Part 6
Het was een karaktertrek van dezen kleinen jongen, dat, wanneer hij de verleiding niet had kunnen weerstaan en van het pad der waarheid was afgeweken, hij volkomen ongelukkig was, tot hij gebiecht had, en met zijne vieze handjes in zijne schreiende oogen had gewreven, tot hij een beeld bood "om van te droomen, maar niet om te beschrijven."
Pip zeide, dat dit kwam omdat hij een lafaard was, en de zedelijken moed miste om te gaan slapen met eene leugen op zijn geweten uit vrees van te zullen ontwaken en een engel met een vlammend zwaard naast zijn bed te zien staan. En tot mijn spijt moet ik toegeven, dat dit eene meer ware beschouwing van het geval was, dan wanneer men aannam, dat de kleine jongen werkelijk overtuigd was van het afkeuringswaardige zijner daad, en niets liever wenschte, dan haar weder goed te maken. Want als de gelegenheid zich maar voordeed, zou hij den volgenden dag weer struikelen, en 's avonds naar dezen of genen toekruipen en, met zijne vuistjes in zijne oogen, stamelen, dat hij: "iets gezegd had, dat niet waar was, boe-hoe!"
Tegen zeven uur was hij dus dezen avond buitengewoon berouwvol gestemd geweest; verscheidene tranen waren langs zijne wangen gerold, en hadden zich vermengd met den inkt van het huiswerk, dat hij bezig was voor de gouvernante te maken. Hij installeerde zich naast Meg's elleboog, en bleef naar haar opzien met een treurigen smeekenden blik, die haar in groote verlegenheid bracht, want zij was door zijn vreemd gedrag begonnen te vermoeden, dat hij op de eene of andere wijze den inhoud van het briefje vernomen had, en haar van haar voornemen zocht af te houden. Hoe langer hij haar bleef aanstaren, hoe rooder zij werd, en hoe minder zij zich op haar gemak begon te gevoelen.
"Je mag mijne nieuwe c-c-catapult hebben!" fluisterde hij met een droevigen, teederen blik, dien zij als eene bede om veilig thuis te blijven uitlegde.
Eindelijk stonden de wijzers op acht uur, en op een oogenblik dat de kinderen een hevigen woordenstrijd voerden over het bezit van een hond, die in den middag Misrule was binnengeloopen, sloop zij onbemerkt de kamer uit. Er was niemand in de vestibule, en zij nam het luchtige, flatteerende doekje, dat zij daar verborgen had, sloeg het om het hoofd, en liep de zijdeur uit en het pad op.
In den tuin was de grond wit van de afgevallen rozenbladeren, en de lucht vervuld met hunne laatste geuren; lang, slank pampasgras teekende zich met sierlijke lijnen tegen de lucht af; eenige inlandsche boomen, die tusschen de gekweekte heesters waren blijven staan, strekten zilverwitte armen omhoog naar de maan, en maakten een spookachtigen indruk op het voortsnellende meisje. Zij vloog het hek uit en naar het eerste grasveld, waarheen de rozengeur niet meer kwam, en waar alleen eene scherpe hooilucht in de stille atmosfeer zweefde. Zij zag meer gomboomen, en meer witte spookachtige armen; opeens bewoog zich iets bij het hek, eenige zacht gefluisterde woorden werden geuit, en Meg stootte vol schrik een kreet uit.
"Hier is de c-c-c-catapult, Meg! neem haar maar!" zeide Bunby, met een bleek en treurig gezicht.
"Akelige jongen! wat kom je hier doen?" zeide Meg boos, zoodra zij van haar schrik bekomen was.
"Ik wilde je alleen maar een genoegen doen, M-M-Meggie!" zeide de kleine jongen droevig snikkend.
Hij had zijne beide armen om haar middel geslagen, en begroef zijn neus in hare wit mousselinen japon. Zij schudde hem haastig van zich.
"Goed, goed; dank je!" zeide zij. "Ga nu naar huis, Bunby! Ik wilde in den maneschijn alleen eene wandeling maken."
