog op, hare oogen fonkelden.
"Als je dat doet," zeide zij, "als je dat doet, dan loop ik van avond nog weg naar Melbourne, of naar Jeruzalem, en dan kom ik nooit, nooit weer terug! Hoe kom je daar aan, Meg? Nadat ik dit alles gedaan heb, alleen maar opdat hij er niets van zou weten! O, hoe kom je er aan?"
Zij wond zich tot een hevigen toestand van overspanning op.
"Je begrijpt immers wel, Meg, dat ik eenvoudig morgen weer naar school zou worden gestuurd. Is dat niet zoo, Pip? En op school zou mij op den koop toe nog heel wat te wachten staan. Mijn plan is zoo eenvoudig mogelijk. Ik heb hier eerst een week lang pret met jelui, en dan ga ik weer terug naar school--jelui kunt mij allen geld leenen voor den trein. Den 25sten ontmoet ik Marian in Katoomba; we zullen samen terugkeeren en niemand zal ooit iets te weten komen. Die hoest beduidt niets; vroeger heb ik ook altijd gehoest, en het heeft mij nooit kwaad gedaan. Zoolang jelui mij genoeg eten brengt, en bij mij komt, is alles in orde."
De rust en het voedsel en het zien der welbekende gezichten hadden haar reeds goed gedaan, haar gelaat was minder spits, en een zacht rose tintte langzaam hare wangen.
Meg had een beklemmend gevoel van verantwoordelijkheid, en zij achtte zich verplicht, ten minste aan iemand het gebeurde te vertellen; maar de anderen overreedden haar.
"Zoo laag zou je toch niet kunnen zijn, Meg!" had Judy met overtuiging gezegd, toen zij gesmeekt had Esther alles te mogen vertellen.
"Zulk een flapuit!" had Bunby er toe gevoegd.
"Zulk een verachtelijk schepsel!" had Pip uitgeroepen.
En dus zweeg Meg, maar was buitengewoon ongelukkig.
HOOFDSTUK XII.
ZWIEP, ZWIEP!
Op den vierden dag van Judy's verblijf op den zolder, deelde Martha Tomlinson haar kameraad en lijdensgenoot, Bridget, mede, dat zij geloofde, dat de kinderen samen zwoeren om haar naar "den overkant" te krijgen.