Zeven kleine Australiërs

Part 5

Chapter 53,993 wordsPublic domain

Meg zag er zeer slecht uit, daar was geen twijfel aan. Hare mooie rozige gelaatskleur verloor hare frischheid, eene uitdrukking van prikkelbaarheid groefde een trek om den mond, die eenige maanden geleden alleen voor glimlachjes scheen geschapen te zijn. En, het was treurig onromantisch, maar, haar neus was van tijd tot tijd bijzonder rood. Nu kan eene heldin de grootste, diepste oogen, de langste wimpers, die maar mogelijk zijn, hebben; zij kan haar hebben gelijk aan het goud, dat "in den oogsttijd tot schoven wordt gebonden"; zij kan lippen bezitten als kersen en tanden als paarlen, en een roode neus zal al deze bekoorlijkheden vernietigen. Hij berokkende Meg ware zielsangsten. Zij las met de grootst nauwgezetheid alle antwoorden in de "Correspondentie" der verschillende tijdschriften, die Aldith haar leende, om haar te helpen in haar zoeken naar een geneesmiddel. Maar bijna iedereen scheen recepten te vragen om den groei der oogharen te bevorderen of om embonpoint te voorkomen. Geen enkel antwoord, dat haar onder de oogen kwam, zeide: Een roode neus bij jonge meisjes wordt gewoonlijk veroorzaakt door slechte spijsvertering of door te nauw rijgen." Zij vraagde Aldith haar een raad te geven, en deze jonge dame dacht, dat hare vriendin de gewenschte uitkomst zou verkrijgen, door vaseline en zwavel, goed vermengd, op het lichaamsdeel in quaestie te leggen. En nu sloot Meg iederen avond de deur van haar slaapvertrek door middel van een eigen gemaakten grendel, want sleutels waren op Misrule eene ongekende weelde, en bestreek haar armen, kleinen neus hoogst zorgvuldig met het vette geneesmiddel, waarnaar zij den geheelen nacht op haar rug moest blijven liggen, om te voorkomen dat zij het aan haar kussen zou wrijven.

Eens was Pip in haar kamertje doorgedrongen om haar te vragen, zijne bretels even te willen naaien; zij was toen genoodzaakt geweest, haastig een handdoek om haar hoofd te slaan en te zeggen, dat zij hevige zenuwhoofdpijn had, en dat hij maar naar Esther of een van de meiden moest gaan. Had hij de oorzaak dezer weigering gekend en gezien, dan zou er geen einde aan de plagerijen gekomen zijn.

In den laatsten tijd bracht Meg een groot gedeelte van den dag in hare slaapkamer door, die nu, sedert Judy's vertrek, van haar alleen was. In de eenzaamheid garneerde zij hare hoeden en veranderde ze telkens weer, vermaakte zij hare japonnen, las zij hare novellen, en zat met hangende haren voor haar spiegel, peinzende over den tijd, waarin zij "groot" zou zijn en een man haar hart zou geschonken hebben. Want haar en Aldith scheen alleen deze periode van het leven liefelijk en begeerlijk. Meg vlijde zich gaarne in een grooten leunstoel, die naar hare kamer was verbannen, omdat de veeren gesprongen waren, en droomde dan lang schoone, ijdele droomen van een minnaar met "lange zwarte wimpers en eene militaire houding". Natuurlijk was het hoogst laakbaar op haar teederen leeftijd van zestien jaren zulke gedachten te hebben, maar dan moeten wij bedenken, dat het meisje geene moeder had, die deze verdoolde phantasie weer op het goede pad had kunnen brengen, en dat zij eene dochter van het Zuiden was.