Hij stopte zijne vingers zoo diep in zijne oogen als maar eenigszins mogelijk was, opende zijn mond, en zijne onderlip trok hij al lager en lager naar beneden.
"Ik--ik heb je iets verteld, wat--wat niet waar is!" zeide hij schreiend, en heen en weer wiegelend waar hij stond.
"Zoo? Nu, het is goed! Ga nu maar naar huis!" zeide zij ongeduldig. "Je vertelt altijd onwaarheden, Bunby, dus ben ik volstrekt niet verwonderd. Kom, ga nu!"
"M-maar ik moet je er a-alles van zeggen!" zeide hij, nog altijd bezig zijne oogen in zijn hoofd te drukken.
"Het is niet noodig! Voor dezen keer zal ik je vergeven!" zeide zij grootmoedig, "maar je moogt het niet meer doen. Ga nu maar gauw naar huis, of anders kom je niet klaar met je werk, en dan straft miss Marsh je."
Zijne oogen kwamen weer op hun gewone plaats terug, en zoo ook zijne handen. Met een volkomen verlicht hart ging hij naar huis. Toen hij een paar stappen geloopen had, kwam hij terug.
"Ben je erg gesteld op de catapult, Meg?" zeide hij vleiend. "Je bent maar een meisje, en dus denk ik, dat je er niet veel aan zult hebben!"
"Neen, ik heb er niets aan. Hier, daar heb je haar, en denk aan je werk!" antwoordde Meg, ongeduldig nu hij zoo treuzelde.
En Bunby, buitengewoon gelukkig, wendde zich voor de tweede maal van haar af en liep vroolijk heen.
In wilde haast, bevende, snelde Meg door de twee nog overige grasvelden.
In het struikgewas aan het einde was alles stil; er was geen geritsel, geen geluid van eene stem, en ook weerklonk niet het geaffecteerde lachje, dat gewoonlijk Aldith's aanwezigheid aankondigde.
Meg bleef ademloos staan en gluurde door de takken; eene lange gestalte leunde tegen het hek.
"Andrew!" riep zij met gedempte stem, en vergat in haar angst, dat zij hem nooit bij den naam noemde. "Waar zijn de anderen? Is Aldith niet gekomen?"
Zij rook een sigaar, en dichterbij komende, zag zij tot haar doodelijken schrik dat het Alan was.
"O!" riep zij op onbeschrijfelijken toon.
Haar hart bonsde van schrik en schaamte, en scheen toen stil te staan.
Zij zag hem aan alsof zij hem smeekte niet al te slechte gedachten van haar te koesteren, maar zijn gelaat vertoonde de uitdrukking van minachting, die zij begonnen was zoo te vreezen, en zijne lippen krulden zich tot een fijnen glimlach.
"Ik--ik wilde alleen maar even eene wandeling maken; het is zulk een mooien avond!" zeide zij, met een akelig gevoel van machteloosheid, en toen als om zich te rechtvaardigen, voegde zij er bij: "en dan, het zijn de weiden van mijn vader!"
Hij bleef tegen het hek leunen, en keek op haar neer.
"Flossie gaf mij uw briefje, en omdat het voor mij bestemd scheen, en zij mij buitendien zeide, dat het voor mij was, maakte ik het open," sprak hij.
"U wist, dat het voor Andrew was!" zeide zij, maar zij keek hem niet aan.
"Dat vermoedde ik, toen ik het gelezen had," antwoordde hij langzaam; "maar Andrew is van avond nog niet thuis geweest, en dus kwam ik in zijne plaats, het is hetzelfde, als het maar een jongen is, nietwaar?"
Het meisje gaf niets ten antwoord, maar hief hare hand op, en trok het doekje dichter om haar hoofd.
Zijne lippen krulden zich iets meer.
"En hoe men kust weet ik ook, dat verzeker ik u ... Waarschijnlijk had u dat van mij niet verwacht! O ja, ik weet wel, dat u gezegd heeft, dat u niet gekust wilde worden, maar dat zeggen de meisjes altijd, nietwaar?--zelfs wanneer zij het anders meenen."
Altijd sprak Meg nog niet, en de kalme, onbarmhartige stem vervolgde:
"Ik vrees, dat het nog wel niet donker genoeg voor u is. De maan is al heel vervelend, vindt u ook niet? Maar, we kunnen misschien een eindje verder nog wel eene donkerder plek vinden, en dan kan ik u zonder gevaar zoenen. Nu? is u altijd zoo stil met Andrew?"
"O, spreek niet zoo!" zeide Meg met smeekende stem.
Dadelijk liet hij den spottenden toon varen.
"Miss Meg, u leek vroeger zulk een flink, aardig meisje," zeide hij bedaard, "waarom laat u zich bederven door die afschuwelijke Aldith MacCarthy, want zij is afschuwelijk, hoewel u er misschien niet zoo over denkt."
Meg sprak niet, en bewoog zich niet, en hij vervolgde met een vriendelijken ernst, waartoe zij hem niet in staat had geacht.
"Ik heb haar op de boot gade geslagen, en gezien hoe zij u systematisch bedierf, en ik kon niet nalaten te denken, hoe jammer dat is. Ik heb mij voorgesteld wat ik zou voelen, wanneer mijn klein zusje Flossie ooit in de handen van zulk een meisje viel, en begon te coquetteeren en zich dwaas aan te stellen, en ik dacht er toen ook aan, of u het mij zou kwalijk nemen, als ik er met u over sprak. Is u zeer boos op mij, Miss Meg?"
Maar Meg leunde het hoofd tegen het ruwe hek, en begon te snikken--kleine, droge, innig droevige snikken, die tot het gevoelige hart van den jongeling spraken.
"Ik had niet zoo moeten spreken, als ik in het begin deed--ik ben een lomperd geweest," zeide hij vol berouw, "vergeef het mij, wil u? och, doe het, Miss Meg, ik zou liever mijne hand afhouwen, dan u werkelijk pijn doen!"
Dit laatste was ten minste een kleine troost, en Meg hief eene halve seconde lang het hoofd op; wit en ernstig was haar gelaat in het maanlicht, en nat van tranen.
"Ik--ik--o! ik ben heusch niet zoo slecht als u denkt," zeide zij deemoedig; "ik wilde in het geheel niet gaarne deze wandeling maken, en o! heusch, heusch, heusch, ik zou niemand toestaan mij te zoenen. Geloof het toch!"
"Ik geloof u, ik geloof u werkelijk," zeide hij met overtuiging; "ik heb het alleen gezegd, omdat--wel, omdat ik een groote, ruwe lomperd ben, en niet weet hoe ik met een teer, zacht meisje moet spreken. Lieve Miss Meg, geef mij uwe hand en zeg mij, dat u mijne onbesuistheid vergeeft."
Meg strekte eene kleine, witte hand uit, en hij drukte deze met warmte. Toen liepen zij samen door de grasvelden, en scheidden bij een gebroken hek, dat toegang gaf tot den tuin.
"Ik zal nooit meer coquetteeren zoolang als ik leef!" zeide zij met grooten ernst, toen hij afscheid van haar nam; en hij antwoordde bemoedigend:
"Ik ben er van overtuigd, dat u het niet zal doen--dat is iets voor meisjes als Aldith! U moest alleen maar daarop gewezen worden. Vaarwel, Miss Meg!"
HOOFDSTUK IX.
GEVOLGEN.
"Hoe kwam het toch, dat gij dit deedt? Berouw komt spoedig, zoo ge weet!"
Maar Megs moeielijkheden waren nog niet ten einde. Toen zij het huis binnentrad, kwam Nell in de vestibule op haar toe geloopen, en staarde haar aan.
"Waar ben je toch geweest?" zeide zij, en hare ronde oogen waren een en al verbazing. "Ik heb je overal gezocht."
"Waarom?" vraagde Meg kort.