Australische meisjes beginnen bijna altijd veel eerder over "vrijages en zulken onzin", zooals ouderwetsche menschen zeggen, te denken, dan hare Engelsche zusters. Terwijl zij nog in de korte-jurken-periode zijn, en terwijl haar haar nog los op haar rug hangt, stellen zij de levendigste belangstelling in jongens van de naburige scholen, broers van andere meisjes, jonge klerken, en dergelijken. Niet omdat zij goede speelkameraden zouden kunnen zijn, maar omdat zij hen beschouwen in het licht van mogelijke aanstaande "hartsvrienden". Ik zeg niet, dat Engelsche meisjes nooit aan zulke dingen denken. Volstrekt niet; in iedere school zullen er wel een of twee dwaze, giggelende jonge schepseltjes met soortgelijke neigingen te vinden zijn, die met een pak klappen weer naar haar cricket en hare poppen toe moesten gezonden worden. Maar in dit land der jeugd is het meer regel dan uitzondering, en dit is de grootste fout van het zeer jonge Australische meisje. Zij is als eene perzik, eene mooie, gave perzik, die bijna in één dag tot rijpheid is gekomen, en die haast heeft het teedere waas te vernielen dat haar grootste bekoorlijkheid is, alleen om hare schitterende, warme kleur duidelijker te doen uitkomen. Aldith had, tot hare voldoening, haar eigen "waas" weggewreven, en was op het oogenblik druk bezig dat van Meg te doen verdwijnen, dat zeer zacht en liefelijk was, voor zij er aan raakte. De novellen hadden iets weggenomen en het "Block" nog iets meer, maar zij was van nature verstandig, en het duurde lang, eer men aan haar eene verandering kon bespeuren. En nu, onder voogdijschap harer vriendin, was zij binnengeleid in de verrukkelijke geheimen der liefdesavonturen, en voorloopig vervulde de gedachten daaraan haar eenigszins doelloos jong leven. Maar dit alles eindigde met eene gebeurtenis, welker herinnering haar nog jaren daarna een pijnlijken blos op de wangen jaagde.

Na de Fransche les, die zij, als ik reeds vertelde, tweemaal in de week namen, kwamen de vriendinnen gewoonlijk met de boot van vijf uur terug. En op deze boot waren ook altijd twee jonge lui, die den naam Courtney droegen, en een derde jonge man, Aldith's bijzonder eigendom, James Graham. Nu was het jonge volkje met elkaar in kennis gekomen op picnics en dergelijke feestjes in den omtrek, maar deze kennismaking, in plaats van, nu zij elkaar meermalen ontmoetten, te rijpen tot eene hartelijke, aangename vriendschap, had aanleiding gegeven tot flauwe geheimzinnigheden en eene aanstellerige verliefdheid. James Graham, zeventien jaar oud, was werkzaam op het kantoor van een advocaat, en scheen weinig haast te hebben zich tot een flinken man te ontwikkelen. Hij droeg een stok, en was zeer gesteld op een keurigen hoed en een hoog boord en mooie laarzen, die gewoonlijk van bruin leder waren. En hij bezat een knevel, zoo dun, als men er zich maar een kan verbeelden, dien hij met groote zorg behandelde, en dien Aldith aanbiddelijk vond. Aldith's levendigheid en gevatheid vielen in zijn smaak en binnen zeer korten tijd drukten zij elkander heimelijk briefjes in de hand, en zuchtten daarbij sentimenteel. Niet dat deze briefjes iets buitengewoons bevatten, zij waren gewoonlijk tamelijk vormelijk.

"Hooggeachte Miss MacCarthy", luidde bijvoorbeeld een. "Waarom was u gisteren niet op de boot? Ik keek naar u uit zoolang ik maar eenigszins hopen kon, u nog te zien verschijnen, en moest toen een vervelenden tocht op het water maken. Wat staat die groote hoed u allerliefst, en die narcissen, die ge draagt, passen beeldig bij uwe japon. Zou ik u om een dezer bloemen mogen verzoeken? geef er mij ééne, Aldith!

Met eerbiedige hoogachting

Uw vriend

James Graham."