"Dokter Gormeston en Mevrouw Gormeston en twee dames Gormeston zijn in het salon, en ik geloof, dat ze heelemaal niet meer weg gaan."
"Nu?" zeide Meg.
"En de Generaal is weer ziek, en Esther zegt, dat zij hem voor niets en voor niemand eene seconde alleen wil laten."
"Nu?" zeide Meg nog eens.
"En vader is zoo kwaad als hij maar zijn kan, en hij moet ze allen bezig houden. Hij heeft: "Mijn eerste liefde" en "Mona" gezongen, en hij heeft hun alles van zijne paarden verteld, en nu denk ik, dat hij niet weet, wat met hen te beginnen!"
"Nu, daar kan ik niets aan doen," zeide Meg met moede stem, en alsof wat Nellie zeide, haar in het geheel niet aanging.
"Dat zal dan toch wel dienen!" riep Nell scherp. "Ik heb gedaan wat ik kon, hij heeft om de meisjes gezonden, en omdat jij er immers niet was, waren er alleen Baby en ik."
"En wat hebben jelui gedaan?" vraagde Meg, nieuwsgierig tegen wil en dank.
"O, Baby heeft met de eene juffrouw Gormeston zitten praten, en zij vraagden mij, iets op de piano te spelen," sprak zij, "en dus heb ik mijn nieuwe stukje gespeeld. Toen ik er mede klaar was, merkte ik eerst dat er twee kruisen aan den sleutel staan," voegde zij er treurig bij. "En toen heeft Baby aan mevrouw Gormeston verteld hoe Judy den Generaal in de kazerne heeft gelaten, en hoe zij daarom naar de kostschool gezonden is, en van den groenen kikvorsch, dien Bunby haar gegeven heeft, en toen zeide vader, dat wij maar liever naar bed moesten gaan, en vraagde, wanneer jij nu toch eindelijk kwaamt."
"Ik ga, ik ga!" zeide Meg haastig, "hij zal er morgen vreeselijk woedend om zijn. En, Nell, ga Martha zeggen, dat zij over een half uurtje wijn en koekjes binnen brengt."
Zij wierp haar shawltje af, bracht vlug het haar in orde, en keek in den spiegel der vestibule of de nachtwind de sporen harer tranen had weggevaagd.
Toen ging zij het salon binnen, waar haar vader stond, met een hoogrood en ongelukkig gezicht zijn best doende om vier gasten te amuseeren, die tot het soort, gewoonlijk bekend als "zwaar op de hand," behoorden.
"Speel eens iets, Meg!" zeide hij, toen de begroeting was afgeloopen, en allen in een diep zwijgen dreigden te vervallen; "of zing eens, dat is nog beter,--heb je niet iets om te zingen?"
Nu had Meg eigenlijk eene aangename, frissche, niet zeer sterke stem, naar welke men wel met genoegen kon luisteren, maar dien avond was zij vermoeid en opgewonden en treurig. Zij koos een eenvoudig lied en zong dikwijls valsch en zonder de minste uitdrukking.
Zij wist, dat haar vader, zoolang haar gezang duurde, op heete kolen stond, en dat hare fouten hem doodelijk ergerden, en toen het lied geëindigd was, begon zij, liever dan zich om te keeren, en allen aan te moeten zien, Kowalski's Marche Hongroise te spelen. Maar de toetsen schenen naar haar toe te komen en hare handen te willen grijpen, en de piano scheen te wankelen en verontrustend heen en weer te schuiven; zij liet een afschuwelijken dissonant hooren, toen zij, om zich vast te houden, naar den muzieklessenaar greep, en gleed een oogenblik later van den stoel en viel flauw, juist in Dr. Gormeston's armen, die gelukkig bij tijds uitgestrekt werden.
Opgewonden, overprikkeld als zij was, had de drukkende warmte van het salon haar bevangen.
Kapitein Woolcot was buitengewoon geschokt door dit voorval; met geen enkele van zijne kinderen was ooit te voren zoo iets gebeurd, en toen Meg op de sofa lag, en haar blond hoofdje tegen de roode kussens steunde, terwijl haar gelaat zoo bleek en zielloos was, geleek zij wonderlijk veel op hare moeder, die hij nu vier jaren geleden naar het kerkhof gebracht had. Hij ging naar den filter om een glas water te halen, en, terwijl het vocht uit de kraan liep, dacht hij er dof en werktuigelijk over na, of zijne kleine gestorven vrouw misschien ook dacht, dat hij te snel had gehandeld, toen hij Esther tot hare opvolgster koos. En daarop, terwijl hij naast de sofa stond, en naar dat gelaat keek, dat zooveel had van dat eener doode, dacht hij met eene koude huivering, of Meg ook zou sterven, en wanneer dit gebeurde, of zij dan die zelfde kleine vrouw zou kunnen zeggen, dat Esther aan zijne zijde meer liefde ondervond dan haar deel was geweest.
Zijn gepeins werd afgebroken door de scherpe, verbaasde stem van den dokter. Hij sprak met Esther, die haastig was geroepen, en die Megs taille had helpen openhaken.
"Het meisje heeft zich veel te veel geregen!" zeide hij. "Dat moet u toch ook opgemerkt hebben, mevrouw! Wanneer die drukking altijd even sterk is geweest, dan was die alleen al genoeg, om haar half dood te maken. Eene flauwte!--het verbaast mij, dat haar zoo iets niet eerder overkomen is!"
Eene wolk trok over Esther's liefelijk, nu zoo bezorgd gelaat--nog eens was zij in het uitoefenen harer taak te kort geschoten. Haar echtgenoot keek haar met een duisteren blik aan, terwijl hij bij de sofa stond, waarop de jonge gestalte in hare verkreukte mousselinen japon lag, en haar hart zeide haar, dat zij niet als eene moeder voor deze kinderen zorgde.
Later, toen Meg te bed lag en alles meer tot kalmte was gekomen, zocht zij bijna schuchter haar echtgenoot op.
"Ik ben eerst twintig, Jack! Wees niet hard!" zeide zij met een snik. "Ik kan niet geheel voor hen zijn, wat zij voor hen was, is het wel zoo?"
Hij kust het jonge, schoone hoofd dat tegen zijn schouder lag, en sprak een paar teedere woorden tot haar. Maar telkens en telkens weer stond hem dien nacht Megs wit, onbeweeglijk gelaat voor den geest, zooals het op de roode kussens gelegen had, en hij wist, dat de wind, die de gordijnen voor het venster bewoog, enkele minuten geleden met het lange gras op het kerkhof gespeeld had.
HOOFDSTUK X.
BUNBY ALS HELD.
Het was weer eens uitgekomen, dat Bunby een geheel weefsel van onwaarheden had verteld. Het was ditmaal een ernstig geval, en hij gevoelde zich naar verhouding ongelukkig. Iedereen was uit behalve Meg, die nog te bed lag na haar aanval van bewusteloosheid, en hij was op een der grasvelden eenzaam een spelletje cricket gaan spelen. Maar zelfs niettegenstaande een spiksplinternieuwen cricketbal kan dit spel na een poosje alle bekoorlijkheid verliezen, wanneer men geheel alleen voor alles staat. Dus bracht hij weldra zijn bal naar den tuin, en begon op goed geluk met den bal te gooien, terwijl hij er over mijmerde, wat hij zou beginnen. Het paard van zijn vader stond aan het andere einde van het grasveld, en loom en zonder na te denken ging Bunby naar dien kant en wierp toen zijn bal rakelings over den grond naar het dier toe om het "eens op te laten springen." Niets lag verder van hem af dan de gedachte, het dier te willen kwetsen, en toen de bal tegen den poot van het paard sloeg, en het hinkend weg liep, vloog hij naar hem toe, bleek en vol angst. Aan de manier, waarop het arme dier den poot hield opgetrokken, en trilde, wanneer hij het aanraakte, kon hij merken, dat hij het ernstig bezeerd had. Een doodelijke schrik greep hem aan, en hij liep haastig weg, vervuld met zijne gewone gedachte, van zich ergens te willen verbergen. Maar tot zijne hevige ontsteltenis zag hij, toen hij het grasveld reeds half achter zich had, zijn vader met een kameraad door de poort van het tuinhek komen en langzaam in de richting van het paard, dat zeer kostbaar en fraai was, voortloopen.