En Aldith's antwoord, geschreven op een blaadje van haar notitieboekje met een rose potloodje, afkomstig van een balboekje, en dat zij altijd in hare beurs bij zich had, mocht den volgenden inhoud hebben:

"Waarde Mr. Graham,

Wat mag de reden zijn, dat ge de bloemen, die ik in mijne japon gestoken had, verlangt te bezitten? Ik heb ze den geheelen dag gedragen, en zij zijn verwelkt en slap. Ik kan mij niet verbeelden, wat gij aan haar zoudt hebben. Maar, indien u werkelijk op haar gesteld is, zal ik ze u natuurlijk geven. Ik ben zoo blijde, dat mijn hoed u bevalt. Ik zal hem nu altijd gaarne dragen. Heeft u mij werkelijk gisteren gemist? Ik liet mijn portret maken. Marguerite vindt, dat het zeer goed lijkt, ik vind het werkelijk te geflatteerd.

Met een vriendelijken groet

L. Aldith Evelyn MacCarthy."

Een groote vriend van Mr. James Graham was een der reeds genoemde Courtneys, en wel degene, dien men Andrew noemde. Hij was een knappe jongen van achttien jaren, nog scholier, maar hij bezat hoogst innemende manieren en een paar waarlijk mooie oogen.

En sedert zijn vriend en trouwe metgezel James begonnen was "zich te interesseeren" voor "de kleine MacCarthy", bedankte hij er voor, geheel buiten alles te staan. Dus begon hij op in het oog loopende wijze werk te maken van Meg, die tot onder haar zacht, mooi ponyhaar bloosde, iederen keer dat hij tot haar sprak, en met een pijnlijk verlegen en schuldig gezicht voor zich keek, telkens als hij haar iets vleiends zeide.

De andere jonge man, Alan Courtney, was zeer groot en breed van schouders, maar zijn gezicht was volstrekt niet bijzonder fraai. De uitdrukking van zijn gelaat was ernstig, zijne oogen waren grijs en lagen diep in zijn hoofd, zijne bruine haren zagen er uit, alsof hij ze gedurig den verkeerden kant op streek. Hij was student, speelde uitstekend voetbal, en vermaakte zich op weg naar huis, nooit op de manier van Andrew en diens vriend.

Hij gaf gewoonlijk een nauwelijks merkbaar knikje met het hoofd, wanneer hij voorbij de kleine groep kwam, nam zijn hoed zoo weinig mogelijk als met de voorschriften der beleefdheid in overeenstemming te brengen was, af, en liep door naar het verst verwijderde gedeelte der boot. Eens toen hij voorbij kwam, keek Aldith juist door hare wimpers heen smachtend zijn broeder aan, en Meg was er bijna zeker van dat zij hem bij zich zelf had hooren zeggen: "Belachelijke zotten!" Hij zat gewoonlijk eenzaam op de boot te rooken--sigaren bij het begin van de vaart, en tegen het einde haalde hij een kort, zwart, onaanzienlijk pijpje voor den dag--en Meg dacht dan heimelijk, dat hij er toch wel mannelijk uitzag, en dan zuchtte zij diep.

Want ik kan u nu even goed als later vertellen, wat er met dit dwaze, kleine meisje gebeurd was, na enkele maanden den invloed van Aldith en der novellen ondergaan te hebben. Zij was verliefd geworden, en dit wel met eene innigheid zoo groot, als dit op den lieven leeftijd van zestien jaar maar mogelijk is; en het was op Alan, die niet vriendelijk keek, noch aangename manieren had--niet op Andrew, die sprekende oogen bezat en lokken, die "zijn voorhoofd deden gelijken op de rijzende zon," niet op Andrew, die haar teedere blikken toewierp, en haar onder bedekte termen duizend maal verzekerde: "Aan u heb ik mijn hart verloren," maar op Alan, die volstrekt geene notitie van haar nam dan bij gelegenheid door eene half spotachtige buiging.