Vol berouw over wat hij gedaan had, verborg hij den cricketbal voor in zijn matrozenbuisje, en nadat hij zich plotseling op zijne knieën had laten vallen, begon hij met grooten ijver te knikkeren. Zijn bevende duim had ongeveer een dozijn knikkers her- en derwaarts gestuurd, toen hij luide zijn naam hoorde roepen.
Hij stond op, klopte het stof van zijne trillende beenen, en ging langzaam naar zijn vader.
"Ga Pat zeggen, dat hij dadelijk hier moet komen!" zeide de kapitein. Hij hield den poot van het paard in zijne hand en onderzocht dezen vol angst. "Als hij er niet is, zend Pip dan. Ik kan niet begrijpen, hoe het gekomen is--weet jij er iets van, Bunby?"
"Wel neen, natuurlijk niet! Ik heb--niets gedaan!" antwoordde Bunby klappertandend, maar zijn vader was te afgetrokken om de duidelijke kenteekenen van zijne schuld op te merken, en zeide hem dadelijk heen te gaan.
Dus ging hij naar den stal, en zond Pat naar zijn vader.
En toen sloop hij het huis binnen, kaapte twee appels en een cake uit de eetkamer, en ging weer heen om diep wanhopig te zijn tot het oogenblik, waarop hij zou biechten.
Hij kroop naar een leeg staand gebouwtje niet ver van het woonhuis gelegen; in vroegeren tijd was dit een stal geweest, en het had twee verdiepingen, waarvan de bovenste alleen bereikt kon worden door middel van een ladder, die zich in een toestand van groot verval bevond. Bunby klauterde naar boven, zette zich innig bedroefd op een bos stroo neer, en begon peinzend op een der appels te bijten.
Wanneer er ooit een kleine jongen eene verstandige, liefhebbende moeder noodig had, dan was het wel dit ventje met zijn bemorst gezicht en zijn bezwaard hart, dat met zijn hoofd tegen een balk vol spinrag zat en neerslachtig mompelde: "Ik kan het niet helpen! Het was de schuld van het paard!"
Hij meende iets te hooren bewegen op den tweeden zolder, welke door een laag beschot van dien, waarop hij zat, gescheiden was. "Kischt--kischt, maakt dat je wegkomt!" riep hij, denkende, dat er ratten waren. Verscheiden malen stampte hij met zijne zware laarzen op den vloer.
"Kischt!" riep hij nog eens.
"Bunby!"
Het kind werd tot in de lippen bleek. Zijn naam, die daar zoo vreemd en zacht gefluisterd werd, dat geritsel zoo dicht in zijne nabijheid--o! wat zou dat beduiden!
"Bunby!"
Nog eens weerklonk zijn naam. Ditmaal luider, maar de stem, die hem uitsprak, was vermoeid, en de klank er van deed hem zonderling aan. Het geritsel werd hoorbaarder, er gleed iets over het beschot, liep over den vloer, en kwam naar hem toe. Hij snikte van angst en wierp zich plat op den grond, en verborg zijn gezicht, waaruit alle kleur geweken was, in het stroo.
"Bunby!" zeide de stem nog eens, en eene hand raakte even zijn arm aan.
"Help me--help me!" gilde hij. "Meg--vader--Esther!"
Maar op zijn mond werd haastig eene hand gelegd, en eene andere trok hem omhoog.
Hij had zijne oogen zeer vast gesloten, om den geest niet te zien, die, zooals hij wist, gekomen was om hem voor zijne zonden te straffen. Maar iets dwong hem, ze te openen, en toen--kon hij ze van verbazing niet weer sluiten.
Want het was Judy, die hare hand op zijn mond had gelegd, en Judy, die naast hem stond.
"Groote hemel!" zeide hij, vol innige verwondering. Hij staarde haar aan om zich te overtuigen, dat zij werkelijk van vleesch en bloed was. "Hoe kom jij hier?"
Maar Judy gaf geen antwoord. Zij nam eenvoudig den appel, die nog over was, en den cake uit zijne hand en, nadat zij was gaan zitten, at zij deze zwijgend op.
"Heb je niets anders?" vraagde zij angstig.
Toen merkte hij eerst op hoe mager zij was, en hoe slecht zij er uit zag. Hare kleederen hingen bijna in flarden om haar lichaam, hare laarzen waren gescheurd en wit van het stof, haar bruin gezicht was ingevallen en toonde scherpe lijnen, en haar haar was dof en hing woest in vlokken om haar hoofd.
"Groote hemel!" zeide Bunby nog eens, en zijne oogen schenen uit zijn hoofd te zullen rollen--"groote hemel, Judy, wat heb je uitgevoerd?"
"Ik--ik ben weggeloopen, Bunby!" zeide Judy met trillende stem. "Ik heb den geheelen weg, van de school tot hier, te voet afgelegd. Ik had zulk een verlangen naar jelui allen!"
"Wel heb ik van mijn leven!" zeide Bunby.
"Ik heb eerst alles goed overlegd," vervolgde Judy, terwijl zij met eene loome beweging, het haar naar achteren streek. "Ik kan mij nu niet alles herinneren, ik ben zoo moede, maar alles zal in orde komen."
"Maar wat zal hij zeggen?" riep Bunby met verschrikte oogen, want hij had aan zijn vader gedacht.
"Hij zal er natuurlijk niets van te weten komen," antwoordde Judy op een toon, alsof zij vond, dat dit van zelf sprak. "Ik zal hier op dezen zolder een tijdje wonen, en jelui kunt mij hier allen komen bezoeken en mij eten en allerlei brengen, en dan zal ik weer terug gaan naar school." Zij zonk achterover in het stroo en sloot gedurende een paar minuten uitgeput hare oogen; Bunby kon de oogen niet van haar afwenden.
"Hoe ver is het van je school tot hier?" zeide hij eindelijk.
"Zeven en zeventig mijlen." Judy trilde terwijl zij sprak. "Van Lawson tot Springwood heb ik in een goederentrein gezeten, en een klein eind heb ik ook nog in een kar afgelegd, maar overigens heb ik alles geloopen. Ik ben bijna eene week onderweg geweest," voegde zij er na een oogenblik zwijgens bij, en sloot toen weer voor geruimen tijd de oogen. Een paar tranen, die zij uit zwakte en uit medelijden met zich zelve schreide, drongen tusschen hare zwarte wimpers door en lieten een smal, helder spoor op hare wangen na. Bunby voelde, hoe zijn keel dichtgenepen werd bij dit gezicht, zoo lang hij zich kon herinneren, had hij Judy nooit zien schreien. Hij liefkoosde hare magere hand, hij wreef zijn hoofd tegen haar schouder en zeide: "Houd je goed, houd je goed!" met min of meer onvaste stem.
Maar dit maakte, dat een half dozijn groote, zware druppels tusschen de gesloten oogleden doorstroomden, en Judy draaide zich om, en legde zich voorover om hare tranen te verbergen. Toen richtte zij zich in eene zittende houding op, en begon werkelijk te lachen.
"Als nu de dames Burton mij eens konden zien!" zeide zij. "O, ik heb alles zoo slim bedisseld; zij denken, dat ik veertien dagen te logeeren ben in Katoomba--o Bunby, je moest de krullen eens kunnen zien, die Miss Marian tegen haar wangen geplakt draagt!" Zij zweeg, lachte zenuwachtig opgewonden, en begon toen te hoesten, tot de tranen weer in hare oogen kwamen.