Arme Meg! Zij was zeer treurig in dezen tijd, en toch was het eene soort van zoete treurigheid, die zij koesterde en voor uitdooven bewaarde. Niemand vermoedde haar geheim. Zij zou liever gestorven zijn, dan er zelfs tegenover Aldith iets van te laten doorschemeren, en ontving Andrew's briefjes en glimlachjes alsof niets haar aangenamer kon zijn. Maar zij werd mager, hare oogen schenen steeds grooter te worden, en 's avonds schreef zij lange verhalen in haar dagboek, en buitendien een snel aangroeiende verzameling gedichten, waarin "hart" en "smart," "traan" en "staan," "zwerven" en "sterven," "zucht" en "lucht" de meest voorkomende rijmwoorden waren. Zij verdroeg Andrew om verschillende redenen. Ten eerste was hij de broer van Alan, en vertelde altijd allerlei verhalen van "Al," en pochte hij op de kranige figuur, die deze op het voetbalveld maakte; en dan zou Aldith haar geheim kunnen raden, indien zij hem geheel afstootte. Buitendien had Andrew de langste wimpers, die zij ooit gezien had, en zij moest toch iemand hebben, die haar allerlei aangenaams zeide, ook al was dit niet degene, van wien zij dit het liefst gehoord had.

Maar eens op een dag kwam er eene crisis.

"Geen tochtjes meer met onze lieve boot, eene geheele maand lang!" sprak Aldith, van haar hoekje in de kajuit.

"Dat is verschrikkelijk! Wat bedoelt u, Miss MacCarthy?" zeide James Graham, met overdreven wanhopige stem.

"Monsieur H. heeft de klasse eene maand vacantie gegeven. Hij gaat naar Melbourne!" antwoordde Aldith met een zucht.

Meg zorgde plichtmatig voor de echo, en Andrew zeide woedend, dat Monsieur H. het hangen niet waard was. Hij zou wel eens willen weten, waarom hij zoo onmenschelijk handelde; en hoe moesten Jim en hij hun leven in dien tusschentijd voortsleepen?"

James was degene, die dadelijk een middel wist, om het leed te verzachten.

"Zouden wij met ons vieren niet eens 's avonds kunnen eraan wandelen?" sloeg hij voor.

Aldith en Andrew vonden dit voorstel schitterend; en hoewel Meg eerst vast besloten het hoofd geschud had, liet zij zich toch overhalen, en beloofde mede te zullen gaan.

Zij zouden elkaar ontmoeten in een boschje, dat aan het verst verwijderde grasveld van Misrule grensde, ongeveer een uur wandelen, en tegen half acht terugkeeren, eer het donker werd.

"Ik zal je dien dag iets vragen, Meg!" fluisterde Andrew toen zij op het punt waren, van elkander te scheiden. "Ik ben benieuwd of ik het zal krijgen."

Meg bloosde, zenuwachtig en onrustig, en vroeg zich zelve af, of hij haar om een haarlok zou verzoeken, iets, wat Jim reeds van Aldith gekregen had.

"Wat?" zeide zij werktuigelijk.

"Een zoen!" fluisterde hij.

In het volgende oogenblik hadden de anderen zich bij hen gevoegd, en het antwoord vol verontwaardiging, dat haar op de lippen zweefde, bleef onuitgesproken. Zij moest hem zelfs hare hand geven, om het te doen schijnen, alsof er niets gebeurd was, en oogenschijnlijk als goede vrienden van elkander te gaan.

"Precies half zeven, Marguerite! Ik zou het je nooit vergeven, als je niet kwaamt!" zeide Aldith, toen zij bij het hek afscheid namen.

"Ik--je--o Aldith! ik begrijp niet, hoe ik zal kunnen komen," stamelde Meg, weer met hoogroode wangen. "Ik heb nog nooit zoo iets gedaan. Ik ben er van overtuigd, dat het niet goed is."

Maar de minachtende trek om Aldith's mond maakte haar beschaamd over zich zelve.

"Je bent geloof ik, twaalf jaar, Marguerite!" zeide deze jonge dame kalm; "je bent waarlijk niet ouder dan twaalf jaar! Je deedt beter met weer eene pop te nemen, en een prentenboekje met fabeltjes. Ik zal Andrew vragen, om je een te koopen, en ook een stuk touw, om je in je tafelstoel vast te binden."

Zulk een hoon was te veel voor Meg. Zij beloofde haastig en onvoorwaardelijk op den bepaalden tijd aanwezig te zullen zijn, en liep snel het voetpad op, om aan de roepstem der hard luidende bel voor de thee gehoor te geven.

Gedurende de twee volgende dagen drukte haar geheim haar als een last van schuld, en zij verlangde vurig naar eene vertrouwde, die haar zou kunnen raden, hoe zij in deze netelige zaak moest handelen. Judy kon zij daarvoor niet kiezen: deze was te eerlijk, te verstandig, en had daarenboven te veel van een kind en een jongen--zij zou haar nooit zoo iets durven vertellen. Zij kon zich den blik van verontwaarding in de groote, heldere oogen harer zuster voorstellen, het schaterende gelach, dat zulk een verhaal zou uitlokken, de vernietigende, handig gekozen plagerijen, die zij trillende, zou moeten aanhooren. Ook Esther niet--daar deze immers hare stiefmoeder was, kon Meg het juist haar niet vertellen, en buitendien, in het mondje van den Generaal verscheen langzamerhand eene dubbele rij witte paarltjes, zijne gezondheid werd daardoor aangetast, en veroorzaakte zijne moeder te veel zorg, om haar voor Meg's gedruktheid oogen te geven.

Toen de dag, waarop de wandeling zou plaats vinden, genaderd was, had zij zich in een toestand van hevige opwinding gebracht.

Half zeven was de afgesproken tijd; zooals zij wist, was het dan nog helder licht. Zij zag in, dat zij inderdaad niet mocht, niet kon gaan. Veronderstel dat haar vader of Esther, eenige van hare spotachtige jongere zusters of broeders, in de nabijheid zouden zijn en de ontmoeting zien, of een der buren--zij zou de schande nooit kunnen overleven! En toch, gaan moest zij, want anders zou Aldith haar verachten. Buitendien had zij zich voorgenomen Andrew kalm te zeggen, dat zij hem niet kon veroorloven tot haar te spreken, als hij gedaan had. Na de laatste, verschrikkelijke, gefluisterde woorden, vond zij het noodzakelijk, hem duidelijk te doen begrijpen, dat zij zijn gedrag niet goed vond, en wel "zijne vriendin" wilde zijn, maar ook niets anders.

Maar waarom hadden zij niet een uur gekozen als het reeds donkerder zou zijn? zeide zij bij zich zelve: dan zou er geen gevaar bestaan van gezien te worden; zij zou dan het huis uit kunnen sluipen zonder de minste moeielijkheid, en door de grasvelden loopen, beschermd door de schemering; terwijl, wanneer het nog licht was, en zij zou beproeven ongemerkt weg te vluchten, ten minste twee of drie van de kinderen achter haar aan zouden komen loopen en haar edelmoedig zouden aanbieden "mede te gaan."

Ten laatste, te bang om, terwijl het nog dag was, te gaan, en ook niet willende, dat Aldith boos op haar zou kunnen zijn, omdat zij in het geheel niet gekomen was, deed zij in hare opwinding eene wanhopige daad--iets zoo gewaagds, dat zij er langen tijd niet dan met afschuw aan kon denken.

"Waarde Mr. Courtney,"--schreef zij, voor haar toilet zittende, haastig met potlood--"het zou niet aardig zijn, om zoo vroeg te wandelen. Laten wij later gaan, wanneer het geheel donker is. Het zal dan veel prettiger zijn, want niemand zal ons dan kunnen zien. En laten wij elkaar ontmoeten geheel aan het einde der grasvelden, waar het boschje zeer dicht is, daar kan niets ons storen. Ik schrijf Aldith ook tegen dien tijd te komen, en zij zal het Mr. Graham doen weten.

Geheel de uwe,

M. Woolcot.

P. S. Ik moet u uitdrukkelijk verzoeken, mij niet te kussen. Ik zou werkelijk zeer boos zijn, wanneer u het deed. Ik houd daar niet van."

De laatste woorden schreef zij in zenuwachtige haast, want zij had grooten angst, dat hij zijn woord zou houden, indien zij dit niet bij de eerste de beste gelegenheid voorkwam. Toen deed zij het briefje in eene enveloppe en schreef er het adres op, terwijl het zelfs geen oogenblik bij haar was opgekomen, er iets vreemds of onbehoorlijks in te vinden, dat een jong meisje er zoo op gesteld was, de ontmoeting in het donker te doen plaats hebben.

Daarop schreef zij eenige woorden aan Aldith, en zeide haar er vast op te rekenen, haar te half negen achter de grasvelden te vinden, terwijl zij zelve weg zou sluipen, wanneer de kinderen naar bed gingen en haar zeer waarschijnlijk niet zouden opmerken.

En toen ging zij naar den tuin om boden voor de twee briefjes te zoeken. De kleine Flossie Courtney had den middag bij Nellie doorgebracht, en Meg riep haar terug, juist toen zij het hek door ging om naar huis te wandelen, en, zonder dat de kinderen het zagen, vertrouwde zij haar het briefje toe.

"Geef dit aan je broer Andrew dadelijk als hij uit school komt!" fluisterde zij, en stopte in hetzelfde oogenblik een groot stuk chocolade in den mond van het kleine meisje. Bunby werd daarop omgekocht, met eene belofte van dezelfde licht smeltende snoepernij, om met het andere briefje naar Aldith te loopen, en Meg haalde weer vrij adem, daar zij het dreigende gevaar op listige wijze meende gekeerd te hebben.

Maar er scheen geen zegen op de briefjes te rusten!

Bunby overhandigde het zijne aan de meid van de familie MacCarthy, en gaf op eene vraag van het dienstmeisje ten antwoord: "Ik zal wel op antwoord moeten wachten, meisjes moeten er altijd een hebben op niets."

Aldith was aan hare kamer gebonden door eene plotselinge hevige verkoudheid, en schreef hare vriendin een briefje, om haar mede te deelen, dat zij te ziek was om uit te gaan, en aan Mr. Graham en aan Mr. Courtney ook geschreven had, daar zij de wandeling eene week wenschte uit te stellen.

Nu kwam dit briefje, in zijne lichtrose, driekante enveloppe, in Bunby's zak terecht tusschen zijne knikkers en noten en touwtjes. En, als wel te voorzien was, zag hij op den terugweg eenige kameraadjes, met wie hij weldra aan den kant van den weg op zijne knieën zat te knikkeren.

Hij verloor tien knikkers, en zijne allermooiste, roste een jongen af, die zich onwettig in het bezit had gesteld van zijn meest geliefd "bastje", kwam een uur later in treurige stemming thuis, en bespeurde bij het hek dat hij Aldith's coquet briefje verloren had.

Nu had Meg hem acht chocoladen okkernoten bij zijne terugkomst beloofd, en wanneer ons heertje eene zwakheid had, die zich meer deed gelden dan de andere, dan was het zijne groote partijdigheid voor deze soort van lekkernij, en, daar hij in weken geene enkele geproefd had, was het geen wonder dat zijn hart bijna brak bij de gedachte, dat hij ze door eigen schuld verbeurd had.

"Ik begrijp wel dat ze onuitstaanbaar genoeg zal zijn om te zeggen, dat ik ze niet verdiend heb, alleen omdat ik het gekke briefje van dat schepsel verloren heb," zeide hij, diep ongelukkig, tot zich zelven, "en ik kan me wel denken, dat er niets anders in stond, dan: "Liefste Marguerite, laten wij elkander altijd en altijd onze geheimen vertellen"; dat heb ik haar tweemaal hooren zeggen, en dus zal zij het nog wel eens schrijven." De verleiding greep hem aan, plotseling, stormenderhand.

Bunby was van nature de meest gewetenlooze kleine leugenaar, die ooit bestaan had, en alleen Judy's onkreukbare eerlijkheid en nadrukkelijk uitgesproken verachting voor al wat onoprecht was, hadden hem tamelijk betrouwbaar doen blijven. Maar Judy was mijlen weg, en kon hem onmogelijk angstig maken door een blik vol innige verstoordheid. Hij stond nu voor de deur der kinderkamer en draaide met aarzelende vingers den deurknop om.

"Wat ben je lang weggebleven!" zeide Meg van de tafel, waar zij een doos vol handschoenen zat te naaien. "Wat heeft zij gezegd?"

Juist naast haar elleboog stond de begeerlijke bonbonnière, waarin de bruine, met fondant omgeven okkernoten lagen.

"Zij zeide: "Het is goed!"" sprak Bunby stuursch.

Meg telde de acht chocolaadjes in hare kleine, onreine hand, en zette haar naaiwerk voort met een zucht van verlichting. En Bunby, met een schichtigen, schuwen blik in zijne oogen, stopte al de chocolaadjes op eens in zijn mond, als om de mogelijkheid van een plotseling berouw te voorkomen.

Het andere briefje ging het even slecht. Flossie ging naar huis, peinzende over een zeker Kate Greenaway-mutsje, dat Nell beloofd had voor hare nieuwe pop te zullen maken.

"Groen met rose lint," zeide zij zachtjes bij zich zelve toen zij de trap van het huis haars vaders opging. Alan lag in de veranda in een gemakkelijken stoel en rookte zijne zwarte pijp.

"Wat moet groen zijn?" riep hij lachend.--"Guineesche biggetjes of kangoeroes?"

"De hoed van Clarice Maud," zeide het kleine meisje, en opende dadelijk een ernstig gesprek met hem over de kleur, die hij het geschiktst vond voor den wintermantel van dezen wassen jonge dame.

Toen wilde zij het huis binnen gaan.

"Wat steekt daar uit je zakje, Flossie?" zeide hij, toen zij hem voorbij liep.

Zij bleef even stilstaan en tastte in haar zak.

"O, dat had ik bijna vergeten, en ik heb beloofd, dat ik er aan zou denken,--hier is een briefje voor jou, Alan!" zeide zij, en gaf Meg's rampspoedig episteltje in de hand, voor welke het niet bestemd was.

HOOFDSTUK VIII.

EEN CATAPULT EN EENE CATASTROPHE.

De schemering had zich zeer kalm en zeer ongemerkt uitgebreid over den tuin, en de grasvelden, en de rivier. Er was een zwak windje aan den waterkant, maar het scheen na dezen warmen, langen dag bijna te moede om zich te verheffen en het water te rimpelen. Langzaam, zeer langzaam nam het grauwe, stille licht af, en een of twee bleeke sterren begonnen daar hoog, boven in de lucht, te stralen. In de verte, achter de gomboomen, aan gene zijde der rivier, stond eene nog bleeker maan; reeds kon eene streep van het water haar een glimlach toezenden. Meg hoopte, dat zij niet vóór acht uur boven de kronen der boomen zou gerezen zijn, want dan zouden de uitgestrekte grasvelden in een stroom van maanlicht baden, en zij zou kunnen gezien worden. Onder de thee, en gedurende het eerste gedeelte van den avond, was zij afgetrokken en prikkelbaar in haar angst, en twee of drie maal snauwde zij Bunby tamelijk onvriendelijk af.

Van een uur of zes af had hij onophoudelijk om haar heen gedraaid.